Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:444

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
200.251.655_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw nu schuldenaar ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek niet te goeder trouw is geweest.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 7 februari 2019

Zaaknummer : 200.251.655/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/351983 /FA RK 18-1115

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. M.J.F. Zoeteweij te Vlissingen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 18 december 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 december 2018, heeft [appellante] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de schuldsaneringsregeling op haar van toepassing te verklaren.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 januari 2019. Bij die gelegenheid is [appellante] , bijgestaan door mr. Zoeteweij, gehoord.

Mevrouw [beschermingsbewindvoerder] , hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder, is niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 11 december 2018;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 16 januari 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting in eerste aanleg het verzoek van [appellante] ondersteund. Uit de uitlatingen van zowel [appellante] als haar advocaat zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan, blijkt dat de beschermingsbewindvoerder bekend is met het hoger beroep dat [appellante] heeft ingesteld en in het kader daarvan ook (schriftelijk) door het hof in de gelegenheid is gesteld om haar visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 28.713,97. Daaronder bevinden zich een drietal belastingschulden van in totaal € 24.546,01. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.3. De rechtbank is van oordeel dat een groot deel van de schulden, meer in het bijzonder de schuld aan de Belastingdienst, in beginsel naar zijn aard en omvang als niet te goeder trouw dient te worden aangemerkt. De vordering van de Belastingdienst betreft immers een terugvordering van, als gevolg van door verzoekster verstrekte informatie, ten onrechte ontvangen toeslagen. Verzoekster heeft gebruik gemaakt van kinderopvang, waarvoor zij van de Belastingdienst kinderopvangtoeslag ontving. Uit het bij het verzoekschrift overgelegde overzicht van de Belastingdienst blijkt dat over 2014 een bedrag van € 1.710,00 kinderopvangtoeslag wordt teruggevorderd, over 2015 een bedrag van

€ 7.089,00, over 2016 een bedrag van € 7.409,00 en over 2017 een bedrag van € 7.531,00. De rechtbank is van oordeel dat verzoekster wist dan wel had moeten weten dat zij geen recht meer had op kinderopvangtoeslag vanaf het moment dat zij geen gebruik meer maakte van de kinderopvang. Het had, zeker na de ontvangst van de eerste terugvorderingsbeslissing ter zake van de kinderopvangtoeslag over 2014, op de weg van verzoekster gelegen de kinderopvangtoeslag stop te zetten. In plaats daarvan heeft zij er voor gekozen om de ontvangen toeslagen te gebruiken voor de aanschaf van goederen en onnodige uitgaven ten behoeve van haar kind. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de schuld aan de Belastingdienst, die een substantieel deel van de totale schuldenlast vormt en bovendien is ontstaan binnen de periode van vijf jaar voorafgaand aan indiening van onderhavig verzoek, te goeder trouw is ontstaan en zal het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afwijzen op grond van artikel 288 lid 1 sub b Fw.”

3.5.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] is van mening dat de rechtbank ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die in artikel 288 lid 3 Fw wordt geboden. Allereerst wordt opgemerkt dat [appellante] kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd op een moment dat daadwerkelijk sprake was van kinderopvang waarvoor zij kosten maakte. [appellante] had op dat moment dus recht op kinderopvangtoeslag. [appellante] heeft vervolgens niet telkens opnieuw kinderopvangtoeslag aangevraagd. De toeslag liep gewoon door omdat [appellante] niet opgaf dat dit gestopt moest worden. [appellante] stelt dat de schulden zijn ontstaan in een erg moeilijke periode. Zij heeft door omstandigheden gedurende lange tijd geen contact gehad met haar ouders. Nadat dit contact weer net tot stand gebracht was zijn beide ouders kort achter elkaar overleden. Ook haar oma, die haar grotendeels heeft opgevoed en ondersteunde, is in die periode overleden. Deze omstandigheden hebben bij [appellante] tot psychische problemen geleid waardoor zij het overzicht op onder andere haar financiën en gevolgen van beslissingen niet of althans moeilijk kon overzien. Dat sprake was bijzondere omstandigheden blijkt al wel uit het feit dat [appellante] door haar uitkeringsinstantie (Orionis) voor de duur van een jaar is vrijgesteld van haar sollicitatieplicht. [appellante] is en wordt voor haar psychosociale problematiek behandeld en begeleid door Emergis. De psychische problemen die bestonden ten tijde van het ontstaan van de schulden bij de Belastingdienst zijn onder controle. Daarnaast is inmiddels sprake van beschermingsbewind. Ook de financiële situatie van [appellante] is daarmee onder controle gebracht. De beschermingsbewindvoerder geeft aan dat [appellante] alle benodigde medewerking geeft, afspraken nakomt en geen nieuwe schulden en/of problemen veroorzaakt.

