Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4602

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-12-2019
Datum publicatie
17-12-2019
Zaaknummer
200.266.643_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:4124
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1:253a BW. Bekrachtiging beslissing rechtbank tot verlenen vervangende toestemming zodat kinderen kunnen deelnemen aan rijksvaccinatieprogramma met uitzondering van HPV vaccinaties: dat betreft een toekomstige situatie die nu nog niet aan de orde is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2020/19
FJR 2020/42.22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 16 december 2019

Zaaknummer: 200.266.643/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/358083 / FA RK 19-2233

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.L. de Koeijer,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.C. Hissink.

Deze zaak gaat over:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (België);

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] (België);

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] (België).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland,

locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 5 september 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 september 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de vader af te wijzen onder toewijzing van de verzoeken van de moeder, althans voor zover de verzoeken van de vader worden toegewezen, de (voorwaardelijke) verzoeken van de moeder toe te wijzen, het hof begrijpt:

  • -

    voor zover de verzoeken van de vader worden toegewezen, dat aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend voor begeleiding van de vaccinaties door homeopathische verdunning;

  • -

    voor zover de verzoeken van de vader worden toegewezen, dat aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend voor toediening van mono-vaccins in plaats van combinatievaccins;

  • -

    dat aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend voor het geven van afgekolfde moedermelk door het kinderdagverblijf aan [minderjarige 3] , ook in de weken dat [minderjarige 3] volgens de zorgregeling bij haar vader verblijft.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 oktober 2019, heeft de vader verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen.

Bij wijze van incidentele vordering ex artikel 234 Rv heeft de vader verzocht de bestreden beschikking alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en in appel bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad en zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden deze beschikking voor het overige te bekrachtigen en deze alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 1 november 2019, heeft de moeder verzocht:

I. het incidenteel verzoek ex artikel 234 Rv af te wijzen;

II. het incidenteel beroep af te wijzen en de beschikking ook in hoger beroep te onthouden van uitvoerbaarheid bij voorraad.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 november 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- partijen, bijgestaan door hun advocaten;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 26 augustus 2019, overgelegd door de advocaat van de vader bij V-formulier van 10 oktober 2019;

- het V-formulier met één bijlage van 28 oktober 2019 van de advocaat van de vader;

- het V-formulier met bijlagen van 1 november 2019 van de advocaat van de vader.

3 De beoordeling in het principaal en incidenteel appel

3.1.

Tijdens het huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]), op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3]), op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .

Er is sprake van gezamenlijk gezag van de ouders over de kinderen.

Voor de volledigheid merkt het hof op dat op [geboortedatum] 2019 uit de huidige relatie van de vader [minderjarige 4] is geboren.

3.2.

Partijen geven uitvoering aan een week-op-week-af regeling waarbij de kinderen de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader verblijven.

Inleidende verzoeken

3.3.1.

De vader heeft de rechtbank verzocht om hem, uitvoerbaar bij voorraad, vervangende toestemming te verlenen om de kinderen volledig te laten inenten, althans dat de rechtbank een zodanige voorziening treft die de rechtbank juist acht.

3.3.2.

De moeder heeft de rechtbank verzocht:

I. de verzoeken van de vader af te wijzen;

II. voor zover de verzoeken van de vader worden toegewezen, tevens toestemming te verlenen voor begeleiding van de vaccinatie door homeopathische verdunning;

III. voor zover de verzoeken van de vader worden toegewezen, toestemming te verlenen voor toediening van mono-vaccins in plaats van combinatievaccins;

IV. vervangende toestemming te verlenen voor het geven van afgekolfde moedermelk door het kinderdagverblijf aan [minderjarige 3] , ook in de weken dat [minderjarige 3] volgens de zorgregeling bij haar vader verblijft.

3.3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank ter vervanging van de toestemming van de moeder aan de vader toestemming verleend tot deelname van de kinderen aan het rijksvaccinatieprogramma. Verder heeft de rechtbank het meer of anders verzochte afgewezen.

De rechtbank heeft deze beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.4.

De moeder kan zich niet met deze beslissingen verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De vader kan zich er niet mee verenigen dat zijn verzoek om de beslissing ten aanzien van het vaccineren uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, is afgewezen.

De standpunten van de ouders luiden, kort samengevat, als volgt.

De moeder over het vaccineren:

3.5.1.

