Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4344

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-11-2019
Datum publicatie
28-11-2019
Zaaknummer
200.257.081_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:1706
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Na een verpanding van debiteuren in het kader van een bedrijfsfinanciering aan de financier (pandhouder) legt de pandhouder beslag ten laste van één van de debiteuren, die tot hetzelfde concern behoort als de pandgever. In dit arrest wordt een veroordeling van de voorzieningenrechter tot opheffing van conservatoire beslagen vernietigd op grond van het oordeel dat de beslagdebiteur niet summierlijk de ondeugdelijkheid van de vordering heeft aangetoond.

Achtereenvolgens komen aan de orde:

of de vordering van de pandgever op de beslagdebiteur in het kader van een ontvlechting van het concern waartoe beiden behoren (behoorden?) door verrekening teniet is gegaan (3.6.1. e.v.);

of het verpande goed in de pandakte voldoende is omschreven (3.7.1. e.v.)

de belangenafweging (3.9.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.257.081/01

arrest in kort geding van 26 november 2019

in de zaak van

1 [de vennootschap 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [de vennootschap 2],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] ,

advocaat: mr. W.T. Broer te Utrecht,

tegen

Meat Solutions B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als Meat Solutions,

advocaat: mrs. W.J.M. van Ophuizen en E.M. Uijttewaal te Ochten,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 maart 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 21 februari 2019, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen in het kort geding tussen [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] als gedaagden en Meat Solutions als eiseres, hierna: het vonnis.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/343322 / KG ZA 19-94)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties 1 tot en met 26;

  • -

    de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel met producties 1 tot en met 14;

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel appel van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] met producties 27 tot en met 30;

  • -

    de producties 31 tot en met 43 die mr. Broer bij brief van 2 oktober 2019 heeft toegestuurd;

  • -

    de pleitnotities van mrs. Broer en Uijttewaal.

Bij de pleitzitting van 17 oktober 2019 waren namens [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] aanwezig [de statutair directeur van de vennootschap 1] , statutair directeur van [de vennootschap 1] B.V. en [de statutair directeur van de vennootschap 2] , statutair directeur van [de vennootschap 2] B.V en namens Meat Solutions [de statutair directeur van Meat Solutions] , statutair directeur van Meat Solutions.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling in het principaal en het incidenteel hoger beroep

De feiten

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

De heer [de statutair directeur van Meat Solutions] (hierna: [de statutair directeur van Meat Solutions] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [beheer] Beheer B.V. (hierna: [beheer] ), opgericht op 17 september 2007. De heer [enig aandeelhouder en bestuurder van management] (hierna: [enig aandeelhouder en bestuurder van management] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [management] Management B.V. (hierna: [management] Management), opgericht op 30 mei 2014. [de statutair directeur van Meat Solutions] en [enig aandeelhouder en bestuurder van management] zijn in 2014 een samenwerking aangegaan, in welk kader op 17 april 2014 Provision Group B.V. is opgericht. Deze vennootschap, die ook handelt onder de naam Provision Food Group, zal hierna worden aangeduid als PFG. [beheer] en [management] Management zijn ieder voor 50% aandeelhouder in PFG en vormen daarvan gezamenlijk het bestuur.

3.1.2.

PFG is sinds 2014 enig aandeelhouder en bestuurder van diverse werkmaatschappijen waaronder - voor zover in het kader van dit kort geding van belang - Meat Solutions en [foods] B.V. (hierna: [foods] ). Meat Solutions was door [beheer] ( [de statutair directeur van Meat Solutions] ) in de samenwerking (PFG) ingebracht en [foods] door [management] Management ( [enig aandeelhouder en bestuurder van management] ).

3.1.3.