[appellante] heeft door haar problemen geruime tijd geen post meer geopend, maar zij heeft uiteindelijk, nadat duidelijk werd dat de Belastingdienst gelden terugvorderde, geprobeerd hulp te zoeken. In juli 2017 had zij een intakegesprek bij haar huidige beschermingsbewindvoerder en in augustus 2017 is zij onder bewind gesteld. [appellante] heeft in ieder geval binnen haar mogelijkheden van dat moment spoedig en redelijk adequaat actie ondernomen. Gezien het bovenstaande zijn de schulden bij de Belastingdienst ontstaan door de geestelijke gesteldheid van [appellante] . Deze omstandigheid heeft zij onder controle gekregen en voorts heeft zij ervoor gezorgd dat dergelijke schulden niet meer kunnen ontstaan doordat inmiddels sprake is van beschermingsbewind. Er is naar het oordeel van [appellante] derhalve sprake van een situatie als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw. Er is volgens haar geen reden om geen gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid die in dat artikel wordt genoemd.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] geeft allereerst aan dat er nog kort voor deze zitting telefonisch contact is geweest met de beschermingsbewindvoerder en dat daaruit kon worden opgemaakt dat zij voornemens was om bij deze zitting aanwezig te zijn. Waarom zij er toch niet is weet [appellante] niet, wel stelt zij nadrukkelijk dat de beschermingsbewindvoerder haar hoger beroep ondersteunt, sterker nog, zij heeft zelf de advocaat voor deze hoger beroepsprocedure benaderd.

[appellante] geeft voorts aan vanwege allerlei spanningen en problemen in de privésfeer enige tijd “de weg kwijt geweest te zijn”. Zij verkeerde kort nadat zij een eerdere schuldsaneringsregeling met een schone lei had weten af te sluiten weer vrij snel in financiële problemen en werd vanwege een dubbele mishandeling ook strafrechtelijk vervolgd. Een en ander leidde tot psychosociale problemen en hierdoor was zij naar eigen zeggen niet goed in staat om de gevolgen van het structureel ten onrechte blijven ontvangen van kinderopvangtoeslag te overzien. Voor deze problematiek heeft zij van haar huisarts ook medicatie ontvangen, maar deze maakte in de ogen van [appellante] de situatie alleen maar erger. [appellante] is hier dan ook uit eigen beweging mee gestopt waarna zij, bij wijze van zelfmedicatie, beperkt softdrugs is gaan gebruiken. [appellante] erkent dat zij voorheen ook veel alcohol gebruikte. Thans drinkt zij naar eigen zeggen nog slechts incidenteel en beperkt.

[appellante] erkent voorts dat het “stom was” om de kinderopvangtoeslag te blijven ontvangen terwijl zij wist dat zij hier geen recht (meer) op had. Zij maakte in die tijd haar post ook niet open. Met behulp van haar reclasseringsambtenaar en haar beschermingsbewindvoerder is [appellante] evenwel tot inkeer gekomen. Ook de door gestelde voormalige psychosociale problematiek zou thans (duurzaam) beheersbaar zijn.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.8.2.

