Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4499

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2019
Datum publicatie
13-12-2019
Zaaknummer
200.254.654_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beroepstermijn artikel 806 Rv, niet verschenen belanghebbende

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 806
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0316
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.254.654/01

zaaknummer rechtbank : C/03/239021 / FA RK 17-3060

beschikking van de meervoudige kamer van 12 december 2019

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. N.M.F. Statnik,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: voorheen mr. A.M.B.J. Derks-Höppener, thans mr. N.M. de Houwer-van Wijk.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 24 september 2018 en 19 november 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 15 februari 2019 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikkingen van 24 september 2019 en 19 november 2018.

2.2.

De vrouw heeft op 24 april 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 16 januari 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 28 oktober 2019 met bijlagen, ingekomen op 28 oktober 2019.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 5 november 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.5.

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een journaalbericht van de zijde van de man van 12 november 2019 met als bijlagen de jaaropgaaf 2017 en de loonstroken over de maanden augustus, september en oktober 2019. Van de zijde van de vrouw is hierop op 21 november 2019 een reactie van de vrouw ontvangen.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Op [geboortedatum] 2015 is uit de vrouw te [geboorteplaats] geboren [minderjarige] . [minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking van 24 september 2018 is, voor zover thans van belang, het ouderschap van de man vastgesteld.

Bij de bestreden beschikking van 19 november 2018 is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 2 augustus 2017 bepaald op € 200,- per maand.

4.2.1.

De man heeft verzocht:

I. de bestreden beschikking van 24 september 2019 te vernietigen, daarmee het verzoek van de vrouw tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap alsnog af te wijzen;

II. de bestreden beschikking van 19 november 2018 te vernietigen, daarmee het verzoek van de vrouw tot vaststelling onderhoudsbijdrage, alsnog af te wijzen.

4.2.2.

De grieven van de man zien op de vaststelling van het ouderschap van de man en op de verplichting van de man tot betaling van kinderalimentatie, subsidiair, op de behoefte van [minderjarige] en op de draagkracht van de vrouw en de man.

4.3.

De vrouw heeft verzocht, verkort weergegeven, de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoeken af te wijzen als feitelijk onjuist en rechtens ongegrond en de beide bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Ten aanzien van de bestreden beschikking van 24 september 2018

(ter zake de gerechtelijk vaststelling ouderschap)

Ontvankelijkheid

5.1.

De man heeft, kort samengevat, het navolgende gesteld. De beschikking van 19 november 2018 (ter zake de kinderalimentatie) is aan hem betekend op 4 december 2018. Van de beschikking van 24 september 2018 is de man pas op de hoogte geraakt toen de advocaat van de man het gehele procesdossier in eerste aanleg ontving op 25 januari 2019. Nu de man eerst op 25 januari 2019 bekend is geraakt met de beschikking van 24 september 2018 en het verzoekschrift in hoger beroep binnen drie maanden na die bekendwording bij het hof is ingediend, is de man tijdig in beroep is gekomen tegen de beschikking van 24 september 2019.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

5.1.2.

Het hof overweegt het navolgende.

In artikel 806, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald, kort samengevat, dat van een beschikking (in zaken betreffende personen- en familierecht) hoger beroep kan worden ingesteld :

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

De man heeft, zo begrijpt het hof, een beroep gedaan op artikel 806, lid 1 aanhef, onder b Rv, doch het hof is van oordeel dat de ontvankelijkheid van de man in deze zaak beoordeeld dient te worden op grond van artikel 806, lid 1 aanhef, onder a, nu de man, als niet verschenen belanghebbende in de procedure in eerste aanleg, aangemerkt dient te worden als degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden als bedoel in lid 1 aanhef, onder a.

Op grond van het bepaalde in artikel 805 Rv juncto artikel 291 Rv dient een afschrift van een beschikking door de rechtbank aan belanghebbenden te worden toegezonden op de wijze als in de wet bepaald. Het hof overweegt dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de rechtbank de beschikking van 24 september 2018 niet aan hem heeft toegezonden en evenmin dat hij deze niet heeft ontvangen.

De man heeft desgevraagd ter mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat hij via de bijzondere curator op de hoogte was van het feit dat de vrouw de procedure ouderschap had aangevangen, maar dat hij om hem moverende redenen aan die procedure niet heeft willen meewerken. Ook uit het verslag van de bijzondere curator d.d. 1 september 2017 blijkt dat de bijzondere curator de man op de hoogte heeft gesteld van de door de vrouw aangevangen procedure gerechtelijke vaststelling ouderschap bij de rechtbank. De man heeft verder in zijn beroepschrift en ook ter mondelinge behandeling verklaard dat hij correspondentie, ook van de rechtbank, heeft weggegooid, of niet heeft geopend en dat hij aangetekende post ook niet op het postkantoor heeft opgehaald. Voorts heeft de man verklaard dat zijn adres al die tijd ongewijzigd is gebleven. Nu de rechtbank in haar beschikking van 24 september 2018 de man in de kosten van de deskundige heeft veroordeeld en hem in de gelegenheid stelt een verweerschrift in te dienen tegen het verzoek om kinderalimentatie voor [minderjarige] , gaat het hof ervan uit dat deze beschikking door de rechtbank naar de man is verzonden. Gelet op het voorgaande komt de omstandigheid dat de man geen kennis heeft genomen en niet heeft kunnen nemen van de correspondentie van de rechtbank en daarmee niet van de bestreden beschikking van 24 september 2019, naar het oordeel van het hof geheel voor eigen rekening en risico van de man.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, dient de man in zijn hoger beroep ten aanzien van de bestreden beschikking van 24 september 2018 niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dit betekent voor de onderhavige procedure dat rechtens vaststaat dat de man de vader van [minderjarige] is.

Ten aanzien van de bestreden beschikking van 19 november 2018

(vaststelling kinderalimentatie)

5.2.

Het hof overweegt dat het op 15 februari 2019 ingekomen beroepschrift van de man, gelet op het bepaalde in artikel 806, lid 1 aanhef, onder a Rv, tijdig, te weten binnen drie maanden na dagtekening van die beschikking, is ingediend. De man kan in zijn hoger beroep tegen de bestreden beschikking van 19 november 2018 (wel) ontvankelijk te worden verklaard.

5.2.1.

Omdat de man de vader is van [minderjarige] is hij onderhoudsplichtig voor [minderjarige] op grond van artikel 1:394 BW.

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

5.3.

Nu de man geen grief heeft gericht tegen de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum, 2 augustus 2017, staat tussen partijen vast dat de betaling van kinderalimentatie dient in te gaan op 2 augustus 2017.

Behoefte van [minderjarige]

5.4.

De man heeft ter mondelinge behandeling gesteld dat voor de behoefte van [minderjarige] uitgegaan kan worden van een bedrag van € 365,- per maand. De vrouw heeft zich met de door de man gesteld behoefte van [minderjarige] ter mondelinge behandeling akkoord verklaard.

Draagkracht van de vrouw

5.5.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling zijn partijen het erover eens dat voor het aandeel van de vrouw in de kosten van [minderjarige] uitgegaan te worden van een bedrag van € 25,- per maand.

Draagkracht van de man

5.6.

De man is sinds 6 maart 2017 in loondienst als internationaal vrachtwagenchauffeur bij [onderneming] te [plaats] .

Met betrekking tot zijn inkomsten heeft de man bij zijn beroepschrift overgelegd de aangifte Inkomstenbelasting 2015, waaruit een fiscaal loon van de man blijkt van € 23.814,-. Verder heeft de man de loonstroken van oktober, november 2018 en december 2018 overgelegd. Een aangifte Inkomstenbelasting 2018 ontbreekt.

Uit de loonstroken 2018 blijkt een bruto loon van € 2.150,- per maand, te vermeerderen met vakantiegeld. Uit de loonstroken blijk echter ook in de maanden oktober, november en december 2018 een cumulatief loon van respectievelijk € 30.852,25, € 40.416,72 en

€ 41.530,34, welk loon veel hoger is dan het vermelde bruto loon. Het cumulatieve loon volgens de loonstrook van december 2018 is € 41.350,34 minus de loonheffing van

€ 11.915,74 = € 29.614,60 op jaarbasis, dat wil zeggen een netto loon van gemiddeld

€ 2.467,88 per maand, terwijl het loon van € 2.150,- per maand bruto leidt tot een netto loon van € 1.832,88 per maand.

Desgevraagd ter mondelinge behandeling heeft de man verklaard (zeker) niet te hebben beschikt over een netto loon van € 2.467,88 netto per maand. De man kon niet verklaren waarom op de loonstroken 2018 voormeld (veel hogere) cumulatief loon is vermeld. De man heeft verder ook verklaard dat er geen sprake is van onregelmatigheidstoeslag of van bonussen die hij van zijn werkgever ontvangt.

Aan het verzoek van de voorzitter ter mondelinge behandeling om alsnog de jaaropgaaf 2018 toe te zenden, in de verwachting daarmee meer duidelijkheid te krijgen omtrent het jaarinkomen van de man, heeft de man geen uitvoering gegeven. De man heeft bij voormeld journaalbericht van 12 november 2019 gesteld dat de jaaropgaaf 2018 niet meer in zijn bezit is.

De man heeft wel de jaaropgaaf 2017 toegezonden. Daaruit blijkt met ingang van 6 maart 2017 een fiscaal loon van € 32.754,-. De man heeft daarbij geen informatie verschaft over de genoten inkomsten over januari en februari 2017.

Ten slotte heeft de man, eveneens op verzoek van de voorzitter ter mondelinge behandeling, de laatste drie loonstroken - over de maanden augustus, september en oktober 2019 - bij zijn journaalbericht van 12 november 2019 overgelegd. Uit deze loonstroken blijkt een bruto loon van € 2.000,- per maand, te vermeerderen met vakantiegeld. Voorts blijkt een cumulatief loon van € 17.434,72 respectievelijk € 20.447,22 en € 23.577,39.

Het hof overweegt dat het cumulatief loon in oktober van 2019, geëxtrapoleerd over het gehele jaar 2019, resulteert in een jaarloon van afgerond € 28.293,-. Daarvan uitgaande berekent het hof een netto besteedbaar inkomen van de man in 2019 van € 1.940,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende draagkrachtberekening (bijlage I).
Conform de draagkrachtformule 70% [NBI – ( 0,3 x NBI + € 950,-) heeft de man, in ieder geval in 2019 een draagkracht van € 286,- per maand. Het hof volgt daarbij de man niet in zijn stelling dat rekening gehouden moet worden met de aflossing op schulden, welke stelling de vrouw gemotiveerd heeft weersproken. De man heeft zijn stelling niet, althans niet voldoende met verificatoire gegevens onderbouwd, hetgeen gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw wel op zijn weg had gelegen. Het door de man opgestelde overzicht (productie 16) kan in dat verband niet als voldoende onderbouwing worden gekwalificeerd. De man heeft ook geen bewijs aangeboden.

Het hof concludeert samenvattend als volgt.

Nu de man in 2017 en 2018 een hoger inkomen genoot dan in 2019 en de man in 2019 een draagkracht heeft van € 286,- per maand, is het hof van oordeel dat de man in staat is om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 200,- per maand vanaf de ingangsdatum 2 augustus 2017 aan de vrouw te betalen.

5.7.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 24 september 2018;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 19 november 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans, H. van Winkel en

M.I. Peereboom - van Drunick en is op 12 december 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.