Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4220

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-11-2019
Datum publicatie
20-11-2019
Zaaknummer
200.214.581_01
Formele relaties
Herstelarrest: ECLI:NL:GHSHE:2017:5917
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid notaris en advocaat;

Oorspronkelijk arrest ECLI:NL:GHSHE:2017:4702

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/390
ERF-Updates.nl 2019-0286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.214.581/01

arrest van 19 november 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. E.A.L. van Emden te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] (Frankrijk)

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. H. Nieuwenhuizen te Eindhoven,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 31 oktober 2017 en 5 december 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/284814 / HA ZA 14-760 gewezen vonnis van 2 november 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 31 oktober 2017;

  • -

    het tussenarrest van 5 december 2017;

  • -

    de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel en akte vermeerdering eis met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel tevens akte uitlating producties in het principaal appel met producties;

  • -

    het pleidooi van 21 augustus 2019, waarbij [geïntimeerde] een akte overlegging producties, tevens houdende akte vermeerdering van eis heeft genomen en beide partijen pleitnota’s hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.

In r.o. 3.1. van het tussenarrest van 31 oktober 2017 in het incident op grond van artikel 843a Rv is een tamelijk beknopte weergave vermeld van de feiten. Hieronder zal het hof voor alle duidelijkheid een wat uitgebreider overzicht geven van de relevante feiten.

6.1.1.

[geïntimeerde] is de zoon van wijlen [de moeder van geintimeerde] en [vader appellant] en de broer van wijlen [zus appellant] (hierna: [zus appellant] ).

6.1.2.

[zus appellant] had de Nederlandse nationaliteit. Zij is op 17 juni 1998 met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen gehuwd met [zwager appellant] (hierna: [zwager appellant] ). Hij heeft de Britse nationaliteit. Zij hadden hun woonplaats in Spanje.

6.1.3.

[zus appellant] is op 7 juli 2002 in Spanje overleden, zonder afstammelingen achter te laten. [vader appellant] is daarna overleden op 20 december 2002. Omdat [de moeder van geintimeerde] was vooroverleden, is [geïntimeerde] enig erfgenaam van de nalatenschap van zijn vader [vader appellant] .

6.1.4.

[geïntimeerde] heeft zich de nalatenschap van zijn zus tot de advocaat [appellante] gewend. Bij brief van 17 september 2002 (prod. A bij conclusie van antwoord) heeft [geïntimeerde] aan [appellante] , voor zover relevant, het volgende geschreven:

“(…) Gezien het criminele optreden van haar ex-echtgenoot (…), inbraak met geweld en diefstal – sieraden, persoonlijke en bank papieren en oud Hollandse schilderijen uit een verborgen kluis in het huis van mijn ouders – alsmede schilderijen die hingen in het huis van mijn ouders, televisie en videorecorder en verduistering van alle waardevolle goederen uit het huis van mijn zuster (schilderijen in bruikleen, sieraden, auto etc.), het vernietigen van meubilair, (…) alsmede het afsluiten van elektriciteit en water dat via het terrein van mijn zuster naar het huis van mijn ouders loopt, is het ter bescherming van de belangen van mijn vader van uiterst belang dat deze heer ten spoedigste op legale wijze uit het huis van mijn zuster gezet kan worden.(…) Er is op 24 juli 2002 door een notaris ter plaatse een officiële sommatie overhandigd aan de heer [zwager appellant] om het huis van mijn zuster terstond te verlaten met medeneming van alleen zijn persoonlijke bezittingen en teruggave is geëist van de bezittingen van mijn ouders en mijn zuster. Dit is niet gerespecteerd. Er loopt tevens een civiele alsmede een strafprocedure wegens inbraak en diefstal, tot op heden zonder succes (…)”

6.1.5.

Op 11 april 2003 heeft notaris [Nederlandse notaris] (hierna: [Nederlandse notaris] ) een verklaring van executele en/of een verklaring van erfrecht (deze zijn voor zover hier relevant gelijkluidend en zijn overgelegd als respectievelijk producties 2 en 6 bij inl. dagvaarding, hierna beide afzonderlijk aangeduid als: de Verklaring) opgemaakt. In de Verklaring is vermeld dat [zwager appellant] volgens de Nederlandse wet enig erfgenaam is van [zus appellant] . Ook is in de Verklaring opgenomen dat [zwager appellant] volkomen bevoegd en gerechtigd is alle goederen en gelden die tot de nalatenschap behoren op te eisen, te ontvangen en daarvoor kwijting te verlenen en al datgene te doen waartoe hij als zodanig volgens de wet bevoegd en gerechtigd is.

6.1.6.

Met een brief van 16 mei 2003 (prod. 4 bij inl. dagvaarding) heeft [appellante] namens [geïntimeerde] aan [Nederlandse notaris] verzocht de Verklaring te rectificeren. [appellante] heeft onder meer geschreven dat geen verklaring van executele afgegeven had kunnen worden omdat [zus appellant] niet bij testament over haar nalatenschap heeft beschikt. Verder heeft [appellante] geschreven dat naar Nederlands internationaal privaatrecht niet het Nederlandse recht maar het Spaanse recht op de vererving van de nalatenschap van toepassing is en dat naar Spaans recht niet [zwager appellant] maar [vader appellant] enig erfgenaam is. Verder heeft zij [Nederlandse notaris] aansprakelijk gesteld voor alle schade als gevolg van de ten onrechte en onjuiste afgegeven Verklaring.

6.1.7.

[zus appellant] was eigenaresse van de echtelijke woning en het daarbij behorende perceel in Spanje (hierna: de woning). De woning is op 2 juni 2003 op basis van de Verklaring ten overstaan van notaris [Spaanse notaris] in Spanje overgeschreven op naam van [zwager appellant] .

6.1.8.

Bij akte van 28 juli 2003 (prod. 16 bij inl. dagvaarding) heeft [Nederlandse notaris] de Verklaring herroepen, met vermelding dat het Spaanse erfrecht van toepassing is op de nalatenschap van [zus appellant] .

6.1.9.

[zwager appellant] heeft de woning voor € 120.000,00 verkocht en op 11 augustus 2003 overgedragen aan de door hem opgerichte Panamese onderneming [Assets Corp] Assets Corp. [zwager appellant] heeft de volledige beschikking gehouden over de woning.

6.1.10.

Met een brief van 1 maart 2004 (prod. 19 bij inl. dagvaarding) heeft [appellante] namens [geïntimeerde] [Nederlandse notaris] opnieuw aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de ten onrechte en onjuiste afgegeven Verklaring. Als voorschot op de schade wordt de betaling gevorderd van de tot dan gemaakte advocaatkosten van [appellante] en van de gemaakte kosten van een noodzakelijke vertaling, tot een totaalbedrag van € 6.301,60. Daarna heeft [appellante] in 2004 en begin 2005 nog gecorrespondeerd met [Nederlandse notaris] (enkele rappels met aansprakelijkstellingen en nadere schadebedragen en uitwisseling van informatie).

6.1.11.

Na de herroeping van de Verklaring heeft [geïntimeerde] in Spanje een gerechtelijke procedure gestart tegen [zwager appellant] en [Assets Corp] Assets Corp: (i) ter verkrijging van een definitieve verklaring van erfrecht, (ii) ter vernietiging van de tenaamstelling van de woning en de verkoop aan [Assets Corp] Assets Corp, en (iii) ter bescherming van de erfboedel. Bij vonnis van 17 maart 2004 is in het kader van die procedure verlof tot beslaglegging op de woning verleend.

6.1.12.

Met een brief van 24 mei 2005 (prod. 30 bij inl. dagvaarding) heeft Aon [verzekeringen] (hierna: Aon) namens de aansprakelijkheidsverzekeraar het afgeven van de onjuiste Verklaring als beroepsfout van [Nederlandse notaris] erkend. Aon betwist dat [geïntimeerde] als gevolg van deze beroepsfout schade heeft geleden waarvoor [Nederlandse notaris] aansprakelijk is.

6.1.13.