Tussen [foods] als schuldenaar en [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] als schuldeiser is op 10 juli 2015 een overeenkomst van geldlening schriftelijk vastgelegd in een akte van geldlening (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst is ondertekend door [enig aandeelhouder en bestuurder van management] voor [foods] , de heer [de statutair directeur van de vennootschap 1] voor [de vennootschap 1] en de heer [de statutair directeur van de vennootschap 2] voor [de vennootschap 2] Blijkens artikel 1 en 2 van de overeenkomst bevestigen partijen het bestaan van drie geldleningsovereenkomsten tussen [foods] en [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] , waarbij [foods] een bedrag van in totaal € 800.000,- (€ 400.000,- per 1 augustus 2014, € 200.000,- per 15 oktober 2014 en € 200.000,- per 10 juli 2015) heeft geleend van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] .

3.1.4.

In artikel 5 van de overeenkomst (onder het kopje: ‘zekerheidsstelling) is het volgende bepaald:

1. Tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser van de schuldenaar te vorderen heeft en zal hebben, verpandt de schuldenaar aan de schuldeiser, die deze verpanding aanneemt de voorraden (en alle zaken welke in de toekomst tot de totale voorraad van de onderneming zullen gaan behoren), de aan deze overeenkomst gehechte vordering uit hoofde van een levensverzekering welke is afgesloten door de heer P.J. [enig aandeelhouder en bestuurder van management] ten bedrage van € 400.000 (…) te verdelen over 4 polissen à € 100.000,00 (…), de vorderingen uit hoofde van de debiteuren verzekeringen en (toekomstige) debiteuren zoals gespecificeerd op de aan deze overeenkomst gehechte bijlage. Het pandrecht zal eerste in rang zijn.

Aan de overeenkomst is geen bijlage gehecht. Er is door [foods] en [de vennootschap 1] geen lijst van debiteuren opgemaakt. De overeenkomst is blijkens daartoe daarop door de Belastingdienst gestelde aantekeningen geregistreerd op 18 september 2018.

3.1.5.

In 2017 heeft tussen [beheer] en [management] Management ( [de statutair directeur van Meat Solutions] en [enig aandeelhouder en bestuurder van management] ) overleg plaatsgevonden over een beëindiging van hun samenwerking en ontvlechting van het PFG-concern. In dit kader heeft in 2017 een onderzoek door accountantskantoor [accountantskantoor] plaatsgevonden. Daarbij is door de heer [accountant] , hierna [accountant] , van dat kantoor een zogenaamde ‘financiële foto’ per 30 juni 2017 opgesteld. Notaris [de notaris] te [standplaats] (Limburg), hierna: [de notaris] , heeft met het oog op de ontvlechting een aantal concepten van notariële akten van aandelenoverdracht opgesteld en bij mail van 27 november 2017 aan [de statutair directeur van Meat Solutions] en [enig aandeelhouder en bestuurder van management] toegestuurd.

3.1.6.

[foods] heeft in de periode van 10 januari 2017 tot en met 10 mei 2017 voor een totaalbedrag van € 157.965,02 aan Meat Solutions gefactureerd. Dat op deze facturen betalingen door Meat Solutions zijn gevolgd, is niet gebleken.

3.1.7.

Op 31 januari 2019 heeft mr. Broer namens [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] bij aangetekende brief gestuurd aan Meat Solutions onder meer het volgende bericht:

‘(…)

Tot zekerheid van aan [foods] B.V. en [packaging] B.V. verstrekte financieringen hebben cliënten een pandrecht verkregen op alle (debiteuren)vorderingen van [foods] B.V. en [packaging] B.V. Het pandrecht is voor het laatst gevestigd op 25 januari 2019.

[foods] B.V. en [packaging] B.V. zijn in verzuim getreden ter zake de inlossing van de verstrekte financieringen, waardoor cliënten zich genoodzaakt zien hun pandrecht uit te winnen.

Uit de administratie van [foods] B.V. blijkt dat u nog minimaal een bedrag van

€ 157.965,02 verschuldigd bent, waarvan de betalingstermijn ruimschoots is verstreken. Het gaat om de volgende facturen (…)

(…)

Over de hoofdsom bent u naast de wettelijke handelsrente ook de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. Per saldo bent u in ieder geval de volgende bedragen verschuldigd:

(…)

Totaal € 185.664,43

Namens cliënten wil ik u verzoeken en voor zover nodig sommeren voornoemd bedrag en alle overige aan [foods] B.V. en [packaging] B.V. verschuldigde bedragen, uit welke hoofde dan ook, aan cliënten te voldoen. Op grond van art. 3:246 BW kunt u uitsluitend bevrijdend betalen aan cliënten. De (nog) verschuldigde bedragen dient u binnen 48 uur na heden te doen laten bijschrijven op rekening met nummer (…).

