Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4335

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-11-2019
Datum publicatie
27-11-2019
Zaaknummer
200.231.288_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:5757
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:2547
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

appellant niet geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat hij zijn strafrechtelijk verleden heeft meegedeeld aan de assurantietussenpersoon/geen sprake van schenden zorgplicht door de assurantietussenpersoon/geen verzwaarde motiveringsplicht/stelplicht aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.231.288/01

arrest van 26 november 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. E.P.E. van Ekelen te Eindhoven,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 1 mei 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/296702 / HA ZA 15-534 gewezen vonnis van 12 april 2017.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 1 mei 2018, gewezen in het incident ex artikel 843a Rv;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte uitlatingen van [appellant] ;

  • -

    de door beide partijen bij gelegenheid van het pleidooi op 18 september 2019 overgelegde pleitnotities.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Het hof gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten.

6.1.1.

[geïntimeerde] is een assurantietussenpersoon en adviseert en bemiddelt op het gebied van verzekeringen. [appellant] is sinds 2007 klant van [geïntimeerde] .

6.1.2.

In juni 2007 heeft [appellant] via [geïntimeerde] een aanvraag gedaan voor een opstal-, inboedel- en aansprakelijkheidsverzekering (productie G1 bij conclusie van antwoord). In het aanvraagformulier is onder meer gevraagd of de aanvrager van de verzekering in de laatste acht jaar in aanraking is geweest met justitie of politie in verband met onwettig verkregen of te verkrijgen voordeel zoals diefstal, of in verband met onwettige benadeling van anderen zoals mishandeling. Daarbij is in het formulier aangegeven dat bij een bevestigend antwoord nadere informatie over die feiten en de afdoening daarvan dient te worden verstrekt. Deze vraag is niet op dat formulier of een daarbij gevoegde bijlage bevestigend beantwoord. De betreffende verzekeringen zijn afgesloten bij Winterthur Schadeverzekering Maatschappij N.V., die later is opgegaan in Reaal Schadeverzekeringen N.V. (Winterthur en Reaal worden hierna Reaal genoemd).

6.1.3.

Naar aanleiding van de diefstal op 11 augustus 2009 van een aan [appellant] toebehorende en bij Reaal verzekerde personenauto Volkswagen Golf is er een toedrachtonderzoek uitgevoerd door CED Forensic (productie 6 bij inleidende dagvaarding).

De verklaring die [appellant] in het kader van dit onderzoek heeft afgelegd houdt onder meer het volgende in:

‘Ik ben met de politie en/of justitie in aanraking geweest. Dit betrof onder andere een geweldsdelict. Ik ben daarvoor door de kinderrechter veroordeeld tot een werkstraf van 26 uur, volgens mij. Dit is dus minimaal meer dan 7 jaar geleden. Daarna ben ik nooit meer in aan(ra; hof)king geweest met politie en/of justitie terzake vermogens-, gewelds- of verkeersmisdrijven.(…)’

In het naar aanleiding van dit onderzoek uitgebrachte rapport van CED Forensic van 8 januari 2010 is onder meer het volgende vermeld:

‘Verzekeringnemer bleef tijdens het gesprek echter heel ontwijkend antwoorden over zijn strafrechtelijk verleden. Hij gaf ook geen exacte tijd aan waarin deze veroordeling gespeeld had. Hij wilde alleen zeggen dat hij door de Kinderrechter veroordeeld was. Verder gaf hij aan dat dit bekend zou moeten zijn bij zijn verzekeringsadviseur, daar hij dit bij een eerdere aanvraag van zijn (zakelijke) verzekeringen al had aangegeven.’

6.1.4.

