Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4297

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-11-2019
Datum publicatie
04-12-2019
Zaaknummer
18/00528 tot en met 18/00530
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:4655, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:14
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof oordeelt in deze BPM-zaken dat de hoorplicht in bezwaar niet is geschonden, dat geen recht bestaat op leeftijdskorting en lagere tussentijds tarief, dat niet mag worden aangesloten bij ex rentals, dat het Hof onbevoegd is te oordelen over invorderingsrente 28c IW, dat terecht griffierecht is geheven, dat op een verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn niet in een andere formatie hoeft te worden beslist, dat de redelijke termijn niet is overschreden en dat belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten. Wel bestaat recht op een rentevergoeding over het griffierecht, gelet op HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-12-2019
FutD 2019-3211
V-N Vandaag 2019/2798
NTFR 2019/3042
NLF 2019/2741 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 18/00528 tot en met 18/00530

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 augustus 2018, nummers BRE 17/4372, 17/4501 en 17/4575, in de geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen voldoeningen op aangifte.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1. (

(Rechtbank 17/4372; Hof 18/00528) Belanghebbende heeft op 14 maart 2016 aangifte gedaan voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: de BPM) inzake de registratie van een uit het buitenland afkomstige, gebruikte personenauto, merk en type Ford Kuga 2.0 TDCI 180pk 4WD Titanium, VIN eindigend op [VIN 1] (hierna: auto 1). Het aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag van € 5.714. Op 21 maart 2016 is € 6.216 voldaan. Naar aanleiding van het door belanghebbende tegen dit op aangifte voldane bedrag gemaakte bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraak van 15 mei 2017 een teruggaaf verleend van € 502. Tevens is daarbij een beschikking belastingrente van nihil gegeven en is een vergoeding voor de kosten van bezwaar toegekend van € 246.

1.1.2. (

(Rechtbank 17/4501; Hof 18/00529) Belanghebbende heeft op 18 juli 2016 aangifte gedaan voor de BPM inzake de registratie van een uit het buitenland afkomstige, gebruikte personenauto, merk en type Ford C-MAX 1.5 EcoBoost 150pk Titanium Edition, VIN eindigend op [VIN 2] (hierna: auto 2). Het aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag van € 3.701. Dit bedrag is op 21 juli 2016 voldaan. Naar aanleiding van het door belanghebbende tegen dit op aangifte voldane bedrag gemaakte bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraak van 17 mei 2017 een teruggaaf verleend van € 186. Tevens is daarbij een beschikking belastingrente van nihil gegeven en is een vergoeding voor de kosten van bezwaar toegekend van € 246.

1.1.3. (

(Rechtbank 17/4575; Hof 18/00530) Belanghebbende heeft op 2 november 2015 aangifte gedaan voor de BPM inzake de registratie van een uit het buitenland afkomstige, gebruikte personenauto, merk en type Ford Galaxy 2.0 TDCI 150pk Titanium, VIN eindigend op [VIN 3] (hierna: auto 3). Het aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag van € 6.409. Dit bedrag is op 10 november 2015 voldaan. Naar aanleiding van het door belanghebbende tegen dit op aangifte voldane bedrag gemaakte bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraak van 16 mei 2017 een teruggaaf verleend van € 510. Tevens is daarbij een beschikking belastingrente van nihil gegeven en is een vergoeding voor de kosten van bezwaar toegekend van € 246.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De griffier van de Rechtbank heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van € 333 in elk van de drie zaken. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard voor zover deze zien op de rentebeschikkingen, de beroepen voor het overige ongegrond verklaard, de belastingrente vastgesteld op een bedrag berekend over de desbetreffende teruggaaf en over de periode:

- 1 april 2017 tot en met 29 mei 2017 (zaak 17/4372),

- 1 april 2017 tot en met 31 mei 2017 (zaak 17/4501),

- 1 april 2016 tot en met 30 mei 2017 (zaak 17/4575),

zich onbevoegd verklaard om uitspraak te doen over de verzochte rentevergoeding ter zake van de terugbetaling van BPM voor zover de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) daarin niet voorziet, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.002 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 999 aan deze vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. De griffier heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van € 508 en dit administratief verwerkt in de zaak 18/00528. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 3 oktober 2019 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en [A] en [B] , alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.5.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft aangifte gedaan van de door haar ter zake van de registratie van de auto’s 1, 2 en 3 verschuldigde BPM. Belanghebbende heeft tegen de voldoeningen op aangifte tijdig bezwaar gemaakt.