[geïntimeerde] heeft in verband met de verdere gang van zaken in de hierboven beschreven kwestie diverse fax- en mailberichten aan [appellante] verzonden in 2005, 2006, 2007, 2009, 2010, 2011 en 2012. [appellante] heeft op 16 oktober 2006 aan [geïntimeerde] een opdrachtbevestiging verstuurd (prod. 39 bij inl. dagvaarding) vanwege haar overstap naar een nieuw advocatenkantoor. Voor het overige heeft zij sinds 2006 niet (inhoudelijk) gereageerd op de berichten van [geïntimeerde] .

6.1.14.

Op 30 oktober 2007 of 2008 (zie voor het jaartal verder r.o. 6.11.3.) heeft de rechtbank van Benidorm, Spanje, vonnis gewezen waarbij [vader appellant] is aangewezen als erfgenaam van [zus appellant] . Dit erfrecht is blijkens het vonnis overgegaan op [geïntimeerde] , in zijn hoedanigheid van enig erfgenaam van [vader appellant] . De Verklaring is nietig verklaard. Ook de akte van koop en verkoop en levering van de woning aan [Assets Corp] Assets Corp is nietig verklaard. Dit vonnis is op 5 oktober 2010 in appel bekrachtigd (Nederlandse vertaling overgelegd bij prod. 52 bij inl.dagvaarding).

6.1.15.

In oktober 2012 heeft [appellante] de behandeling van het dossier van [geïntimeerde] op zijn verzoek overgedragen aan het kantoor van zijn huidige advocaat. Met een brief van 24 oktober 2012 (prod. 50 bij inl. dagvaarding) heeft [appellante] desgevraagd aan de opvolgend advocaat van [geïntimeerde] meegedeeld, dat zij geen stuitingshandeling heeft verricht na bovengenoemde afwijzende reactie van Aon uit 2005 (r.o. 6.1.12.).

6.1.16.

Bij brief van 19 november 2012 (prod. 52 bij inl. dagvaarding) heeft de opvolgend advocaat van [geïntimeerde] zich jegens de verzekeraar van [Nederlandse notaris] het recht op nakoming van de vordering tot schadevergoeding voorbehouden. Met een brief van gelijke datum heeft de opvolgend advocaat van [geïntimeerde] aan [appellante] meegedeeld dat zij aansprakelijk is voor de ontstane schade, indien Aon een beroep doet op verjaring.

6.1.17.

Per e-mailbericht van 10 december 2012 (prod. 53 bij inl. dagvaarding) heeft Aon zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [geïntimeerde] op [Nederlandse notaris] is verjaard.

6.1.18.

Op 12 maart 2014 is in de Spaanse registers ingeschreven dat [geïntimeerde] de volledige eigendom heeft van de woning. Dit blijkt uit een uittreksel uit het Spaanse eigendomsregister van 17 november 2014 (prod. 93 bij memorie van antwoord).

6.1.19.

[appellante] heeft erkend dat zij een beroepsfout heeft gemaakt door de verjaring van de vordering van [geïntimeerde] op [Nederlandse notaris] niet te stuiten.

6.1.20.

Blijkens een verkoopakte van 3 juli 2019 (prod. 109 bij akte overlegging producties tevens houdende akte vermeerdering eis van [geïntimeerde] ) heeft [geïntimeerde] de woning verkocht voor € 125.000,--.

6.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, samengevat, het volgende gevorderd: veroordeling van [appellante] tot betaling van € 635.525,96 inclusief vervallen wettelijke rente tot en met 4 februari 2015. De vordering betreft de schade die [geïntimeerde] stelt te hebben geleden als gevolg van de beroepsfout van [appellante] (schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming, alsmede een bedrag van € 8.688,19 voor in 2015 gemaakte kosten van rechtsbijstand en vertaling, een en ander vermeerderd met rente en kosten). Meer concreet gaat het daarbij volgens [geïntimeerde] om:

  • -

    schade aan de woning,

  • -

    de gemaakte kosten voor rechtsbijstand en procedures in Nederland en Spanje, waaronder ook vertaalkosten,

  • -

    de waarde van sieraden en schilderijen die door [zwager appellant] zijn ontvreemd,

  • -

    de door [zwager appellant] verkochte auto Opel Corsa,

  • -

    (rente op) saldi van bankrekeningen bij ABN AMRO Bank en de Spaanse Caixaltea Bank,

  • -

    overige schadeposten ter zake van herstel, schoonmaak en reparatie van door [zwager appellant] aangerichte schade aan de woning,

  • -

    reiskosten, en

  • -

    gemaakte kosten ter beperking van de schade.

6.3.

Nadat [appellante] verweer heeft gevoerd, heeft de rechtbank als volgt geoordeeld over de diverse schadeposten (de motivering komt nader aan de orde in 6.8.).

Nu de beroepsfout van [Nederlandse notaris] vaststaat en ook de beroepsfout van [appellante] is erkend, gaat het in deze procedure om het causaal verband tussen de beroepsfouten en de omvang van de door [geïntimeerde] als gevolg daarvan geleden schade. Voor omkering van de op [geïntimeerde] rustende bewijslast inzake het causaal verband ziet de rechtbank geen aanleiding. Ten aanzien van het gevorderde bedrag aan waardevermindering van de woning oordeelt de rechtbank dat deze buiten de normale lijn der verwachtingen liggende schade niet in zodanig verband staat met de beroepsfout van [Nederlandse notaris] , dat deze haar als een gevolg van de beroepsfout kan worden toegerekend. De rechtbank heeft ook de volgende gestelde schadeposten afgewezen: de declaraties van [appellante] , de volgens [geïntimeerde] verdwenen sieraden en schilderijen en de gevorderde kosten in verband met herstel van perceel en woning. Toewijzing (geheel of gedeeltelijk) van de hierna opgesomde schadeposten, heeft geleid tot toewijzing van een hoofdsom van in totaal € 175.707,27, te vermeerderen met wettelijke rente. Het gaat daarbij om:

  • -

    misgelopen rente door het niet kunnen verkopen van de woning (€ 133.699,56),

  • -

    kosten rechtsbijstand in de procedures in Spanje (€ 15.173,05 plus rente € 3.109,32),

  • -

    vertaalkosten (€ 3.557,91 plus rente € 615,06),

  • -

    reiskosten procedures in Spanje (€ 302,28 plus rente € 119,87),

  • -

    de waarde van de Opel Corsa (€ 1.274,00 plus rente € 903,43),

  • -

    misgelopen rente op het saldo van de ABN AMRO bankrekening (€ 12.829,55 plus rente € 2.911,43),

  • -

    (misgelopen rente op) het saldo van de Caixaltea bankrekening (€ 1.211,81 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 december 2005).

6.4.

In principaal hoger beroep is [appellante] tegen het bestreden vonnis opgekomen met 14 grieven.

Zij heeft geconcludeerd tot het alsnog geheel afwijzen van de vordering van [geïntimeerde] .

Bij memorie van grieven heeft zij daarnaast een incidentele vordering ingesteld op grond van artikel 843a Rv.

6.5.1.

Bij genoemd tussenarrest van 31 oktober 2017 in het incident, heeft het hof [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellante] een afschrift te verstrekken van de volgende stukken:

  1. de successieaangiften en successiebeschikking(en) die aan [geïntimeerde] zijn opgelegd alsmede correspondentie met de Spaanse belastingdienst waaruit moet blijken in hoeverre [geïntimeerde] zelf successierecht heeft betaald over de nalatenschap van zijn zuster;

  2. de boedelbeschrijvingen die door [zwager appellant] en [geïntimeerde] zijn opgemaakt en de akte waarmee [zwager appellant] de nalatenschap heeft aanvaard;

  3. de informatie die [geïntimeerde] heeft opgevraagd over de verhaalspositie van [zwager appellant] en de correspondentie die hij heeft gevoerd met (de belangenbehartigers van) [zwager appellant] teneinde betaling van schadevergoeding en proceskostenveroordelingen te verkrijgen.

6.5.2.