[appellant] heeft op 22 april 2011 bij [geïntimeerde] een aanvraag voor een verzekering van een camper gedaan. [geïntimeerde] heeft het aanvraagformulier ingevuld waarna [appellant] het heeft ondertekend. In het aanvraagformulier is gevraagd of [appellant] of een andere belanghebbende bij de verzekering in de laatste acht jaar als verdachte of ter uitvoering van een opgelegde (straf)maatregel in aanraking is geweest met politie en justitie in verband met op het formulier genoemde strafbare feiten, waaronder inbraak, diefstal en helingDeze vraag is met ‘nee’ beantwoord.

6.1.5.

De camper van [appellant] is in 2012 door brand verloren gegaan.

6.1.6.

In het rapport van tactisch onderzoek van Reaal naar aanleiding van de schade aan de camper van 14 februari 2013, is het volgende opgenomen (productie 7 conclusie van antwoord, pagina 4):

‘Voor wat betreft het strafrechtelijke verleden verklaarde [appellant] dat er een lijstje naar Reaal is gestuurd maar een kopie heeft meneer niet. (…) [appellant] kon zo niet zeggen wat er allemaal op stond, wel iets met vuurwerk (…) Vervolgens heb ik de heer [appellant] verzocht om het strafrechtelijke verleden via de advocaat op te vragen. [appellant] was namelijk ook niet van plan om het strafrechtelijke verleden tijdens ons gesprek te benoemen.’

6.1.7.

Uit uittreksels justitiële informatie blijkt dat [appellant] in december 1998 het Vuurwerkbesluit heeft overtreden waarvoor hem in april 1999 een sanctie is opgelegd, dat hem in 2001 een transactie is opgelegd voor heling, gepleegd in [plaats] in november 2000, dat hij is veroordeeld voor mishandeling in 2003 en dat hij in 2004 tot een werkstraf is veroordeeld voor medeplegen van een woninginbraak.

6.1.8.

Reaal heeft [appellant] bij brief van 29 maart 2013 (productie 4 inleidende dagvaarding) het volgende medegedeeld:

‘Tijdens het onderzoek dat wij hebben laten verrichten naar aanleiding van de door u gemelde brand aan uw camper, is naar voren gekomen dat u een strafrechtelijke verleden had. Dit strafrechtelijk verleden was bij ons niet bekend. Bij geen van de verzekeringsaanvragen die u sinds 2007 bij REAAL heeft ingediend, heeft u melding gemaakt van dit strafrechtelijke verleden. Ook bij het onderzoek dat wij in 2009 hebben ingesteld in verband met een schade, heeft u dit strafrechtelijk verleden desgevraagd niet aan ons gemeld.(…) Indien deze feiten ons bij het afsluiten van de verschillende verzekeringen bekend geweest zouden zijn, zouden wij nooit een verzekeringsovereenkomst met u zijn aangegaan. U kunt dan ook geen rechten ontlenen aan de diverse bij ons afgesloten verzekeringen.

Wij keerden voor diverse schades in totaal € 17.821,02 uit. (…) In het dossier van de camper werd door ons per abuis –geheel onterecht- een toezegging gedaan de schade te vergoeden. Hoewel daar feitelijk dus geen enkel recht op bestond, zullen wij deze toezegging nakomen. Wel zullen wij de eerdere, ten onrechte uitgekeerde, schades op de vergoeding in mindering brengen. Al uw polissen zullen door de afdeling Acceptatie per 15 april beëindigd worden. (…)’

6.2.1.

[appellant] heeft [geïntimeerde] in rechte betrokken en vordert, na vermeerdering van zijn eis, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van bedragen van € 17.821,02, € 39.470,37, € 955,00 en € 8.678,40, te vermeerderen met rente en kosten.