De ziekten waartegen worden ingeënt komen vrijwel niet meer voor. De kans op besmetting is zeer gering. Wanneer de kinderen besmet zouden raken, is de kans op complicaties ook zeer gering. Er is dus geen zwaarwegend belang voor de kinderen om deel te nemen aan het vaccinatieprogramma. Op grond van artikel 253a BW moet de rechter een beslissing nemen die in het belang van het kind is. Daarmee is bedoeld het individueel belang. De rechtbank heeft ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen HPV-vaccin en overige vaccins. De vaccinatiegraad van HPV is veel lager dan gemiddeld. Er zijn veel ouders die ervoor kiezen hun dochter niet in te enten. De HPV-prik wordt gegeven na het twaalfde levensjaar; het kind heeft om die reden ook een stem. De rechtbank ziet ten onrechte geen aanleiding om te bepalen op welke wijze de kinderen de vaccins dienen te ontvangen (met tussenpozen, mono-vaccins of homeopathische verdunningen). Het vaccin wordt niet vervangen door de verdunningen. De moeder is ervan overtuigd dat eventuele schadelijke effecten van vaccinatie (bijwerkingen) hiermee worden ondervangen. Mono-vaccins zijn minder ingrijpend dan combinatievaccins.

De vader over het vaccineren:

3.5.2.

De vader en zijn nieuwe partner verwachten een kind. Het is belangrijk dat de drie kinderen worden ingeënt om een veilig contact met hun halfbroertje- of zusje mogelijk te maken. Wanneer vaccinatie achterwege blijft en er geen contact kan zijn tussen de kinderen wordt – gegeven het feit dat partijen de zorg voor de kinderen gezamenlijk delen – het gezinsleven van de vader verstoord; dat is een inbreuk op een fundamenteel recht dat hem, de kinderen en zijn nieuwe partner toekomt. Het is een vaste lijn in de jurisprudentie dat vrijwel zonder uitzondering vervangende toestemming wordt verleend om kinderen te laten deelnemen aan het rijksvaccinatieprogramma. Het is zowel in het belang van deze kinderen als in het algemeen belang dat gevaccineerd wordt. Het verkleint het risico dat zij zelf ziek worden en voorkomt dat zij anderen ziek maken. De moeder verwijst naar eenzijdige en veelal gedateerde en niet breeduit in literatuur en wetenschap ondersteunde meningen en opinies. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben enkele inentingen gehad en hebben daarop op geen enkele wijze negatief gereageerd en zij hebben ook geen klachten gekregen. De opstelling en mening van de moeder is onverantwoord en egoïstisch. Op geen enkele wijze biedt een door de moeder bepleite homeopathische verdunning soelaas en voldoende bescherming. Het wordt op geen enkele wijze wetenschappelijk ondersteund. Dat geldt ook voor de door de moeder bepleite mono-vaccins en/of het inenten met tussenpozen. Op geen enkele manier is gebleken dat deelname aan het rijksvaccinatieprogramma ook voor de kinderen van partijen tot onaanvaardbare risico’s zou leiden. De belangen van de kinderen bij vaccinatie en het afgeleide belang van de vader om in het belang van de kinderen te handelen, wegen zwaarder dan het belang van de moeder om de vaccinatie tegen te houden.

De moeder over de borstvoeding

3.5.3.

De rechtbank heeft een onjuist criterium toegepast door te overwegen dat niet is gebleken dat het voor [minderjarige 3] van levensbelang is dat zij moedermelk blijft drinken. De rechtbank had dienen te oordelen of het in het belang van [minderjarige 3] wenselijk is dat zij moedermelk krijgt in de weken dat zij bij de vader verblijft. Ook op latere leeftijd heeft borstvoeding een positief effect op de emotionele en fysieke gezondheid van een kind.

De vader over de borstvoeding

3.5.4.

De moeder mag de vader en derden niet verplichten moedermelk te blijven geven aan een 2,5 jarig kind. De moeder kan haar overtuiging niet aan hem opleggen of anderszins afdwingen. Dat geldt temeer nu niet is gesteld of gebleken dat het voor [minderjarige 3] van levensbelang is dat zij nog immer moedermelk ontvangt. De moeder onderbouwt haar stellingen niet met medisch onderbouwde en breed gedragen medische adviezen die gelden in de westerse wereld.

3.6.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, kort samengevat, het volgende verklaard.

De raad is niet medisch onderlegd en heeft geen visie over het inenten. Wel maakt de raad zich zorgen over de kinderen en de klempositie waarin zij zitten, omdat de ouders zo verdeeld zijn. Er moet duidelijkheid komen op dit punt. De raad verwacht niet dat de ouders hier met mediation of een andere vorm van hulpverlening uit gaan komen. De raad voorziet zorgen over hoe deze ouders in de toekomst samen beslissingen moeten nemen; de ouders hebben een behoorlijk verschil van visie.