2.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 15, 16 en 17 mei 2017 teruggaven BPM verleend, zoals weergegeven onder 1.1.1 tot en met 1.1.3. Tevens zijn daarbij beschikkingen belastingrente van nihil gegevens en is per zaak een vergoeding voor de kosten van bezwaar van € 246 toegekend. Belanghebbende is niet gehoord in de bezwaarfase.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is er sprake van schending van de hoorplicht ?

2. Heeft belanghebbende recht op een hogere teruggaaf van de op aangifte voldane belasting vanwege toepassing van de leeftijdskorting en een lager tussenliggend tarief?

3. Dient rekening te worden gehouden met een waardedruk in verband met ex-rental?

4. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van rente over de BPM-teruggaaf; is artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) in strijd met het Unierecht?

5. Is van belanghebbende terecht griffierecht geheven?

6. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van rente over het betaalde griffierecht?

7. Dient op een verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te worden beslist in een andere formatie dan die welke de hoofdzaak heeft beslist?

8. Heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?

9. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van materiële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn?

10. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten?

3.2.

Belanghebbende is van mening dat de vragen 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9 en 10 bevestigend en vraag 5 ontkennend beantwoord dienen te worden. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Partijen hebben hun standpunten ter zitting toegelicht. Belanghebbende heeft haar in het hoger beroepschrift opgenomen grief dat sprake is van schending van het verdedigingsbeginsel, ingetrokken, nu de onderhavige procedures geen naheffingsaanslagen betreffen.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot toewijzing van de door hem ingenomen stellingen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag 1 Hoorplicht

4.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht in bezwaar is geschonden. Volgens haar had zij gehoord moeten worden, aangezien de Inspecteur haar standpunt over vergoeding van de kosten van bezwaar niet volgde en derhalve niet volledig aan het bezwaar is tegemoet gekomen.

4.2.

Evenals als de Rechtbank acht het Hof de hoorplicht in bezwaar niet geschonden. Het Hof stelt vast dat de Inspecteur in bezwaar volledig aan het standpunt van belanghebbende is tegemoetgekomen door alsnog een vermindering te verlenen vanwege het geschilpunt btw/marge. Derhalve kon hij – gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onderdeel e, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) – afzien van het horen van belanghebbende. Zie Hoge Raad 25 oktober 2019, nr. 18/04694, ECLI:NL:HR:2019:1619.

Vraag 2 Leeftijdskorting en lager tussentijds tarief

4.3.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op een hogere teruggave van belasting, omdat geen rekening is gehouden met de leeftijdskorting en het lagere tussenliggende tarief. Belanghebbende heeft geen cijfermatige uitwerking van haar standpunten op dit punt overgelegd. Volgens belanghebbende is het in alle gevallen aan de Inspecteur om te bewijzen dat een ingevoerde auto niet is onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die is begrepen in de waarde van gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde gebruikte auto’s. Het ligt dan op zijn weg om te bezien of belanghebbende recht heeft op leeftijdskorting en/of een lager tussentijds tarief, aldus belanghebbende.

4.4.

Belanghebbende heeft deze stelling in bezwaar noch in beroep aangevoerd. Eerst in hoger beroep neemt zij deze stelling in. Het ligt dan naar het oordeel van het Hof op de weg van belanghebbende om inzicht te geven in de gevolgen van deze stelling voor de waarde van de auto’s. Nu zij dit heeft nagelaten, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat recht bestaat op toepassing van leeftijdskorting of een lager tussentijds tarief.

Vraag 3 Ex-rental

4.5.

Belanghebbende stelt dat ter bepaling van de afschrijving van de op de auto’s nog drukkende BPM, Unierechtelijk moet worden aangesloten bij vergelijkbare ex-huurauto’s, ongeacht de vraag of de hier in geschil zijnde auto’s wel of geen huurverleden hebben, aangezien er binnenlandse auto’s op de markt zijn van hetzelfde type als de onderhavige auto’s, die ex-rental zijn en waarvan de waarde lager is vanwege hun huurverleden.

4.6.