[appellant] heeft in eerste aanleg aan zijn vordering onder meer het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde] was van het strafrechtelijk verleden van [appellant] op de hoogte. Desondanks heeft [geïntimeerde] op het aanvraagformulier voor de camperverzekering de vraag of [appellant] een strafrechtelijk verleden heeft, met ‘nee’ ingevuld. [geïntimeerde] had er in 2007 voor moeten zorgen dat de melding van het strafrechtelijk verleden van [appellant] bij Reaal werd gemeld en schriftelijk werd vastgelegd. Indien [geïntimeerde] niet op de hoogte zou zijn van het strafrechtelijk verleden van [appellant] dan had zij daarnaar moeten vragen en niet zomaar het hokje ‘nee’ aan moeten kruisen. [geïntimeerde] heeft niet de zorg van een goed opdrachtgever in acht genomen. [appellant] heeft daardoor schade geleden die bestaat in een bedrag van € 17.821,02 ter zake door Reaal gedane verzekeringsuitkeringen die in mindering zijn gebracht op de uitkering voor de beschadigde camper, een bedrag van € 8.678,40 in verband met hogere premies bij een andere verzekeringsmaatschappij en een bedrag van € 39.470,37 in verband met schade die door de nieuwe verzekeraar niet wordt vergoed. Naast deze bedragen vordert [appellant] de door hem gemaakte buitengerechtelijke incassokosten van € 955,00.

6.2.2.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Het hof komt voor zover nodig hierna op dat verweer terug.

6.2.3.

Bij mondeling vonnis van 1 maart 2016 (gegeven na de op dezelfde datum gehouden comparitie van partijen) heeft de rechtbank [appellant] opgedragen te bewijzen dat hij bij de verzekeringsaanvraag in 2007 dan wel op enig ander moment voorafgaand aan de aanvraag voor de verzekering van de camper aan [geïntimeerde] heeft medegedeeld dat en wanneer hij in het verleden contacten met politie en justitie heeft gehad in verband met inbraak, diefstal, heling, geweld en een vuurwerkdelict.

6.2.4.

Ter voldoening aan de bewijsopdracht heeft [appellant] drie getuigen, waaronder zichzelf, als getuigen doen horen. [geïntimeerde] heeft in de contra-enquête vier getuigen doen horen.

6.3.

De rechtbank heeft bij eindvonnis van 12 april 2017 geoordeeld dat [appellant] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs en zijn vorderingen afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.

Het geschil in hoger beroep

6.4.

[appellant] heeft in hoger beroep, onder aanvulling van gronden, één (als zodanig aangeduide) grief aan- gevoerd (waarmee hij de bewijswaardering door de rechtbank bestrijdt). Verder heeft [appellant] aangevoerd aan dat bewijslevering niet nodig was omdat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht die op haar als zakelijke dienstverlener rust. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank van 12 april 2017 en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.

Daarnaast heeft [appellant] in het incident op grond van artikel 843a Rv gevorderd dat [geïntimeerde] inzage geeft in haar dossier. Bij tussenarrest van 1 mei 2018 heeft het hof deze vordering afgewezen en de beslissing over de proceskosten van het incident aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

Bewijsopdracht en bewijswaardering

6.5.

[appellant] heeft (voor het overige) geen grief gericht tegen het tussenvonnis van de rechtbank van 1 maart 2016, waarbij hem het hiervoor in overweging 6.2.3. vermelde bewijs is opgedragen (terwijl het hof op de gronden die staan in rov. 6.6.1 e.v. van oordeel is dat zijn beroep op de verzwaarde motiveringsplicht niet opgaat). Het gaat er daarom om of vast is komen te staan dat [appellant] bij de verzekeringsaanvraag in 2007 dan wel op enig ander moment voorafgaand aan de aanvraag voor de verzekering van de camper aan [geïntimeerde] (ook) heeft medegedeeld dat en wanneer hij in het verleden contacten met politie en justitie heeft gehad in verband met inbraak, diefstal, heling, geweld (en een vuurwerkdelict).

6.5.1.

[appellant] heeft aangevoerd dat hij bij aanvang van zijn zakelijke relatie met [geïntimeerde] in 2007 aan [geïntimeerde] heeft verteld dat hij een strafblad heeft, waarop een woninginbraak, diefstal (vermogensdelicten), een geweldsdelict en een vuurwerkdelict uit zijn jeugd staan. De rechtbank, aldus [appellant] , heeft ten onrechte geoordeeld dat [appellant] niet in het bewijs van het door hem meedelen van zijn strafrechtelijk verleden aan [geïntimeerde] is geslaagd. Hij verwijst hiertoe onder meer naar de inhoud van de getuigenverklaringen. Vast staat volgens [appellant] , op grond van de inhoud van die verklaringen, dat [getuige 1] tijdens een bespreking in 2013 op het kantoor van mr. [geïntimeerde] heeft gezegd dat [geïntimeerde] al in 2007 van het volledige strafblad van [appellant] op de hoogte was en dat mevrouw [getuige 2] , medewerkster van [geïntimeerde] , dit in 2007 ook al had doorgegeven aan [medewerker van de verzekeraar] , medewerker van de verzekeraar. [appellant] wijst wat betreft de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van de op voordracht van [geïntimeerde] gehoorde getuigen nog op de werkgever/werknemer-relatie en/of de familierelatie tussen deze getuigen en op het feit dat de getuigen voorafgaand aan het getuigenverhoor met de advocaat van [geïntimeerde] en de andere getuigen hadden gesproken en zij elkaars verklaringen hadden gelezen.

[appellant] voert verder nog aan dat de werkwijze bij het afsluiten van een verzekering als volgt was. [appellant] belde [geïntimeerde] met de vraag een verzekering af te sluiten. Een medewerker van [geïntimeerde] zette dat dan in gang en regelde de aanvraag. Na een seintje van [geïntimeerde] kwam [appellant] vervolgens naar het kantoor van [geïntimeerde] en hoefde hij het door de medewerker van [geïntimeerde] al ingevulde formulier alleen nog maar te tekenen.

Bij de aanvraag door [appellant] in 2011 van een verzekering van een camper heeft een medewerker van [geïntimeerde] het aanvraagformulier ingevuld en bij de vraag of [appellant] al eens met politie en/of justitie in aanraking is geweest het antwoordvakje “nee” ingevuld. Toen [appellant] het formulier op het kantoor van [geïntimeerde] kwam ondertekenen is het formulier niet met hem doorgenomen. Bij de aanvraag voor die camperverzekering is het strafrechtelijk verleden geen onderwerp van gesprek geweest en [appellant] bestrijdt de verklaring van de getuige [getuige 3] in deze.

[appellant] heeft, voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep, nog aangevoerd dat hij telkens als hij een aanvraag voor een nieuwe verzekering met een medewerker van [geïntimeerde] besprak zijn strafrechtelijk verleden uit de doeken heeft gedaan.

6.5.2.

[geïntimeerde] heeft betwist dat [appellant] in 2007 of op enig ander tijdstip bij het aanvragen van verzekeringen zijn strafrechtelijk verleden zoals nu bekend aan haar heeft meegedeeld. Bij elke aanvraag voor een verzekering is het aanvraagformulier doorgenomen en telkens heeft [appellant] de op het strafrechtelijk verleden betrekking hebbende vraag op het aanvraagformulier ontkennend beantwoord en de betreffende formulieren voor akkoord ondertekend, aldus [geïntimeerde] .

De rechtbank heeft volgens haar terecht geoordeeld dat [appellant] niet in het hem opgedragen bewijs is geslaagd. Daarbij merkt [geïntimeerde] op dat [appellant] ook bij het onderzoek in 2009 in verband met de diefstal van de VW Golf geen openheid van zaken heeft gegeven (aan de onderzoeker van Reaal), zoals blijkt uit de brief van Reaal aan [appellant] van 29 maart 2013 (productie 4 inleidende dagvaarding) en het rapport van de expert van CED van 8 januari 2010. Verder voert [geïntimeerde] aan dat de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] geen partijgetuigen zijn en dat er geen reden is om aan hun betrouwbaarheid te twijfelen.

6.5.3.

