Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:443

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
200.251.646_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging einde schuldsaneringsregeling zonder toekenning schone lei nu sanieten toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 7 februari 2019

Zaaknummer : 200.251.646/01

Zaaknummers eerste aanleg : C/03/15/390 R en C/03/15/391 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant]

en

[appellante] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant] respectievelijk [appellante] ,

advocaat: mr. A.M. van Steenes te Leiden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 december 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 december 2018, hebben [appellant] en [appellante] ieder voor zich het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en verder te beslissen dat hun schuldsaneringsregelingen dienen te worden verlengd met zes maanden, dan wel ten hoogste één jaar, althans met een door het hof te bepalen redelijke termijn.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 januari 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] en [appellante] , bijgestaan door mr. Van Steenes,

- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 29 november 2018;

- de brieven met bijlagen van de advocaat van [appellant] en [appellante] d.d. 10 januari 2019, 23 januari 2019, 28 januari 2019 en 29 januari 2019 (tweemaal);

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 14 januari 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 2 juni 2015 is ten aanzien van [appellant] en [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij beschikking van 18 juli 2017 is de looptijd met zes maanden verlengd tot 2 december 2018.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) bij wijze van eindoordeel in verband met het verstrijken van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, geoordeeld dat [appellant] en [appellante] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [appellant] en [appellante] geen “schone lei” is verleend.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.8. De rechtbank is van oordeel dat beide sanieten niet hebben voldaan aan de informatieplicht en de afdrachtplicht. Daarbij heeft met name meneer in onvoldoende mate voldaan aan de arbeids- en sollicitatieplicht gedurende de reguliere looptijd van de schuldsanering en in de verlenging van de looptijd. Sanieten zijn toerekenbaar tekort geschoten in het voldoen aan de verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling. Dit is zodanig dat die tekortkomingen niet buiten beschouwing kunnen blijven. Voorts is er bij meneer sprake van een alcohol en/of drugsverslaving. Dat meneer zich in deze toestand heeft gebracht kan hem worden verweten. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank de toestand waarin meneer thans verkeert onstabiel, waardoor er geen vertrouwen bestaat dat hij de verplichtingen zal kunnen nakomen. Voorts acht de rechtbank een verdere verlenging van de schuldsanering niet aan de orde, omdat sanieten in de eerste twee jaren van het schuldsaneringstraject, toen er nog geen sprake was van enige verslavingen van meneer, en ondanks meerdere waarschuwingen van de rechter-commissaris in de vorm van een verhoor dan wel waarschuwingsbrieven, de genoemde tekortkomingen hebben laten voortbestaan. Ook hebben sanieten gedurende de verlengde periode hun kansen op een verdere verlenging verspeeld, aangezien er geen sprake is van verbetering, maar de ernst van de tekortkomingen juist is toegenomen. De tekortkomingen zijn zodanig dat die deze niet buiten beschouwing kunnen blijven. De schuldsaneringsregeling zal dan ook zonder de zogenaamde schone lei worden beëindigd.”

3.4.

[appellant] en [appellante] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] en [appellante] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Zij merken op dat ten onrechte wordt geoordeeld dat het onvoldoende nakomen van de inlichtingen- en sollicitatie- en arbeidsplicht aan hen kan worden toegerekend. Zij voelen zich niet gehoord door de rechtbank en zijn van mening dat hetgeen door hen is aangevoerd niet door de rechtbank is meegenomen in de beslissing.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] en [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] en [appellante] benadrukken allereerst dat zij zich bij de beëindigingszitting in eerste aanleg niet gehoord voelden, althans zij hadden de indruk dat de rechter hetgeen zij aanvoerden wegwuifde.