Een door [geïntimeerde] ingediend verzoek tot herstel van bovengenoemd tussenarrest, is bij tussenarrest van 5 december 2017 afgewezen.

6.6.1.

[geïntimeerde] heeft op grond van de veroordeling in het tussenarrest van 31 oktober 2017 een aantal stukken overgelegd (zie onder meer het overzicht in prod. 91 bij memorie van antwoord). Voor zover van belang komen die stukken in dit arrest aan de orde. Het beroep van [appellante] op schending door [geïntimeerde] van zijn informatieplicht wordt behandeld in r.o. 6.22.

6.6.2.

[geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep 14 grieven naar voren gebracht en geconcludeerd tot het alsnog geheel toewijzen van zijn in hoger beroep als volgt gewijzigde eis (akte overlegging producties tevens houdende akte vermeerdering eis van 21 augustus 2019).

Hij vordert de hierboven in r.o. 6.2. genoemde schadeposten van:

  • -

    € 635.525,96 (inclusief de vervallen wettelijke rente berekend tot en met 4 februari 2015 en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2015), en

  • -

    € 8.688,19 (in 2015 gemaakte kosten rechtsbijstand en vertaling), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de onderliggende facturen.

Daarnaast vordert hij nog de volgende bedragen:

  • -

    € 704,24 (na 2015 gemaakte vertaalkosten), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de onderliggende facturen, en

  • -

    € 779,82 (in 2019 gemaakte reiskosten), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van het pleidooi in hoger beroep (21 augustus 2019).

6.6.3.

Het bezwaar van [appellante] tijdens het pleidooi in hoger beroep tegen de laatste eiswijziging van [geïntimeerde] , komt verderop in dit arrest aan de orde.

6.7.

Met de grieven in principaal en incidenteel appel is het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorgelegd. De grieven lenen zich voor een (deels) gezamenlijke behandeling.

6.8.

Causaal verband (conditio sine qua non) en wijze van schadeberekening

6.8.1.

Tussen partijen staat vast dat het afgeven van de onjuiste Verklaring door [Nederlandse notaris] een beroepsfout van [Nederlandse notaris] is (partijen twisten over de exacte omvang van de fout, zie hierna r.o. 6.9.).

Daarnaast heeft [appellante] erkend dat ook zij een beroepsfout heeft gemaakt bij de behandeling namens [geïntimeerde] van het geschil over de erfenis van [zus appellant] . Die fout bestaat er in dat [appellante] heeft nagelaten de op de beroepsfout van [Nederlandse notaris] gebaseerde vordering van [geïntimeerde] jegens [Nederlandse notaris] te stuiten.

De beroepsfout van [appellante] heeft ertoe geleid dat onzeker is of een tegen [Nederlandse notaris] ingestelde rechtsvordering tot succes voor [geïntimeerde] zou hebben geleid. Met andere woorden: het is onzeker of de beroepsfout van [appellante] heeft geleid tot schade voor [geïntimeerde] , bestaande in een slechtere uitkomst van het geschil dan bij uitblijven van de beroepsfout van [appellante] het geval zou zijn geweest.

Wat wel vaststaat is dat door de beroepsfout van [appellante] aan [geïntimeerde] de kans op een betere uitkomst is onthouden. Dit betekent dat [geïntimeerde] in beginsel recht heeft op vergoeding van de eventueel daardoor geleden schade. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat tussen partijen niet in geschil is dat [geïntimeerde] in vervolg op de door Aon meegedeelde afwijzing van aansprakelijkheid, een rechtsvordering tegen [Nederlandse notaris] wilde instellen. Dit is echter zinloos geworden omdat de vordering tegen [Nederlandse notaris] als gevolg van de beroepsfout van [appellante] is verjaard. In zoverre staat het causaal verband in de zin van conditio sine qua non verband tussen beroepsfout en schade vast.

Het beroep dat [geïntimeerde] in verband met de door [appellante] gemaakte beroepsfout doet op de omkeringsregel, behoeft dan ook geen verdere inhoudelijke behandeling. Voor alle duidelijkheid overweegt het hof nog dat de omkeringsregel in beginsel geen betrekking heeft op de omvang van de schade en dus ook in dat kader geen nadere behandeling behoeft. De wijze waarop die schade-omvang in dit geding dient te worden vastgesteld wordt behandeld in r.o. 6.8.2. tot en met 6.8.4.

Het betoog van [appellante] dat [geïntimeerde] ook bij uitblijven van de beroepsfout van [Nederlandse notaris] had moeten procederen tegen [zwager appellant] (in verband met het toepasselijke erfrecht en/of de afkoop van het vruchtgebruik), leidt in elk geval niet tot het oordeel dat er in het geheel geen sprake is van toewijsbare schade van [geïntimeerde] . Anders dan [appellante] stelt, is het hof van oordeel dat een dergelijke procedure van een andere omvang en complexiteit zou zijn geweest dan de procedures die [geïntimeerde] nu heeft moeten voeren. Het enkele feit dat de verhouding tussen [geïntimeerde] en [zwager appellant] verstoord was en dat beiden advocaten in de arm hadden genomen, is onvoldoende om aan te nemen dat [zwager appellant] uitvoerig en tot in hoogste instantie zou hebben geprocedeerd over een correcte verklaring van erfrecht. Afgezien daarvan moet het er bovendien voor worden gehouden dat [geïntimeerde] met een juiste verklaring van erfrecht in elk geval de woning op zijn naam had kunnen zetten. Dit heeft [zwager appellant] immers ook kunnen doen op basis van de Verklaring. Dit alles wordt bij de bespreking van de afzonderlijke schadeposten nader uitgewerkt.

6.8.2.

Ten aanzien van de geleden schade heeft de Hoge Raad voor gelijksoortige gevallen (onder meer voor het door een advocaat te laat instellen van een rechtsvordering) geoordeeld dat de rechter de schade moet vaststellen door te beoordelen hoe de rechter, indien wel tijdig een rechtsvordering was ingesteld, had behoren te beslissen, althans dat de rechter het toewijsbare bedrag aan schadevergoeding moet schatten aan de hand van de goede en kwade kansen die de cliënt in het geding zou hebben gehad.

6.8.3.

Naar het hof uit het bestreden vonnis begrijpt, heeft de rechtbank geoordeeld dat zij diende te beoordelen hoe de rechter in het hypothetische geding tegen [Nederlandse notaris] had behoren te beslissen indien de vordering van [geïntimeerde] tegenover [Nederlandse notaris] niet verjaard was. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis namelijk geoordeeld dat in dit geding de vraag voorligt in hoeverre de schadevordering van [geïntimeerde] tegen [Nederlandse notaris] zou zijn toegewezen, indien [appellante] deze vordering tijdig had gestuit. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat bij de beoordeling van de door [geïntimeerde] aangevoerde schadeposten de aansprakelijkheid van [Nederlandse notaris] als uitgangspunt geldt. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat zij in aanmerking heeft genomen de mate waarin de gestelde schade voorzienbaar in de lijn der normale verwachtingen is te achten, en aldus in redelijkheid aan [Nederlandse notaris] dient te worden toegerekend. Vervolgens heeft de rechtbank per schadepost beoordeeld of en in hoeverre deze aan [Nederlandse notaris] had kunnen worden toegerekend en wat de juiste omvang van de aan [geïntimeerde] te vergoeden schadepost was.

6.8.4.

Geen van beide partijen heeft gegriefd tegen dit in r.o. 6.8.3. weergegeven oordeel van de rechtbank over de wijze waarop de door [appellante] aan [geïntimeerde] te vergoeden schade dient te worden vastgesteld. De stellingen van beide partijen in hoger beroep sluiten hier ook op aan. Zo heeft [appellante] in nr. 1.1. van de memorie van antwoord in incidenteel appel expliciet gesteld dat bepalend is hoe de rechter zou (moeten) hebben geoordeeld in de hypothetische beroepsaansprakelijheidsprocedure van [geïntimeerde] tegen [Nederlandse notaris] . Het partijdebat gaat ook met name over (concrete omvang en onderbouwing van) de gestelde schadeposten en de wijze waarop die in het hypothetische geding tegen [Nederlandse notaris] beoordeeld hadden dienen te worden.