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden in overweging 3.6. van het bestreden vonnis heeft overwogen dat [appellant] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs. Het hof beschouwt die overwegingen als hier herhaald en ingelast en maakt die tot de zijne. Het hof overweegt hierbij verder dat, anders dan [appellant] heeft aangevoerd, de aan de zijde van [geïntimeerde] gehoorde getuigen geen partijgetuigen in de zin van artikel 164 Rv zijn omdat aan [geïntimeerde] niet het bewijs is opgedragen. Het enkele feit dat een aantal van de getuigen werknemers zijn van [geïntimeerde] en dat men elkaars verklaringen had gelezen maakt nog niet dat er aan de betrouwbaarheid van deze getuigen zou moeten worden getwijfeld.

Bij zijn bewijsoordeel betrekt het hof verder dat [appellant] opstelling wisselend en deels tegenstrijdig is. Zo voert hij in de memorie van grieven (nr. 6) aan dat het aanvraagformulier voor de camperverzekering in 2011 ten kantore van [geïntimeerde] niet met hem is doorgenomen en dat hij altijd de door [geïntimeerde] al ingevulde formulieren alleen maar heeft ondertekend. Tijdens het pleidooi bij het hof heeft [appellant] echter de gebruikelijke gang van zaken toegelicht en gesteld dat hij telkens als hij een aanvraag voor een nieuwe verzekering met een medewerker van [geïntimeerde] besprak zijn strafrechtelijk verleden uit de doeken heeft gedaan, wat door [geïntimeerde] wordt betwist.

Verzwaarde motiveringsplicht

6.6.1.

[appellant] heeft in dit hoger beroep aangevoerd dat voor [geïntimeerde] als assurantietussenpersoon een verzwaarde motiveringsplicht geldt (vergelijk Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:288). Van [geïntimeerde] mag worden verwacht dat zij in deze procedure voldoende feitelijke gegevens verschaft om [appellant] , die haar aanspreekt, aanknopingspunten te verschaffen voor eventuele bewijslevering. Van een zakelijke opdrachtnemer als [geïntimeerde] wordt verwacht dat hij aantekeningen bijhoudt en bewaart van wat hij met de opdrachtgever, [appellant] , heeft besproken in verband met zijn zorgplicht. Dit betekent dat [geïntimeerde] haar dossier dient te verstrekken, waaronder de aantekeningen waaruit blijkt op welke wijze [appellant] bij het aangaan van de relatie met [geïntimeerde] in 2007 en vervolgens bij het afsluiten van iedere verzekering is geïnformeerd en geadviseerd en hoe er is omgegaan met de door hem verstrekte informatie (over het strafblad) en op welke wijze die informatie vervolgens is verstrekt aan de verzekeraar, waaronder Reaal. Doet [geïntimeerde] dit alles niet of kan zij dat niet doen, dan is niet controleerbaar wat er is gebeurd en dit dient in het nadeel van [geïntimeerde] als opdrachtnemer, die een goed en volledig dossier dient bij te houden en zo nodig te verstrekken, te worden uitgelegd en staat de schending van de zorgplicht door [geïntimeerde] vast. Bewijslevering door [appellant] is dan niet meer aan de orde, aldus [appellant] .

[geïntimeerde] heeft weliswaar aangevoerd dat zij in 2007 informatie over de strafrechtelijke documentatie heeft doorgegeven aan Reaal, maar wat zij precies heeft doorgegeven is niet duidelijk en blijkt niet uit het dossier. Of zij de correcte informatie heeft doorgegeven is evenmin helder. In het dossier is volgens getuige [getuige 2] niet vastgelegd welk specifiek strafbaar feit door [appellant] is vermeld en vervolgens door [geïntimeerde] is doorgegeven. Dat is onzorgvuldig en in strijd met de zorgplicht die op [geïntimeerde] rust als redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot. [geïntimeerde] had alert moeten zijn en een proactieve houding moeten aannemen en had moeten zorgen dat het strafrechtelijk verleden glashelder was vastgelegd en dat zij die informatie vervolgens weer correct had doorgegeven aan Reaal. Gelet op het voorgaande moet worden aangenomen, aldus [appellant] , dat [geïntimeerde] heeft verzuimd de correcte informatie over het strafrechtelijk verleden van [appellant] aan Reaal door te geven en staat vast dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht als assurantietussenpersoon en dat zij om die reden aansprakelijk is voor de als gevolg van dat verzuim door [appellant] geleden schade.

6.6.2.

[geïntimeerde] heeft hierover aangevoerd dat er geen sprake van is dat op haar een verzwaarde motiveringsplicht rust. Het gaat er in deze zaak niet om dat [geïntimeerde] verzuimd zou hebben relevante gegevens in het assurantiedossier van [appellant] vast te leggen. Het gaat erom dat [appellant] heeft nagelaten de voor het sluiten van de verzekeringsovereenkomsten relevante gegevens over zijn strafrechtelijk verleden aan [geïntimeerde] mee te delen. Feiten daarover die [appellant] niet meedeelt, kunnen door [geïntimeerde] ook niet in het dossier worden vastgelegd. [geïntimeerde] stelt dat zij alle feiten, waarover [appellant] haar had geïnformeerd, wel degelijk aan Reaal heeft doorgegeven. Zij wijst daarbij op het gegeven dat [appellant] tegen een medewerker van haar, mevrouw [getuige 2] , bij gelegenheid van het bespreken van het aanvraagformulier heeft verteld over een (voor de acceptatie van [appellant] als verzekeringnemer feitelijk niet relevant) vuurwerkdelict waarvoor hij zou zijn veroordeeld en dat [getuige 2] daarna voor de zekerheid met de verzekeringsmaatschappij heeft gebeld om te overleggen over de eventuele gevolgen van dit gegeven voor de aanvraag van de verzekering. De medewerker van de verzekeringsmaatschappij heeft toen meegedeeld dat dit vuurwerkdelict er niet aan in de weg stond dat de verzekeringsovereenkomst met [appellant] kon worden gesloten. Die verzekering is toen ook tot stand gekomen. Dat van het telefoongesprek met de verzekeringsmaatschappij slechts een summiere aantekening op het aanvraagformulier in het dossier terecht is gekomen doet hier volgens [geïntimeerde] niet aan af. Meer strafbare feiten zijn door [appellant] niet aan [geïntimeerde] meegedeeld, aldus [geïntimeerde] .

6.6.3.

Het hof verwerpt het beroep van [appellant] op de verzwaarde stelplicht. Onder de verzwaarde stelplicht wordt verstaan de plicht van degene op wie niet de bewijslast rust tot het verstrekken van feitelijke gegevens ter motivering van de betwisting van de stellingen van de wederpartij op wie de bewijslast rust, teneinde laatst genoemde aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Daarbij gaat het om gevallen waarin de partij die verweer voert uit hoofde van zijn deskundigheid over de betreffende gegevens beschikt en/of dat de betreffende gegevens zich bij uitstek in het domein bevinden van de partij op wie de bewijslast niet rust (in dit geval [geïntimeerde] ). Dat is hier niet aan de orde.


Het gaat hier immers om gegevens die (alleen) [appellant] aan [geïntimeerde] had kunnen en, gelet op de betreffende vraag op het aanvraagformulier, had moeten meedelen. Nu niet is komen vast te staan dat [appellant] , anders dan zijn betrokkenheid bij het vuurwerkdelict, aan [geïntimeerde] zijn (volledige) strafrechtelijke verleden heeft medegedeeld, is geen sprake van gegevens die [geïntimeerde] in haar dossier had kunnen of moeten vastleggen. Terecht heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat zij niet kan vastleggen in het dossier wat haar niet is meegedeeld of anderszins ter kennis van haar is gekomen. Daarop stuit naar het oordeel van het hof ook af de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] haar dossier aan [appellant] dient te verstrekken, waaronder de aantekeningen waaruit blijkt hoe is omgegaan met de door [appellant] verstrekte informatie en op welke wijze deze is verstrekt aan de verzekeraar. In die stelling van [appellant] ligt immers (terecht) besloten dat eerst moet komen vast te staan welke informatie aan [geïntimeerde] is verstrekt voordat kan worden toegekomen aan de vraag of op [geïntimeerde] ter zake van de omgang met die informatie een verzwaarde stelplicht heeft. Nu [appellant] niet is geslaagd in het bewijs dat hij (voor zover relevant) meer informatie aan [geïntimeerde] heeft verstrekt over zijn (relevante) strafrechtelijk verleden dan zijn betrokkenheid bij een vuurwerkdelict, wordt aan een verzwaarde stelplicht van [geïntimeerde] , wat daarvan overigens zij, daarom niet toegekomen. Het hof voegt daaraan volledigheidshalve toe dat [geïntimeerde] , naar [appellant] niet heeft bestreden, bij memorie van antwoord haar dossier, voor zover zij dat niet reeds eerder in het geding heeft gebracht, heeft overgelegd. [appellant] heeft daarin kennelijk geen (nadere) aanknopingspunten gezien voor het aanbieden van (nadere) bewijslevering.

De diefstalschade in 2009

6.7.1.

[appellant] heeft verder aangevoerd dat er in 2009 problemen zijn geweest rondom de uitbetaling door de verzekeringsmaatschappij bij diefstal van een Golf van [appellant] . Er is toen een CED-onderzoek verricht waarbij ook het strafrechtelijk verleden van [appellant] aan de orde is geweest (productie 6 bij inleidende dagvaarding). Volgens [appellant] had [geïntimeerde] toen in elk geval door moeten vragen over zijn strafrechtelijk verleden. Zij had dan kunnen kijken of de lopende verzekeringen nog passend waren. Deze informatie had [geïntimeerde] bovendien nodig bij het aangaan van nieuwe verzekeringen, zoals die met betrekking tot de camper in 2011, aldus [appellant] .

6.7.2.

[geïntimeerde] heeft betwist dat [appellant] in 2009 met haar heeft gesproken over problemen met de verzekeringsmaatschappij over betaling van de diefstalschade in verband met zijn strafrechtelijk verleden. Dat het probleem voor Reaal mede zou zijn veroorzaakt door het strafrechtelijk verleden van [appellant] heeft [geïntimeerde] pas veel later, in 2011, vernomen.

6.7.3

Het hof verwerpt ook dit betoog van [appellant] . [appellant] heeft weliswaar gesteld dat hij [geïntimeerde] in 2009 heeft geïnformeerd over de problemen met Reaal en dat die werden veroorzaakt door zijn strafrechtelijk verleden, maar hij heeft deze door [geïntimeerde] gemotiveerd betwiste stelling op geen enkele manier feitelijk onderbouwd en hij heeft evenmin bewijs van die stelling aangeboden. Uit niets blijkt dat [geïntimeerde] al in 2009 stukken of andere informatie van [appellant] of Reaal heeft gehad waaruit het strafrechtelijk verleden van [appellant] en de daarmee samenhangende problemen met betrekking tot de uitkering van de diefstalschade zou blijken. Overigens constateert het hof dat uit het rapport van CED blijkt dat [appellant] ook tegenover de onderzoeker van CED op zijn minst erg terughoudend en onvolledig is geweest bij zijn mededelingen over zijn strafrechtelijk verleden. Deze omstandigheid draagt er naar het oordeel van het hof mede toe bij dat meer geloof moet worden gehecht aan de verklaringen van de getuigen aan de zijde van [geïntimeerde] die hebben verklaard dat [appellant] aan [geïntimeerde] nimmer betrokkenheid heeft meegedeeld bij andere strafbare feiten dan het vuurwerkdelict dan de verklaringen van de getuigen aan de zijde van [appellant] , voor zover zij het tegenovergestelde verklaren.

De gestelde schade; het causale verband

6.8.1.

[appellant] heeft bij akte vermeerdering eis in eerste aanleg aangevoerd dat hij de hagelschade die hij in 2015 heeft geleden aan auto’s in zijn bedrijfsvoorraad niet bij zijn huidige verzekeraar kan claimen. De oorzaak daarvan is volgens hem dat hij door Reaal uit zijn verzekering met betrekking tot de bedrijfsvoorraad is gezet vanwege het verstrekken van leugenachtige informatie over zijn strafrechtelijk verleden. Hij is nu noodgedwongen slechts WA verzekerd bij Rialto, waarbij stormschade/natuurschade niet is gedekt. Bovendien moet hij veel hogere premies betalen. Als [geïntimeerde] in 2007 de juiste informatie aan Reaal had verstrekt, was hij gewoon WA plus verzekerd geweest bij Reaal of een andere reguliere verzekeringsmaatschappij, aldus [appellant] .

6.8.2.

[geïntimeerde] heeft op het punt van de door [appellant] geclaimde schade (verder) aangevoerd dat in het geval [appellant] in 2007 zijn volledige strafrechtelijke verleden zou hebben doorgegeven en [geïntimeerde] dit aan Reaal had doorgegeven, Reaal of een andere reguliere verzekeringsmaatschappij niet of alleen tegen veel hogere premies overgegaan zou zijn tot het aangaan van een verzekeringsovereenkomst met [appellant] . Hij zou daardoor de geclaimde premieschade hoe dan ook hebben geleden. [geïntimeerde] verwijst hierbij naar de inhoud van de als productie 4 bij inleidende dagvaarding overgelegde brief van Reaal aan [appellant] van 29 maart 2013.

[geïntimeerde] betwist bovendien de gestelde hagelschade. [appellant] heeft deze schade op geen enkele manier feitelijk onderbouwd.

6.8.3.

Het hof overweegt dat [appellant] , in het licht van de inhoud van de brief van Reaal aan hem van 29 maart 2013, onvoldoende heeft onderbouwd dat Reaal of een andere reguliere verzekeringsmaatschappij met de juiste kennis van zijn strafrechtelijk verleden met hem een WA plus-verzekeringsovereenkomst (onder dezelfde voorwaarden als waaronder die indertijd met Reaal tot stand is gekomen) zou zijn aangegaan. Dit betekent dat, als er al van uit zou moeten worden gegaan dat [appellant] [geïntimeerde] in 2007 alle gegevens met betrekking tot zijn strafrechtelijk verleden zou hebben verschaft en [geïntimeerde] verzuimd zou hebben die gegevens aan Reaal door te geven, de in deze procedure door [appellant] geclaimde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt vanwege het ontbreken van causaal verband tussen het intreden van de schade en de (beweerde) fout van [geïntimeerde] .

Bovendien is het hof van oordeel dat [appellant] de door hem geclaimde hagelschade aan 21 wagens uit zijn bedrijfsvoorraad onvoldoende heeft onderbouwd. Een expertiserapport ontbreekt en nergens kan uit worden afgeleid dat de schade zich daadwerkelijk heeft voorgedaan.

Conclusie

6.9.

De conclusie is dat de rechtbank terecht de vorderingen van [appellant] heeft afgewezen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Het hof zal [appellant] veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep. Voor wat betreft de kosten van de procedure in het incident overweegt het hof dat [appellant] , als de in het incident in het ongelijk gestelde partij, ook die kosten zal moeten betalen.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt onder aanvulling van gronden het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch onder zaak-/rolnummer C/01/296702 / HA ZA 15-534 op 12 april 2017 gewezen vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.952,00 aan griffierecht en € 7.836,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de na de uitspraak vallende kosten conform het liquidatietarief van de gerechtshoven;

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. van Craaikamp, J.I.M.W. Bartelds en Chr.F. Kroes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 november 2019.

griffier rolraadsheer