[appellant] erkent dat hij de laatste anderhalf jaar aan alcohol en cocaïne verslaafd is geweest en gedurende die periode zijn afspraken en verplichtingen, waaronder die in het kader van zijn schuldsaneringsregeling, niet naar behoren nakwam. Nu ondergaat hij ter bestrijding van zijn verslavingen een voltijd behandeling en dat werpt naar zijn eigen zeggen nu al zijn vruchten af. Hij gebruikt thans geen alcohol en drugs meer, hetgeen ook blijkt uit de periodieke bloedtesten die deel uitmaken van zijn behandeling. De behandeling is voltijd, dus vijf dagen per week. [appellant] geeft aan dat hij zijn behandelaars heeft verzocht om dit terug te brengen naar bijvoorbeeld twee dagen in de week zodat hij voor de drie overige dagen beschikbaar voor de arbeidsmarkt is. Zijn behandelaars hebben hem dit vooralsnog echter sterk ontraden. De behandeling duurt in totaal 12 weken, maar wellicht is [appellant] dus eerder parttime weer beschikbaar voor een betaalde arbeidsbetrekking. Desgevraagd geeft [appellant] aan dat hij nooit eerder verslaafd is geweest en dat zijn greep naar de alcohol en cocaïne ook gezien moet worden als een poging om voor zijn problemen, waaronder de financiële, te vluchten. Eerder in het verleden heeft hij alleen wiet gerookt.

De behandeling is op 16 januari 2019 gestart met een zogenoemde detoxweek. De dagbehandeling is een week later begonnen. Dat [appellant] eerst in januari 2019 met zijn behandeling heeft kunnen aanvangen is een gevolg van de relatief lange wachtlijsten die er voor een dergelijke behandeling bestaan.

[appellante] geeft op haar beurt aan dat zij erg veel stress ervaart vanwege zowel haar financiële problemen als vanwege de verslavingen van haar echtgenoot. Desgevraagd erkent zij dat zij de bewindvoerder nimmer spontaan op de hoogte heeft gebracht van de verslavingsproblematiek van haar echtgenoot en de invloed die dit enerzijds op het gezin en anderzijds op de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen had. [appellante] brengt verder nog naar voren dat zij zwanger en aansluitend met de zorg voor een pasgeborene belast was, de taal nog immer niet optimaal beheerst en daarnaast druk bezig was en, na afloop van het zwangerschapsverlof, weer is met solliciteren. Tot slot stellen [appellant] en [appellante] nadrukkelijk dat zij thans niet om een schone lei verzoeken, doch uitsluitend om een verlenging van hun beider schuldsaneringsregelingen.

3.6.

De bewindvoerder heeft in haar brief van 14 januari 2019 - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] stelt dat hij, indien hij het hulpverleningstraject succesvol afrondt, tijdens een verlenging kan laten zien dat hij wel degelijk in staat is om te voldoen aan de verplichtingen. Dit zou betekenen dat eerst het hulpverleningstraject dient te worden afgewacht/afgerond alvorens [appellant] dan inspanningen kan verrichten die in de schuldsaneringsregeling zijn vereist. Tot op heden ontbreekt echter alle informatie met betrekking tot het verslavingstraject. Er kan derhalve niet worden beoordeeld hoe lang een en ander zal duren terwijl er wordt gepleit voor een verlenging van slechts 6 tot 12 maanden. Dit verzoek wordt niet onderbouwd met enige (medische) informatie. Daarmee wordt voorbijgegaan aan het feit dat de regeling al eerder 6 maanden werd verlengd en dat er tijdens die verlenging geen sprake was van enige verbetering. Daar komt bij dat ook gedurende de periode dat er volgens [appellant] en [appellante] nog geen sprake was van een verslaving van [appellant] de verplichtingen ook al onvoldoende werden nagekomen.

[appellant] en [appellante] hebben de bewindvoerder vanaf de eindzitting van 29 november 2018 wederom niet meer geïnformeerd over de omstandigheden. Nog steeds ontbreken de inkomsten- en bankgegevens zoals vermeld in voorgaande verslagen. Men heeft niet gemeld of de opname in de verslavingskliniek daadwerkelijk plaatsvond op 2 januari 2019. Als dat wel het geval is verzuimde men door te geven hoe de behandeling tot nu toe verloopt, welke termijn minimaal in acht moet worden genomen voor deze behandeling en wat dan de vervolgstappen zullen zijn.

Bij [appellante] zou nog sprake zijn van bevallingsverlof. Wanneer de baby is geboren is onbekend. Aangenomen dat dit op [datum] 2018 was, de dag van de oorspronkelijke eindzitting die niet kon doorgaan vanwege de geplande bevalling, zou de sollicitatieplicht bij [appellante] medio december 2018 weer herleven. [appellante] heeft geen sollicitatiebewijzen overgelegd noch heeft zij aangetoond niet in staat te zijn om te solliciteren of werken. Onbekend is ook of zij het vrijwilligerswerk inmiddels hervatte. [appellante] is uiteraard mede verantwoordelijk voor de ontbrekende financiële informatie en de boedelachterstand. Zij had bovendien, als haar echtgenoot daartoe niet is staat was/ is, - de bewindvoerder op de hoogte kunnen stellen van de verslavingsproblematiek van haar echtgenoot en de bewindvoerder gedurende het verloop van de behandeling waar nodig op de hoogte kunnen houden.

Daarom geldt ook ten aanzien van [appellante] dat er sprake is van ernstig verzuim ten aanzien van de verplichtingen. [appellant] en [appellante] zijn meer dan voldoende gewaarschuwd en hebben meerdere kansen gekregen om alsnog aan de verplichtingen te voldoen. Tot op heden informeert men niet/onvoldoende en solliciteert men niet daar waar van toepassing. Er is ongewijzigd sprake van een boedelachterstand van tenminste € 1.124,00. Het had in de lijn der verwachting gelegen dat [appellant] en [appellante] na zoveel waarschuwingen deze kans van verlenging met beide handen hadden gegrepen maar dat gebeurde niet.

3.7.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De bewindvoerder benadrukt dat [appellant] en [appellante] al zeer vaak, middels waarschuwingsbrieven en verhoren, zijn gewaarschuwd maar dat zij er toch niet in slagen hun gedragingen substantieel en structureel te verbeteren. Telkenmale is er, net als nu, beterschap beloofd maar hier is in de praktijk nimmer iets van terecht gekomen. Alle geboden kansen hebben [appellant] en [appellante] onbenut gelaten. Daarbij komt dat er met betrekking tot het inlopen van de boedelachterstand ook geen plan van aanpak is overgelegd. Die boedelachterstand bedraagt ten minste € 1.124,00, maar zou ook nog hoger kunnen zijn omdat de bewindvoerder, nu [appellant] en [appellante] nog steeds bepaalde informatiebescheiden, ook na de beëindigingszitting in eerste aanleg, nog steeds niet aan de bewindvoerder hebben doen toekomen, de exacte hoogte vooralsnog niet kan bepalen. Desgevraagd, waarbij het hof heeft verwezen naar de inhoud van het 4e en 6e verslag, geeft de bewindvoerder aan dat [appellante] de voor haar geldende sollicitatieplicht in verschillende perioden wel naar behoren is nagekomen.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.8.2.

Vast staat dat [appellant] de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatie- en arbeidsverplichting niet naar behoren, soms zelfs in het geheel niet, is nagekomen. Momenteel is [appellant] zelfs voor langere tijd in het geheel niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt omdat hij een voltijd behandeling voor zijn alcohol- en drugsverslaving ondergaat. Het hof rekent het [appellant] aan dat hij zichzelf in de omstandigheid heeft gebracht dat een dergelijke, langdurige behandeling noodzakelijk, althans uiterst gewenst, is geworden. Daarbij merkt het hof op dat [appellant] ook voordat er, naar eigen zeggen, sprake was van (een) dergelijke verslaving(en), voornoemde verplichtingen, ondanks herhaalde aansporingen en waarschuwingen van zowel de bewindvoerder als de rechter-commissaris, met grote regelmaat uiterst gebrekkig door hem werden nagekomen.

Ook [appellante] heeft niet steeds voldaan aan haar sollicitatie- of inlichtingenplicht doordat zij in perioden heeft nagelaten bewijsstukken aan de bewindvoerder toe te sturen.

3.8.3.

Daarnaast staat vast dat [appellant] en [appellante] de voor hen uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende (spontane) informatieplicht eveneens structureel niet naar behoren zijn nagekomen. Zo ontbreken er nog immer diverse financiële stukken waardoor de bewindvoerder niet in staat is om de exacte actuele hoogte van de boedelachterstand te bepalen. Daarmee is de bewindvoerder (structureel) belemmerd in de uitoefening van de op haar rustende taken (zie bijvoorbeeld artikel 316 lid 1 Fw). Voorts hebben [appellant] en [appellante] ook verzuimd om de bewindvoerder spontaan op de hoogte te stellen inzake de verslaving(en) van [appellant] alsmede het behandeltraject dat hiervoor inmiddels is opgestart. Daarbij komt dat [appellant] en [appellante] ook niet hun goede wil hebben laten blijken in de periode na de beëindigingszitting van 29 november 2018. De bewindvoerder is daarna in het geheel niet meer geïnformeerd.

3.8.4.

Voorts is sprake van een boedelachterstand van tenminste € 1.124,00. Zoals reeds opgemerkt kan de bewindvoerder, vanwege het feit dat er nog immer de nodige financiële stukken niet door [appellant] en [appellante] zijn overgelegd, op dit moment niet vaststellen wat de exacte hoogte van deze boedelachterstand is. Vast staat wel dat [appellant] en [appellante] met betrekking tot het gedurende een eventuele verlenging van hun schuldsaneringsregelingen volledig inlopen van deze boedelachterstand in eerste aanleg noch hoger beroep een realistisch en financieel deugdelijk onderbouwd plan van aanpak hebben overgelegd. Er is hiertoe feitelijk in het geheel geen plan van aanpak overgelegd. Daarbij heeft de bewindvoerder bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep kenbaar gemaakt op basis van de haar bekende (financiële) informatie voor [appellant] en [appellante] ook al geen reële mogelijkheden te zien om deze boedelachterstand, zelfs wanneer hun schuldsaneringsregelingen hiertoe maximaal zouden worden verlengd, geheel in te lopen. Daarbij is het hof bovendien van oordeel dat niet is gebleken dat de geconstateerde tekortkomingen [appellant] en [appellante] niet kunnen worden toegerekend als bedoeld in artikel 354 lid 1 Fw noch dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 354 lid 2 Fw.

3.8.5.

Nu, doordat zij bekend zijn althans redelijkerwijs geacht kunnen worden bekend te zijn met de verplichtingen in het kader van de wettelijke schuldsanering, mede in welk verband het hof naar de processtukken wijst, de geconstateerde tekortkomingen [appellant] en [appellante] kunnen worden verweten, zij door zowel de bewindvoerder als de rechter-commissaris bij herhaling middels meerdere waarschuwingsbrieven en verhoren zijn aangespoord en gewaarschuwd, de schuldsaneringsregelingen bij wijze van laatste kans al eens zijn verlengd en het bovendien om meerdere verwijtbare tekortkomingen gaat acht het hof geen termen aanwezig om de schuldsaneringsregelingen van [appellant] en [appellante] voor een tweede maal te verlengen, daargelaten nog dat een concreet financieel plan van aanpak ten aanzien van de boedelachterstand – voor zover al door de bewindvoerder precies vast te stellen nu nog steeds bepaalde informatie zijdens [appellant] en [appellante] ontbreekt – niet voorhanden is, althans in hoger beroep niet is overgelegd.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de schuldsaneringsregelingen van [appellant] en [appellante] dienen te worden beëindigd zonder toekenning van de zogenoemde schone lei.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, J.W. van Rijkom en A.P. Zweers-van Vollenhoven en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2019.