Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4337

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-11-2019
Datum publicatie
27-11-2019
Zaaknummer
200.233.833_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dexia. Art. 1:88 e.v. BW. Wie is contractspartij? Op welke overeenkomsten ziet de vernietigingsbrief? Aanvang verjaringstermijn. Klant heeft stellingen van Dexia voldoende gemotiveerd betwist. En/of rekening. Bewijsvermoeden ten gunste van Dexia. Klant wordt toegelaten tot tegenbewijs.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2020/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.233.833/01

arrest van 26 november 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 januari 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 9 november 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5018813 / 16-4833)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties 9 t/m 14 en met eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord met producties 1 t/m 7;

  • -

    de akte uitlating van [appellant] met producties 15 en 16;

  • -

    de antwoordakte van Dexia.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In de overwegingen 2.1 t/m 2.4 heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de kantonrechter vastgestelde feiten, die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een samenvatting geven van de relevante feiten.

a. [appellant] heeft als lessee vijf effectenleaseovereenkomsten gesloten met een rechtsvoorganger van Dexia. Met Dexia wordt hierna ook haar rechtsvoorganger bedoeld.

Twee overeenkomsten zijn gesloten op 23 september 1997. De overeenkomsten zijn genaamd ‘Spaarleasen’ en hebben als contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] . Voor beide overeenkomsten is telkens een totale leasesom van (omgerekend)

€ 20.604,71 overeengekomen, te voldoen in 180 gelijke maandtermijnen van (omgerekend) € 114,47. De overeenkomsten zijn gesteld op naam van ‘ [appellant] e/o [de echtgenote van appellant] ’ als lessee. Alleen [appellant] heeft de overeenkomsten ondertekend onder het kopje ‘Handtekening lessee:’.

Drie overeenkomsten zijn gesloten in 2000: op 2 maart 2000 de overeenkomst genaamd ‘Korting Kado’ met contractnummer [contractnummer 3] en op 25 oktober 2000 twee overeenkomsten genaamd ‘WinstVer10Dubbelaar’ met contractnummers [contractnummer 4] en [contractnummer 5] . Deze overeenkomsten zijn alleen gesteld op naam van [appellant] als lessee.

[appellant] heeft tijdig een opt-out verklaring uitgebracht zodat hij niet gebonden is aan de op 25 januari 2007 door het gerechtshof Amsterdam algemeen verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst met Dexia.

[appellant] was ten tijde van het aangaan van de eerste twee overeenkomsten al gehuwd met mevrouw [de echtgenote van appellant] (hierna: [de echtgenote van appellant] ).

Bij brief van 11 februari 2003 heeft [de echtgenote van appellant] aan Dexia onder meer geschreven:

‘In de afgelopen jaren zijn tussen mijn echtgenoot en uw bank (c.q. uw rechtsvoorgangers) een aantal effectenleasecontracten tot stand gekomen. Het gaat daarbij – voor zover ik kan nagaan – om de volgende contracten: (…)

[contractnummer 3]

[contractnummer 4]

[contractnummer 5]

De door mijn echtgenoot getekende contracten zijn zonder mijn toestemming gesloten, hoewel zij op grond van artikel 1:88 BW mijn toestemming behoefden.

Nu mijn toestemming ontbreekt beroep ik mij op de vernietigingsgrond als opgenomen in artikel 1:89 BW, hetgeen tot gevolg heeft dat alle zonder mijn toestemming gesloten overeenkomsten met terugwerkende kracht geacht moeten worden niet tot stand te zijn gekomen.’

3.2.1.

In eerste aanleg heeft [appellant] in conventie gevorderd, samengevat:

  1. een verklaring voor recht dat de overeenkomsten met nummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] rechtsgeldig zijn vernietigd;

  2. veroordeling van Dexia om al hetgeen [appellant] krachtens die overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, aan hem terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover (primair) telkens vanaf de dag van de door [appellant] gedane betalingen, of (subsidiair) vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum;

  3. veroordeling van Dexia om een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten te betalen,

met veroordeling van Dexia in de proceskosten.

3.2.2.