Het Hof volgt belanghebbende, op wie naar het oordeel van het Hof de bewijslast rust, niet in haar stelling. Het HvJ EU heeft in zijn arrest van 19 december 2013, nr. C-437/12, ECLI:NL:XX:2013:178, gepubliceerd in V-N 2014/2.18, overwogen:

“(…)
23. Wanneer deze producten op de markt voor tweedehands voertuigen van die lidstaat te koop worden aangeboden, moeten zij worden beschouwd als ‘gelijksoortige producten’, zijnde producten van dezelfde soort als ingevoerde tweedehands voertuigen, wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig. Dat houdt in dat rekening wordt gehouden met het model, het type en andere kenmerken, zoals de aandrijving of de uitrusting, de ouderdom en de kilometerstand, de staat van onderhoud of het merk (zie met name arresten van 19 september 2002, Tulliasiamies en Siilin, C-101/00, Jurispr. blz. I-7487, punten 75 en 76, en 20 september 2007, Commissie/Griekenland, C-74/06, Jurispr. blz. I-7585, punten 29 en 37).

24. Dienaangaande zij opgemerkt dat de in het vorige punt vermelde criteria limitatief noch dwingend zijn opgesomd. Het referentievoertuig kan natuurlijk variëren naargelang van de specifieke kenmerken van het ingevoerde voertuig. Twee voertuigen die op dezelfde datum voor het eerst in gebruik zijn genomen, zijn niet noodzakelijk gelijksoortig, bijvoorbeeld wegens een andere slijtage. Het staat aan de nationale rechter om, met inachtneming van de in het vorige punt vermelde kenmerken, vast te stellen van welke nationale producten de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het betrokken ingevoerde voertuig. (…)”

4.7.

Anders dan belanghebbende stelt, is het al dan niet aanwezig zijn van een huurverleden, wél een eigenschap die aan de auto kleeft. Naar het oordeel van het Hof zijn de onderhavige auto’s, waarvan niet gebleken is dat deze een huurverleden hebben, niet vergelijkbaar met ex‑rentals, die naar aannemelijk is meer te lijden hebben gehad van gebruik door steeds wisselende bestuurders. Dat dit wisselende gebruik waardedrukkend is, wordt ook bevestigd door de lagere waardering in de koerslijst XRay voor ex-rentals. Hiermee zijn ex‑rentals niet vergelijkbaar met de in geschil zijnde auto’s wegens een andere slijtage. Dat de auto’s gelet op hun gebruiksverleden wel vergelijkbaar zouden zijn met ex-rentals, is gesteld noch gebleken.

Vraag 4 Rentevergoeding in verband met de teruggaaf van belasting

4.8.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat recht bestaat op vergoeding van rente in verband met de teruggaaf van op aangifte voldane BPM en dat de Rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van artikel 30ha van de AWR recht bestaat op belastingrente. De Rechtbank heeft deze belastingrente ook vastgesteld in haar uitspraak. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank hiermee op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen.

4.9.

Voor de vraag of belanghebbende daarnaast nog recht heeft op invorderingsrente die op grond van artikel 28c van de IW wordt vergoed, geldt het volgende. In dat laatste geval dient een verzoek te worden gedaan en beslist de Ontvanger van de Belastingdienst bij beschikking ex. artikel 30 van de IW op een dergelijk verzoek. De vraag of belanghebbende in aanvulling op de belastingrente recht heeft op vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c van de IW, dan wel rechtstreeks op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 april 2013, Mariana Irimie, C 565/11, ECLI:EU:C:2013:250, kan in de onderhavige procedure dan ook niet aan de orde komen, nu - zoals hiervoor al is opgemerkt - het bedrag aan invorderingsrente op grond van artikel 30 van de IW bij beschikking wordt vastgesteld en tegen een dergelijke beschikking een eigen rechtsgang open staat. Het Hof is dan ook niet bevoegd in de onderhavige procedure hierover een oordeel te geven. Ten overvloede wijst het Hof op Hoge Raad 28 september 2018, nr. 17/01724, ECLI:NL:HR:2018:1790, onder 5, waarin, kort gezegd, is geoordeeld dat artikel 28c van de IW niet in strijd is met het Unierecht.

Vraag 5 Geheven griffierecht

4.10.

