Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:434

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
200.230.247_01 en 200.230.276_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht; partneralimentatie; hofnorm voor vaststellen behoefte; huwelijksvermogensrecht; verkoop echtelijke woning onder door het hof bepaalde voorwaarden; lasten echtelijke woning na machtiging tot te gelde maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2019/31.12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummers : 200.230.247/01 en 200.230.276/01

zaaknummer rechtbank : C/01/299620 / FA RK 15-5463

beschikking van de meervoudige kamer van 7 februari 2019

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , Australië,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.J. Germs te Nijmegen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.E.G. van Hout te Eindhoven.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant (’s-Hertogenbosch) van 27 september 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 26 december 2017 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 27 september 2017.

2.2.

De vrouw heeft op 14 maart 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De man heeft op 28 mei 2018 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 25 mei 2018 met bijlagen, ingekomen op 28 mei 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 15 juni 2018 met bijlagen, ingekomen op 19 juni 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 24 september 2018 met bijlagen, ingekomen op 25 september 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 25 september 2018 met bijlagen, ingekomen op 26 september 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 5 oktober 2018 met bijlagen, ingekomen op 5 oktober 2018.

De advocaat van de man heeft ter mondelinge behandeling verzocht de brief van 25 september 2018 met bijlagen van de advocaat van de vrouw buiten beschouwing te laten omdat de man deze correspondentie niet heeft ontvangen en bovendien de vrouw haar verzoek daarbij heeft vermeerderd, zonder rechtvaardiging om dat in een zo laat stadium te doen. Het hof heeft daarop beslist dat op die brief en bijlagen acht wordt geslagen, omdat deze zijn ingekomen binnen de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn, eenvoudig te doorgronden zijn en er, anders dan de advocaat van de man stelt, geen sprake is van een vermeerdering van het verzoek, maar slechts van een aangekondigde specificatie daarvan.

2.5.

De alimentatiekwestie en de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap zijn afgesplitst en ingeschreven onder de zaaknummers 200.230.247/01 (alimentatie) en 200.230.276/01 (afwikkeling huwelijksgemeenschap).

De zaken zijn gevoegd behandeld.

2.6.

De mondelinge behandeling heeft op 10 oktober 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

- partijen zijn gehuwd op 22 mei 1998 te Eindhoven;

- de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Australische en de Nederlandse nationaliteit;

- op 5 oktober 2015 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend;

- bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 6 april 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is voorts, voor zover thans van belang,

- de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 620,-- per maand;

- de verdeling van de tussen partijen bestaand hebbende huwelijksgemeenschap vastgesteld.

4.2.

De man heeft 11 grieven aangevoerd. Deze grieven betreffen de partneralimentatie (grieven 1 tot en met 5) en de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap (grieven 6 tot en met 11).

De man verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof

onderworpen, te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie alsnog af te wijzen;

- te bepalen dat de echtelijke woning aan het adres [adres 1] te [plaats] onder door het hof te bepalen voorwaarden, waaronder een te hanteren vraagprijs, dient te worden verkocht;

- te bepalen dat de vrouw op grond van art 3:194 BW een beschrijving dient maken van de tot de echtelijke woning behorende inboedelzaken om de man in de gelegenheid te stellen op basis daarvan in deze procedure een voorstel tot verdeling te formuleren, althans voor recht te verklaren dat de inboedel van de echtelijke woning bij helfte tussen partijen dienen te worden verdeeld;

- te bepalen dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 4.556,50 in verband met de verdeling van de rekening bij ABN AMRO;

- te bepalen dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 15.688,50 in verband met de verdeling van de rekening bij ING;

- te bepalen dat de vrouw de man dient te voldoen een bedrag van € 8.852,93 in verband met de verdeling van de personenauto’s;

- aan de vrouw toe te delen de caravan onder de verplichting de man een bedrag van € 5.000,- te voldoen, althans te bepalen dat de caravan dient te worden verkocht, waarna de verkoopopbrengst bij helfte tussen partijen dient te worden gedeeld;

- te bepalen dat de vrouw wettelijke rente aan de man verschuldigd is over de bedragen die zij hem dient te voldoen vanaf veertien dagen na heden althans met ingang van een door het hof te bepalen datum;

met dien verstande dat het anders of meer door de vrouw verzochte alsnog dient te worden afgewezen.

De vrouw heeft vijf grieven aangevoerd, die alle zien op de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap.

De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem zijn verzoeken te ontzeggen als ongegrond dan wel onbewezen.

In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze ziet op de door de vrouw ingestelde grieven en opnieuw rechtdoende:

  • -

    te bepalen dat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 49.000,-- in verband met de verdeling van de waarde van Aegon polis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van deze beschikking;

  • -

    te bepalen dat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 963,-- in verband met de verdeling van het saldo van de Australische bankrekening van de man, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van deze beschikking;

  • -

    te bepalen dat de caravan de waarde vertegenwoordigt waarvoor hij daadwerkelijk verkocht is;

  • -

    te bepalen dat de vrouw een vordering op de man heeft van € 9.297,96 in verband met gezamenlijke lasten die zij in privé heeft voldaan en die op grond van art. 3:172 BW tussen partijen bij helfte gedeeld moeten worden en te bepalen dat de man binnen vijf dagen na deze beschikking dit bedrag aan de vrouw dient te voldoen, alsmede te bepalen dat bij gebrek aan tijdige betaling van voornoemd bedrag, de vrouw recht heeft om een bedrag van € 9.297,96 uit de overwaarde van de woning te ontvangen en toe te staan dat de vordering die de vrouw op de man heeft verrekend wordt met het aandeel van de man in de overwaarde van de woning, dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de datum van deze beschikking;

  • -

    te bepalen dat de vrouw, bij niet tijdige betaling door de man, het recht heeft om alle vorderingen zij op de man heeft in verband met de verdeling van de huwelijksgemeenschap uit de overwaarde van de woning te ontvangen en toe te staan dat de vorderingen die de vrouw op de man heeft verrekend kunnen worden met het aandeel van de man in de overwaarde van de woning;

  • -

    te bepalen dat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 4.537,50 in verband met de verdeling van de waarde van de eenmanszaak [eenmanszaak] , dan wel de door het hof vast te stellen waarde, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de datum van deze beschikking.

