Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4659

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-12-2019
Datum publicatie
24-12-2019
Zaaknummer
20-002455-19
Formele relaties
Na prejudiciële beslissing van : ECLI:NL:HR:2019:1014
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Schadevergoedingsuitspraak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Belediging van twee ambulancemedewerkers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002455-19

Uitspraak : 24 december 2019

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats

’s-Hertogenbosch, van 16 februari 2017, parketnummer 01-228428-16 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Procesverloop

Bij arrest van dit hof van 3 november 2017, gewezen onder parketnummer 20-000917-17, is het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld, waarvan op 10 november 2017 een akte cassatie is opgemaakt. Bij arrest van 25 juni 2019, gewezen onder nummer 17/05343, heeft de Hoge Raad het arrest van dit hof vernietigd en de zaak teruggewezen, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan. Het hof heeft de zaak ter terechtzitting van 12 december 2019 alsnog inhoudelijk behandeld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Daarnaast heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volledig kunnen worden toegewezen, te weten ieder tot een bedrag van € 160,= te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken en dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vordering. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd en eveneens verzocht dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vordering dan wel dat die vorderingen zullen worden afgewezen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 februari 2016 te Uden opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] in zijn/haar/hun tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "domme kut, domme muts", "Jij snapt er niets van stomme trut, stomme doos", "klojo", "Kutwijf, ga eens een opleiding volgen blonde doos", "Hersenloze runderen", "klootzak", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 februari 2016 te Uden opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "domme kut, domme muts", "Jij snapt er niets van stomme trut, stomme doos", "klojo", "Kutwijf, ga eens een opleiding volgen blonde doos", "Hersenloze runderen", "klootzak" , althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat hij zal worden vrijgesproken, bij gebrek aan voldoende wettig en/of overtuigend bewijs. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte ontkent de in de tenlastelegging vermelde bewoordingen te hebben geuit. Er is buiten de aangifte geen ander bewijsmiddel waaruit blijkt dat de verdachte zich in de ten laste gelegde zin heeft geuit tegen aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Volgens de raadsvrouw kan daarvoor geen ondersteuning worden gevonden in het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die ter plaatse waren, omdat zij verklaren niet te hebben gehoord wat er in de slaapkamer is gezegd. Bovendien kan uit de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] niet worden opgemaakt dat de verdachte beledigende woorden heeft gebruikt die betrekking hebben op een man, zoals de termen “klojo” en “klootzak”.

Het hof overweegt als volgt.

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft op 12 februari 2016 (dossierpagina’s 8 en 9 van het politiedossier) tegenover de politie verklaard dat de verdachte meteen al begon te vloeken toen zij en haar collega [slachtoffer 2] in de woning kwamen. Zij is samen met haar collega naar de slaapkamer van de vriendin van de verdachte gegaan om hulp te verlenen. Ook daar was de verdachte aan het schelden. Verder heeft zij verklaard dat de verdachte, toen zij en [slachtoffer 2] samen probeerden de vriendin van de verdachte overeind te zetten om haar naar de ambulance te brengen, tegen [slachtoffer 1] en haar collega begon te schreeuwen dat ze er niets van snapten en dat ze zo niet met mensen moesten omgaan. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte zowel tegen aangeefster [slachtoffer 1] als tegen haar collega [slachtoffer 2] aan het schelden was.

Dit volgt ook uit de verklaring die aangever [slachtoffer 2] op 12 februari 2016 heeft afgelegd (dossierpagina’s 14 tot en met 17 van het politiedossier). Hij heeft tegenover de politie verklaard dat de verdachte tegen hen heeft gescholden, met name in het kader van het verplaatsen van de vriendin van de verdachte naar de ambulance. Toen heeft de verdachte bewoordingen geuit als "hersenloze runderen", "die blonde doos kan er niks van, het wordt tijd dat ze vakbekwame mensen sturen", "ik zeg toch dat ze niet kan lopen stomme blonde doos" en "Hey klootzak, ik zei toch dat ze niet kon lopen. Zie je wel heb je dat gezeik weer". In het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die ter plaatse waren is eveneens te lezen dat niet alleen de vader van de vriendin van de verdachte, maar ook de verdachte heeft gescholden tegen de ambulancemedewerkers (dossierpagina’s 24 tot en met 27 van het politiedossier).

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, die elkaar ondersteunen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in de tenlastelegging vermelde bewoordingen, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking, tegen de ambulancemedewerkers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geuit. Dat de betrokken personen niet identiek verklaren over welke woorden zijn gebruikt, doet daar niet aan af, nu uit alle verklaringen duidelijk blijkt dat de verdachte tegen beide ambulancemedewerkers heeft gescholden.

Het verweer wordt verworpen.