Namens cliënten ga ik ervan uit dat u binnen de gestelde termijn aan de betalingsverplichtingen voldoet.

(…).’

3.1.8.

Op 1 februari 2019 heeft mr. Van Ophuizen namens Meat Solutions aan mr. Broer een brief per e-mail verzonden met - voor zover van belang - de volgende inhoud:

‘(…)

Cliënte wordt gesommeerd om binnen 48 uur tot betaling van een bedrag van € 185.664,43 over te gaan. Los van het gegeven dat de onderbouwende bescheiden van de gestelde vordering van uw cliënten ontbreken en de gestelde betalingstermijn bijzonder kort is, heb ik enig respijt nodig om de kwestie te bestuderen en met cliënte te bespreken.

Ik streef ernaar, ervan uitgaande dat ik uiterlijk 6 februari aanstaande de onderbouwende bescheiden van u heb ontvangen, u uiterlijk 15 februari aanstaande inhoudelijk te kunnen berichten (…).

3.1.9.

[de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] hebben aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant verlof gevraagd om ten laste van Meat Solutions conservatoire beslagen te mogen leggen ter verzekering van hun vordering op Meat Solutions als pandhouder van de, voor zover in dit geding van belang, door [foods] verpande vorderingen. Bij beschikking van 7 februari 2019 (C/01/343068 / BP RK 19-74) heeft de voorzieningenrechter aan [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] verlof verleend om conservatoir beslag te leggen ten laste van Meat Solutions:

a. op aan haar toebehorende roerende zaken, die geen registergoederen zijn, bestaande o.a. uit handelsvoorraad (te weten delen van geslachte dieren), die [de vennootschap 3] , [de vennootschap 4] en [coldstores] Coldstores B.V. onder zich hebben alsmede op die vorderingen die Meat Solutions op uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding met deze derden rechtstreeks zal verkrijgen, en:

b. onder de ABN AMRO Bank op alle gelden en/of geldswaarden die ABN AMRO bank N.V. aan Meat Solutions verschuldigd is of zal worden.

3.1.10.

Op 8 februari 2019 hebben [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] onder [de vennootschap 3] , [de vennootschap 4] en ABN AMRO bank N.V. beslag gelegd, maar niet onder [coldstores] Coldstores B.V.

3.1.11.

Bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juli 2019 is [foods] failliet verklaard.

3.1.12.

Over de door [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] op Meat Solutions gepretendeerde vorderingen, ter verzekering waarvan zij de beslagen hebben gelegd, hebben [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] een bodemprocedure tegen Meat Solutions bij de rechtbank Gelderland aanhangig gemaakt, waarin de mondelinge behandeling op 10 december 2019 zal plaatsvinden.

de standpunten van partijen en het oordeel van de voorzieningenrechter

3.2.1.

In dit kort geding vorderde Meat Solutions opheffing van de door [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] gelegde conservatoire beslagen.

3.2.2.

De voorzieningenrechter heeft deze vordering in het vonnis toegewezen en heeft [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] veroordeeld in de kosten van het geding.

3.2.3.

[de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] hebben in hoger beroep drie grieven, aangeduid met Romeinse cijfers, aangevoerd, waarvan grief 1 bestaat uit de grieven 1a tot en met 1f. [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] hebben geconcludeerd tot het, uitvoerbaar bij voorraad, vernietigen van het vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van Meat Solutions, althans de opheffing van de beslagen te beperken tot het onder [de vennootschap 3] gelegde beslag en – voor zover vereist – te bepalen dat de (overige) gelegde beslagen herleven en daarnaast Meat Solutions te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] naar aanleiding van het vonnis aan Meat Solutions hebben betaald, vermeerderd met de rente vanaf de dag van de betaling tot aan de dag van de voldoening. [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] hebben voorts gevorderd Meat Solutions, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, vermeerderd met de nakosten.