De man verzoekt in incidenteel hoger beroep het beroep van de vrouw te verwerpen. De man verzoekt voorwaardelijk, in het geval het hof het incidenteel beroep van de vrouw (gedeeltelijk) gegrond verklaart, te bepalen dat de vrouw met ingang van 5 oktober 2015 een gebruiksvergoeding aan de man dient te betalen ter grootte van de helft van de hypothecaire en eigenaarslasten die de vrouw voldoet totdat de woning zal zijn verkocht aan derden.

4.3.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Partneralimentatie

Bevoegdheid

5.1.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is de Nederlandse rechter op grond van art. 3 sub b van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.

Toepasselijk recht

5.2.

De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast op het alimentatieverzoek. Nu daartegen geen grieven zijn gericht, zal ook het hof Nederlands recht toepassen (zie de conclusie van AG Vlas voor HR 27 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV6684).

Ingangsdatum

5.3.

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum, zijnde de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand (6 april 2018), is niet in geschil zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.

Behoefte (grief 1 van de man)

5.4.1.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw met toepassing van de hofnorm heeft vastgesteld (op € 1.788,60 netto per maand). Hij voert hiertoe aan dat hij die behoefte gemotiveerd heeft betwist (door te stellen dat de vrouw eigen inkomsten heeft in de vorm van een WAO-uitkering), waardoor het op de weg van de vrouw had gelegen haar behoefte met stukken te onderbouwen. Nu zij dit heeft nagelaten dient uitgegaan te worden van een behoefte op bijstandsniveau.

5.4.2.

De vrouw weerspreekt dat en stelt dat de hofnorm een realistisch beeld geeft van haar huwelijksgerelateerde behoefte. Partijen hadden gedurende het huwelijk een mooi huis en kwamen niets te kort. Een behoefte ter hoogte van de bijstand is daarom ongepast.

5.4.3.

Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij het bepalen van de hoogte van de behoefte rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten – en gelet op de welstand redelijke – kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald (HR 19 december 2003, LJN AM2379, NJ 2004/140).

De hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen gedurende de laatste jaren van het huwelijk en gaat uit van een daaraan gerelateerd uitgavenpatroon. Indien de huwelijksgerelateerde behoefte in geschil is, kan het hanteren van de hofnorm als (enige) maatstaf voor die behoefte op gespannen voet komen te staan met het door de Hoge Raad verlangde maatwerk. Niet voorbij gegaan mag worden aan de door partijen in dit verband aangevoerde relevante omstandigheden.

Het hof overweegt dat de man geen omstandigheden heeft aangevoerd die er toe nopen de hofnorm niet als maatstaf voor de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw aan te houden. De enkele door hem genoemde omstandigheid dat de vrouw eigen inkomsten heeft in de vorm van een WAO-uitkering betreft niet de omvang van de huwelijksgerelateerde behoefte, maar de vraag in hoeverre de vrouw daarin zelf kan voorzien (hierna rov. 5.5.3.). Overige omstandigheden die in dit geval om een andere wijze van behoefteberekening vragen (zoals de omstandigheid dat het uitgavenpatroon gedurende het huwelijk (veel) lager was dan de inkomenssituatie toeliet) zijn gesteld noch gebleken. Het hof zal daarom evenals de rechtbank uitgaan van de op de hofnorm gebaseerde huwelijksgerelateerde behoefte van € 1.788,60 netto per maand. Grief 1 van de man slaagt niet.

Aanvullende behoefte (grief 2 van de man)

5.5.1.

De man heeft aangevoerd dat de vrouw zelfstandig in het eigen levensonderhoud kan voorzien omdat zij inkomsten en verdiencapaciteit heeft.

5.5.2.

De vrouw voert daartegen, samengevat, het volgende aan.

De vrouw is momenteel onder behandeling bij de Sint Maartenkliniek te [vestigingsplaats] . Zij heeft continu pijn, die erger wordt bij inspanning, zoals huishoudelijke werkzaamheden. Om de pijn draaglijk te maken, gebruikt zij morfinepleisters en draagt zij een korset. De vrouw is fysiek gezien dan ook niet in staat haar inkomen op enigerlei wijze te verhogen.

5.5.3.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw chronische rugklachten heeft als gevolg van een wervelfractuur in 1988 en dat zij sinds 1989 een WAO-uitkering ontvangt, die (in ieder geval sinds 2 februari 2009) gebaseerd is op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Gezien deze medische achtergrond, de huidige beperkingen van de vrouw en haar leeftijd (58 jaar), kan naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet van de vrouw worden verwacht dat zij thans door arbeid geheel of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud voorziet.

Het fiscaal jaarinkomen van de vrouw bedraagt volgens de jaaropgaven van het UWV (€ 10.157,--) en het Pensioenfonds (€ 1.717,--) over 2017 € 11.874,--. Hieruit volgt een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 877,-- per maand.

Gelet op het voorgaande gaat het hof uit van een aanvullende behoefte van de vrouw van (1.788 -/- 877) € 911,-- netto per maand of wel € 1.720,-- bruto per maand. Grief 2 van de man faalt.

Draagkracht van de man (grief 5 van de man)

5.6.

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om de vastgestelde alimentatie van € 620,-- te betalen.

Inkomen (grief 3 van de man)

5.7.1.

De man stelt dat de rechtbank is uitgegaan van een te hoog (bij gebrek aan actuele inkomensgegevens geschat) belastbaar jaarinkomen van de man van 58.000,-- AUD, omgerekend € 38.746,--. De man heeft over de perioden 2015/2016 en 2016/2017 een aanzienlijk lager inkomen genoten van 34.281,-- AUD / € 22.259,-- respectievelijk 34.713,-- AUD / € 22.539,-- per jaar, hetgeen blijkt uit als productie 1 overgelegde jaaropgaven. Bij de beoordeling van de draagkracht van de man dient van deze juiste en meest actuele gegevens te worden uitgegaan.

De man tekent daarbij aan dat hij als 63-jarige, nog maar recent (begin 2015) in het buitenland gestarte ondernemer, alles in het werk moet stellen om financieel het hoofd boven water te houden. Voorts geldt dat zijn toekomstige bedrijfsresultaten zich niet laten voorspellen.

