Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:423

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
200.211.027_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:10477, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verweren tegen declaraties advocaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team handelsrecht

zaaknummer 200.211.027/01

arrest van 5 februari 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. B.C.A. Reijnders te Venlo,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats]

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.C.M. Segers te Venlo,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 december 2017 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 5110251 \ CV EXPL 16-5513 gewezen vonnis van 30 november 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 19 december 2017 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast, welke comparitie niet heeft plaatsgevonden;

  • -

    de akte van [appellant] met productie;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.

In overweging 2.1. van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de kantonrechter vastgestelde feiten, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten.

a. [geïntimeerde] drijft een advocatenkantoor onder de handelsnaam " [naam] ".

b. [appellant] heeft aan [geïntimeerde] opdracht verstrekt tot het verlenen van juridisch advies en nader af te stemmen vervolgwerkzaamheden in zake een geschil met zijn huurder [huurder] . De daarop betrekking hebbende opdrachtbevestiging van [geïntimeerde] aan [appellant] d.d. 24 oktober 2013 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

" Financiële afspraken

Al naargelang de ervaringsjaren van de behandeld advocaat variëren onze uurtarieven.

De uurtarieven zijn exclusief BTW, 5% kantoorkosten en verschotten. Afhankelijk van het belang van de zaak kan er een factor worden toegepast.

Mijn uurtarief voor dit dossier is EUR 200,-. Overeenkomstig onze algemene voorwaarden kan het uurtarief worden aangepast. (…). De declaraties vervallen 14 dagen na de factuurdatum.(…)"

Deze opdrachtbevestiging is namens [geïntimeerde] door mr. [advocaat 1] ondertekend. In augustus 2014 is mr. [advocaat 1] vertrokken bij [geïntimeerde] .

c. [geïntimeerde] heeft [appellant] met betrekking tot het geschil vertegenwoordigd in een procedure bij de Huurcommissie en vervolgens in een procedure bij de kantonrechter.

d. De procedure bij de Huurcommissie werd door mr. [advocaat 2] gevoerd. De procedure bij de kantonrechter werd vervolgens door mr. [advocaat 3] gevoerd. Het uurtarief van mr. [advocaat 3] bedraagt € 300,-.

e. [geïntimeerde] heeft de in het kader van de verstrekte opdracht verrichte werkzaamheden door middel van verschillende declaraties aan [appellant] in rekening gebracht. De declaraties van 31 december 2014 ad € 1.085,73 en van 2 oktober 2015 ad € 4.811,38 heeft [appellant] onbetaald gelaten.

6.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] , kort gezegd, om [appellant] te veroordelen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van:

(i) voormelde declaraties ad € 5.897,11 in totaal, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de declaraties,

(ii) de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van primair € 884,57 en subsidiair € 669,86 vermeerderd met wettelijke rente,

(iii) de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten.

6.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[geïntimeerde] heeft in opdracht en voor rekening van [appellant] juridische werkzaamheden verricht. [appellant] heeft de daarop betrekking hebbende declaraties van 31 december 2014 en 2 oktober 2015 ten onrechte onbetaald gelaten, waardoor hij vanaf 14 dagen na de declaratiedata in verzuim is. [geïntimeerde] vordert van [appellant] nakoming van de uit de overeenkomst van opdracht voortvloeiende betalingsverplichting van voormelde declaraties, vermeerderd met wettelijke rente.

6.2.3.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.2.4.

In het eindvonnis van 30 november 2016 heeft de kantonrechter de laatste declaratie van € 4.811,38 gematigd en de declaraties tot een totaalbedrag van € 5.000,- toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata van de declaraties tot aan de dag der voldoening, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure vermeerderd met wettelijke rente en nakosten. De vordering van [geïntimeerde] met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten is door de kantonrechter afgewezen.

6.3.

[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, waaronder begrepen de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

6.4.