Aan zijn hiervoor onder 1 en 2 genoemde vorderingen heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat [de echtgenote van appellant] bij brief van 11 februari 2003 de overeenkomsten met nummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] heeft vernietigd op grond van artikel 1:88 BW e.v. Het hof begrijpt dat [appellant] zich daarbij op het standpunt stelt dat de vernietiging van die overeenkomsten tot gevolg heeft dat Dexia al hetgeen [appellant] op grond van deze overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, als onverschuldigd betaald aan hem moet terugbetalen.

3.2.3.

Dexia heeft in reconventie gevorderd, samengevat, een verklaring voor recht dat bedoelde twee overeenkomsten rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en niet bloot staan aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [appellant] een beroep kan worden gedaan, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.2.4.

Partijen hebben elkaars vorderingen over en weer bestreden.

3.2.5.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter in conventie de vorderingen van [appellant] afgewezen en in reconventie de vordering van Dexia toegewezen. [appellant] is in conventie en in reconventie veroordeeld in de proceskosten.

3.3.

[appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. Daarnaast heeft hij bij memorie van grieven zijn hiervoor in 3.2.1 onder 2 genoemde vordering gewijzigd ten aanzien van de subsidiair gevorderde ingangsdatum van de wettelijke rente. [appellant] vordert die rente nu, subsidiair, vanaf de sommatiebrief.

[appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis, tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen zoals gewijzigd bij memorie van grieven, en tot het alsnog afwijzen van de vordering van Dexia, met veroordeling van Dexia in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

Dexia heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

3.4.

Deze procedure ziet op de twee in 1997 gesloten effectenleaseovereenkomsten, waarvan [de echtgenote van appellant] bij brief van 16 oktober 2004, en volgens [appellant] ook bij brief van 11 februari 2003, de nietigheid heeft ingeroepen wegens het ontbreken van haar toestemming. Dexia voert aan dat [de echtgenote van appellant] daartoe niet bevoegd was, omdat zij naast [appellant] contractspartij is bij die overeenkomsten. Daarnaast voert Dexia aan dat de rechtsvordering van [de echtgenote van appellant] tot vernietiging van deze overeenkomsten al was verjaard toen zij de vernietiging inriep. Volgens Dexia was [de echtgenote van appellant] toen al langer dan drie jaar bekend met het bestaan van de overeenkomsten. De stellingen van [appellant] staan hier lijnrecht tegenover.

Wie is contractspartij?

3.5.

Het hof zal eerst beoordelen of [de echtgenote van appellant] net als [appellant] contractspartij is bij de twee in 1997 met Dexia gesloten overeenkomsten, omdat [de echtgenote van appellant] geen beroep op vernietiging toekomt als die overeenkomsten mede door haar zijn gesloten.

3.6.

Volgens Dexia zijn [appellant] en [de echtgenote van appellant] beiden contractspartij bij die overeenkomsten, omdat deze op hun beider naam zijn gesteld. Dexia heeft verder betoogd dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat ook [de echtgenote van appellant] contractspartij was, kort gezegd omdat haar naam als contractspartij op die overeenkomsten staat vermeld, Dexia in verband met deze overeenkomsten post heeft gestuurd die was gericht aan [appellant] en [de echtgenote van appellant] , en zij nooit aan Dexia hebben laten weten dat de tenaamstelling van de overeenkomsten en de adressering van de post niet klopte.

3.7.

[appellant] heeft betoogd dat [de echtgenote van appellant] geen contractspartij is bij bedoelde twee overeenkomsten. Daartoe heeft [appellant] onder meer gesteld dat alleen hij die overeenkomsten heeft ondertekend, dat [de echtgenote van appellant] zelf niet was betrokken bij de totstandkoming van deze overeenkomsten en dat haar de post van Dexia, die [appellant] beheerde, nooit is opgevallen.

3.8.

Het antwoord op de vraag of [de echtgenote van appellant] jegens Dexia bij het sluiten van de overeenkomsten in eigen naam – dat wil zeggen als wederpartij van Dexia – is opgetreden, hangt af van hetgeen [de echtgenote van appellant] en Dexia daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.

3.9.