5.7.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij stelt dat de rechtbank van de juiste inkomensgegevens is uitgegaan, dan wel dat de door de man geschetste huidige situatie onjuist is. Zij voert daartoe het volgende aan.

Niet duidelijk is of het ‘taxable income’ van de man inkomen uit onderneming of uit loondienst betreft en of dit zijn enige inkomen is. De inkomensgegevens zijn niet recent en de man geeft geen inzage in de belastingtarieven in Australië. Aldus kan niet worden vastgesteld wat het netto besteedbaar inkomen van de man is. Het ligt op de weg van de man om openheid van zaken te geven. De man is al 2,5 jaar in Australië; van een opstartfase is geen sprake meer.

5.7.3.

Het hof overweegt als volgt.

De man heeft (bij brief van 24 september 2018) de volgende inkomensgegevens overgelegd:

- de individual tax return 2016 (betreffende de periode van 1 juli 2015 tot 30 juni 2016), waaruit een bruto jaarinkomen uit arbeid blijkt van AUD 34.281,-- en een belastingverplichting van AUD 3.296,--;

- de individual tax return 2017 (betreffende de periode van 1 juli 2016 tot 30 juni 2017),

waaruit een bruto jaarinkomen uit arbeid blijkt van AUD 34.713,-- en een belastingverplichting van AUD 3.386,70;

- de company tax return Linden Fire Pty Ltd 2016, waaruit een ondernemingsresultaat blijkt van nihil;

- de company tax return Linden Fire Pty Ltd 2017, waaruit een ondernemingsresultaat blijkt van nihil;

- een notice of assessment 2016 en 2017, waaruit blijkt dat de belastingaanslagen conform aangifte zijn;

- de accountantsverklaring van 25 augustus 2017, waaruit een in het belastingjaar 2018 te verwachten bruto inkomen van de man tussen de AUD 25.000,-- en AUD 28.000,-- en een nihil ondernemingsresultaat blijken.

Genoemde documenten in onderlinge samenhang bezien, geven het hof aanleiding uit te gaan van een gemiddeld netto jaarinkomen van [(34.281 -/- 3.296) + (34.713 -/- 3.387) : 2] AUD 31.156, ofwel € 19.283,--. Hieruit volgt een netto besteedbaar inkomen van € 1.607,-- per maand. In zoverre slaagt grief 3 van de man.

Woonlasten (grief 4 van de man)

5.8.1.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn feitelijke woonlasten buiten beschouwing heeft gelaten. Het is relatief duur om in Australië woonruimte te huren. Zijn huurlasten bedragen met ingang van 16 april 2018 AUD 1.825,-- (omgerekend € 1.174,-) per maand. Voor een deel betaalt de man deze lasten uit zijn vermogen (spaargeld). Daarom is het niet redelijk om uit te gaan van de component woonlasten die in de bijstandsnorm is begrepen.

5.8.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij voert onder meer aan dat de door de man gestelde netto woonlast niet strookt met zijn beweerde inkomen en de man voorts nalaat informatie te verstrekken over een mogelijke tegemoetkoming in zijn woonlasten.

5.8.3.

Het hof overweegt dat de man tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw – en mede gezien het feit dat de verhouding huurlast en inkomen vragen oproept – niet, althans niet voldoende heeft onderbouwd dat hij de door hem gestelde woonlasten betaalt. Het hof ziet in de stellingen van partijen aanleiding om bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening te houden met een redelijke woonlast, die conform de Nibud-norm een derde deel van het netto besteedbaar inkomen van de man, derhalve een bedrag van € 536,-- per maand, bedraagt. Grief 4 van de man slaagt gedeeltelijk.

Vaststelling van de alimentatie

5.9.

De man heeft in hoger beroep een draagkrachtberekening met toepassing van het Nederlands belastingstelsel overgelegd. Nu de man evenwel in Australië belasting betaalt over zijn inkomen, zal het hof uitgaan van een netto draagkrachtberekening met toepassing van de (belasting)gegevens voor zover deze blijken uit de overgelegde stukken.

Bij gebrek aan gegevens over de levensstandaard in Australië, houdt het hof rekening met het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag voor een zelfstandig wonende alleenstaande minus de daarin begrepen component ziektekosten (€ 35,--), nu uit genoemde individual tax return-formulieren blijkt dat op het bruto inkomen van de man een zogeheten ‘medicare levy’ wordt ingehouden waarmee, naar het hof begrijpt, gratis toegang tot de gezondheidszorg wordt verzekerd. Het hof houdt derhalve rekening met een normbedrag van (992-35) € 957,--.

Uit het voorgaande volgt dat de man de draagkracht heeft om € 202,-- netto per maand te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Het hof zal aldus bepalen. Grief 5 van de man slaagt gedeeltelijk.

Afwikkeling huwelijksgemeenschap

Bevoegdheid

5.10.

Ingevolge art. 4 lid 3 Rv brengt rechtsmacht in de echtscheidingszaak (waarvan hier sprake is op grond van art. 3 Verordening (EG) nr. 2201/2003 (Brussel II-bis): de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten ligt in Nederland en een van hen verblijft daar nog) ook rechtsmacht met betrekking tot het verdelingsverzoek mee. De Nederlandse rechter is derhalve bevoegd van de verdelingsverzoeken kennis te nemen.

Toepasselijk recht

5.11.

De rechtbank heeft op de verdeling Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat (zie de conclusie van AG Vlas voor HR 27 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV6684) ook het hof Nederlands recht zal toepassen.

De echtelijke woning (grief 6 van de man)

5.12.1.

De rechtbank heeft ten aanzien van de echtelijke woning:

- de vrouw gemachtigd tot het te gelde maken van de woning en alles te doen wat noodzakelijk is voor de verkoop van de woning;

- bepaald dat de beschikking in de plaats komt van de opdrachtverklaring van de man aan makelaarskantoor [makelaars] Makelaars tot dienstverlening bij de verkoop van de woning en dat de beschikking tevens in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring van de man aan deze makelaar tot het wijzigen van de vraagprijs van de woning;

- bepaald dat de beschikking in de plaats komt van de voor eigendomsoverdracht en levering van de woning noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man.

5.12.2.