Gelet op het voorgaande, neemt ook het hof de hierboven weergegeven wijze van beoordeling tot uitgangspunt en zal het hof dus beoordelen hoe de rechter in het hypothetische geding tegen [Nederlandse notaris] had behoren te beslissen indien de vordering van [geïntimeerde] tegenover [Nederlandse notaris] niet verjaard was.

Daarbij zal het hof de diverse schadeposten puntsgewijs behandelen (vanaf r.o. 6.10).

6.9.

De beroepsfout van [Nederlandse notaris]

6.9.

Ten aanzien van de inhoud en omvang van de door [Nederlandse notaris] gemaakte beroepsfout geldt het volgende.

[geïntimeerde] stelt dat niet alleen de afgegeven verklaring van erfrecht onjuist is, maar ook de handelwijze van [Nederlandse notaris] daarna en daarvóór.

Volgens [appellante] bestaat de beroepsfout van [Nederlandse notaris] alleen daaruit, dat zij zonder adequaat onderzoek (naar de complexe ipr-vragen die hier speelden) een verklaring van erfrecht heeft afgegeven.

Het hof overweegt als volgt.

Vaststaat dat de verklaring van erfrecht inhoudelijk onjuist was: ten onrechte is naar Nederlands recht beoordeeld wie de erfgenaam/erfgenamen is/zijn van [zus appellant] en op grond daarvan is ten onrechte [zwager appellant] aangewezen als enig erfgenaam. Anders dan [appellante] stelt, wordt in de brief van Aon (zie hierboven 6.1.12.) ook niet gerefereerd aan inadequaat onderzoek maar wordt aangeknoopt bij het verwijt dat er een onjuiste verklaring van erfrecht is gegeven. Naar het oordeel van het hof zou in het hypothetische geding tegen [Nederlandse notaris] dat laatste als de beroepsfout van de notaris zijn aangemerkt: het afgeven van een onjuiste verklaring van erfrecht.

Vaststaat dat [Nederlandse notaris] na het afgeven van de Verklaring diverse stappen heeft gezet om een en ander recht te trekken. Wat [geïntimeerde] hierover naar voren heeft gebracht, is onvoldoende om te oordelen dat die handelwijze (zodanig) nalatig was, dat (ook) dit in het geding tegen [Nederlandse notaris] als beroepsfout zou zijn aangemerkt. Ook ten aanzien van de handelwijze van [Nederlandse notaris] vóór het afgeven van de Verklaring heeft [geïntimeerde] onvoldoende concreet en onderbouwd gesteld dat hier sprake was van onjuist handelen dat als een beroepsfout kan worden bestempeld. De enkele stelling dat [Nederlandse notaris] al vóór het afgeven van de Verklaring werkzaamheden heeft verricht is daartoe onvoldoende. Voor toewijzing van schade betreffende de periode van vóór 11 april 2003 (grief 5 in incidenteel appel) is dan ook geen plaats. Bij het voorgaande komt nog dat de beroepsfout op grond waarvan [geïntimeerde] [appellante] aansprakelijk heeft gesteld, inhoudt dat zij de verjaring van de vordering vanwege de namens [Nederlandse notaris] erkende beroepsfout (het afgeven van de onjuiste Verklaring) niet tijdig heeft gestuit.

6.10.

tot en met 6.19. begroting van de schade

6.10.

Vervolgens komt het hof toe aan begroting en/of schatting van de door [geïntimeerde] aangevoerde schadeposten (artikel 6:97 BW). Enkele algemene punten van verweer van [appellante] (onder meer over verrekening van voordeel), worden na bespreking van de afzonderlijke schadeposten behandeld in r.o. 6.20. tot en met 6.22.

6.11.

De waardedaling van de woning

6.11.1.

[geïntimeerde] stelt dat de waarde van de woning op 20 december 2002 (volgens de als prod. 56 bij conclusie van repliek overgelegde taxatie ten behoeve van de Spaanse belastingdienst) € 235.887,73 was en dat deze door toedoen van [zwager appellant] drastisch is gedaald.

Dit onderbouwt hij als volgt. [zwager appellant] heeft in ieder geval in de periode na de Verklaring de drie bestaande garages (waarvan één met badkamer) afgebroken en daarvoor zonder vergunning een huisje bijgebouwd. Vervolgens heeft [zwager appellant] dit huisje weer grotendeels gesloopt en in brand gestoken. [geïntimeerde] onderbouwt dit onder meer met foto’s die volgens hem dateren van 29 september 2003 (prod. 57 bij conclusie van repliek).

6.11.2.

[appellante] voert (kort samengevat) onder meer het volgende aan. Zij betwist de door [geïntimeerde] gestelde waarde van het huis en de gestelde omvang van de schade. Ook ontbreekt volgens [appellante] het causale verband tussen de beroepsfout van [Nederlandse notaris] en de gestelde schade. Volgens [appellante] is niet duidelijk wat [zwager appellant] wanneer heeft gedaan en blijkt uit niets dat de Verklaring een rol heeft gespeeld bij het gestelde handelen van [zwager appellant] . Ook kan de gestelde schade niet worden toegerekend aan (de fout van) [Nederlandse notaris] . Daarnaast wijst zij er op dat [geïntimeerde] in eerste aanleg spreekt over doelbewuste vernieling en brandstichting door [zwager appellant] en dat [geïntimeerde] dit in hoger beroep aanduidt als een onhandig uitgevoerde verbouwing.

6.11.3.

In lijn met de stellingen van [appellante] constateert het hof dat [geïntimeerde] onvoldoende concreet en feitelijk onderbouwd heeft gesteld welke handelingen [zwager appellant] heeft verricht (en) op welk moment. Zoals [appellante] terecht stelt, blijkt uit de door [geïntimeerde] overgelegde vertaling van een Spaanse “dagvaarding” (prod. 60 bij conclusie van repliek, p.3 onderaan), dat [zwager appellant] al vóór 12 maart 2003 en dus vóór de onjuiste Verklaring, zonder toestemming en tegen de zin van [geïntimeerde] met verbouwingen van de woning was begonnen. De in r.o. 6.11.1. genoemde overgelegde foto’s dateren naar eigen zeggen van [geïntimeerde] van 29 september 2003. Op die foto’s is inderdaad aanzienlijke schade te zien. Het voorgaande is moeilijk te rijmen met de eveneens door [geïntimeerde] overgelegde taxatie van de woning uit 2005 (onderdeel van prod. 29 bij dagv. in eerste aanleg). Die komt uit op een waarde van de woning van € 216.496,58. Dit duidt niet op de gestelde drastische waardevermindering. In andere stellingen doelt [geïntimeerde] er op dat de nadelige handelingen van [zwager appellant] pas een aantal jaren na de Verklaring hebben plaatsgevonden. [geïntimeerde] spreekt in memorie van antwoord nr 10.10. naar aanleiding van grief 5b (inzake vernieling van de woning) over “rancune die [zwager appellant] na afronding van de procedure (waarbij [geïntimeerde] tot erfgenaam is benoemd) heeft gevoeld”. Nu [geïntimeerde] op 30 oktober 2007 of 2008 (in sommige stellingen en overgelegde stukken wordt verwezen naar 2007 en in andere naar 2008; voor de beoordeling is dit verder niet relevant) in eerste aanleg in het gelijk is gesteld, zouden de handelingen van [zwager appellant] dus pas na 30 oktober 2007/2008 hebben plaatsgevonden. Bovendien lijken rancune en de ook in hoger beroep aangehaalde brandstichting aan te sluiten bij de stellingen van [geïntimeerde] in eerste aanleg over moedwillige vernieling, terwijl hij in nr 5.5. van de memorie van grieven in incidenteel appel spreekt over “amateuristische verbouwingen en het gebrek aan onderhoud aan de woning”. Alleen al vanwege de hiervoor genoemde onvoldoende consistente/onderbouwde stellingen van [geïntimeerde] , kan niet worden vastgesteld dat het hier gaat om toewijsbare schade die voortvloeit uit de beroepsfout van [Nederlandse notaris] (de onjuiste Verklaring).

