Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:426

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
20-002774-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:4502, Overig
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdens de beraadslaging in raadkamer is het hof gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, zodat het hof aanleiding ziet het onderzoek te heropenen. Het hof wenst nader onderzoek te laten verrichten naar de persoon en de auto op het beschikbare beeld- en fotomateriaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002774-17

Uitspraak : 6 februari 2019

TEGENSPRAAK

Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 24 augustus 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-880491-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

thans verblijvende in [detentieadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte wegens (kort gezegd) opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Tevens is beslist op de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] is in de kosten van de verdachte veroordeeld.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zulks in dier voege dat:

  • -

    de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde onderdeel medeplegen;

  • -

    dat enkel bewezen zal worden verklaard dat er levensgevaar voor [benadeelde partij 1] en een ander persoon, [betrokkene] , te duchten was;

  • -

    dat het gemeen gevaar voor goederen zich niet uitstrekt tot de belendende percelen;

en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof:

  • -

    de [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering;

  • -

    de vordering van de [benadeelde partij 4] zal toewijzen tot een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren;

  • -

    de vordering van de [benadeelde partij 2] zal toewijzen tot een bedrag van € 3.042,32, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    de vordering van de [benadeelde partij 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 4.230,00, bestaande uit een bedrag van € 2.800,00 aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 1.430,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    de vordering van de [benadeelde partij 3] zal toewijzen tot een bedrag van € 2.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Door de verdediging is primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging partiële vrijspraak bepleit ten aanzien van het onderdeel dat er gevaar voor personen te duchten was. Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Ten aanzien van de vordering van de [benadeelde partij 5] heeft de verdediging primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de verzochte vrijspraak, subsidiair heeft de verdediging verzocht dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren ten aanzien van het meer gevorderde bedrag in hoger beroep en meer subsidiair dat het hof het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren in verband met een onevenredige belasting van het strafgeding.

Met betrekking tot de vordering van de [benadeelde partij 4] heeft de verdediging primair verzocht dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren en subsidiair dat het hof deze vordering zal afwijzen ten aanzien van de meubels, de bedden, het bankstel en de stoelen. Voor het overige gedeelte van de vordering heeft de verdediging bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering dan wel dat de vordering wordt afgewezen en zich wat dat betreft gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] heeft de verdediging primair verzocht dat het hof deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk zal verklaren; subsidiair heeft de verdediging deze vorderingen betwist, waarbij de verdediging het hof heeft verzocht in ieder geval geen hogere bedragen toe te wijzen dan de rechtbank heeft toegewezen.

Heropening van het onderzoek

Tijdens de beraadslaging in raadkamer is het hof gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, zodat het hof aanleiding ziet het onderzoek te heropenen.

Het hof wenst, aan de hand van het beschikbare beeld- en fotomateriaal, één of meerdere deskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut onderzoek op het vakgebied beeld, biometrie en visualisaties te laten verrichten naar:

  • -

    Is de persoon die op 24 juni 2016 bij café [naam café] in beeld is dezelfde persoon als verdachte?

  • -

    Is de auto in en uit het beeld rijdend op 24 juni 2016, dezelfde als de van (de vrouw van) verdachte zijnde [merk auto] met kenteken [kenteken] ?

Hierbij dienen minimaal de volgende vragen/informatie te worden betrokken:

  • -

    Kan het kenteken van de auto in beeld (deels) zichtbaar worden gemaakt, en zo ja, wat is (deels) het kenteken?

  • -

    Is er een voorwerp zichtbaar op de ruit aan de linkerzijde van de auto op de camerabeelden? Zo ja: in hoeverre komt het in beslag genomen zonnescherm (foto pag. 062 van het dossier) overeen met dit voorwerp?

  • -

    De verdachte heeft een tatoeage in zijn nek (foto’s pagina 138-139 van het dossier). Is er een (deel van een) tatoeage zichtbaar in de nek van de persoon op de camerabeelden en, indien zichtbaar, in hoeverre komt deze overeen met de tatoeage van verdachte?

  • -

    In hoeverre komt de onder verdachte in beslag genomen kleding (als volgt omschreven in de kennisgevingen van inbeslagneming: (1) een bodywarmer grijs, [merk bodywarmer] , [maat] zonder capuchon, wel knoopjes aan binnenzijde bevestiging, en (2) trui met capuchon zwart, [merk trui] , [maat] . binnenzijde muts grijs, [merk] , opdruk aan voorzijde) overeen met de kleding van de persoon op de camerabeelden?

  • -

    Voor zover te beantwoorden, wat is/zijn (de kenmerken van) het voorwerp dat de persoon in beeld in zijn hand draagt?