Hiertegen richt zich de zesde grief van de man. Hij voert het volgende aan.

Tot op heden heeft de vrouw geen enkele actie ondernomen tot verkoop van de echtelijke woning. Evenmin heeft zij de man daartoe enig voorstel (bijvoorbeeld ten aanzien van de te hanteren vraagprijs) gedaan. Hierdoor blijft de woning onverdeeld, wat onaanvaardbaar is. De man heeft er belang bij dat de woning alsnog binnen afzienbare tijd zal worden verkocht. Daarom dient dit te gebeuren onder door het hof te bepalen voorwaarden.

5.12.3.

De vrouw heeft hiertegen het volgende aangevoerd.

De woning staat thans nog niet in de verkoop omdat door het onderhavige hoger beroep de verdeling van de huwelijksgemeenschap opnieuw ter discussie staat en de vrouw bij een verkoop van de woning vóór een beslissing van het hof omtrent de verdeling mogelijk geen verhaalsmogelijkheid meer heeft op de man. Bovendien loopt zij dan het risico om, samen met hun zoon, op straat te komen staan, omdat zij voor een woningtoewijzing niet als urgent wordt aangemerkt, niet over spaargeld beschikt en haar inkomen te laag is om een hypotheek te kunnen afsluiten.

Voorts is het zo dat de woningmarkt nog altijd aantrekt. Om een restschuld te voorkomen, is het van belang de woning voor een zo hoog mogelijke prijs te verkopen. Op dit moment is de woning nog verre van verkoop klaar. De schade als gevolg van de lekkage in de kelder moet worden hersteld en de woning moet worden opgeruimd, geschilderd en gestyled. Ook de tuin moet opgeknapt worden.

De vrouw zal de verkoop van de woning op zich nemen zodra het hof een beslissing heeft genomen over de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

5.12.4.

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat, zo is ter zitting gebleken, de grief van de man mede is gericht tegen de door de rechtbank aan de vrouw verleende machtiging en niet alleen tegen de voorwaarden waaronder de machtiging is afgegeven (zoals de vrouw had begrepen).

Partijen zijn al in oktober 2015 feitelijk uit elkaar gegaan en de woning staat thans nog immer niet te koop. De vrouw erkent dat zij de verkoop van de woning niet ter hand heeft genomen. Haar voornaamste beweegreden hiervoor – het behoud van een verhaalsmogelijkheid jegens de man – acht het hof niet een valide reden. Hetgeen de vrouw overigens aanvoert als reden om de verkoop te vertragen – het risico dat zij op straat komt te staan en de omstandigheid dat de woningmarkt nog altijd aantrekt – is kennelijk ook voor de vrouw niet van doorslaggevend belang, aangezien zij heeft toegezegd de verkoop van de woning op zich te nemen zodra het hof een beslissing heeft genomen over de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

Het hof is van oordeel dat niet van de man verlangd kan worden dat hij nog langer in onverdeeldheid moet blijven. Omdat de vrouw, hoewel daartoe door de rechtbank met uitsluiting van de man in de gelegenheid gesteld, geen aanstalten tot de verkoop van de echtelijke woning heeft gemaakt, en er, ondanks haar toezegging, evenmin zekerheid over bestaat dat zij dit na de beslissing van het hof over de verdeling wel zal doen, zal het hof conform het verzoek van de man de verkoop van deze woning onder de navolgende voorwaarden gelasten.

De verkoop zal dienen te geschieden door een gezamenlijke opdracht van partijen aan een makelaar in onroerend goed. Indien partijen niet binnen vier weken na de datum van deze beschikking gezamenlijk een makelaar daartoe opdracht hebben gegeven, dan zal het hof bepalen dat de voormalige echtelijke woning door makelaarskantoor [makelaars] Makelaars, [adres 2] , [postcode] [kantoorplaats] , aan een derde wordt verkocht. Ieder van partijen is bevoegd de makelaar daartoe opdracht te geven.

Partijen zullen in overleg met de makelaar de vraagprijs, die gebaseerd dient te zijn op de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen. Indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening er in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen dan zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs.

Partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zo ver die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit naar beste weten en kunnen bepalen.

Beide partijen zijn gehouden aan deze verkoop en de daaropvolgende overdracht mee te werken.

Iedere partij is gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen.

Na verkoop en overdracht van de voormalige echtelijke woning wordt de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire schulden, gelijkelijk tussen partijen verdeeld, dan wel zal ieder van partijen de helft van de restschuld als eigen schuld dragen en betalen. In dit kader zullen de eventueel aan de hypothecaire leningen verbonden polis(sen) van levensverzekering worden afgekocht en zal de afkoopwaarde bij helfte tussen partijen worden verdeeld, dan wel in mindering worden gebracht op de restschuld.

De overige stellingen van partijen behoeven, gelet op het vorenstaande, geen nadere bespreking meer nu zij niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Grief 6 van de man slaagt.

De inboedelgoederen (grief 7 van de man)

5.13.1.

Grief 7 van de man houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen oordeel over de verdeling van de inboedelgoederen kan geven, nu partijen geen inzicht in de omvang van de inboedel hebben gegeven. Ter toelichting voert de man het volgende aan.

Partijen hebben over de verdeling van de inboedelgoederen nog geen overeenstemming met elkaar bereikt. Complicerende factor is dat de echtelijke woning, die heel groot is, uitsluitend door de vrouw wordt bewoond maar zij ondanks herhaald verzoek geen concreet voorstel tot verdeling van de inboedelgoederen heeft gedaan en ook geen inboedellijst heeft opgesteld. De verdeling van de inboedel verkeert hierdoor al geruime tijd in een impasse.

De man heeft er recht op en belang bij dat ook de inboedel in de verdeling wordt betrokken. Tussen partijen staat vast dat nagenoeg de gehele inboedel in de echtelijke woning is achtergebleven. De vrouw dient ingevolge art. 3:194 BW een beschrijving ten aanzien van de inboedel te maken zodat in deze procedure tot een behoorlijke verdeling kan worden gekomen.

5.13.2.

De vrouw heeft hiertegen het volgende aangevoerd.