3.2.4.

Meat Solutions heeft aangevoerd dat [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] geen belang hebben bij het hoger beroep en heeft verweer gevoerd tegen de grieven van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] . Meat Solutions heeft van haar kant in het incidenteel hoger beroep twee grieven aangevoerd tegen het vonnis. Meat Solutions heeft geconcludeerd het vonnis te bekrachtigen met verbetering van gronden op basis van haar grieven. Zij heeft voorts gevorderd dat [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van het principaal en het incidenteel hoger beroep.

3.2.5.

[de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] hebben de incidentele grieven van Meat Solutions bestreden en hebben de veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van Meat Solutions in de kosten van het incidenteel hoger beroep gevorderd.

inleidende overwegingen over wat in hoger beroep aan de orde is

3.3.

In eerste aanleg hebben [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] bepleit dat Meat Solutions niet ontvankelijk moest worden verklaard in haar vorderingen omdat de PFG, bestuurder van Meat Solutions, niet tot het aanhangig maken van dit kort geding heeft besloten. Dit betoog is door de voorzieningenrechter gepasseerd (rov. 4.1 tot en met 4.4 van het vonnis). Daartegen hebben [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] geen grief gericht. Dit standpunt van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] ligt in dit hoger beroep dus niet ter beoordeling voor.

3.4.

Meat Solutions heeft betoogd dat [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] geen belang bij het hoger beroep hebben, kort samengevat, omdat herleving van de door de voorzieningenrechter opgeheven beslagen hun niets zal opleveren. Daargelaten de betwisting van dit laatste door [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] , miskent dit betoog van Meat Solutions dat [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] in eerste aanleg in de proceskosten zijn veroordeeld en dat zij deze veroordeling in dit hoger beroep bestrijden. Dit is een voldoende belang in hoger beroep. Het hof verwerpt dus dit betoog van Meat Solutions.

3.5.

De voorzieningenrechter heeft in rov. 4.24 van het vonnis geoordeeld dat Meat Solutions summierlijk de ondeugdelijkheid van de vordering van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] heeft aangetoond (artikel 705 Rv.). De voorzieningenrechter is tot dit oordeel gekomen na de volgende, kort samengevatte, overwegingen over de in rov. 4.15 van het vonnis weergegeven stellingen van Meat Solutions:

- de verwerping van stelling b. van Meat Solutions dat, nu de in artikel 5 van de overeenkomst genoemde bijlage niet bestaat en dus niet is geregistreerd, er geen pandrecht tot stand is gekomen (rov. 4.16 tot en met 4.19);

- de verwerping van stelling c. van Meat Solutions dat [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] hun bevoegdheid tot innen overschrijden (rov. 4.20 en 4.21);

- de honorering van de stelling a. van Meat Solutions dat de vordering van [foods] op Meat Solutions krachtens de bij de ontvlechting van het PFG-concern in 2017 gemaakte afspraken door verrekening teniet is gegaan (rov. 4.22 tot en met 4.24).

De grieven 1a tot en met 1e van [de vennootschap 1] zijn gericht tegen de overwegingen over stelling a. De incidentele grieven van Meat Solutions zijn gericht tegen de verwerping door de voorzieningenrechter van de stellingen b. en c. van Meat Solutions. Het hof zal in het onderstaande, mede naar aanleiding van de grieven, opnieuw oordelen over de stellingen a., b. en c. van Meat Solutions.

stelling a.; grieven 1 a tot en met e van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2]

3.6.1.