Daarnaast is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat deze schadepost geen schade is die in zodanig verband staat met de beroepsfout van [Nederlandse notaris] dat deze haar, gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van die beroepsfout kan worden toegerekend. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat deze schade in een te ver verwijderd verband staat met de beroepsfout van [Nederlandse notaris] . Dit geldt ook als het niet (alleen) gaat om opzettelijke vernielingen door [zwager appellant] maar ook om (slechte) verbouwingen. In dat kader neemt het hof nog in aanmerking dat [geïntimeerde] stelt dat de woning onbewoonbaar was geworden en dat een Spaanse notaris en een Spaanse makelaar hebben geconstateerd dat er sprake was van respectievelijk “een zeer ernstige ravage” en “een bouwvallig bouwsel”. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat het bij de geschetste handelwijze van [zwager appellant] gaat om de door [geïntimeerde] (in nr. 5.6. van de memorie van grieven in incidenteel appel) aangeduide “handelingen, gericht op verbouwing en onderhoud van een woning, die binnen de normale lijn der verwachting liggen”.

Deze schadepost zal gelet op het bovenstaande niet alsnog worden toegewezen.

6.12.

Misgelopen rente

6.12.1.

[geïntimeerde] stelt dat hij als gevolg van de onjuiste Verklaring rente heeft gederfd over de waarde van de woning. Hij baseert zijn vordering op dit punt op de in 6.11.1. genoemde getaxeerde waarde van de woning van € 235.887,73 per 20 december 2002. Tot 4 februari 2015 gaat het volgens [geïntimeerde] om een bedrag van € 155.041,51 aan misgelopen rente. Volgens [geïntimeerde] zou hij de woning direct na het overlijden van [zus appellant] samen met het huis van zijn ouders hebben verkocht, indien [Nederlandse notaris] een juiste verklaring van erfrecht had gegeven.

6.12.2.

[appellante] betwist het causaal verband tussen de beroepsfout van [Nederlandse notaris] en de gestelde rentederving. Hiertoe voert zij onder meer het volgende aan. Als [Nederlandse notaris] niet de Verklaring zou hebben afgegeven, zou zij in het geheel geen verklaring van erfrecht hebben afgegeven vanwege de complexiteit van de kwestie van het toepasselijk recht. Ook zou [geïntimeerde] hoe dan ook een procedure tegen [zwager appellant] hebben moeten voeren, gelet op onder andere de slechte verhouding tussen [geïntimeerde] en [zwager appellant] . Verder kon [geïntimeerde] niet vrijelijk over de woning beschikken omdat deze met vruchtgebruik was bezwaard. Voorts had [geïntimeerde] volgens [appellante] de woning eerder dan 12 maart 2014 op zijn naam kunnen laten zetten. Tenslotte betwist [appellante] de wijze waarop de bewuste schadepost is berekend.

6.12.3.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] onvoldoende aangevoerd ter betwisting van de stelling dat [Nederlandse notaris] in het hypothetische geval dat zij geen beroepsfout zou hebben gemaakt, een juiste verklaring van erfrecht zou hebben gegeven. Zoals [geïntimeerde] terecht stelt, was [Nederlandse notaris] al een week nadat zij door [appellante] was gewezen op de foutieve Verklaring bereid daar afstand van te nemen (brief van 21 mei 2003 aan notaris [Spaanse notaris] , prod. 5 bij dagvaarding in eerste aanleg). Daarna (28 juli 2003) heeft zij de Verklaring herroepen. Uit niets blijkt dat zij bij een grondiger/beter vooronderzoek voorafgaand aan 11 april 2003, zou hebben afgezien van het geven van de juiste verklaring (dat [geïntimeerde] erfgenaam was). Daarom wordt als uitgangspunt genomen dat [Nederlandse notaris] bij achterwege blijven van haar beroepsfout een juiste verklaring van erfrecht had gegeven.

In dat geval had [geïntimeerde] net zoals [zwager appellant] kunnen bewerkstelligen dat de woning op (of omstreeks) 2 juni 2003 op zijn naam zou komen te staan (zie ook hierboven r.o. 6.8.1.). In die hypothetische situatie ligt het voor de hand dat tussen [geïntimeerde] en [zwager appellant] onderhandelingen zouden zijn gevoerd over afkoop van het vruchtgebruik. Over de duur daarvan of van de eventueel gevoerde gerechtelijke procedure over de afkoopsom, is het meest concrete aanknopingspunt te vinden in de door [geïntimeerde] overgelegde opinie van advocaat Bressers te [vestigingsplaats] (prod. 83 bij conclusie van repliek). In lijn daarmee, gaat het hof er bij wijze van schatting van uit dat afwikkeling van bedoelde afkoop ongeveer een jaar zou hebben geduurd. Anders dan [appellante] stelt, kan uit de opinies van advocaat Steinmetz te [vestigingsplaats] (producties G bij conclusie van antwoord en K bij memorie van grieven) niet worden opgemaakt dat moet worden uitgegaan van een andere termijn. Genoemde opinies zijn op dit punt naar het oordeel van het hof onvoldoende specifiek. Als uitgangspunt zal het hof dan ook hanteren dat [geïntimeerde] de woning vanaf 2 juni 2004 onbezwaard had kunnen verkopen. [geïntimeerde] heeft steeds consistent verklaard dat verkoop in zijn bedoeling lag en de betwisting van [appellante] op dit punt is onvoldoende onderbouwd. Uit niets is ook gebleken dat [geïntimeerde] andere plannen had met de woning. Bij het schatten van de schade zal het hof dan ook uitgaan van de periode tussen 2 juni 2004 (een jaar na de datum waarop de woning op de naam van [geïntimeerde] had kunnen staan) en 12 maart 2014 (de datum waarop de woning uiteindelijk op zijn naam is geregistreerd). [geïntimeerde] heeft uitvoerig en concreet toegelicht (onder meer in memorie van antwoord nummers 11.4 tot en met 11.7.): (i) welke stappen er nodig waren om de woning op zijn naam te laten registreren, (ii) waarom dit tot 12 maart 2014 duurde en (iii) dat hij er alles aan heeft gedaan om dit zo snel mogelijk te laten verlopen. Daartegenover is de stelling van [appellante] dat de registratie eerder had gekund, onvoldoende concreet en specifiek onderbouwd. In de eerder genoemde door haar overgelegde opinie van advocaat Steinmetz (prod. K bij memorie van grieven) wordt slechts vermeld dat voor de datum van 12 maart 2014 geen verklaring kan worden gevonden “bij gebrek aan wetenschap”.

Het hof passeert de stelling van [geïntimeerde] dat ook wettelijke rente over de periode na 12 maart 2014 dient te worden vergoed, aangezien vanaf dat moment geen sprake meer is van schade die in causaal verband staat met de beroepsfout van [Nederlandse notaris] .

6.12.4.

Ten aanzien van de bij de schatting te hanteren rentevorm en het bedrag waarover deze wordt berekend overweegt het hof als volgt. De onderhavige schadepost ziet er op dat [geïntimeerde] bij het wegdenken van de beroepsfout van [Nederlandse notaris] vanaf juni 2004 de woning had kunnen verkopen en dus eerder de beschikking had gehad over de verkoopopbrengst in euro’s. Anders dan [appellante] aanvoert, is dan het toewijzen van wettelijke rente het meest met de aard van de schade van [geïntimeerde] in overeenstemming. Voor het schatten van de verkoopopbrengst die destijds gerealiseerd had kunnen worden, is het meest voor de hand liggende aanknopingspunt de taxatie die betrekkelijk kort nadien is verricht. Het gaat om de eerder al genoemde taxatie van Europasol van 21 maart 2005 (onderdeel van prod. 29 bij inleidende dagvaarding). De woning is toen voor € 216.496,58 getaxeerd.