Vaststaat dat de overeenkomsten alleen door [appellant] als lessee zijn ondertekend. Verder staat als onbetwist vast dat [de echtgenote van appellant] zelf niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van bedoelde overeenkomsten. Dexia heeft ook niets gesteld over verklaringen of gedragingen van [de echtgenote van appellant] voor of bij het sluiten van die overeenkomsten. Gelet op een en ander mocht Dexia er naar het oordeel van het hof niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat naast [appellant] ook [de echtgenote van appellant] contractspartij van Dexia was. Dit geldt temeer nu Dexia de overeenkomsten niet op naam van [appellant] èn [de echtgenote van appellant] heeft gesteld, maar op naam van [appellant] en/of [de echtgenote van appellant] . Het feit dat zij na het sluiten van de overeenkomsten niet aan Dexia hebben laten weten dat de tenaamstelling van de overeenkomsten en de adressering van de post niet klopte, is in het licht van het voorgaande onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

3.10.

De conclusie luidt dat alleen [appellant] als lessee contractspartij is bij voormelde twee overeenkomsten.

Reikwijdte vernietigingsbrief

3.11.

In verband met het door Dexia gedane beroep op verjaring zal het hof nu eerst beoordelen of de door [de echtgenote van appellant] naar Dexia gestuurde vernietigingsbrief van

11 februari 2003 (zie hierboven 3.1 onder f) ook ziet op bedoelde twee overeenkomsten (standpunt [appellant] ) of dat [de echtgenote van appellant] voor het eerst bij brief van 16 oktober 2004 de vernietiging van die overeenkomsten heeft ingeroepen (standpunt Dexia). Tussen partijen staat niet ter discussie dat het beroep van Dexia op verjaring in ieder geval slaagt als de vernietiging niet bij brief van 11 februari 2003 is ingeroepen maar pas bij brief van

16 oktober 2004, omdat [appellant] zelf stelt dat [de echtgenote van appellant] kort na 21 februari 2000 bekend is geraakt met de overeenkomsten (dus langer dan drie jaar vóór laatstgenoemde brief). Daarbij verdient opmerking dat [appellant] geen beroep op stuiting van de verjaringstermijn heeft gedaan. Verder is van belang dat de collectieve procedure die onder meer de Stichting Eegalease op 13 maart 2003 tegen Dexia is gestart pas vanaf die datum stuitende werking heeft. Het hof gaat ervan uit dat dit langer dan drie jaar is nadat [de echtgenote van appellant] volgens [appellant] bekend is geworden met de overeenkomsten.

3.12.

Hoewel voormelde twee overeenkomsten niet specifiek in de brief van 11 februari 2003 zijn genoemd, heeft [de echtgenote van appellant] volgens [appellant] wel de bedoeling gehad om deze overeenkomsten te vernietigen. Volgens [appellant] was het de intentie van zijn echtgenote om alle verlieslatende overeenkomsten te vernietigen die zonder haar toestemming door [appellant] waren gesloten. Dexia heeft dat ook zo begrepen, althans zij had dit moeten begrijpen, aldus [appellant] . Dexia heeft zich daar tegenover op het standpunt gesteld dat [de echtgenote van appellant] bij brief van 11 februari 2003 alleen de daarin genoemde drie overeenkomsten heeft vernietigd (hof: de overeenkomsten die [appellant] in 2000 met Dexia heeft gesloten). Volgens Dexia had [de echtgenote van appellant] in die brief ook de onderhavige twee overeenkomsten moeten noemen, maar zij heeft dat niet gedaan. Zij kon niet volstaan met de zinsnede ‘voor zover ik kan nagaan’ of met een verwijzing naar ‘alle zonder mijn toestemming gesloten overeenkomsten’, aldus Dexia.

3.13.

Het hof stelt in dit verband voorop dat uit de vernietigingsbrief moet blijken – gelet op de vereisten die voortvloeien uit artikel 3:50 lid 1 BW – om welke rechtshandelingen het gaat, dat de niet-handelende echtgenoot van de gebondenheid aan die rechtshandeling(en) bevrijd wil zijn en wat de reden of rechtsgrond is voor de vernietiging. Het hof is van oordeel dat in de brief van 11 februari 2003 aan die vereisten is voldaan. In deze brief schrijft [de echtgenote van appellant] dat tussen haar echtgenoot en Dexia in de afgelopen jaren een aantal effectenleaseovereenkomsten tot stand zijn gekomen. Weliswaar noemt [de echtgenote van appellant] vervolgens alleen de drie leaseovereenkomsten uit 2000 met nummer (en niet de twee overeenkomsten uit 1997), maar zij begint met ‘voor zover ik kan nagaan’. In de derde alinea van deze brief beroept zij zich op de vernietigingsgrond ten aanzien van ‘alle zonder mijn toestemming gesloten overeenkomsten’. Niet valt in te zien waarom met de geciteerde zinsnede voor Dexia niet voldoende duidelijk was dat de vernietiging betrekking had op alle door [appellant] afgesloten (verlieslatende) overeenkomsten. Anders dan Dexia stelt, behoeven de leaseovereenkomsten waarop de vernietiging betrekking heeft in een geval als dit niet expliciet in de vernietigingsbrief te worden genoemd.