Grief 1 komt erop neer dat de kantonrechter ten onrechte het beroep van [appellant] op verrekening met een door hem gestelde tegenvordering op [geïntimeerde] heeft gepasseerd omdat mr. [advocaat 2] naar het oordeel van de kantonrechter geen blaam treft.

6.4.1.

[appellant] stelt dat hij een (verrekenbare) tegenvordering heeft op [geïntimeerde] omdat zij jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar uit hoofde van de overeenkomst van opdracht voortvloeiende verbintenis. [geïntimeerde] - en meer in het bijzonder de tweede raadsman mr. [advocaat 2] - heeft volgens [appellant] tijdens de zitting van de Huurcommissie een beroepsfout gemaakt, waardoor [appellant] de zaak bij de Huurcommissie heeft verloren en hij deze fout in de kantonprocedure door de opvolgende advocaat mr. [advocaat 3] moest laten repareren. De schade die [appellant] als gevolg van deze beroepsfout stelt te hebben geleden, is door hem als volgt opgesteld:

- het verlies bij de Huurcommissie ten bedrage van € 865,73;

- de wettelijke rente daarover ingaande 4 november 2014;

- de legeskosten Huurcommissie ad € 25,-;

- de advocaatkosten van mr. [advocaat 2] , nu de werkzaamheden die hij heeft verricht rechtstreeks verband houden met de verweten wanprestatie;

- de gestelde onnodig gemaakte advocaatkosten van mr. [advocaat 3] om de fout van

mr. [advocaat 2] in de kantonprocedure te herstellen, welke kosten worden geschat op

€ 3.900,-.

6.4.2.

[geïntimeerde] betwist de tegenvordering van [appellant] op haar ter zake van schadevergoeding en meer in het bijzonder bestrijdt zij dat zij jegens [appellant] toerekenbaar zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. [geïntimeerde] betwist dat mr. [advocaat 2] in de procedure bij de Huurcommissie een beroepsfout zou hebben gemaakt, waardoor hij zijn zaak had verloren. Indien al zou worden aangenomen dat zij een fout zou hebben gemaakt, dan betwist zij het causaal verband tussen de fout en de gestelde schade.

6.4.3.

Het hof overweegt als volgt.

In de procedure bij de Huurcommissie ging het om het volgende.

[appellant] had als verhuurder van woonruimte een geschil met voormalig huurder [huurder] over de betaling van de verbruikskosten van gas, elektriciteit en water. [huurder] betwistte de hoogte van deze verbruikskosten onder andere omdat één kamer (12 m2) van de woonruimte door [appellant] verhuurd zou worden aan een derde, de heer [derde] . Deze kamer beschikte niet over een eigen meter voor gas, elektriciteit en water. Volgens [appellant] woonde de heer [derde] echter al geruime tijd niet meer op deze kamer en gebruikte de heer [derde] de kamer slechts als postadres. [appellant] stelt dan ook dat de heer [derde] geen gas, elektriciteit of water heeft verbruikt en dat er dus geen verbruikskosten van de heer [derde] in mindering mogen worden gebracht op de betalingsverplichting van [huurder] , hetgeen [huurder] wel had gedaan.

Tijdens de zitting van de Huurcommissie was [appellant] , ondanks dat hem daartoe de mogelijkheid was geboden, zelf niet aanwezig. Mr. [advocaat 2] heeft tijdens de zitting aangegeven dat deze kamer door de heer [derde] niet werd bewoond en slechts als opslagruimte werd gebruikt. De Huurcommissie oordeelde dat de energiekosten van de heer [derde] (€ 865,73) in mindering moeten worden gebracht op de eindafrekening van [huurder] . In de daarop volgende procedure bij de kantonrechter heeft deze in rechtsoverweging 3.2.4. van het vonnis van 22 juli 2015 (./. 8 bij de appeldagvaarding) op dit punt de beoordeling van de huurcommissie gevolgd.

6.4.4.