Resumerend, zal het hof de wettelijke rente toewijzen over het bedrag van € 216.496,58, berekend over de periode 2 juni 2004 tot 12 maart 2014.

6.13.

Kosten rechtsbijstand

6.13.1.

[geïntimeerde] vordert ten aanzien van de schadepost rechtsbijstand de volgende bedragen:

  • -

    een hoofdsom van € 43.109,96 (als onderdeel van het totaal van € 635.525,96), met name bestaande uit het honorarium van de Spaanse advocaat Giner, het honorarium van [appellante] en het honorarium van zijn huidige advocaat t/m 4/2/15, en

  • -

    een hoofdsom van € 8.407,57, bestaande uit het honorarium van zijn huidige advocaat in 2015.

Hij voert daartoe het volgende aan. De kosten voor de procedures in Spanje en de huidige beroepsaansprakelijkheidsprocedure tegen [appellante] had hij niet behoeven te maken indien respectievelijk [Nederlandse notaris] en [appellante] geen beroepsfout hadden gemaakt. Ten aanzien van het honorarium van [appellante] voert hij aan dat voor zover dit verband houdt met het aansprakelijk stellen van [Nederlandse notaris] , deze kosten voor niets zijn gemaakt. Het instellen van een rechtsvordering tegen [Nederlandse notaris] is immers als gevolg van de verjaring zinloos geworden. Ten aanzien van de overige kosten voor advisering door [appellante] stelt [geïntimeerde] dat hij deze, ook volgens [appellante] zelf, op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW in de procedure tegen [Nederlandse notaris] op deze had kunnen verhalen.

6.13.2.

[appellante] voert onder meer het volgende aan. De procedure tussen [geïntimeerde] en [zwager appellant] zou hoe dan ook gevoerd zijn. [geïntimeerde] heeft verder deze kosten onvoldoende onderbouwd en gespecificeerd en uit de stukken blijkt niet dat hij deze kosten daadwerkelijk heeft betaald. Hij had deze kosten op [zwager appellant] kunnen verhalen in de Spaanse procedure, aldus [appellante] . Het honorarium van [appellante] zelf is geen rechtens relevante schade omdat deze kosten sowieso gemaakt hadden moeten worden en deze bovendien deels dateren van vóór de fout van de notaris. De kosten van het aansprakelijk stellen van [Nederlandse notaris] zijn zeer beperkt. Daarnaast beroept [appellante] zich op de door haar in haar algemene voorwaarden gehanteerde exoneratieclausule. Deze sluit volgens haar terugvordering van door haar berekend honorarium uit. Met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand in de onderhavige beroepsaansprakelijkheidsprocedure tegen [appellante] zelf, voert zij aan dat deze “van kleur verschieten” op grond van artikel 6:96 lid 3 BW in verbinding met artikel 241 Rv. Van uitvoerig pre-processueel overleg was geen sprake volgens [appellante] . Verder is voor vergoeding van daadwerkelijke proceskosten geen aanleiding omdat niet aan de hoge eisen van misbruik van recht is voldaan.

6.13.3.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht en op goede gronden de in rekening gebrachte kosten van de Spaanse advocaat van in hoofdsom € 15.173,05 toegewezen. Zoals al eerder vastgesteld, staat als onvoldoende betwist vast dat [geïntimeerde] diverse, complexe Spaanse procedures heeft moeten voeren om terug te draaien dat [zwager appellant] ten onrechte als erfgenaam over de woning heeft kunnen beschikken. Dit alles vloeit rechtstreeks voort uit de omstandigheid dat [Nederlandse notaris] vanwege het afgeven van de onjuiste Verklaring niet heeft gehandeld als redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris. Dat [geïntimeerde] bij een juiste verklaring waarschijnlijk ook had moeten procederen tegen [zwager appellant] over afkoop van het vruchtgebruik, kan hier niet aan afdoen. Nog daargelaten dat er van uitgegaan dient te worden dat dit een aanzienlijk kortere procedure over een veel beperkter onderwerp zou zijn geweest, heeft [appellante] ook onvoldoende concreet aangevoerd of en zo ja, welke kosten van rechtsbijstand dan uiteindelijk voor rekening van [geïntimeerde] zouden zijn gekomen en gebleven. Daarnaast is tijdens het pleidooi in hoger beroep door [geïntimeerde] onweersproken naar voren gebracht dat hij in de kwestie omtrent het vruchtgebruik geen slapende honden wakker wil maken en dat de kwestie nog niet is afgehandeld. Er is dus kennelijk niet tussen [geïntimeerde] en [zwager appellant] over het vruchtgebruik geprocedeerd. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat [geïntimeerde] kosten van het procederen over afkoop vruchtgebruik heeft bespaard. Zowel de door [geïntimeerde] overgelegde concrete onderbouwing van het door hem gevorderde bedrag als de omstandigheid dat hij de facturen van zijn Spaanse advocaat heeft betaald, zijn onvoldoende gemotiveerd weersproken door [appellante] .

6.13.4.

Nu [appellante] niet of onvoldoende specifiek heeft gegriefd tegen de toewijzing van wettelijke rente van € 3.109,32 tot en met 4 februari 2015 en wettelijke rente vanaf 5 februari 2015, zal ook deze toewijzing worden gehandhaafd.

6.13.5.

Ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand door [appellante] slaagt het betoog van [geïntimeerde] .

6.13.5.1. Met betrekking tot het door [appellante] in rekening gebrachte honorarium in verband met advisering over de ipr- en erfrechtelijke kwestie acht het hof plausibel dat dit in de procedure tegen [Nederlandse notaris] op grond van artikel 6:96 lid 2 b BW (redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid) zou zijn toegewezen. Dit sluit ook aan bij de brieven van [appellante] aan [Nederlandse notaris] , waarin zij vergoeding van deze kosten vordert (onder meer prod. 15, 19 en 20 bij inleidende dagvaarding). Gelet op deze grondslag van vergoeding van de kosten voor de advisering van [appellante] , gaat het er niet om dat hier sprake was van foutieve of onzorgvuldige advisering. Een beroep op de klachtplicht is dan ook niet aan de orde en wordt gepasseerd.

Om dezelfde reden gaat ook het beroep van [appellante] op de door haar genoemde exoneratie ten aanzien van deze post niet op. Zoals [geïntimeerde] in grief 8 in incidenteel appel en de toelichting daarop (met name nr. 8.3. en 8.4.) ook betoogt, gaat het hier niet om honorarium dat vanwege slechte kwaliteit van de dienstverlening wordt teruggevorderd of niet in rekening gebracht had kunnen worden. Het gaat om schade als gevolg van het niet op [Nederlandse notaris] kunnen verhalen van de bewuste door [geïntimeerde] gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Gesteld noch gebleken is dat de exoneratie dáár betrekking op heeft.

Voor het geval daarover anders zou dienen te worden geoordeeld, overweegt het hof op dit punt nog als volgt. De bewuste clausules op briefpapier en mailberichten van de kantoren waar [appellante] heeft gewerkt en waar zij zich op beroept, luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

(zie conclusie van dupliek nr. 4.27 en de daar genoemde producties):

“(…) iedere aansprakelijkheid is beperkt tot het bedrag dat in het desbetreffende geval onder onze beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt uitgekeerd (…)”

“(…) onder de voorwaarde dat onze aansprakelijkheid is beperkt tot maximaal het bedrag dat in het concrete geval uit hoofde van onze beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt uitgekeerd (…)”

“(…) Onze aansprakelijkheid voor eventuele beroepsfouten is in zijn totaliteit steeds beperkt tot maximaal het bedrag dat in het concrete geval uit hoofde van onze beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt uitgekeerd met inbegrip van het bedrag van het eigen risico (…)”

“(…) iedere aansprakelijkheid (…) is beperkt tot het maximum bedrag dat in het desbetreffende geval onder haar beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt uitbetaald (…)”

Artikel 19.2.1. van de polisvoorwaarden van de beroepsaansprakelijkheid van [appellante] (prod. J bij conclusie van dupliek) luidt, voor zover hier van belang:

“Niet voor vergoeding in aanmerking komen:

19.2.1.

het honorarium, de verschotten en onkosten van een verzekerde, indien hij dergelijke bedragen tengevolge van zijn handelen of nalaten niet aan zijn cliënt in rekening kan brengen of zijn cliënt het recht heeft deze van hem terug te vorderen.”