3.14.

Het hof volgt hier dus het standpunt van [appellant] dat hij ook met grief 3 naar voren heeft gebracht. Dit leidt echter niet tot vernietiging van het bestreden vonnis. De kantonrechter heeft in het midden gelaten of de brief van 11 februari 2003 ook toeziet op de onderhavige twee overeenkomsten. Anders dan [appellant] met grief 3 betoogt, kon de kantonrechter dit ook in het midden laten gezien zijn oordeel over het moment waarop de verjaringstermijn is gaan lopen. Grief 3 faalt.

Beroep op verjaring

3.15.

Met de grieven 1, 2 en 4 stelt [appellant] in de kern de vraag aan de orde of het beroep van Dexia op verjaring slaagt of niet. Het hof overweegt hierover als volgt.

3.16.

De leaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88, lid 1 aanhef en onder d (oud) BW. Op grond van die bepaling en artikel 1:88 lid 3 BW geldt dat voor het aangaan van die overeenkomsten door [appellant] de schriftelijke toestemming van [de echtgenote van appellant] was vereist. Partijen zijn het er kennelijk over eens dat [de echtgenote van appellant] geen schriftelijke toestemming heeft gegeven. Artikel 1:89 lid 1 BW biedt [de echtgenote van appellant] daarom de mogelijkheid om de overeenkomsten te vernietigen wegens het ontbreken van haar toestemming.

3.17.

Uit artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaar gerekend vanaf het moment waarop de bevoegdheid tot vernietiging ten dienste is komen te staan aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist. Op grond van artikel 3:52 lid 2 BW kan na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de overeenkomst, deze niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.

3.18.

Volgens vaste rechtspraak vangt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging van een effectenleaseovereenkomst door de niet-handelende echtgenoot, wegens het ontbreken van toestemming, aan op het moment dat die echtgenoot daadwerkelijk (subjectief) bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Het is niet zo dat van daadwerkelijke bekendheid in voormelde zin pas sprake is zodra de niet-handelende echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was om de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is bepalend welke feiten en omstandigheden bij de niet-handelende echtgenoot bekend zijn, en niet of bekendheid bestaat met de juridische beoordeling daarvan (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866).

3.19.

Daarnaast geldt dat op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, de stelplicht rust en – bij voldoende betwisting – de bewijslast van de feiten waaruit de bekendheid van de niet-handelende echtgenoot met de overeenkomst kan worden afgeleid (zie o.a. HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506). Wanneer de feiten en omstandigheden omtrent die daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid zich geheel in de sfeer van de wederpartij hebben afgespeeld, zoals in dit geval bij [appellant] en zijn echtgenote, brengen de eisen van een goede procesorde mee dat aan de feitelijke onderbouwing van de stellingen van Dexia niet al te zware eisen mogen worden gesteld

(HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6106). Bovendien volgt uit vaste rechtspraak dat aan de omstandigheid dat betalingen in het kader van de effectenleaseovereenkomst hebben plaatsgevonden vanaf een zogeheten en/of rekening, een bewijsvermoeden mag worden ontleend met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn, in die zin dat vermoed wordt dat de niet-handelende echtgenoot, behoudens tegenbewijs, daadwerkelijk bekend is geraakt met de overeenkomst op de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop de desbetreffende betalingen staan vermeld. Het is dan aan de wederpartij van Dexia om dit bewijsvermoeden te ontzenuwen (HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506 en ECLI:NL:HR:2012:6508).

3.20.