In de kern komt het verwijt van [appellant] erop neer dat mr. [advocaat 2] ter zitting bij de Huurcommissie een fout heeft gemaakt door geheel uit zichzelf op te merken dat er een derde persoon was, die in het gebouw in kwestie een kamer als opslagruimte gebruikte. Was mr. [advocaat 2] niet ter zitting verschenen of had hij het gebruik van de derde persoon niet genoemd dan was het rapport van de Huurcommissie gevolgd, waarin door de Huurcommissie al werd geconcludeerd dat [appellant] recht had op hetgeen hij vorderde.

6.4.5.

De stelling dat mr. [advocaat 2] uit zichzelf ter zitting heeft verklaard dat een derde persoon in het gebouw een kamer gebruikte wordt door [geïntimeerde] onder verwijzing naar de uitspraak van de Huurcommissie gemotiveerd bestreden. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de uitspraak van de Huurcommissie, zoals [geïntimeerde] terecht aanvoert, dat de huurder ( [huurder] ) tijdens de zitting heeft aangegeven dat de rapporteur voorbij gaat aan het gegeven dat er gedurende het jaar 2012 meerdere personen woonachtig zijn geweest op het adres [adres] te [plaats] en dat de gemachtigde van de verhuurder (mr. [advocaat 2] , toev. hof) dat ter zitting heeft weersproken. Uit de uitspraak van de Huurcommissie blijkt dat de gemachtigde tijdens de zitting heeft verklaard dat naast de huurder alleen [voornaam] een kamer van (12 m2) heeft gehuurd en dat er door de verhuurder verder geen woonruimte is verhuurd. Deze weerspreking is derhalve, zoals [geïntimeerde] terecht aanvoert, een reactie op het verweer van de huurder. De stelling dat mr. [advocaat 2] een fout heeft gemaakt door geheel uit zichzelf op te merken dat er een derde was die een kamer gebruikte in het gebouw kan derhalve niet als juist worden aanvaard. Dit geldt te meer, nu ook uit de stellingen van [appellant] zelf blijkt dat een kamer van 12 m2 werd verhuurd aan een derde (de heer [derde] ), die de kamer als postadres gebruikte.

6.4.6.

Ook in het geval het hof met [appellant] veronderstellenderwijs zou aannemen dat

mr. [advocaat 2] een fout zou hebben gemaakt door tijdens de zitting van de Huurcommissie eigener beweging aan te geven dat de derde ( [voornaam] ) deze kamer van 12 m2 alleen gebruikte als opslagruimte omdat hij bij zijn vriendin woonde, kan dat [appellant] in de gegeven omstandigheden niet baten.

Zoals [geïntimeerde] terecht aanvoert, heeft [appellant] de zaak bij de Huurcommissie niet door de gestelde fout verloren, zodat het causaal verband tussen de gestelde fout en de gestelde schade ontbreekt.

De Huurcommissie heeft in haar uitspraak vastgesteld dat tussen partijen vast staat dat naast de huurder alleen [voornaam] een kamer van 12 m2 in het gebouw heeft gehuurd en zij acht het aannemelijk dat er gedurende 2012 in de kamer van [voornaam] energie is verbruikt en dat die kosten in de eindafrekening zijn begrepen, zoals die aan de huurder is verstrekt. [appellant] gaat er ten onrechte aan voorbij dat de Huurcommissie in haar uitspraak niet van belang heeft geacht, waarvoor deze kamer door de derde is gebruikt. Het enkele feit dat naast de huurder ook een derde een kamer in het gebouw heeft gehuurd, terwijl deze kamer niet beschikte over een eigen meter voor gas en elektriciteit, is van doorslaggevende betekenis geweest voor de beslissing van de Huurcommissie (en de kantonrechter) dat de energiekosten van de kamer van deze derde in mindering moeten worden gebracht op de eindafrekening van huurder.