Er sprake van een forse belastingschuld welke procentueel bezien ruim 85% van de totale schuldenlast beslaat. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens, een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting dient ingevolge punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken en welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld die niet te goeder trouw is ontstaan. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellante] nadrukkelijk erkend dat zij wist dat zij geen recht meer had op kinderopvangtoeslag vanaf het moment dat zij geen gebruik meer maakte van de kinderopvang. Het had dan ook, zeker na de ontvangst van de eerste terugvorderingsbeslissing ter zake van de kinderopvangtoeslag over 2014, op haar weg gelegen de kinderopvangtoeslag stop te zetten. In plaats daarvan heeft zij er echter weloverwogen voor gekozen om de ontvangt van deze toeslagen nog een geruime tijd te continueren en voor andere zaken dan waar deze toeslag primair voor bedoeld is aan te wenden. Het hof is dan ook van oordeel dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst niet te goeder trouw is geweest.

3.8.3.

[appellante] heeft zowel bij beroepschrift als bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevoerd dat haar handelen met betrekking tot (het continueren van) de onterecht ontvangen kinderopvangtoeslag een direct gevolg was van de psychosociale problematiek waarmee zij destijds kampte. Nu deze problematiek volgens [appellante] inmiddels duurzaam beheersbaar kan worden geacht doet zij een beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw.

Het hof stelt vast dat [appellante] met betrekking tot de door haar gestelde (voormalige) psychosociale problematiek geen enkel keuringsrapport of medische verklaring heeft overgelegd waaruit het daadwerkelijk bestaan, de aard alsmede de ernst van een dergelijke problematiek -volgens [appellante] dermate ernstig dat haar gedragingen welke uiteindelijk hebben geleid tot het ontstaan van haar actuele omvangrijke belastingschuld hierdoor nagenoeg geheel zou kunnen worden verklaard- kan worden herleid. Het hof acht het destijds bestaan van een ernstige psychosociale problematiek dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarbij merkt het hof op dat indien van het destijds bestaan van deze ernstige psychosociale problematiek van [appellante] zou worden uitgegaan, ingevolge punt 5.4.3. van de reeds eerder genoemde bijlage een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Een dergelijke verklaring is door [appellante] evenwel niet overgelegd.

Een en ander maakt dat haar beroep op de hardheidsclausule naar het oordeel van het hof dan ook niet kan slagen, het bestaan van de door [appellante] geschetste voormalige psychosociale problematiek, en daarmee het causale verband met betrekking tot het ontstaan van haar schulden, is immers onvoldoende door haar aannemelijk gemaakt terwijl zij daarnaast tevens verzuimd heeft om de (duurzame) beheersbaarheid van deze problematiek, zo hier al sprake van zou zijn geweest en in de mate als door [appellante] wordt gesteld, middels een verklaring van een hulpverlener of hulpverlenende instantie voldoende aannemelijk te maken. Het hof overweegt daarbij dat [appellante] op het moment dat zij haar schulden liet ontstaan al eens eerder, en bovendien succesvol, een schuldsaneringsregelingstraject had doorlopen en derhalve wist, dan wel nadrukkelijk had dienen te onderkennen, wat de (financiële) gevolgen van haar handelen met betrekking tot het niet informeren van de Belastingdienst zouden zijn. Een en ander klemt naar het oordeel van het hof bovendien temeer nu [appellante] , zelfs na de eerste terugvorderingsbeschikking, nog geruime tijd weloverwogen in haar gedragingen heeft volhard.

Dat [appellante] inmiddels beschermingsbewind heeft en dat de beschermingsbewindvoerder tevreden is over de samenwerking met [appellante] acht het hof onder de geschetste omstandigheden onvoldoende om (enkel op die grond) in dit geval de hardheidsclausule toe te passen, voor zover daarvan al -gelet op bovenstaande- sprake zou kunnen zijn.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellante] om andermaal te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, J.W. van Rijkom en A.P. Zweers-van Vollenhoven en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2019.