De inboedel van partijen is reeds verdeeld. De man heeft veel waardevolle goederen, zoals computers en andere apparatuur, meegenomen toen hij naar Australië vertrok. Al wat hij nu nog zou willen hebben, mag hij hebben. In de woning zijn alleen gedateerde meubels achtergebleven, die geen waarde vertegenwoordigen. Bij verkoop van de woning zullen er zelfs extra kosten gemaakt moeten worden om de resterende goederen te verwijderen.

Indien de man meent dat hij recht heeft op bepaalde inboedelgoederen, dan ligt het op zijn weg om zijn verzoek in dezen te specificeren. Hij heeft jarenlang in de woning gewoond en weet wat er aanwezig was op het moment dat hij naar Australië vertrok. De inboedellijst is al gemaakt nog voor de echtscheidingsprocedure was opgestart.

5.13.3.

Het hof is van oordeel dat de man, tegenover de betwisting van de vrouw, ook in hoger beroep onvoldoende heeft gesteld om zijn verzoek ten aanzien van de verdeling van de inboedelgoederen te kunnen honoreren. Volgens de vrouw is de inboedel al verdeeld. De man heeft evenwel nagelaten inzicht te geven in wat hij zelf aan inboedelzaken heeft meegenomen en welke inboedelzaken die voor verdeling in aanmerking zouden komen in de woning zijn achtergebleven en welke waarde deze (bij benadering) vertegenwoordigen. Grief 7 van de man faalt daarom.

De caravan (grief 10 van de man en grief 3 van de vrouw)

5.14.

Grief 10 van de man en grief 3 van de vrouw houden in dat de rechtbank ten onrechte de waarde van de caravan heeft vastgesteld op € 5.000,--.

5.14.1.

De man voert hiertoe het volgende aan. Tussen partijen staat vast dat de caravan in 2012 is aangekocht voor een bedrag van ongeveer € 13.000,--, zodat de waarde van de caravan (zonder nadere toelichting) niet “in redelijkheid” gesteld kan worden op het aanzienlijk lager bedrag van € 5.000,--. De caravan, inclusief nadien aangekocht toebehoren, is niet minder waard dan een bedrag van € 10.000,--. Indien de vrouw de caravan tegen dit bedrag niet toegedeeld wenst te krijgen, dient de caravan – inclusief toebehoren – te worden verkocht en de verkoopopbrengst bij helfte te worden gedeeld.

5.14.2.

De vrouw heeft het navolgende aangevoerd.

De caravan dateert uit 2009 en is, inclusief voortent en mover, in 2012 tweedehands aangeschaft voor € 12.000,-. Sindsdien heeft de caravan met toebehoren zijn waarde voor een groot deel verloren. In 2014 is de dieselbak gescheurd, die de man vervolgens met Ductape heeft gerepareerd. In 2015, vlak voor zijn vertrek naar Australië, heeft de man het slot van de caravan doorboord om toegang tot de caravan te krijgen. Hij heeft nog geprobeerd het slot te repareren, maar de deur sluit sindsdien niet goed meer. De caravan heeft bij grote stormen van de afgelopen twee jaren diverse schade opgelopen die niet door de verzekering vergoed worden. Door een hagelbui zitten er vele deuken in het dak en de hellende voorkant van het plaatwerk. Ook in de zijkanten van de caravan zitten deuken.

De vrouw heeft de caravan inmiddels verkocht aan de hoogste bieder voor € 3.000,--.

5.14.3.

Het hof overweegt als volgt.

De rechtbank heeft de verdeling van de caravan aldus gelast dat deze aan de vrouw wordt toegedeeld. Daartegen keren de grieven van partijen zich niet. De grieven van partijen betreffen de door de rechtbank aan de caravan toegekende waarde. Volgens de man is de waarde niet lager dan € 10.000,--. De vrouw verzoekt te bepalen dat de caravan de waarde vertegenwoordigt waarvoor hij daadwerkelijk verkocht is, te weten € 3.000,--.

Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling dat de caravan ten minste een bedrag van € 10.000,-- waard is, tegenover de betwisting van de vrouw, onvoldoende met feiten heeft onderbouwd, mede gelet op de in 2012 (derhalve vijf jaar voor het tijdstip van verdeling van de caravan door de rechtbank) betaalde koopprijs van € 12.000,--. De grief van de man faalt daarom.

Het hof volgt ook de vrouw niet in haar stelling dat uitgegaan moet worden van de waarde waarvoor de caravan is verkocht (€ 3.000,--), nu zij heeft nagelaten enig inzicht te geven in de vaststelling van de verkoopprijs en/of het verkoopproces (de wijze waarop, wanneer en/of aan wie de caravan is verkocht). De grief van de vrouw faalt eveneens.

Het hof zal evenals de rechtbank voor de caravan in redelijkheid uitgaan van een waarde van € 5.000,--. Dit betekent dat het hof beschikking van de rechtbank op dit punt zal bekrachtigen.

Aegon toekomstplan (grief 1 van de vrouw)

5.15.1.

Grief 1 van de vrouw houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om met betrekking tot het Aegon toekomstplan te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 49.000,-- dient te voldoen. Zij voert hiertoe aan dat zij vreest dat zij van de man in deze niets te verwachten heeft en er aldus belang bij heeft dat deze vordering op de man wordt vastgelegd in een voor tenuitvoerlegging vatbare beschikking.

5.15.2.

Het hof overweegt als volgt.

Ter zitting van het hof is gebleken dat partijen het er over eens zijn om de polis betreffende het Aegon toekomstplan, die op 3 juni 2016 (de peildatum is 5 oktober 2015) een waarde had van € 97.623,66, tot de einddatum in december 2019 te laten doorlopen, en de waarde bij het vrijvallen van de polis te verdelen. Niet valt uit te sluiten (gezien de belastinglatentie waarop de man ter zitting heeft gewezen) dat het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man aan haar een bedrag van € 49.000,-- dient te voldoen, resulteert in een verdeling anders dan bij helfte, zodat het hof dit verzoek zal afwijzen. Het voorgaande neemt echter niet weg (en daarover zijn partijen het ook eens, zo begrijpt het hof) dat de vrouw recht heeft op de helft van de waarde van de polis op de peildatum, verminderd met de toepasselijke latente belastingdruk. Het hof zal aldus bepalen.