Dit betekent dat ook in het geval het hof met [appellant] zou aannemen dat mr. [advocaat 2] een fout zou hebben gemaakt door tijdens de zitting van de Huurcommissie aan te geven dat de derde deze kamer van 12 m2 alleen gebruikte als opslagruimte omdat hij bij zijn vriendin woonde, dit in de gegeven omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigt dat deze fout ertoe heeft geleid dat [appellant] zijn zaak bij de Huurcommissie (en daarna bij de kantonrechter) heeft verloren. Dit brengt mee dat de door [appellant] gestelde tegenvordering op [geïntimeerde] terzake van schadevergoeding niet is komen vast te staan. Het beroep op verrekening van [appellant] is derhalve terecht door de kantonrechter gepasseerd.

Grief 1 faalt.

6.5.

Grief 2 betreft het door [geïntimeerde] gehanteerde uurtarief. Met deze grief klaagt [appellant] erover dat de kantonrechter zijn verweer dat er geen rechtsgrond bestond voor het door [geïntimeerde] gehanteerde uurtarief ten onrechte onbesproken heeft gelaten en verworpen.

6.5.1.

In de toelichting op de grief stelt [appellant] het volgende.

[geïntimeerde] vordert van [appellant] de betaling van twee declaraties. [appellant] heeft tegen de beide declaraties van mr. [advocaat 3] het verweer gevoerd dat [geïntimeerde] ten onrechte een hoger uurtarief vordert dan is overeengekomen. Uit de opdrachtbevestiging blijkt dat een uurtarief van € 200,- is overeengekomen exclusief 5% kantoorkosten en btw.

Mr. [advocaat 3] hanteert een uurtarief van € 300,- exclusief 5% kantoorkosten en btw. Het is volgens [appellant] niet toegestaan dat [geïntimeerde] de overeenkomst, na het ondertekenen van de opdrachtbevestiging, (telkens) zelf de behandelend advocaat wisselt en een hoger uurtarief rekent, zonder voorafgaande toestemming van de opdrachtgever. Het is een verhoging van 50%.

Uit de twee declaraties blijkt dat mr. [advocaat 3] 7,5 uur heeft gewerkt. Indien deze uren tegen het oorspronkelijke uurtarief zouden zijn berekend, dan zou dat per saldo € 750,- verschil uitmaken. Het verweer van [appellant] strekt ertoe dat de hoofdsom voor in totaal € 750,- dient te worden afgewezen.

6.5.2.

Deze grief kan niet tot vernietiging van het vonnis leiden.

Uit r.o. 4.4. van het bestreden vonnis van de kantonrechter blijkt dat hij de laatste declaratie heeft gematigd, waardoor in totaal een bedrag van € 5.000,- terzake van de twee declaraties toewijsbaar is. Dit betekent dat de kantonrechter op de laatste declaratie een bedrag van

€ 897,11 in mindering heeft gebracht.

Het hof begrijpt uit r.o. 4.3. van het bestreden vonnis dat de kantonrechter daarbij enerzijds in aanmerking heeft genomen dat [appellant] is geconfronteerd met een hoger uurtarief van de opvolgend advocaat, terwijl gesteld noch gebleken is dat hij vooraf in kennis is gesteld van het wijzigen van de advocaat en de financiële gevolgen daarvan. Anderzijds heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat het aantal gedeclareerde uren hem hoog voorkomt.

Het verweer van [appellant] dat [geïntimeerde] ten onrechte een hoger uurtarief in rekening heeft gebracht is derhalve door de kantonrechter gehonoreerd en heeft doel getroffen. De kantonrechter heeft aldus het verweer van [appellant] niet onbesproken gelaten.

6.6.

Met grief 3 klaagt [appellant] erover dat de kantonrechter ten onrechte zijn verweer dat de tussen partijen bestaande overeenkomst is gewijzigd onbesproken heeft gelaten en heeft verworpen.

6.6.1.

Het hof is met partijen van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte dit verweer van [appellant] niet in het bestreden vonnis heeft beoordeeld. Het hof zal dit alsnog doen.

6.6.2.

[appellant] voert, kort samengevat, het volgende aan.

Hij heeft bij faxbrief van 2 februari 2015 aan [geïntimeerde] voorgesteld om de tussen partijen bestaande overeenkomst als volgt te wijzigen: de kosten van de tweede advocaat (mr. [advocaat 2] ) zijn voor rekening van [geïntimeerde] , dit te verhogen met de vervolgkosten die bestaan uit extra tijd en geld om de fout van mr. [advocaat 2] recht te zetten. [appellant] stelt dat uit het niet afwijzen van zijn voorstel, het gaan verrichten van werkzaamheden zonder daarvoor een nota te sturen, althans pas 8 maanden later, blijkt tussen partijen een gewijzigde overeenkomst tot stand is gekomen.

6.6.3.

[geïntimeerde] betwist dat de overeenkomst is gewijzigd en voert daartoe het volgende aan.

De fax van 2 februari 2015 bevat geen eenduidig standpunt over een eventuele wijziging van de overeenkomst. [appellant] concludeert in zijn fax als volgt:

" Ik zie 2 opties

1. [geïntimeerde] stort alles wat ik betaald heb terug en ik ga naar een andere advocaat.

2. [geïntimeerde] werkt deze zaak nu af zoals ik van een advocaat mag verwachten."

Optie 2 kan niet worden opgevat als een aanbod tot wijziging van de betalingscondities. Daarnaast betwist [geïntimeerde] dat hij niet zou hebben gereageerd op het "aanbod" van [appellant] tot wijziging van de betalingscondities. [geïntimeerde] heeft op 9 februari 2015 een aanmaning gestuurd en hieruit blijkt dat zij haar eigen betalingscondities hanteert. Voorts heeft mr. [advocaat 3] op 17 februari 2015 per faxbericht gereageerd op voormeld faxbericht van [appellant] . Mr. [advocaat 3] heeft aangegeven dat hij tevergeefs heeft geprobeerd telefonisch contact op te nemen met [appellant] naar aanleiding van zijn fax. Op 23 februari 2015 heeft mr. [advocaat 3] nogmaals een faxbericht gestuurd aan [appellant] ter herinnering aan zijn faxbericht van 17 februari 2015. Uiteindelijk heeft op 24 februari 2015 een telefonisch afspraak plaatsgevonden. Ook tijdens dit telefoongesprek met [appellant] heeft mr. [advocaat 3] niet ingestemd met enige wijziging van betalingscondities.

6.6.4.

Gelet op deze gemotiveerde betwisting, had het op de weg van [appellant] gelegen om feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat hij aan [geïntimeerde] een aanbod heeft gedaan met de strekking dat de kosten van de tweede advocaat (mr. [advocaat 2] ) voor rekening van [geïntimeerde] zijn, dit te verhogen met de vervolgkosten die bestaan uit extra tijd en geld om de fout van mr. [advocaat 2] recht te zetten en dat [geïntimeerde] dit aanbod heeft aanvaard. Nu [appellant] dit heeft nagelaten wordt zijn verweer, dat de bestaande overeenkomst conform zijn voorstel is gewijzigd, als onvoldoende feitelijk onderbouwd verworpen.

Grief 3 treft dus geen doel.

6.7.

Grief 4 komt erop neer dat de kantonrechter [appellant] ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van de proceskosten en de nakosten.

6.7.1.

Deze grief faalt.

Uit het voorgaande volgt dat het hof tot dezelfde conclusie komt als de kantonrechter. [appellant] is derhalve in eerste aanleg terecht (als grotendeels) in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten.

6.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grieven falen en het beroepen vonnis wordt bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente met dien verstande dat de ingangsdatum wordt vastgesteld zoals in de beslissing vermeld.

De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het eindvonnis, waarvan beroep, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 759,- aan griffierecht en op € 1.138,50 aan salaris advocaat;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, E.A.M. van Oorschot en A.C. Metzelaar en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 februari 2019.

griffier rolraadsheer