Het hof overweegt het volgende.

Omvang van het geschil

3.7.1.

Ter zitting van het hof heeft de vader zijn incidentele vordering ex artikel 234 Rv ingetrokken, omdat het hof op 4 november 2019 ook de bodemprocedure heeft behandeld. In deze bodemprocedure ligt het verzoek van de vader om de beschikking in hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad te verklaren immers al voor.

Het hof zal de vader in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn incidenteel appel.

3.7.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (BW) dient de rechter in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in acht te nemen.

 3.8. Vaccineren

3.8.1.

In de onderhavige zaak verschillen de ouders van mening over de vraag of het in het belang van de kinderen is dat zij deelnemen aan het rijksvaccinatieprogramma. Vaststaat dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] een deel van de vaccinaties ontvangen hebben en [minderjarige 3] geen enkele vaccinatie.

3.8.2.

Het rijksvaccinatieprogramma is van overheidswege opgesteld ter bescherming van (jonge) kinderen tegen diverse aandoeningen die voor hen schadelijk kunnen zijn. Het programma is door wetenschappelijk onderzoek onderbouwd.

3.8.3.

Anders dan de rechtbank ziet het hof wel aanleiding om bij de beoordeling een onderscheid te maken tussen de HPV-vaccinaties en de overige vaccinaties.

HPV-vaccinaties (Humaan Papilloma Virus)

3.8.4.

Dit betreft een toekomstige situatie die nu nog niet aan de orde is. [minderjarige 1] is 10 jaar oud, [minderjarige 2] 5 jaar en [minderjarige 3] is 2. Meisjes krijgen op dit moment op de leeftijd van 12/13 jaar een vaccinatie aangeboden tegen HPV. Vanaf het jaar 2021 wordt die leeftijd verlaagd naar 9 jaar en komt het vaccin ook in het vaccinatiepakket voor jongens. Gezien de actuele leeftijd van de kinderen en het gegeven dat de kwestie betreffende de vaccinatie tegen HPV zich niet eerder dan het jaar 2021 concreet zal kunnen voordoen en in ieder geval [minderjarige 1] op grond van artikel 7:450 lid 2 BW hierover kan meebeslissen, ziet hof op dit moment onvoldoende aanleiding om de moeder te verplichten mee te werken aan HPV-vaccinaties. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het hoger beroep van de moeder op dit onderdeel slaagt. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover daarbij aan de vader vervangende toestemming is verleend tot deelname van de kinderen aan het rijksvaccinatieprogramma, uitsluitend voor zover dit de HPV-vaccinaties betreft.

Overige vaccinaties

3.8.5.

Op dezelfde gronden die het hof overneemt en na eigen afweging en beoordeling tot de zijne maakt is het hof van oordeel dat [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] (volledig) dienen deel te nemen aan het Rijksvaccinatieprogramma.

Het hof voegt hier nog het navolgende aan toe.

Het hof is van oordeel dat het belang van de kinderen in beginsel is gediend bij bescherming tegen infectieziekten. Dit raakt ook het individueel belang van [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] , omdat het zij minder kans hebben om zelf één van de infectieziekten te krijgen en het niet in hun belang is om een ziekte te verspreiden. Ondanks andere opinies die in de afgelopen jaren naar voren zijn gebracht, is de heersende leer nog altijd dat het Rijksvaccinatieprogramma voldoet en zonder wezenlijke risico’s kan worden opgevolgd. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat in medische krijgen het gevoerde overheidsbeleid breed wordt gedragen en dat het overgrote deel van de bevolking dit overheidsbeleid ook volgt en kinderen laat deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma. Het hof acht het niet in het belang van de kinderen dat zij aan een gevaar van meer risico op een ziekte waartegen zij gevaccineerd hadden kunnen zijn, worden blootgesteld. Dit geldt temeer nu de ouders de zorg voor de kinderen bij helfte delen en het gezin van de vader recent is uitgebreid met de pasgeboren [minderjarige 4] . Het zou gezondheidsrisico’s voor [minderjarige 4] kunnen opleveren wanneer [minderjarige 4] in direct contact zou komen met [minderjarige 3] die, anders dan [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , zelfs nog geen enkele inenting heeft gehad. Dit acht het hof een zeer onwenselijke – en onnodige – situatie.

De moeder heeft geen godsdienstige of principiële bezwaren tegen de vaccinaties; haar zorg ligt erin dat de vaccinaties schadelijke stoffen bevatten. Het hof gaat aan haar bezwaren voorbij, nu deze bezwaren niet opwegen tegen de risico’s die ontstaan als de kinderen niet worden ingeënt.