In de cassatieschriftuur d.d. 11 juni 2018 is aan de orde gesteld dat het dossier geen klacht van de aangevers bevat. Dit is volgens artikel 269 van het Wetboek van Strafrecht een vereiste. Naar het oordeel van het hof kunnen ambulancemedewerkers in gevallen als de onderhavige echter gelijk worden gesteld aan “ambtenaren gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening” in de zin van artikel 267, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht. Bij de belediging van dergelijke functionarissen geldt het klachtvereiste niet. Bovendien, voor zover het al niet zou gaan om aan ambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun functie gelijk te stellen personen, kan de klacht geacht worden besloten te liggen in de aangiftes d.d. 12 februari 2016 en de verklaringen van de aangevers van 17 en 18 februari 2016; daaruit blijkt dat zij de vervolging van de verdachte wensten. Bij dit oordeel betrekt het hof de omstandigheid dat beide aangevers als benadeelde partij een verzoek tot vergoeding van immateriële schade hebben ingediend.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat aan hem, gelet op het tijdsverloop sinds het ten laste gelegde incident en zijn persoonlijke omstandigheden, een geheel voorwaardelijke straf zal worden opgelegd. In het bijzonder is daartoe aangevoerd dat de vriendin van de verdachte hulpbehoevend is en dat de verdachte 24 uur per dag voor haar zorgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde overweegt het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het beledigen van twee ambulancemedewerkers die hulp kwamen verlenen aan zijn vriendin, door het gebruik van grove teksten, gericht op hun persoon.

Door zo te handelen heeft de verdachte hen op een bijzonder vervelende manier gehinderd in de uitoefening van hun werk. Gelet op de belangrijke hulpverlenende taak die ambulancemedewerkers hebben in de maatschappij, verdienen zij bijzondere bescherming, om te voorkomen dat zij bij de uitoefening van hun functie slachtoffer van strafbaar handelen worden.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

18 oktober 2019, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk tot straf is veroordeeld door de strafrechter. Volgens genoemd uittreksel is de verdachte ook nadien niet opnieuw in aanraking gekomen met politie en justitie. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft in het kader van de straftoemeting kennis genomen van de inhoud van de LOVS-oriëntatiepunten. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf aan een ‘first offender’ ter zake van belediging een geldboete van € 150,=. Voor zover dergelijke feiten worden begaan tegen ambulancemedewerkers gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening kan de in het oriëntatiepunt genoemde straf worden verhoogd met 33% tot 100%.

Het gaat in deze strafzaak om een vergaande vorm van belediging van twee ambulancemedewerkers, om welke reden het hof met de politierechter en de advocaat-generaal van oordeel is dat de oplegging van een taakstraf - en niet van een geldboete - aan de orde is. Anderzijds betrekt het hof in zijn oordeel over de straftoemeting dat het gaat om een oud feit en dat de verdachte buiten dit feit een blanco strafblad heeft.

Alles overziend acht het hof het passend en geboden aan de verdachte een taakstraf op te leggen van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis. Ter terechtzitting is het hof onvoldoende gebleken dat de verdachte, al dan niet met inzet van het persoonsgebonden budget ten behoeve van zijn vriendin, niet in staat is om een taakstraf te verrichten.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 160,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Bij brief d.d. 21 augustus 2017 heeft de heer [naam] van RAV Brabant Midden-West-Noord medegedeeld dat de schadevergoeding van € 160,=, die ook is toegewezen in de strafzaak tegen een medeverdachte, volledig is geïnd door het Centraal Justitieel Incassobureau en is uitgekeerd aan de slachtoffers. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] is daarmee al voldaan. Om die reden kan zij in haar vordering niet meer worden ontvangen. Met betrekking tot de kosten zal worden beslist als in het dictum vermeld.

Vordering van de benadeelde partij M.J.W.T. [slachtoffer 2]

De benadeelde partij M.J.W.T. [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 160,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Bij brief d.d. 21 augustus 2017 heeft de heer [naam] van RAV Brabant Midden-West-Noord medegedeeld dat de schadevergoeding van € 160,=, die ook is toegewezen in de strafzaak tegen een medeverdachte, volledig is geïnd door het Centraal Justitieel Incassobureau en is uitgekeerd aan de slachtoffers. De vordering van de benadeelde partij M.J.W.T. [slachtoffer 2] is daarmee al voldaan. Om die reden kan hij in zijn vordering niet meer worden ontvangen. Met betrekking tot de kosten zal worden beslist als in het dictum vermeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij M.J.W.T. [slachtoffer 2]

Verklaart de benadeelde partij M.J.W.T. [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door:

mr. A.C. Bosch, voorzitter,

mr. P.M. Frielink en mr. M.J. Grapperhaus, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 24 december 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.C. Bosch is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.