De bankrekening van de man bij ABN AMRO eindigend op [eindcijfers ABN AMRO bankrekening] (grief 8 van de man);

de bankrekening van de vrouw bij ING eindigend op [eindcijfers ING bankrekening 1] en de verdeling van de personenauto’s (grief 9 van de man) en

de Australische bankrekening van de man (grief 2 van de vrouw)

5.16.

Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank heeft nagelaten (het saldo van) de in de grieven 8 en 9 van de man en grief 2 van de vrouw aan de orde gestelde vorderingen in het dictum van de bestreden beschikking op te nemen. Het hof zal daarom alsnog de vrouw veroordelen het bedrag van € 28.134,93 aan de man te voldoen.

(Dit bedrag is het saldo van de vorderingen van de man op de vrouw van:

- € 4.556,5 ter zake de bankrekening van de man bij ABN AMRO eindigend op [eindcijfers ABN AMRO bankrekening] +

- € 15.688,50 ter zake de bankrekening van de vrouw bij ING eindigend op [eindcijfers ING bankrekening 1] +

- € 8.852,93 ter zake de verdeling van de auto’s en

de vordering van de vrouw op de man van € 963,-- ter zake de Australische bankrekening van de man. De grieven 8 en 9 van de man en grief 2 van de vrouw zijn terecht voorgedragen.

Eenmanszaak [eenmanszaak] (grief 5 van de vrouw)

5.16.1.

Grief 5 van de vrouw betreft de overweging van de rechtbank dat zij de waarde van de eenmanszaak [eenmanszaak] niet kan vaststellen, omdat zij niet beschikt over een jaarrekening of een aangifte inkomstenbelasting van de man over het jaar 2015. De vrouw acht het onbegrijpelijk en onredelijk dat de nalatigheid van de man (hij dient de van belang zijnde stukken van zijn eenmanszaak in het geding te brengen) voor haar rekening en risico lijkt te komen. De vrouw kan over deze gegevens niet beschikken nu de boekhouder deze enkel aan de man verstrekt. De eenmanszaak van de man vertegenwoordigde op de peildatum hoe dan ook enige waarde. Immers, er zijn in het jaar 2015 nog werkzaamheden uitgevoerd en er is omzet gegenereerd. Het enige aanknopingspunt voor de waarde van de eenmanszaak is het bedrag van de laatste nota (€ 9.075,--) die namens [eenmanszaak] aan een opdrachtgever is gestuurd. Bij gebreke van een gemotiveerde onderbouwing van de man, voorzien van de jaarcijfers 2015 en de aangifte inkomstenbelasting 2015, stelt de vrouw zich nog altijd op het standpunt dat de waarde van de eenmanszaak op de peildatum € 9.075,-- bedroeg, welke waarde tussen partijen bij helfte verdeeld dient te worden.

5.16.2.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd.
Hij stelt dat vaststaat dat alle activa en waardevolle goederen van de inmiddels opgeheven eenmanszaak, waaronder onder meer printers, een plotter, computers, een vouwmachine en een snijapparaat in de echtelijke woning zijn achtergebleven en in het kader van de verdeling van de inboedel nog tussen partijen moeten worden verdeeld. Volgens de man had de eenmanszaak per peildatum geen positieve waarde, maar alleen schulden die nog tussen partijen dienen te worden verrekend.

5.16.3.

Het hof overweegt als volgt.

De man heeft ook in hoger beroep geen gegevens over de waarde van de eenmanszaak overgelegd. Het hof zal daarom uitgaan van de door de vrouw gestelde waarde van

€ 9.075,--, die de man onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Van dit bedrag komt de helft toe aan de vrouw, te weten een bedrag van € 4.537,50. Het hof zal aldus bepalen. Grief 5 van de vrouw slaagt.

Gemeenschappelijke kosten (grief 4 van de vrouw)

5.17.1.

Grief 4 van de vrouw betreft de (eigenaars)lasten die de vrouw voldoet en die naar haar mening voor partijen gezamenlijk moeten komen. Volgens de vrouw heeft de rechtbank haar vordering op de man ten aanzien van de gezamenlijke kosten terecht vastgesteld op € 9.018,60 per eind maart 2017, maar zijn daar sinds die datum kosten bijgekomen waarin de man ook voor de helft dient bij te dragen. Bij brief van 25 september 2018 heeft de vrouw deze kosten nader gespecificeerd. Het gaat om de navolgende betalingen:

- productie 9a: van rekeningnummer [rekeningnummer 1] een totaalbedrag van € 5.274,81:

o gemeentelijke belastingen € 1.740,74;

o gemeentelijke belastingen € 23,99;

o waterschap € 258,70;

o caravanverzekering € 510,--;

o woonverzekering € 1.240,--;

o [installatiebedrijf] warmte unithuur € 260,55;

o aflossing op de lening € 1.200,--;

o bankkosten € 40,83;

- productie 9b: aanzuivering en bankkosten van rekeningnummer [rekeningnummer 2] een totaalbedrag van € 1.455,--;

- productie 9c: van rekeningnummer [rekeningnummer 3] een totaalbedrag van € 7.446,02 inzake hypotheekrente, bankkosten en rentekosten;

- productie 9d: van rekeningnummer [rekeningnummer 4] een totaalbedrag van € 54,74 inzake betaalde kosten, pasjes, rente en roodstand;

- productie 9e: losse betalingen aangaande de onderhoudskosten van de woning van € 677,49;

- productie 9f: aflossing doorlopend krediet, zijnde thans een totaalbedrag van € 3.687,85.

In totaal heeft de vrouw bovengenoemde gezamenlijke kosten van € 18.595,91 in privé voldaan.

5.17.2.

De man heeft niet zelfstandig gegriefd tegen de door de rechtbank vastgestelde vordering van de vrouw op hem van € 9.018,60 ter zake de gezamenlijke kosten per eind maart 2017 zodat deze vordering vaststaat.

Als verweer tegen de grief van de vrouw heeft de man aangevoerd dat het alleszins redelijk is dat de vrouw met ingang van de datum dat zij het alleengebruik van de voormalig echtelijke woning heeft (5 oktober 2015), ook de lasten van die woning voor haar rekening neemt. Subsidiair is de man van mening dat een beroep op een gelijke verdeling van de eigenaarslasten van de woning naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden niet kan worden aanvaard (art. 3:166 lid 3 W in samenhang met art. 6:2 BW).