Bij het onderzoek dienen de conclusies van de resultaten, voor zover mogelijk en van toepassing, in een waarschijnlijkheidsuitspraak te worden gegeven. Daarbij stelt het hof dat het onderzoek dient plaats te vinden onder de aanname dat de persoon die op het beeld van de camera gericht op de voordeur richting het café loopt, dezelfde is als de persoon die op het beeld van de camera gericht op de buitentrap van het café te zien is.

Het hof wijst de zaak ten behoeve van het nader te verrichten onderzoek terug naar de raadsheer-commissaris en stelt daartoe de stukken in handen van de raadsheer-commissaris.

De advocaat-generaal en de raadsvrouw worden in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na heden, 6 februari 2019, aan het kabinet van de raadsheer-commissaris schriftelijk eventuele aanvullende vragen voor de deskundigen van het onderzoek en aangaande het onderzoek kenbaar te maken.

Na ontvangst van de (eventuele) schriftelijke aanvullende vragen van de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het aan de raadsheer-commissaris om bovenstaand onderzoek uit te zetten bij het Nederlands Forensisch Instituut en daartoe (een) deskundige(n) te benoemen op het vakgebied beeld, biometrie en visualisaties en te laten rapporteren.

Het hof geeft opdracht aan de advocaat-generaal om het originele beeld- en fotomateriaal van 24 juni 2016, alsmede van de auto van de verdachte en alle foto’s van de verdachte (waaronder foto’s van de tatoeage in zijn nek) ten behoeve van voornoemd te verrichten onderzoek op te vragen en ter beschikking te stellen en stelt in zoverre de stukken in handen van de advocaat-generaal.

Voorlopige hechtenis

De raadsvrouw heeft verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis als het hof van oordeel is dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Gelet op dit tussenarrest wijst het hof het verzoek af. Na onderzoek is het hof gebleken dat de verdenking, bezwaren en gronden die tot het laatstelijk verleende bevel tot gevangenhouding van verdachte hebben geleid, ook thans nog bestaan, waaronder dat de voorlopige hechtenis ook berust op de grond dat in het bestreden vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 24 augustus 2017 een vrijheidsbenemende straf is opgelegd voor de duur van 6 jaren.

BESLISSING

Het hof:

- Heropent het onderzoek ter terechtzitting.

- Schorst het onderzoek, voor een periode langer dan een maand, doch niet langer dan drie maanden, te weten tot de terechtzitting het hof van 9 april 2019 te 16.00 uur (MK3, verwachte behandelduur: 15 minuten). De schorsing duurt langer dan één maand om de klemmende reden dat de zittingsagenda van het hof een eerdere zitting niet mogelijk maakt.

- Bepaalt dat genoemde zitting slechts een pro forma zitting betreft, waarop geen inhoudelijke behandeling van de zaak zal plaatsvinden.

- Beveelt de oproeping van verdachte tegen de dag en het tijdstip van de hierboven genoemde terechtzitting, met mededeling aan de verdachte dat de zitting slechts een pro forma zitting betreft, waarop geen inhoudelijke behandeling van de zaak zal plaatsvinden.

- Beveelt de kennisgeving aan de raadsvrouw van de dag en het tijdstip van de hierboven genoemde terechtzitting, met mededeling aan de raadsvrouw dat de zitting slechts een pro forma zitting betreft, waarop geen inhoudelijke behandeling van de zaak zal plaatsvinden.

- Beveelt de kennisgeving aan de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 2] en aan [benadeelde partij 6] . van de dag en het tijdstip van de hierboven genoemde terechtzitting, met mededeling aan de benadeelde partijen dat de zitting slechts een pro forma zitting betreft, waarop geen inhoudelijke behandeling van de zaak zal plaatsvinden.

- Bepaalt dat de advocaat-generaal en de raadsvrouw binnen twee weken na heden, 6 februari 2019, aan het kabinet van de raadsheer-commissaris schriftelijk eventuele aanvullende vragen voor de deskundigen van het onderzoek en aangaande het onderzoek kenbaar kunnen maken.

- Stelt de stukken in handen van de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof teneinde, na ontvangst van de schriftelijke aanvullende vragen van de advocaat-generaal en de raadsvrouw, bovenstaand onderzoek uit te zetten bij het Nederlands Forensisch Instituut en daartoe (een) deskundige(n) te benoemen op het vakgebied beeld, biometrie en visualisaties en te laten rapporteren.

- Geeft opdracht aan de advocaat-generaal om het originele beeld- en fotomateriaal van 24 juni 2016, alsmede van de auto van de verdachte en alle foto’s van de verdachte (waaronder foto’s van de tatoeage in zijn nek) op te vragen en ter beschikking te stellen en stelt in zoverre de stukken in handen van de advocaat-generaal.

- Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. P.J. Hödl, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. J.J.M. Gielen-Winkster, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,

en op 6 februari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.