De Rechtbank heeft in deze zaken een griffierecht van € 999 en het Hof heeft een griffierecht geheven van € 508. Onder verwijzing naar het arrest Kantarev (HvJ EU 4 oktober 2018, C-571/16, ECLI:EU:C:2018:807) heeft belanghebbende betoogd dat de hoogte van het griffierecht haar toegang tot de rechter bemoeilijkt. Zij acht het totaal geheven griffierecht onevenredig hoog, afgezet tegen het (materiële) belang.

4.11.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbendes beroep op het arrest Kantarev niet slaagt. Volgens dat arrest mag een nationale procesregeling de uitoefening van rechten van particulieren niet praktisch onmogelijk maken. Het feit dat de toegang tot de rechter afhankelijk is van de betaling van griffierecht brengt nog niet met zich mee dat per definitie sprake is van een onoverkomelijk obstakel om toegang tot de rechter te verkrijgen (vergelijk r.o. 135 van het arrest Kantarev). Naar het oordeel van het Hof staat het de wetgever vrij om te kiezen voor een vast griffierecht, zonder rekening te houden met het (proces)belang. De hoogte van het (vaste) griffierecht dat wordt geheven (in BPM-zaken) acht het Hof niet buitenproportioneel. Daarbij komt dat een belanghebbende in geval van betalingsonmacht vanwege zijn financiële situatie (gedeeltelijke) vrijstelling van het griffierecht kan worden verleend. In het onderhavige geval is gesteld noch gebleken dat belanghebbende, gegeven haar financiële situatie, in aanmerking komt voor vermindering van het verschuldigde griffierecht. Voorts ziet het Hof geen aanleiding om te oordelen dat het Unierecht noopt tot een ruimere regeling voor betalingsonmacht.

Het Hof wijst ten overvloede op het arrest Hoge Raad 11 oktober 2019, nr. 18/04973, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3 en 3.1.4.

Vraag 6 Rentevergoeding over griffierecht

4.12.

Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van rente over het bedrag van het door haar bij de Rechtbank betaalde griffierecht van € 999, welk bedrag de Inspecteur, naar de Rechtbank heeft gelast, aan belanghebbende dient te vergoeden. Gezien het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, nr. 17/04504, ECLI:NL:HR:2018:2358 en gelet op de omstandigheid dat niet is komen vast te staan of de Inspecteur het griffierecht heeft vergoed binnen een termijn van vier weken na de datum waarop de Rechtbank de bestreden uitspraak heeft gedaan, zal het Hof beslissen dat de Inspecteur over het bedrag van € 999 wettelijke rente dient te vergoeden vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 3 augustus 2018 tot aan de dag van algehele voldoening.

4.13.

Voor een rentevergoeding over de periode vanaf de datum van betaling van het griffierecht aan de Rechtbank, ziet het Hof geen reden (zie Hoge Raad 19 april 2019, nr. 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623, en Hoge Raad 24 september 2010, nr. 09/03257, ECLI:NL:HR:2010:BN8049). Voorts ziet het Hof geen aanleiding om te oordelen dat het Unierecht noopt tot het toekennen van een hogere rentevergoeding.

4.14.

Er is derhalve geen grond voor enige andere of verdergaande rentevergoeding dan de rentevergoeding vermeld onder 4.12.

4.15.

Hieruit volgt dat vraag 6 bevestigend moet worden beantwoord. Omdat belanghebbende reeds bij de Rechtbank heeft verzocht om vergoeding van rente over het griffierecht en de Rechtbank dit verzoek ten onrechte heeft afgewezen, leidt dit tot gegrondverklaring van het hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Vraag 7 Beslissing over het verzoek tot het toekennen van een immateriële schadevergoeding

4.16.

Belanghebbende heeft gesteld dat de beslissing op het verzoek om immateriële schadevergoeding moet worden genomen door andere rechters dan degenen die over de hoofdzaak beslissen. Belanghebbende beroept zich voor dit standpunt op de arresten van het HvJ EU van 26 november 2013, Gascogne, C-58/12, ECLI:EU:C:2013:770, r.o. 90, 12 november 2014, Guardian, C-580/12, ECLI:EU:C:2014:2363, r.o. 18 en 19 en van 26 november 2016, Kendrion NV, C-50/12, ECLI:EU:C:2013:771, r.o. 101.

4.17.

Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat uit deze rechtspraak van het HvJ EU inderdaad lijkt te volgen dat het oordeel over de vraag of recht bestaat op schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn genomen dient te worden door andere rechters dan de rechters die over de hoofdzaak oordelen en die verantwoordelijk zijn voor het overschrijden van de redelijke termijn. De Hoge Raad heeft bij arrest van 19 april 2019, nr. 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623, het door belanghebbende verdedigde standpunt echter verworpen. Dit roept de vraag op hoe dit arrest zich verhoudt tot de door belanghebbende genoemde rechtspraak van het HvJ EU. Het Hof acht aannemelijk dat de Hoge Raad dit oordeel heeft gebaseerd op het feit dat in de nationale jurisprudentie een systeem is ontstaan waarbij, op grond van objectieve criteria, vastgesteld kan worden of er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en zo ja, welke gevolgen hieraan verbonden dienen te worden. Het Hof wijst hierbij op de omstandigheid dat binnen de jurisprudentie vaste uitgangspunten worden gehanteerd voor de (per afzonderlijke fase) als redelijk te achten behandelingstermijn, met dien verstande dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden, welke nader geconcretiseerd dienen te worden, van deze uitgangspunten afgeweken kan worden. Het Hof acht aannemelijk dat de Hoge Raad voornoemd systeem dermate geobjectiveerd en met voldoende waarborgen omkleed acht dat de rechten van een belanghebbende voldoende gewaarborgd worden indien de toetsing aan het hierboven omschreven kader wordt overgelaten aan de rechter die over het hoofdgeding beslist.

Vraag 8 Omvang immateriële schadevergoeding

4.18.

Belanghebbende stelt voorts dat de Rechtbank geen passende immateriële schadevergoeding heeft toegekend voor de lange duur van de behandeling van de zaak. Het oudste bezwaarschrift in de onderhavige drie zaken betreft het bezwaarschrift in de zaak 18/00530. Dat bezwaarschrift is ingediend op 17 december 2015. De Rechtbank heeft op 3 augustus 2018 uitspraak gedaan, hetgeen betekent dat de Rechtbank niet binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen uitspraak heeft gedaan. Ten tijde van de zitting van de Rechtbank op 20 juli 2018 was de redelijke termijn ook al verstreken.

4.19.

Voor zover belanghebbende stelt dat de Rechtbank nagelaten heeft te beslissen op een daartoe strekkend verzoek van belanghebbende, dient deze stelling te worden verworpen. In de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank, is geen enkele aanwijzing te vinden dat belanghebbende een dergelijk verzoek bij de Rechtbank heeft gedaan. Nu de redelijke termijn reeds ter zitting van de Rechtbank was verstreken en belanghebbende een verzoek tot immateriële schadevergoeding niet uiterlijk ter zitting van de Rechtbank heeft gedaan, heeft de Rechtbank terecht geen immateriële schadevergoeding voor het overschrijden van de redelijke termijn toegekend.

4.20.

Een en ander laat onverlet dat belanghebbende eerst in hoger beroep kan verzoeken om toekenning van een immateriële schadevergoeding. Blijkens het arrest Hoge Raad van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252 (zie rechtsoverweging 3.13.3) heeft echter in dat geval te gelden dat een dergelijk verzoek moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van de uitspraak door het Hof, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Het vorenstaande impliceert dat de redelijke termijn alsdan pas is overschreden indien het Hof niet binnen vier jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen uitspraak heeft gedaan. Nu het Hof uitspraak doet vóór 17 december 2019 is van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake. Belanghebbende heeft geen recht op een immateriële schadevergoeding.

Vraag 9 Materiële schadevergoeding

4.21.

Nu, zoals hiervoor onder 4.20 is overwogen, geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, dient belanghebbendes verzoek om een materiële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn reeds om die reden te worden verworpen.

Vraag 10 Vergoeding werkelijke proceskosten

4.22.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten. Het Hof stelt voorop, dat de proceskostenvergoeding krachtens artikel 8:75 van de Awb vastgesteld wordt op een forfaitair bedrag, te bepalen volgens de regels zoals opgenomen in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Slechts in bijzondere omstandigheden kan, blijkens artikel 2, lid 3, van het Besluit, van het forfait worden afgeweken. Van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden leiden is het Hof niet gebleken.

4.23.