Volgens Meat Solutions is tussen [de statutair directeur van Meat Solutions] en [enig aandeelhouder en bestuurder van management] , met inachtneming van de door [accountant] vastgestelde financiële gegevens, per 1 juli 2017 een overeenkomst, hierna: de ontvlechtingsovereenkomst, tot stand gekomen, waarbij het PFG concern is ontvlecht en, kort samengevat, [de statutair directeur van Meat Solutions] en [enig aandeelhouder en bestuurder van management] ieder de door hen “ingebrachte” vennootschappen weer volledig in eigendom hebben gekregen, dus [de statutair directeur van Meat Solutions] onder meer Meat Solutions en [enig aandeelhouder en bestuurder van management] onder meer [foods] . Onderdeel van de ontvlechtingsovereenkomst is volgens Meat Solutions dat, na verrekening van alle vorderingen binnen het concern, [beheer] per 1 juli 2017 nog een bedrag van € 40.000,-- dient te betalen aan [management] Management. Meat Solutions stelt dat in dat kader de vordering van [foods] op Meat Solutions door verrekening teniet is gegaan. [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] hebben gesteld dat in 2017 tussen [de statutair directeur van Meat Solutions] en [enig aandeelhouder en bestuurder van management] wel overleg heeft plaatsgevonden over een ontvlechting, maar hebben betwist dat de door Meat Solutions gestelde overeenkomst tot stand is gekomen en hebben ook de gestelde verrekening betwist.

3.6.2.

De voorzieningenrechter heeft in rov. 4.24 overwogen dat het vooralsnog niet bij voorbaat onaannemelijk lijkt dat een eventuele vordering van [foods] op Meat Solutions is verrekend en heeft op die grond geconcludeerd dat Meat Solutions summierlijk de ondeugdelijkheid van de vordering van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] heeft aangetoond. Tegen deze overwegingen zijn de grieven 1a tot en met e van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] gericht, die zich voor een gezamenlijke bespreking lenen.

3.6.3.

Het onderzoek naar de feiten, die de conclusie dat de ontvlechtingsovereenkomst tot stand is gekomen kunnen dragen, is naar de aard van dit kort geding, waarin beperkte ruimte is voor bewijslevering, beperkt. Naar het oordeel van het hof heeft Meat Solutions de gestelde overeenkomst onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het door Meat Solutions overgelegde schriftelijke bewijs bevat onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van de ontvlechtingsovereenkomst. Daarbij acht het hof met name van belang dat de schriftelijke verklaringen van de bij het overleg over de ontvlechting betrokken adviseurs [accountant] en [de notaris] , er niet op wijzen dat de door Meat Solutions gestelde ontvlechtingsovereenkomst tot stand is gekomen. Voorts is in dit geding niet gebleken dat enig orgaan van enige van de bij de ontvlechting betrokken vennootschappen een besluit heeft genomen of enige andere rechtshandeling heeft verricht ter uitvoering van de door Meat Solutions gestelde ontvlechtingsovereenkomst. Voor getuigenbewijs is in dit kort geding geen ruimte.

3.6.4.

Bovendien is naar het oordeel van het hof door Meat Solutions, tegenover de betwisting van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] , onvoldoende onderbouwd dat, in het kader van een algehele verrekening van vorderingen op concernniveau, de specifieke vordering van [foods] op Meat Solutions door verrekening teniet is gegaan. Zo hebben [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] betalingsherinneringen van [foods] aan Meat Solutions in het geding gebracht uit september 2017 en heeft Meat Solutions niet gesteld noch is anderszins gebleken dat (nadien) een verrekeningsverklaring is uitgebracht.

3.6.5.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het hof, anders dan de voorzieningenrechter, voorlopig oordeelt dat stelling a. van Meat Solutions in dit kort geding niet aannemelijk is geworden en dat niet op grond van stelling a. van Meat Solutions kan worden geconcludeerd dat Meat Solutions summierlijk de ondeugdelijkheid van de vordering van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] heeft aangetoond. De grieven 1a tot en met e van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] slagen.

Stelling b.; incidentele grief 1 van Meat Solutions

3.7.1.

Over deze stelling van Meat Solutions heeft de voorzieningenrechter, samengevat, overwogen dat artikel 5 van de overeenkomst uitleg vergt, dat het onderzoek in het kader van de uitleg binnen het bestek van dit kort geding een summier karakter heeft en dat gezien de aard van de overeenkomst en de omvang van het bedrijfskrediet een ruime verpanding van vorderingen voor de hand ligt, terwijl de beide hoofdrolspelers bij de totstandkoming van het krediet en de verpanding, kredietgever/pandhouder [de statutair directeur van de vennootschap 1] enerzijds en kredietnemer/pandgever [enig aandeelhouder en bestuurder van management] anderzijds, op de zitting diezelfde ruime uitleg hebben gegeven. Op grond daarvan heeft de voorzieningenrechter aangenomen dat mede beoogd is vorderingen van [foods] als de onderhavige vordering op Meat Solutions onder het pandrecht te laten vallen. In hoger beroep is geen nieuw inzicht ontstaan in de bedoelingen van de bij de overeenkomst betrokken partijen. De uitleg door de voorzieningenrechter van de overeenkomst op het punt van de verplichting van [foods] om vorderingen aan [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] te verpanden, dus het obligatoire deel van de overeenkomst, is naar het voorlopige oordeel van het hof een juiste weergave van hetgeen [foods] en [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

3.7.2.

Daarnaast dient te worden beoordeeld of artikel 5 lid 1 van de overeenkomst, als pandakte, voldoet aan het bepaaldheidsvereiste dat het verpande goed in voldoende mate door de pandakte is c.q. kan worden bepaald. Het hof neemt daarbij tot uitgangspunt dat voldoende is dat de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. (HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1488 en latere jurisprudentie). De vraag hoe specifiek de gegevens in de akte dienen te zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Anders dan Meat Solutions betoogt, is het enkele feit dat een bijlage, waarvan artikel 5 van de overeenkomst gewag maakt, niet is opgemaakt, niet voldoende om te concluderen dat het verpande goed te onbepaald is. De overeenkomst biedt geen aanknopingspunten voor de opvatting dat [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] enerzijds en [foods] anderzijds bewust hebben afgezien van het opstellen van de bijlage en dat met de pandakte is beoogd dat in het geheel geen pandrecht wordt gevestigd ligt daarom niet voor de hand. Bovendien staat vast dat de geldleningsovereenkomst tussen [de vennootschap 2] en [de vennootschap 1] en [foods] werd gesloten in het kader van een bedrijfsfinanciering van laatstgenoemde, waarbij verpanding van vorderingen van de geldlener op (handels)debiteuren niet ongebruikelijk is, en brengt de aard van de door Meat Solutions gedreven onderneming (handelshuis dat zich bezig houdt met de inkoop en verkoop van partijen vlees en slachtrestanten) met zich mee dat het aantal debiteuren snel en veelvuldig kan wisselen, zodat het telkens nader preciseren en registreren van de verpande vorderingen uit praktisch oogpunt nauwelijks uitvoerbaar is. Over de overige omstandigheden waaronder [de vennootschap 1] en [foods] de overeenkomst hebben gesloten hebben partijen in dit kort geding te weinig naar voren gebracht om bij wege van voorlopig oordeel te kunnen concluderen dat Meat Solutions met haar stelling b. summierlijk de ondeugdelijkheid van de vordering van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] heeft aangetoond.

3.7.3.

[de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] enerzijds en [foods] anderzijds hebben in hoger beroep nog een nadere overeenkomst met [foods] overgelegd van 22 mei 2019 onder de benaming “Addendum akte van geldlening d.d. 15 juli 2015”, waarin verklaringen zijn opgenomen over de reikwijdte van het pandrecht op grond van de overeenkomst. Gezien het bovenstaande kunnen de merites van het addendum in dit kort geding in het midden blijven.

Stelling c.; incidentele grief 2 van Meat Solutions

3.8.

In hoger beroep heeft Meat Solutions stelling c. toegespitst op het feit dat [foods] al lang in verzuim was met de voldoening van haar schuld aan [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] op het moment dat [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] de overeenkomst, op 18 september 2018, hebben geregistreerd. Het hof verwerpt dit betoog, omdat dit niet aan een geldige vestiging van het pandrecht en de uitoefening daarvan door [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] in de weg staat. Stelling c. van Meat Solutions faalt dus eveneens.

De belangenafweging; de grieven 1f en 2 van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2]

3.9.

Deze grieven van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] hebben betrekking op de belangenafweging en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Het hof weegt de belangen van partijen bij de (opheffing van) de gelegde conservatoire beslagen als volgt. Het belang van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] bij de beslagen is aanzienlijk, omdat [foods] geen verhaal biedt en inmiddels failliet is, terwijl niet is gebleken dat [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] verhaal van hun vordering op [foods] op een andere wijze binnen een afzienbare termijn kunnen bewerkstelligen. Partijen verschillen van mening over de vraag of de curator de geldigheid van het pandrecht van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] erkent, maar hoe dan ook is in dit kort geding niet gebleken dat de geldigheid door de curator is betwist. Aan de zijde van Meat Solutions is gebleken dat in 2018 een nieuwe vennootschap Mondial Food Solutions B.V. is opgericht. Deze vennootschap maakt gebruik van een website die nagenoeg identiek is aan de website van Meat Solutions. Mondial Food Solutions is, naar mededeling van [de statutair directeur van Meat Solutions] tijdens de pleitzitting, thans een lege vennootschap, die op termijn de activiteiten van Meat Solutions kan overnemen. Meat Solutions heeft inmiddels met haar leveranciers en haar afnemers zodanige afspraken gemaakt dat Meat Solutions op geen enkel moment eigenaar is van door haar aan te kopen en weer te verkopen handelsvoorraad. In het licht daarvan hebben [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] een groot belang bij de gelegde beslagen. Dit geldt ook voor de handelsvoorraad, indien deze nog te achterhalen is, hetgeen zij stellen. Dit brengt het hof tot de conclusie dat de beslagen, ook voor zover het de handelsvoorraad betreft, dienen te herleven. De grieven 1f en 2 van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] slagen.

De slotsom

3.10.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de voorzieningenrechter [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] ten onrechte heeft gelast om de gelegde beslagen op te heffen. Het hof zal het vonnis vernietigen en de vordering van Meat Solutions alsnog afwijzen. Het rechtsgevolg daarvan is dat de beslagen herleven. De vordering van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] om – voor zover vereist – te bepalen dat de gelegde beslagen herleven is dan ook overbodig.

3.11.

Het bovenstaande betekent dat de voorzieningenrechter [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] ten onrechte in de kosten heeft veroordeeld. De tegen die beslissing gerichte grief 3 van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] slaagt eveneens. Ook op dit punt zal het vonnis worden vernietigd.

3.12.

Het hof zal de vordering tot terugbetaling van al hetgeen [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] naar aanleiding van het vonnis aan Meat Solutions hebben betaald afwijzen, omdat tijdens de pleitzitting is gebleken dat [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] , die na het vonnis conservatoir beslag onder zichzelf hebben gelegd, niets aan Meat Solutions hebben betaald.

3.13.

Meat Solutions zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties. Het hof zal voor het incidenteel hoger beroep geen kosten begroten, omdat daardoor geen extra kosten zijn veroorzaakt. Ook zonder de incidentele grieven hadden immers de stellingen a. en b. van Meat Solutions in hoger beroep opnieuw moeten worden onderzocht.

4 De uitspraak in kort geding

Het hof:

4.1.

vernietigt het vonnis;

Opnieuw rechtdoende:

4.2.

wijst de vordering van Meat Solutions tot opheffing van de beslagen af;

4.3.

veroordeelt Meat Solutions in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] op € 639,00 aan griffierecht en op € 1.619,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 81,83 aan dagvaardingskosten, op € 741,00 aan griffierecht en op € 3.222,00 aan salaris advocaat voor het principaal hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

4.4.

verklaart de onderdelen 4.1. en 4.3. uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.AE. Uniken Venema, R.J.M. Cremers en C.W.T. Vriezen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 november 2019.

griffier rolraadsheer