Dexia stelt zich op het standpunt dat [de echtgenote van appellant] vanaf aanvang van voormelde twee overeenkomsten (op 23 september 1997), althans (zo begrijpt het hof) vóór 11 februari 2000 kennis heeft genomen van het bestaan van die overeenkomsten, zodat de rechtsvordering tot vernietiging van deze overeenkomsten al was verjaard op 11 februari 2003 (datum vernietigingsbrief). Dexia heeft in dit verband onder meer het volgende gesteld. [appellant] heeft bij inleidende dagvaarding erkend dat de betalingen van de maandtermijnen voor de overeenkomsten hebben plaatsgevonden vanaf een ‘en/of rekening’, dus van een rekening die op gemeenschappelijke naam staat van [appellant] en [de echtgenote van appellant] en tot het saldo waarvan [de echtgenote van appellant] samen met [appellant] gerechtigd is. Vanaf die rekening zijn de betalingen van maandelijks NLG 504,52 (hof: omgerekend € 228,94) verricht en op die rekening zijn ook substantiële dividendinkomsten bijgeboekt. Dit vormt bewijs dat [de echtgenote van appellant] van aanvang van de overeenkomsten af bekend is geweest met het bestaan van de overeenkomsten: zij heeft de lasten in verband met die overeenkomsten immers zelf betaald en zij heeft de vruchten daarvan zelf genoten. Van het bestaan van de overeenkomsten blijkt bovendien uit de rekeningafschriften van de desbetreffende rekening. Nu het een ‘en/of rekening’ betreft, waren die rekeningafschriften mede aan [de echtgenote van appellant] geadresseerd. Het feit dat iemand ( [de echtgenote van appellant] ) een mededeling heeft ontvangen waaruit een bepaald feit blijkt (het bestaan van de overeenkomsten) is voldoende bewijs van wetenschap van dat feit. Dexia gaat er daarom van uit [de echtgenote van appellant] in ieder geval vanaf het moment van ontvangst van de relevante bankafschriften op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomsten en dat de verjaringstermijn van drie jaar toen aanving.

3.21.

[appellant] heeft betwist dat [de echtgenote van appellant] vanaf begin af aan of vanaf de ontvangst van de relevante bankafschriften bekend was met het bestaan van de overeenkomsten, althans dat zij langer dan drie jaar vóór de vernietigingsbrief van 11 februari 2003 bekend is geworden met die overeenkomsten. Hij heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd. [appellant] heeft zonder medeweten van [de echtgenote van appellant] de overeenkomsten mede op haar naam afgesloten. De taakverdeling tussen [appellant] en zijn echtgenote bracht mee dat hij de financiële zaken op zich nam. [de echtgenote van appellant] hield zich afzijdig van de financiële zaken en vertrouwde [appellant] hier volledig in. [de echtgenote van appellant] bekeek nooit de bankafschriften van de ‘en/of rekening’ waarvan de betalingen zijn verricht. Zij heeft vóór 21 februari 2000 nooit betalingen aan of van Dexia gezien en zij heeft hier nooit vragen over gesteld. [de echtgenote van appellant] opende nooit de aan [appellant] gerichte post. Post van Dexia is [de echtgenote van appellant] niet opgevallen. [appellant] verzorgde de belastingaangifte. [de echtgenote van appellant] keek de ingevulde aangifte niet door. Zij is kort na 21 februari 2000 bekend geraakt met het bestaan van de overeenkomsten. In die periode heeft [appellant] enkele grote uitgaven verricht, zoals de aankoop van een wasmachine en een televisie. Ook is in die periode de dochter van [appellant] en [de echtgenote van appellant] getrouwd, en werden er kosten voor haar bruidsjurk afgeschreven. [appellant] heeft daarbij verwezen naar een door hem overgelegd rekeningafschrift d.d. 21 februari 2000 van de ‘en/of rekening’ (productie 5 bij inleidende dagvaarding en productie 12 bij memorie van grieven). Omdat enkele grote uitgaven waren gedaan, heeft [appellant] aan [de echtgenote van appellant] verteld dat zij krap bij kas zaten. Hierop is [de echtgenote van appellant] op de bankafschriften gaan kijken – wat zij normaliter niet deed – waar het geld aan was besteed. Zij zag toen de betalingen aan Dexia en heeft hierover meteen vragen aan [appellant] gesteld. Pas op dat moment heeft [de echtgenote van appellant] voor het eerst van [appellant] vernomen dat hij overeenkomsten met Dexia was aangegaan, dit alles aldus [appellant] .

3.22.

Anders dan de kantonrechter, is het hof van oordeel dat [appellant] aldus voldoende gemotiveerd de stellingen van Dexia heeft betwist over het moment waarop [de echtgenote van appellant] bekend is geworden met het bestaan van bedoelde twee overeenkomsten.

3.23.

Tussen partijen is niet in geschil dat de betalingen aan en van Dexia in het kader van de overeenkomsten van begin af aan hebben plaatsgevonden vanaf respectievelijk naar een bankrekening die op naam was gesteld van [appellant] en [de echtgenote van appellant] , een zogeheten ‘en/of rekening’. Aan dit feit ontleent het hof een bewijsvermoeden ten gunste van Dexia, in die zin dat wordt vermoed, behoudens tegenbewijs, dat [de echtgenote van appellant] vóór 11 februari 2000, en meer in het bijzonder met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop betalingen ter zake de twee overeenkomsten staan vermeld, daadwerkelijk bekend was met het bestaan van die overeenkomsten. Gelet op de datum waarop de eerste betalingen voor deze overeenkomsten hebben plaatsgevonden, was dit in of omstreeks oktober 1997 (de kantonrechter heeft dit, onbestreden, vastgesteld in overweging 3.5 van het vonnis).

Nu [appellant] de stellingen van Dexia over het moment van wetenschap gemotiveerd heeft betwist, zal het hof [appellant] , conform zijn bewijsaanbod, toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Grief 1 slaagt daarom, voor zover [appellant] daarmee aanvoert dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn bewijsaanbod. Grief 1 faalt echter, voor zover [appellant] daarmee voorstaat dat voor het ontzenuwen van voormeld bewijsvermoeden zonder meer voldoende is dat aannemelijk wordt gemaakt – door het innemen van een stelling en/of doordat hierover naar waarheid wordt verklaard – dat [de echtgenote van appellant] nooit via de bankafschriften kennis heeft genomen van betalingen aan of van Dexia. [appellant] ziet er hiermee aan voorbij dat hij tegenbewijs moet leveren tegen het bewijsvermoeden dat (kort gezegd) zijn echtgenote vanaf omstreeks oktober 1997, althans vóór 11 februari 2000, bekend was met de overeenkomsten. Daarbij spelen meer feiten en omstandigheden een rol dan alleen het feit waarop dat bewijsvermoeden is gestoeld.

3.24.

Ter voorkoming van onnodige debatten in eventuele memories na enquête overweegt het hof nu al het volgende. Als [appellant] niet zou slagen in het leveren van het tegenbewijs, dan komt vast te staan dat de overeenkomsten niet rechtsgeldig zijn vernietigd door [de echtgenote van appellant] . Grief 5 faalt dan voor zover [appellant] daarmee het tegendeel betoogt. Deze grief faalt ook voor zover [appellant] daarmee aanvoert dat de door Dexia gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar is, omdat vanwege een aantal kwesties (schending zorgplicht, tussenpersoon Vero en verbod op cold calling) niet geconcludeerd kan worden dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [appellant] . Zoals Dexia al bij memorie van antwoord terecht heeft aangevoerd, zijn die kwesties (en de vraag of [appellant] in verband daarmee nog een vordering op Dexia heeft) niet relevant voor de door Dexia gevorderde verklaring voor recht omdat die alleen ziet op de vraag of de overeenkomsten op enige grond te vernietigen zijn. Die kwesties behoeven dan ook verder geen bespreking. Nu [appellant] in zijn toelichting op grief 5 geen andere bezwaren heeft aangevoerd tegen de toegewezen verklaring voor recht, faalt die grief als [appellant] het gevraagde tegenbewijs niet zou leveren.

4 De uitspraak

Het hof:

laat [appellant] toe tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat [de echtgenote van appellant] vanaf de ontvangstdatum (in of omstreeks oktober 1997) van het oudste bankafschrift waarop betalingen ter zake van de effectenleaseovereenkomsten met contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] staan vermeld, althans vóór 11 februari 2000, daadwerkelijk bekend was met het bestaan van die overeenkomsten;

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. D.A.E.M. Hulskes als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 10 december 2019 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A.E.M. Hulskes, L.S. Frakes en Chr.F. Kroes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 november 2019.

griffier rolraadsheer