Het hof begrijpt de stellingen van [geïntimeerde] (onder meer conclusie van repliek nr. 85) aldus: hij betwist onder andere dat uit de combinatie van de exoneratie en de polis van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering blijkt dat partijen de gestelde beperking van de aansprakelijkheid van [appellante] inzake terugbetaling van honorarium zijn overeengekomen. Kennelijk begrijpt [appellante] de stellingen van [geïntimeerde] in vergelijkbare zin (onder meer conclusie van dupliek nr. 4.28. en 4.29). Naar het oordeel van het hof volgt uit de enkele tekst van bovenstaande clausules in combinatie met de bewuste polisvoorwaarden inderdaad niet zonder verdere uitleg (die [appellante] niet heeft gegeven), dat [geïntimeerde] de post betaald honorarium als zodanig niet met succes zou kunnen terugvorderen. De exoneratieclausules lijken eerder te zien op een maximum verzekerd bedrag per aanspraak (artikel 2 van de overgelegde polisvoorwaarden) dan vergoeding van een bepaald soort schade (als bedoeld in artikel 19.2.1 van de polisvoorwaarden) uit te sluiten.

6.13.5.2. Ten aanzien van het door [appellante] aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte (volgens [appellante] geringe) honorarium in verband met het aansprakelijk stellen van [Nederlandse notaris] , geldt allereerst dat de rechtbank terecht oordeelt dat het hier achteraf bezien gaat om kosten die vergeefs gemaakt zijn. In zoverre is komen vast te staan dat [appellante] honorarium heeft ontvangen voor werkzaamheden die door haar eigen daarna gemaakte beroepsfout zinloos zijn geworden. Wat hier van zij, deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking op basis van het volgende. [appellante] heeft terecht gesteld dat deze kosten ook gemaakt hadden moeten worden als zij zelf geen beroepsfout had gemaakt, omdat juist ook dan [Nederlandse notaris] aansprakelijk gesteld had moeten worden. Dit betekent echter niet, althans niet zonder meer, dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Vaststaat dat [appellante] in de periode tot 2005 minimaal 10 brieven aan [Nederlandse notaris] heeft geschreven. Dat deze werkzaamheden in de procedure tegen [Nederlandse notaris] niet door de rechter gekwalificeerd zouden zijn als buitengerechtelijke kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is onvoldoende af te leiden uit de stellingen van [appellante] .

Gezien het voorgaande zal het hof bij de begroting van de onderhavige schadepost alle aan [appellante] betaalde bedragen in aanmerking nemen.

Voor alle duidelijkheid overweegt het hof nog dat bovenstaande overweging inzake de exoneratieclausules ook betekent dat deze clausules niet aan vergoeding van de kosten in verband met het aansprakelijk stellen van [Nederlandse notaris] in de weg staan.

Gelet op al het bovenstaande komen ook de door [geïntimeerde] gevorderde kosten van rechtsbijstand door [appellante] geheel voor toewijzing in aanmerking (zonder dat verdere uitsplitsing naar advisering/aansprakelijk stellen [Nederlandse notaris] nodig is).

In totaal gaat het hier om een bedrag van in hoofdsom € 9.453,80.

6.13.6.

[geïntimeerde] heeft ten aanzien van alle gevorderde kosten van rechtsbijstand een concreet bedrag aan wettelijke rente tot 4 februari 2015 gevorderd. Dit heeft hij niet zodanig uitgesplitst, dat hieruit een bedrag kan worden gedestilleerd voor de wettelijke rente ten aanzien van de rechtsbijstand door [appellante] . Het moet er voor worden gehouden dat hij in lijn met zijn bij eisvermeerdering ingestelde vorderingen inzake rechtsbijstand wettelijke rente vordert vanaf de vervaldata van de bewuste facturen. Dit sluit ook aan bij de stellingen van [appellante] op dit punt (conclusie van dupliek nr. 4.50). Nu [appellante] voor het overige de verschuldigdheid van wettelijke rente onvoldoende specifiek heeft betwist, zal wettelijke rente over voornoemde hoofdsom van € 9.453,80 worden toegewezen vanaf de vervaldata van de bewuste facturen.

16.13.7.

De kosten van de huidige advocaat van [geïntimeerde] in de onderhavige beroepsaansprakelijkheidsprocedure tegen [appellante] komen naar het oordeel van het hof niet voor de gevorderde, volledige vergoeding in aanmerking. Daartoe is allereerst redengevend dat [geïntimeerde] niet voldoende kenbaar heeft gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat die kosten slechts voor toewijzing in aanmerking komen volgens het normale liquidatietarief. Bovendien is ook het hof van oordeel dat het hier gaat om kosten waarvoor de in de art. 237-240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

Overigens omvat de toewijzing volgens het liquidatietarief ook de kosten van het dagvaarden van [Nederlandse notaris] voor de onderhavige procedure, zoals wordt gemotiveerd bij de proceskostenveroordeling aan het eind van dit arrest.

6.14.

Vertalingen

6.14.1.

De door [geïntimeerde] gevorderde post vertalingen bestaat uit:

  • -

    een hoofdsom van € 3.557,91 (als onderdeel van het totaalbedrag van € 635.525,96),

  • -

    een bedrag van € 281,22 (als onderdeel van het totaalbedrag van € 8.688,19 waarmee de eis bij akte van 18 februari 2016 in eerste aanleg is vermeerderd) en

  • -

    een bedrag van € 704,24 (waarmee de eis in hoger beroep is vermeerderd).

Nu [geïntimeerde] zoals eerder overwogen complexe Spaanse procedures heeft moeten voeren (zie onder meer r.o. 6.12.3.), is het bedrag van € 3.557,91 naar het oordeel van het hof terecht toegewezen. Het gaat daarbij om de vertaalkosten die in het kader van de Spaanse procedures zijn gemaakt.

6.14.2.

Als onvoldoende specifiek betwist komt ook de wettelijke rente van € 615,06 over het bedrag van € 3.557,91 tot en met 4 februari 2015 en de gevorderde wettelijke rente vanaf 5 februari 2015 voor toewijzing in aanmerking.

6.14.3.

De vertaalkosten die in de onderhavige beroepsaansprakelijkheidsprocedure zijn gemaakt, zullen niet worden toegewezen. Uitgangspunt is immers dat [geïntimeerde] van de in dit geding gemaakte kosten alleen de salarissen en de verschotten van zijn advocaat ten laste kan brengen van [appellante] als in het ongelijk is gestelde partij (artikel 239 Rv). Hij heeft niets gesteld op grond waarvan het hof op dit punt tot een ander oordeel komt.

6.15.

Reiskosten

6.15.1.

De door [geïntimeerde] gevorderde post reiskosten in verband met de procedures bestaat uit de volgende 2 onderdelen:

  • -

    hoofdsom € 1.483,52 (als onderdeel van het totaal van € 635.525,96),

  • -

    € 779,82 (waarmee de eis in hoger beroep is vermeerderd).