Het Hof is van oordeel dat in dit geval wel sprake is van bijzondere omstandigheden die tot een lagere vergoeding aanleiding geven, aangezien:

- de gemachtigde van belanghebbende in enkele duizenden soortgelijke zaken rechtsbijstand verleent;

- tussen partijen in geen van die zaken verschil van inzicht bestaat over de feiten;

- in alle zaken in wisselende combinaties partijen steeds over dezelfde, juridische geschilpunten van mening verschillen;

- de in alle zaken namens de onderscheidene belanghebbenden gebezigde argumenten per rechtsvraag in belangrijke mate met elkaar overeenkomen.

Er is derhalve sprake van een zeer groot aantal zaken die op veel punten een sterke inhoudelijke samenhang vertonen, waardoor de proceshandelingen voor een zeer groot deel een uniform karakter hebben, en dus niet zijn afgestemd op de bijzonderheden van de desbetreffende zaak. Onder die omstandigheden kan gemachtigde volstaan met het samenstellen van gedingstukken op basis van standaard-tekstblokken al naar gelang de rechtsvragen die in de betreffende procedure in geschil zijn. Indien met deze bijzondere omstandigheden geen rekening wordt gehouden en bij de bepaling van de omvang van de vergoeding onverkort voor elke individuele zaak wordt vastgehouden aan het puntensysteem zoals opgenomen in het Besluit, leidt dit zonder twijfel tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Dat is onwenselijk gelet op het doel en de strekking van het Besluit. De vergoedingen op grond van het Besluit hebben immers het karakter van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten (zie Hoge Raad 8 april 2011, nr. 10/00652, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415). Het Hof wijkt daarom af van het puntensysteem (vergelijk Hoge Raad 9 oktober 2015, nr. 14/04108, ECLI:NL:HR:2015:2990).

Het Hof merkt hierbij op dat dit anders is, indien in een individuele zaak de handelswaarde van de betreffende auto moet worden vastgesteld op basis van een taxatierapport (al dan niet gebaseerd op een koerslijstwaarde verminderd met getaxeerde schade). In een dergelijk geval dient in beginsel per individuele auto een beoordeling plaats te vinden. Indien de bepaling van de handelswaarde echter uitsluitend afhankelijk is van bepaalde rechtsvragen, waarbij, bijvoorbeeld, kan worden gedacht aan de discussie of vergeleken moet worden met een BTW‑auto of een marge-auto, dan valt die zaak onder de hiervoor geformuleerde regel van bijzondere omstandigheden. De onderhavige procedures behoren tot laatstgenoemde categorie.

4.24.

Het Hof is van oordeel dat het door de Inspecteur in veel zaken gehanteerde bedrag van € 54,50 per zaak een redelijke tegemoetkoming van de kosten van bezwaar vormt. Ten aanzien van de procedure bij de Rechtbank acht het Hof een vergoeding van € 75 per zaak redelijk en voor hoger beroep bij het Hof € 150 per zaak. Het Hof is verder van oordeel dat bij dergelijke vergoedingen het niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt om de aan een belanghebbende toekomende rechten te gelde te maken.

Aangezien de Inspecteur de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding voor de kosten van de drie samenhangende beroepsprocedures (€ 1.002) niet heeft bestreden in hoger beroep, en de kosten van bezwaar door hem reeds zijn vergoed tot een bedrag van € 246 in elk van de drie zaken, is er geen grond deze met toepassing van voormelde richtlijnen te corrigeren.

Slotsom

4.25.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is gelet op de beantwoording van vraag 6.

Ten aanzien van het griffierecht

4.26.

Omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, dient de Inspecteur aan belanghebbende het ter zake van de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 508 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.27.

Omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.28.

Het Hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit, en verwijst hiervoor naar hetgeen is overwogen onder 4.23 en 4.24. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van € 150 per zaak als vergoeding voor de kosten van het hoger beroep, derhalve in totaal € 450. Het Hof verstaat het betoog van belanghebbende aldus dat hij verzocht heeft om deze proceskostenvergoeding te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening. Het Hof zal derhalve aldus gelasten.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover de Rechtbank heeft verzuimd een rentevergoeding toe te kennen bij te late betaling van het griffierecht;

  • -

    gelast dat wettelijke rente moet worden vergoed over de door de Rechtbank toegekende vergoeding van griffierecht vanaf vier weken na openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 3 augustus 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 508 vergoedt, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 450, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

Aldus gedaan op 21 november 2019 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en M.H.P. Groenland, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.