De man voert daartoe het volgende aan.

De vrouw betaalt hem voor het alleengebruik van de woning geen enkele vergoeding, terwijl zij daartoe wèl gehouden is. De kosten van de woning zijn opgelopen omdat de vrouw al geruime tijd weigert mee te werken aan de verkoop van de woning. Zij kan van de inwonende zoon van partijen een passende bijdrage voor het gebruik van de woning verlangen. De man is niet in staat om enige bijdrage in de woonlasten van de vrouw te betalen.

5.17.3.

Bij verweerschrift in incidenteel beroep heeft de man verzocht te bepalen dat, indien de man dient bij te dragen in de woonlasten van de vrouw, de vrouw met ingang van 5 oktober 2015 een gebruiksvergoeding aan hem dient te betalen ter grootte van de helft van de hypothecaire en eigenaarslasten die de vrouw voldoet, totdat de woning zal zijn verkocht aan derden.

5.17.4.

Het hof begrijpt de grief van de vrouw aldus, dat zij zich op het standpunt stelt dat zij een regresvordering heeft op de man voor de lasten die zij sedert eind maart 2017 heeft voldaan en die naar haar mening voor partijen gezamenlijk moeten komen.

Naar het oordeel van het hof gaat de vrouw er met deze grief aan voorbij dat zij door de rechtbank in de bestreden beschikking van 27 september 2017, op haar verzoek, is gemachtigd tot het te gelde maken van de echtelijke woning. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de vrouw sedert die beschikking geen actie heeft ondernomen tot verkoop van de woning. Nu het de vrouw was, die het (met uitsluiting van de man) een machtiging had de woning te gelde maken en zij daarvan (willens en wetens) geen gebruik heeft gemaakt, dient de vrouw, naar het oordeel van het hof, in de onderlinge verhouding tot de man, de lasten verbonden aan (het gebruik van) de woning die zij niet in eerste aanleg heeft gevorderd (dat wil zeggen de lasten ontstaan na 1 april 2017) te dragen. Voor een vordering op de man over deze periode is geen plaats.

De grief van de vrouw faalt in zoverre en het voorwaardelijk verzoek van de man tot een gebruiksvergoeding behoeft geen bespreking meer.

5.17.5.

Ten aanzien van de overige door de vrouw opgevoerde lasten overweegt het hof als volgt.

- de caravanverzekering € 510,-- (productie 9a)

De vrouw heeft nagelaten de kosten van de caravanverzekering over de periode van eind maart 2017 (de periode daarvoor ligt in hoger beroep niet voor) tot 27 september 2017, zijnde de datum van toedeling van de caravan aan haar – vanaf welke datum deze kosten naar het oordeel van het hof voor haar rekening dienen te komen – inzichtelijk te maken. Bij gemarkeerde bedragen op de overgelegde bankafschriften die de periode van maart 2017 tot augustus 2018 beslaan, staat met de hand geschreven “woonverz. caravan”, maar niet duidelijk is welke bedragen in genoemde periode met de caravanverzekering en welke bedragen met de woonverzekering gemoeid zijn. Dat de vrouw dit heeft nagelaten komt voor haar rekening en risico. Aldus zal het hof het verzoek van de vrouw ook in zoverre afwijzen.

- de aflossing op de lening € 1.200,-- (productie 9a) en de aanzuivering en bankkosten van rekeningnummer [rekeningnummer 2] een totaalbedrag van € 1.455,-- (productie 9b)

Genoemde producties betreffen de aflossing op een op naam van beide partijen afgesloten doorlopend krediet bij de ING bank. Blijkens de als productie 9b overgelegde bankafschriften (waarvan niet duidelijk is welke periode deze betreffen) zijn van de bankrekening eindigend op [eindcijfers ING bankrekening 2] , die op naam staat van beide partijen, de termijnbedragen van € 85,-- ter aflossing van het doorlopend krediet betaald en heeft de vrouw het saldo van deze rekening aangezuiverd vanuit haar betaalrekening eindigend op [eindcijfers ING bankrekening 1] .

Gesteld noch gebleken is wat de hoogte van dit doorlopend krediet is/was en waarvoor dit krediet is aangewend. Het bestaan van deze schuld is niet door de man weersproken.

De kredietvordering van de ING bank valt op grond van het bepaalde in art. 1:94 (oud) BW in de huwelijksgemeenschap. Voor schulden die in de (ontbonden) huwelijksgemeenschap vallen, geldt krachtens de hoofdregel van art. 1:100 BW een gelijke draagplicht (partijen zijn beiden voor de helft draagplichtig). Voor een uitzondering op deze hoofdregel is slechts plaats in zeer uitzonderlijke omstandigheden, die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407; HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3748; HR 22 november 2013 ECLI:NL:HR:2013:1393 en HR 9 juni 2017 ECLI:NL:HR:2017:1066).

Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

Het hof gaat er, gelet op het vorenstaande, daarom van uit dat partijen ieder voor een gelijk gedeelte (dus ieder voor de helft) draagplichtig zijn voor de kredietschuld aan de ING bank en de daaraan verbonden (bank)kosten. Voor zover de vrouw méér dan de helft van deze schuld heeft voldaan, zal zij voor dat meerdere regres kunnen nemen op de man. Aldus zal het hof bepalen.

- bankkosten € 40,83 (productie 9a)

Het hof is van oordeel dat de vrouw niet duidelijk heeft gemaakt wat de grondslag is voor haar aanspraak op vergoeding door de man van de helft van de bankkosten van genoemde op haar naam staande bankrekening eindigend op [eindcijfers ING bankrekening 1] in de periode van maart 2017 tot augustus 2018. Dit geldt temeer nu niet tussen partijen in geschil is dat het saldo van (onder meer) deze rekening per datum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap (5 oktober 2015) bij helfte dient te worden verdeeld. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.

- rekeningnummer [rekeningnummer 4] een totaalbedrag van € 54,74 inzake betaalde kosten, pasjes, rente en roodstand (productie 9d)

Genoemde bankrekening staat op naam van beide partijen. Ook ten aanzien van deze bankrekening geldt dat partijen het eens zijn dat het saldo daarvan per 5 oktober 2015 bij helfte dient te worden verdeeld. In dit licht had het op de weg van de vrouw gelegen inzichtelijk te maken, waardoor het tekort is ontstaan. Dat zij dit heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico. Het hof zal het verzoek afwijzen.