Al met al is het hof van oordeel dat de kinderen alsnog zo snel mogelijk moeten worden ingeënt volgens het Rijksvaccinatieprogramma met, zoals hiervoor overwogen, uitzondering van de HPV-vaccinaties. Uit de stukken is voldoende aannemelijk is geworden dat [minderjarige 3] nog kan deelnemen aan het programma, ook al heeft zij een achterstand in vaccinaties.

3.8.6.

Al het overige dat door de moeder is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Gelet op het feit dat (i) er reeds in een eerder stadium tussen partijen geen overeenstemming is bereikt bij Juzt omtrent de vaccinaties, (ii) de vader ten tijde van de procedure bij de rechtbank en ook thans een beslissing inzake de vaccinaties wenst en geen verwijzing naar Juzt of een andere hulpverlenende instantie wil om (onder meer) de problematiek inzake de vaccinaties bespreekbaar te maken en (iii) het belang voor [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] om zo spoedig mogelijk deel te nemen aan het rijksvaccinatieprogramma, is het hof met de rechtbank van oordeel dat een nieuwe verwijzing naar Juzt of een andere instantie niet aangewezen is.

Het hof zal de bestreden beschikking dan ook voor het overige bekrachtigen.

3.8.7.

Het hof ziet geen gronden om de verzoeken van de moeder in geval van bekrachtiging van de bestreden beschikking, te weten (i) vervangende toestemming te verlenen voor begeleiding van de vaccinaties door homeopathische verdunning dan wel (ii) vervangende toestemming te verlenen voor toediening van mono-vaccins in plaats van combinatievaccins, toe te wijzen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de uitvoering van het Rijksvaccinatieprogramma overgelaten dient te worden aan de betreffende artsen/deskundigen die met die uitvoering belast zijn.

 3.9. Borstvoeding

3.9.1.

Tot slot zal het hof een oordeel geven over de borstvoeding. Ook hier is het toetsingskader op basis van artikel 1:253a BW dat het hof dient te beslissen wat in het belang van [minderjarige 3] wenselijk is. Evenals de rechtbank wijst het hof dit verzoek van de moeder af, onder aanvulling van de volgende gronden.

3.9.2.

Zowel de Wereldgezondheidsorganisatie als Unicef raden aan om minimaal 2 jaar borstvoeding te geven, waarvan de eerste 6 maanden uitsluitend borstvoeding. [minderjarige 3] is inmiddels 2,5 jaar oud. Het staat ieder van de ouders in beginsel vrij om zelfstandig te beslissen over het wel of niet geven van afgekolfde borstvoeding aan [minderjarige 3] in de tijd dat [minderjarige 3] bij hem/haar verblijft. Dit kan anders zijn indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die maken dat het voor [minderjarige 3] beter is als zij altijd afgekolfde melk blijft drinken. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep haar standpunt genuanceerd: [minderjarige 3] heeft last van haar stoelgang en obstipeert als zij geen borstvoeding krijgt. De vader heeft dit gemotiveerd weersproken. Volgens hem heeft [minderjarige 3] geen obstipatie. [minderjarige 3] eet bij hem gewoon “met de pot mee” en hij merkt nooit dat [minderjarige 3] last heeft van haar stoelgang. In het licht van deze betwisting, is het hof van oordeel dat de moeder haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Alles afwegende is niet gebleken dat de huidige situatie niet in het belang van [minderjarige 3] is en zal het hof de vader niet verplichten om [minderjarige 3] afgekolfde borstvoeding te geven in de tijd dat [minderjarige 3] bij hem is.

 3.10. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

De vader heeft nadrukkelijk verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het hof zal dit verzoek toewijzen. Het hof is van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij zo spoedig mogelijk deelnemen aan het rijksvaccinatieprogramma, nu zij – met name [minderjarige 3] – zolang zij niet (volledig) zijn gevaccineerd geen bescherming opbouwen en de kans op infectieziekten groter is.

4 De beslissing

Het hof:

in het principaal appel:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij aan de vader, ter vervanging van de toestemming van de moeder, toestemming is verleend tot deelname van:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedatum] 2009,

  • -

    [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedatum] 2014,

  • -

    [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedatum] 2017,

aan het rijksvaccinatieprogramma met uitzondering van de HPV-vaccinaties;

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover voornoemde verleende vervangende toestemming de HPV-vaccinaties betreft en wijst dat verzoek van de vader in zoverre af.;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

in het incidenteel appel:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, L.Th.L.G. Pellis en E.M.C. Dumoulin en is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2019 in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier