Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:447

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
20-000882-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte ter zake van poging tot moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000882-18

Uitspraak : 8 februari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 5 maart 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-865131-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in [adres] .

Hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis van 5 maart 2018 ter zake van poging tot moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslist omtrent de vordering van de [benadeelde partij] .

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair, indien het hof komt tot een bewezenverklaring, heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging primair bepleit dat het hof de vordering wegens de verzochte vrijspraak zal afwijzen. Subsidiair, indien het hof komt tot een bewezenverklaring, heeft de verdediging te kennen gegeven dat de gevorderde materiële schade toewijsbaar is en bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren ten aanzien van de gevorderde immateriële schade.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, met uitzondering van de bewijsvoering en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en daaraan verbonden schadevergoedingsmaatregel.

Bewijsmiddelen 1

1. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 november 2017 (p. 13-15), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

(p. 13)

De C staat voor centralist.

De M staat voor melder.

C: Meldkamer politie, wat is de locatie van het noodgeval?

M: [straat 2] te [plaats 2] .

C: Wat is er aan de hand?
M: Ik heb net geprobeerd mijn vrouw te vermoorden. Dat is mislukt.

C: Wat is uw naam?

M: [verdachte] .

C: Wat is er allemaal precies gebeurd dan?
M: Ze lag op bed. Ik wou haar met een mes steken. Ik heb haar wel geraakt, dus.

(p. 14)

C: En wie is uw vrouw?

M: [slachtoffer] .

C: En u heeft haar wel geraakt?

M: Ja als het goed is wel. Er ligt overal bloed.

C: Hoe erg is ze gewond?
M: Ik heb haar geloof ik bovenin haar nek gestoken.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 november 2017 (p. 17-18), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :

(p. 17)

Op 6 november 2017 om 06:05 uur kregen wij de melding om te gaan naar de [straat 2] te [plaats 2] . Aldaar zou de melder zijn vrouw hebben neergestoken. Omstreeks 06:15 uur kwamen wij ter plaatse. Wij zagen dat de voordeur van de woning werd geopend door een man in ontbloot bovenlijf. Ik hoorde dat hij verklaarde dat hij de melder was. Ik hoorde dat de man verklaarde dat hij zijn vrouw met een mes in haar nek had gestoken en dat hij niet wist waar zij op dat moment was. Ik zag dat beide handen van de man vol zaten met bloed. Ik zag dat er grotendeels opgedroogd bloed op de handrug en handpalm zat van zowel de linker- als rechterhand. Hierop hielden wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 5] , [verdachte] , aan op verdenking van poging tot moord.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 november 2017 (p. 23-24), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] :

(p. 24)

Wij zagen dat de verlichting in de kamer achter de derde deur aan stond. Wij konden daardoor goed zien dat die kamer een slaapkamer betrof. Vanaf de trap konden we het bed in de slaapkamer zien. Wij zagen dat er bloed zat op het dekbed en hoeslaken. Vervolgens zagen wij dat er nog een laken langs het bed lag waar ook bloed op zat.

4. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 7 november 2017 met bijlage 1 (p. 39-44), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :

(p. 39-40)

Ik ben op 5 november 2017 omstreeks 23.30 uur naar bed gegaan. Omstreeks 06.00 uur werd ik wakker van een pijnscheut in mijn nek, aan de linkerzijde. Ik schrok wakker. Opeens zag en voelde ik dat [verdachte] mij met een mes in de rechterzijde van mijn nek stak. Ik zat op dat moment nog in bed en ik zag dat [verdachte] op dat moment bovenop mij zat. Ik zag dat [verdachte] een dolkmes in zijn hand had. Ik wilde mijzelf beschermen en pakte het met bij de scherpe kant met beide handen. Ik wilde het mes van [verdachte] afpakken, maar ik zag en voelde dat [verdachte] kracht bleef zetten en door bleef duwen. Op enig moment proefde ik bloed. Ik voelde dat er druppels bloed over mijn lippen liepen. Ik had het vermoeden dat [verdachte] mij in mijn bovenlip had geraakt. Dit is door de worsteling gekomen. Ondertussen was ik dus al drie keer gestoken. Vervolgens ging de worsteling verder op bed. Ik zag dat [verdachte] mij gepoogd heeft om mij in mijn buik te steken. Ik zag dat hij met het mes in de richting van mijn buik stak. Gelukkig lag het dekbed nog op ons bed. Zodoende kon ik het dekbed met kracht om het mes heen draaien zodat [verdachte] niet verder kon steken en mij niet kon raken.

Eenmaal beneden voelde ik eerst aan de voordeur, maar deze was op slot. Vervolgens ben ik op zoek gegaan naar de sleutel van de achterdeur. De avond van tevoren had ik mijn witte vest aan een stoel in de keuken gehangen. In dit vest zat een sleutelbos met onder andere mijn huissleutel. Toen ik in mijn vest naar mijn sleutelbos zocht, zag ik dat de huissleutel er niet meer aan zat. Dat vind ik vreemd, want ik had mijn sleutelbos daar de avond van tevoren zelf in gedaan en ik weet dat de huissleutel er altijd aanhangt. Ik ben uiteindelijk via een raam gevlucht.

U toont mij een foto waarop een mes te zien is dat door de politie in beslag is genomen. De foto wordt als bijlage 1 bij het proces-verbaal van aangifte gevoegd. Dit is het mes waar [verdachte] mij heeft gestoken.

(p. 41)

Ik heb het mes wat ik bij mij droeg, dus waar ik ook mee gestoken was, net voor het kampje in de bossen gegooid.

5. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring ingevuld door een geneeskundige (arts) d.d. 15 november 2017 (pg. 57), voor zover inhoudende:

Medische informatie betreffende [slachtoffer] , geboren op 30 januari 1964 te Deurne.

Uitwendig waargenomen letsel:

- tweetal wonden achterin de nek;

- wond door de lip en huid gelaat (rechts)

- wondje duim (rechts)

- wondje vinger (links)

Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 6 november 2017.

6. Een proces-verbaal onderzoek plaats delict woning d.d. 6 november 2017 (p. 79-81), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] :

(p. 81)

Tijdens het onderzoek in de woning verscheen een [man] met een grote dolk, verpakt in een plastic zak. De dolk werd direct overhandigd aan de forensische rechercheurs. Wij zagen dat op de dolk, een zogenaamd “Rambo” dolk, bloed aanwezig was. De dolk werd in beslag genomen.

7. Een proces-verbaal inbeslagname mes d.d. 6 november 2017 (p. 89-90), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] :

(p. 89)

Ik, Huskens, vroeg aan [de man] waar het mes was aangetroffen. Wij hoorden dat [de man] ons vertelde dat het mes was aangetroffen in de struiken links bij het kampje gelegen aan de [straat 1] . Wij zagen dat het mes ongeveer 34 centimeter lang was en een lemmet had van ongeveer 20 centimeter.

8. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 november 2017 (p. 174-186), inclusief 6 bijlagen met foto’s, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] :

(p. 175)

Mijn vrouw en ik zijn zaterdag (het hof: 4 november 2017) een paar uurtjes weg geweest. Wij zaten in een café en daar waren een paar zangertjes. Ik zag dat zij een zanger op de mond kuste. Ik vroeg haar waarom zij dat deed. Zij zei dat dit niet waar was en dat ik dat verkeerd had gezien. Zij bleef het ontkennen.

(p. 176)

Ik heb vannacht tot ongeveer 02.00-03.00 uur televisie gekeken. Alles draaide in mijn kop. Ik kreeg iedere keer weer het beeld terug dat zij die zanger kuste. Ik begreep niet waarom zij dat deed en waarom zij dat ontkende. Het bleef maar malen. Ik werd steeds linker: waarom vertelde zij mij de waarheid niet?

Ik stond op van de tv, ben naar de keuken gelopen. Onder in de la onder de magnetron heb ik een mes gepakt. Dat was best een groot mes.

Toen liep ik naar boven. Ik ben op bed gaan zitten met het mes in mijn hand. Ik twijfelde wat ik zou doen. Mijn vrouw sliep nog. Ik stond op van bed en ging boven naar de wc, de badkamer. Ik deed het licht aan op de wc. Ik ben daarna naar haar gelopen. Ik heb bij dat bed gestaan. Eerst wilde ik het wel en toen weer niet.

V: Hoe lang heb jij op dat bed gezeten?

A: In ging op dat bed zitten. Ik liep naar het toilet, deed daar de verlichting om, zodat ik haar beter kon zien, want het was pikdonker in de kamer. Toen ben ik teruggelopen naar het bed en zag ik haar liggen. Ik twijfelde weer. Ik ging weer terug naar de badkamer. Liep weer terug naar de slaapkamer en toen was het gebeurd.

V: Wat is ‘het’?

A: Haar doden omdat ik zo kwaad was.

V: Hoe lang heb je getwijfeld?

A: Ik ben nog een keer van het bed naar de wc gegaan. Ik heb haar aangehaald.

V: Wat bedoeld je met: ‘ik heb haar aangehaald’?

A: Ik heb haar gestoken.

Ik zag alleen haar hoofd boven de dekens uit komen. Ik haalde aan, gestoken, toen zag ik een hoop bloed en toen was zij wakker.

(p. 177)

V: Zij was wakker en wat gebeurde er toen?

A: Zij pakte het mes vast. Ik bedoel daarmee te zeggen dat nadat ik haar had gestoken, trok ik het mes eruit. Ik denk dat dit vlak bij het hoofd was. Het was in ieder geval van daar waar ik haar geraakt had. Toen pakte zij het mes vast en liet het niet meer los. Met 2 handen bij de scherpe kant.

(p. 178)

V: Waar richtte jij op?

A: Op haar hals.

V: Waarom daar?

A: Omdat dat boven de deken uit kwam.

V: Wat dacht jij op het moment dat jij dat deed?

A: Ik was gewoon kwaad.

V: Maar je was ook nog een keer naar de wc gelopen, boven in de badkamer.

A: Ja, ik dacht, zal ik wel of niet doen.

V: Je hebt verteld dat het jouw intentie was om haar te doden. Als dat gelukt was, wat had je dan gedaan?

A: Dat weet ik niet. Ik wist wel dat ik vast kwam te zitten.

(p. 179)

V: Wij tonen jou een foto van een aangetroffen mes. Is dit het mes waarmee jij jouw vrouw hebt gestoken?

A: Dat is het mes dat ik gebruikt heb.

9. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 november 2017 (p. 187-196), voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] :

(p. 192)

V: Wanneer beslis je om het mes te pakken?

A: Op het moment dat ik de tv uit zet en naar bed wil gaan pak ik het mes.

(p. 193)

Ik heb toen naar de wc gegaan. Heb het licht aan gedaan en ben terug naar de slaapkamer gegaan. En toe weer terug naar de wc. Ik heb een paar keer voor haar gestaan maar ik durfde het niet.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is – op gronden als verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat:

- op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer] zou doden;

- op basis van het dossier niet kan worden geconcludeerd dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachte raad om het leven heeft willen brengen, nu er sprake was van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling bij verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Opzet op de levensberoving

Het hof is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door de bij haar geconstateerde letsels in haar nek en op haar beide handen (bewijsmiddelen 4 en 5). Het hof leidt hieruit af dat verdachte [slachtoffer] , terwijl zij sliep, met een dolkmes in de linkerzijde van haar nek heeft gestoken. [slachtoffer] schrok wakker en vervolgens heeft verdachte haar, terwijl hij op haar zat, met dit mes in de rechterzijde van haar nek gestoken. Toen [slachtoffer] zich wilde beschermen en het mes met beide handen bij het lemmet vastpakte, bleef verdachte kracht zetten en doorduwen.

Verdachte heeft zelf verklaard dat hij met een mes dat best groot was naar de bovenverdieping is gegaan en [slachtoffer] met dit mes heeft gestoken omdat hij zo kwaad op haar was. [slachtoffer] heeft het mes vastgepakt. Verdachte richtte op haar hals, zo heeft hij verklaard (bewijsmiddel 8). Verder heeft verdachte meteen na het incident 112 gebeld en tegen de centralist gezegd dat hij zijn vrouw heeft geprobeerd te vermoorden, maar dat het mislukt was (bewijsmiddel 1). Ten slotte heeft verdachte verklaard dat hij ‘wel wist dat hij vast zou komen te zitten’ als het hem gelukt was om haar te doden (bewijsmiddel 8).

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat verdachte geen opzet zou hebben gehad op de (mogelijke) dood van [slachtoffer] omdat niet met kracht zou zijn gestoken, de wijze waarop gestoken is niet op opzet op de dood wijst en de ontstane verwondingen niet dusdanig ernstig waren dat deze tot de dood hadden kunnen leiden. Het hof wijst het verweer af. Het hof is van oordeel dat bovengenoemde gedragingen van verdachte – het meermalen in de nek (een onderdeel van het lichaam waar zich vitale slagaders bevinden) van het slachtoffer steken met een groot mes (een zogenoemde ‘Rambo’-dolk van ongeveer 34 centimeter lang met een lemmet van ongeveer 20 centimeter) – naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders kunnen worden beschouwd dan als te zijn gericht op het voltooien van het opzettelijk van het leven beroven van [slachtoffer] , terwijl ook uit de eigen verklaring van verdachte naar het oordeel van het hof kan worden afgeleid dat hij op dat moment willens en wetens [slachtoffer] van het leven heeft getracht te beroven. Verder merkt het hof op dat het juridisch in casu gaat om een ‘poging’ tot levensberoving, hetgeen betekent dat de afweging blijkens art. 45 Sr is of het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Daarbij geldt dat de subjectieve gerichtheid van de verdachte ten tijde zijn handelen niet wordt bepaald door objectieve omstandigheden als het (eventueel) opgetreden letsel, maar (mede) door de mate waarin het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm tot de levensberoving had kunnen leiden. De kans op levensberoving acht het hof gezien het handelen van verdachte in casu zeer wel aanwezig.

Voorbedachten rade

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachten rade moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het hof het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Bij de beoordeling van de vraag of te dezen sprake is geweest van handelen met voorbedachten rade door de verdachte stelt het hof vast dat hij de politie enkele uren na het incident informatie heeft verschaft over hetgeen vóór en tijdens het plegen van het delict in hem is omgegaan. Verdachte heeft verklaard dat hij tot 02:00-03:00 uur televisie heeft gekeken, terwijl zijn vrouw, [slachtoffer] , al langere tijd sliep. Hij heeft die avond/nacht gemaald over de vraag waarom [slachtoffer] bleef ontkennen dat zij de avond ervoor in een café een zanger had gekust. Verdachte verklaarde dat hij steeds linker werd. Nadat de tv uit is gezet en hij naar bed wil gaan, is hij naar de keuken gelopen en heeft hij onder in de lade het voornoemde mes gepakt. Verdachte is met het mes in zijn hand naar de bovenverdieping gelopen. Hij twijfelde wat hij zou doen. Verdachte is van de slaapkamer naar de badkamer gelopen. Hij deed daar het licht aan zodat hij [slachtoffer] beter kon zien, want het was pikdonker in de slaapkamer. Verdachte is naar de slaapkamer teruggelopen en heeft bij het bed van [slachtoffer] gestaan. Hij bleef twijfelen, het ene moment wilde hij wel en het andere moment niet. Verdachte is nogmaals naar de badkamer en weer terug naar de slaapkamer gelopen en heeft [slachtoffer] toen gestoken omdat hij zo kwaad was.

Het incident heeft op 6 november 2017 omstreeks 06:00 uur plaatsgevonden (bewijsmiddelen 2 en 4). Gelet op het tijdsverloop dat is verstreken tussen het moment waarop verdachte het mes heeft gepakt en hiermee naar de bovenverdieping is gelopen (na het televisie kijken tot 02:00-03:00 uur), en het steekincident (omstreeks 06:00 uur), stelt het hof vast dat verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven. Uit de omstandigheden dat verdachte:

- kwaad was op [slachtoffer] wegens het incident van een dag ervoor;

- steeds linker werd;

- naar het toilet is gelopen om daar de verlichting aan te doen zodat hij het slachtoffer beter kon zien, want het was pikdonker in de slaapkamer;

- meermalen van de slaapkamer naar de badkamer is gelopen omdat hij twijfelde of hij het wel durfde;

- meermalen voor [slachtoffer] heeft gestaan;

- het ene moment “wel wilde” en het andere moment niet;

- wist dat hij vast zou komen te zitten als hij haar zou doden,

leidt het hof af dat verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar gezien het tijdverloop en zijn eigen verklaring voldoende de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en dat hij zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Het hof gaat er van uit dat verdachte in de periode tussen 03:00 uur (het moment van het uit doen van de tv en naar bed gaan) en 06:00 uur (het moment waarop [slachtoffer] in haar nek wordt gestoken) van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om na te denken over zijn handelen en dat dit nadenken en beraden ook daadwerkelijk is gebeurd, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot het rond 06:00 uur met een mes in de nek van [slachtoffer] steken. Aan het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof geen feiten of omstandigheden ontleend die daarvoor een contra-indicatie zouden zijn. Het hof hecht op dit punt geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij in eerste instantie zichzelf iets aan wilde doen met het mes, nu verdachte in zijn eerste politieverklaring alleen heeft verklaard over het doden van [slachtoffer] , hij met geen woord heeft gerept over het doden van zichzelf en deze verklaring bovendien niet strookt met de kwaadheid die hij blijkens zijn eerste verklaring jegens zijn vrouw had. Het hof acht het, gezien de omstandigheden van het concrete geval, zijnde de aard van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, dan ook redelijk aan te nemen dat de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade. Het hof acht derhalve de ten laste gelegde poging tot moord bewezen en verwerpt de verweren van de verdediging.

Vordering van de [benadeelde partij]

De [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 22.097,44 (bestaande uit € 2.097,44 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 12.097,44 (bestaande uit € 2.097,44 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor de overige gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.

Alvorens over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van de vordering merkt het hof op dat de gevorderde reiskosten van € 31,00 – die betrekking hebben op het bezoeken van een advocaat en een gesprek met de officier van justitie – dienen te worden aangemerkt als door de benadeelde partij gemaakte proceskosten. Het hof begrijpt de vordering in het vervolg dan ook zoals hier beschreven.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de [benadeelde partij] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.066,44. De benadeelde partij heeft deze schade voldoende onderbouwd en voorts is de schade door de verdediging niet inhoudelijk betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Proceskosten

Zoals hiervoor reeds is overwogen, dienen naar het oordeel van het hof de reiskosten tot een bedrag van € 31,00 die de benadeelde partij heeft gemaakt te worden aangemerkt als proceskosten. Het hof veroordeelt verdachte in die proceskosten.

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan [benadeelde partij] door de bewezen verklaarde poging tot moord waarbij aan haar twee messteken in haar nek zijn toegebracht, rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Zij is in haar slaap gestoken door haar toenmalige partner met wie zij al 35 jaren samen was. Uit het voegingsformulier blijkt dat [benadeelde partij] niet meer naar haar woning durfde, dat het vertrouwen in haar toenmalige partner volledig weg was en dat zij EMDR-begeleiding bij een psycholoog krijgt om haar trauma te verwerken. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Het hof is derhalve van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de gevolgen daarvan voor [benadeelde partij] , acht het hof het billijk de immateriële schade te begroten op een bedrag van ten minste € 10.000,00. Het hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij kan het niet toegewezen gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Totale schade en wettelijke rente

In totaal wijst het hof een bedrag van (€ 2.066,44 aan materiële schade + € 10.000,00 aan immateriële schade =) € 12.066,44 aan schadevergoeding toe. Het toegewezen bedrag ter vergoeding van de materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2018 – zijnde de datum waarop de vordering tot schadevergoeding is ingediend – tot aan de dag der algehele voldoening. Het toegewezen bedrag ter vergoeding van de immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 november 2017 – zijnde de dag waarop de poging tot moord heeft plaats gevonden en aldus de schade is ontstaan – tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor de duur van 23 dagen zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de daaraan verbonden schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 12.066,44 (twaalfduizend zesenzestig euro en vierenveertig cent) bestaande uit € 2.066,44 (tweeduizend zesenzestig euro en vierenveertig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 31,00 (eenendertig euro);

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 12.066,44 (twaalfduizend zesenzestig euro en vierenveertig cent) bestaande uit

€ 2.066,44 (tweeduizend zesenzestig euro en vierenveertig cent) materiële schade en

€ 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 95 (vijfennegentig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 16 februari 2018 en van de immateriële schade op 6 november 2017;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, onder meer inhoudende de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. J.T.F.M. van Krieken, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Dijk, griffier,

en op 8 februari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 In de hierna weergegeven bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, registratienummer BVH 2017228934, doorgenummerde dossierpagina’s 1-196. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.