De slotsom is dat grief 4 slechts gedeeltelijk slaagt.

De wettelijke rente (grief 11 en aanvullend verzoek van de man)

5.18.1.

Grief 11 van de man houdt in dat ten onrechte geen wettelijke rente is toegewezen over de bedragen die de vrouw aan de man uit hoofde van de verdeling dient te voldoen. De man verzoekt in hoger beroep alsnog de wettelijke rente toe te wijzen.

5.18.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Volgens haar is aan de man te wijten dat de verdeling niet al lang heeft plaats gevonden. In het geval het hof de wettelijke rente toewijst ten aanzien van de vorderingen die de man op de vrouw heeft, dan dient de wettelijke rente ook te worden toegewezen over de vorderingen die de vrouw op de man heeft.

5.18.3

Het hof overweegt als volgt.

Wettelijke rente is pas verschuldigd vanaf het moment dat de schuldenaar in verzuim is geraakt met de betaling van een schuld nadat die opeisbaar is geworden. Daargelaten het feit dat de vrouw bij de bestreden beschikking niet is veroordeeld tot betaling van enig bedrag aan de man, hebben de onderhavige verzoeken van de man betrekking op de verdeling van de huwelijksgemeenschap, die eerst met deze beschikking definitief is vastgesteld zodat de vrouw niet eerder in verzuim is geraakt (vgl. onder meer HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR 2016:493; HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:181 en HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008: BC0387, NJ 2008, 108). Nu ook thans de verdeling, en de financiële gevolgen daarvan, nog niet definitief is vastgesteld (Het Aegon toekomstplan kan nog niet tegen een bepaald bedrag in de verdeling worden betrokken, zie daaromtrent rov. 5.12.3) zal het hof de wettelijke rente afwijzen.

Verrekening vorderingen vrouw met het aandeel van de man in de overwaarde van de woning

5.19.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat zij, bij niet tijdige betaling door de man, het recht heeft om alle vorderingen die zij op de man heeft in verband met de verdeling van de huwelijksgemeenschap uit de overwaarde van de woning te ontvangen en toe te staan dat deze vorderingen verrekend kunnen worden met het aandeel van de man in de overwaarde van de woning.

5.19.2.

De man heeft tegen dit verzoek geen verweer gevoerd. Het hof zal hierna beoordelen of aan toewijzing van het verzoek van de vrouw wordt toegekomen.

5.19.3.

Resumerend leidt het voorgaande tot het hiernavolgende overzicht.

In het kader van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap dient de man aan de vrouw te betalen:

eenmanszaak [eenmanszaak] € 4.537,-- ;

beschikking rechtbank € 6.850,-- ;

Kredietschuld ING p.m.;
Aegon Toekomstplan: p.m.,

derhalve een (totaal)bedrag van € 11.387,-- + p.m.

De vrouw dient aan de man te voldoen.:

bankrekeningen en personenauto’s € 28.134,93.

Het hof kan gelet op het voorgaande niet vatstellen hoe hoog per saldo de vordering van de vrouw op de man is. Zo staat de hoogte van de doorlopend kredietschuld bij de ING-bank, niet vast en ook staat nog niet vast welk bedrag de vrouw toekomt uit hoofde van het Aegon Toekomstplan. Nu aldus het hof de hoogte van de vordering van de vrouw op de man niet kan bepalen, en niet kan vaststellen of deze vordering per saldo hoger is dan de vordering van de man op de vrouw, zal het hof het verzoek van de vrouw tot verrekening van haar vorderingen op de man met het aandeel van de man in de overwaarde van de woning afwijzen.

Bewijsaanbod

5.20.

Voor zover de man bewijs van zijn stellingen heeft aangeboden, onder meer door het laten horen van getuigen, komt het hof, gezien het voorgaande, daaraan niet toe.

6 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap betreft.

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant (’s-Hertogenbosch) van 27 september 2017, voor zover het betreft:

- rov. 3.2. (partneralimentatie);

- rov. 3.3., maar alleen voor zover daarbij de verdeling is gelast zoals overwogen in rov. 2.4.17 en 2.4.39.;

- rov. 3.4. tot en met 3.8.

en in zoverre opnieuw en voorts aanvullend rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 6 april 2018 als uitkering tot haar levensonderhoud € 202,-- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat partijen binnen vier weken na heden gezamenlijk een makelaar opdracht geven tot verkoop van de woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats] tegen een door partijen overeen te komen verkoopprijs;

bepaalt dat, indien zij niet binnen vier weken na heden gezamenlijk een makelaar opdracht hebben gegeven tot de verkoop, ieder van hen afzonderlijk bevoegd is tot het verstrekken van een opdracht aan makelaarskantoor [makelaars] Makelaars, [adres 2] , [postcode] [kantoorplaats] , tot verkoop van de woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats] ;

bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening er in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt;

bepaalt dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkooprijs, partijen aan de makelaar kunnen verzoeken om de verkoopprijs bindend vast te stellen;

bepaalt dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun mede werking te verlenen aan het notariële transport van de woning aan de koper;

bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;

bepaalt dat de hypothecaire geldleningen bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning;

bepaalt dat de eventueel aan de hypothecaire geldleningen verbonden polis(sen) van levensverzekering worden afgekocht;

bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen;

bepaalt dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 28.134,93 ter zake van de in rov. 5.14. genoemde bankrekeningen en personenauto’s,

bepaalt dat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 4.537,-- ter zake van de eenmanszaak [eenmanszaak] ,

bepaalt dat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 6.850,--,

bepaalt dat de man aan de vrouw dient te voldoen de helft van de waarde van het Aegon toekomstplan op de peildatum, verminderd met de daarvoor geldende latente belastingdruk.

stelt vast dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de doorlopend krediet schuld bij de ING-bank en dat de vrouw voor zover zij meer dan de helft op deze schuld heeft afgelost, zij tot het bedrag van dat meerdere regres heeft op de man;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein en M.A. Ossentjuk, en is op 7 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.