Evenals de rechtbank en onder verwijzing naar r.o. 6.14.1. van dit arrest, is het hof van oordeel dat de reiskosten van [geïntimeerde] in verband met de procedures in Spanje voor toewijzing in aanmerking komen. De rechtbank heeft in dat kader een bedrag van € 302,28 toegewezen. Zoals [appellante] terecht aanvoert (memorie van grieven nr. 4.25. en meer specifiek conclusie van dupliek nr. 4.45) gaat het blijkens de door [geïntimeerde] overgelegde stukken (prod. 65 bij conclusie van repliek) onder andere om vliegtickets voor 2 personen. In zoverre faalt het betoog van [geïntimeerde] dat hij slechts reiskosten voor 1 persoon heeft gevorderd. Nu hij verder niet heeft toegelicht waarom de kosten voor 2 personen vergoed zouden moeten worden, zal een bedrag van € 158,14 worden toegewezen (€ 302,28 verminderd met het bedrag van € 144,14 voor 1 ticket). [geïntimeerde] heeft in grief 6 betoogd dat de rechtbank een hoger bedrag had moeten toewijzen. Volgens hem zijn van alle gevorderde kosten declaraties en facturen in het geding gebracht. De kosten zijn echter door [appellante] weersproken. Zij heeft er in dat verband onder meer op gewezen dat [geïntimeerde] ook andere zakelijke belangen in Spanje had ten behoeve waarvan de kosten mogelijk zijn gemaakt (memorie van grieven 4.45). In dit licht kon [geïntimeerde] niet volstaan met verwijzing naar de als producties 65 en 77 overgelegde bonnen en facturen over een periode van 6 oktober 2006 tot en met 13 augustus 2013, waaronder bonnen voor restaurants en meerdere facturen die duidelijk betrekken hebben op reizen voor twee personen. De benodigde toelichting omtrent de reiskosten die ten behoeve van de Spaanse procedures zijn gemaakt, ontbreekt. De enige toelichting die is gegeven, ziet op een reis van 12/13 augustus 2013, dus ná die procedures. De vordering is boven het toe te wijzen bedrag van € 158,14 niet deugdelijk onderbouwd.

6.15.2.

Als onvoldoende specifiek betwist komt ook de wettelijke rente voor toewijzing in aanmerking, zij het dat als ingangsdatum de vervaldatum van de factuur van de betreffende reiskosten zal worden gehanteerd (vergelijk r.o. 6.13.6. slot).

6.15.3.

De vordering voor zover die betreft de reiskosten die in het kader van deze beroepsaansprakelijkheidsprocedure tegen [appellante] zijn gemaakt (waaronder de overige in prod. 65 bij conclusie van repliek opgesomde reiskosten), komt onder verwijzing naar de motivering in het slot van r.o. 6.14.3. niet voor toewijzing in aanmerking. Dit betekent dat het bezwaar van [appellante] tegen de eiswijziging op dit punt, geen verdere inhoudelijke behandeling meer behoeft.

6.16.

Schilderijen en sieraden

Anders dan [geïntimeerde] stelt (nr. 10.2. memorie van grieven in incidenteel appel) kan uit de brief van 17 september 2002 (zie r.o. 6.1.4.) niet worden opgemaakt dat de daar beschreven handelingen van [zwager appellant] alleen betrekking hadden op de woning van de ouders van [geïntimeerde] . Integendeel, de passage over “verduistering van alle waardevolle goederen uit het huis van mijn zuster (schilderijen in bruikleen, sieraden, auto etc.)” kan niet anders worden begrepen dan dat [geïntimeerde] op 17 september 2002 al constateerde dat er sprake was van de gestelde verduistering van deze zaken. Dit was dus vóórdat [Nederlandse notaris] de Verklaring had afgegeven. Bovendien heeft [geïntimeerde] geen concreet onderbouwde stellingen naar voren gebracht of stukken overgelegd, op grond waarvan kan worden geoordeeld dat dergelijke handelingen (ook) na het afgeven van de Verklaring hebben plaatsgevonden. De schadeposten met betrekking tot schilderijen en sieraden komen dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

6.17.

Opel Corsa

6.17.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat vaststaat dat deze auto deel heeft uitgemaakt van de boedel van [zus appellant] en dat overdracht van deze auto op naam van een derde heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2003. Nu geen van partijen tegen deze vaststelling heeft gegriefd moet dit als vaststaand worden aangenomen. Zoals de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld, had [geïntimeerde] over de Opel Corsa kunnen beschikken en deze kunnen verkopen indien de Verklaring niet zou zijn afgegeven. [appellante] heeft ook tegen dit oordeel niet of onvoldoende kenbaar gegriefd, zodat dit vaststaat. Dit betekent dat er voldoende causaal verband bestaat tussen deze gemiste verkoopwaarde en de beroepsfout van [Nederlandse notaris] . Dat de Verklaring volgens [appellante] geen rol heeft gespeeld bij de verkoop van de auto op 5 augustus 2003 kan daar niet aan afdoen. Dat geldt ook voor de stelling dat deze verkoop heeft plaatsgevonden na de herroeping van de Verklaring. Het blijft een gegeven dat [geïntimeerde] als een direct gevolg van de afgifte van de Verklaring niet in staat is geweest de waarde van deze auto te verzilveren.

De gestelde waarde van de Opel Corsa van € 1.274,-- is door [geïntimeerde] onderbouwd met een emailbericht van de heer [de verzekeringsagent] (prod. 71 bij conclusie van repliek). In hoger beroep heeft [geïntimeerde] nader onderbouwd dat [de verzekeringsagent] verzekeringsagent is en dat zij betrokken was bij verzekering van de Opel Corsa. Volgens [geïntimeerde] beschikte zij dus over voldoende gegevens om de waarde van de auto te bepalen. Tegenover deze onderbouwde stellingen van [geïntimeerde] is de enkele betwisting van de waarde door [appellante] onvoldoende. Het voorgaande betekent dat het bedrag van € 1.274,-- terecht is toegewezen.

6.17.2.

Nu [appellante] onvoldoende specifiek heeft gegriefd tegen de toegewezen wettelijke rente van € 903,43 tot en met 4 februari 2015 en de toewijzing van wettelijke rente vanaf 5 februari 2015, zal het hof deze posten toewijzen, evenals de rechtbank heeft gedaan.

6.18.

Bankrekeningen

6.18.1.

Het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag ten aanzien van de geblokkeerde bankrekening en effectenportefeuille bij ABN AMRO Bank bedraagt € 12.829,55. Dit betreft wettelijke rente van € 27.467,57 over het totale geblokkeerde saldo (€ 88.664,57), verminderd met de door de bank uitgekeerde rente van € 14.638,02 .

Als onvoldoende betwist staat vast dat ABN AMRO Bank de bewuste portefeuille en rekening heeft geblokkeerd nadat: (i) [zwager appellant] zich op basis van de Verklaring als erfgenaam tot de bank had gewend en (ii) de bank hierover contact had gehad met [geïntimeerde] . De bank heeft vervolgens bij brief van 25 juni 2003 (prod. 96 bij memorie van grieven in incidenteel appel) te kennen gegeven dat zij pas weer transacties zou uitvoeren zodra zij in het bezit was van een officieel document waaruit zou blijken wie de wettige erfgenaam was van [zus appellant] . Anders dan [appellante] stelt, zou een verzoek van [geïntimeerde] om plaatsing van het saldo op een rekening met een hogere rente dan ook niet zijn uitgevoerd. Als onvoldoende betwist staat voorts vast dat [geïntimeerde] pas op 1 oktober 2013 over de rekening en portefeuille kon beschikken. Uit bovengenoemde omstandigheden blijkt dat de langdurige blokkade een gevolg was van de onjuiste Verklaring. Aldus kan de geleden schade aan het handelen van [Nederlandse notaris] worden toegerekend. [appellante] kan niet gevolgd worden in haar enkele niet onderbouwde stelling dat deze blokkade ook nodig zou zijn geweest zolang er tussen [geïntimeerde] en [zwager appellant] gedebatteerd/geprocedeerd werd over wie de rechtmatige erfgenaam was. Gesteld noch gebleken is waarom de bank ook in het hypothetische geval van ontvangst van een juiste verklaring van erfrecht van [geïntimeerde] , de portefeuille en de rekening zou hebben geblokkeerd. Gesteld noch gebleken is dat [zwager appellant] ook tijdens onderhandelingen of procedures over bijvoorbeeld afkoop van het vruchtgebruik voornemens was geweest contact te zoeken met de bank of aanspraak te maken op het saldo. Gelet op het voorgaande ziet het hof voldoende aanknopingspunten om de schade te begroten op het door [geïntimeerde] gevorderde en door de rechtbank toegewezen bedrag van € 12.829,55.

6.18.2.

Nu [appellante] onvoldoende specifiek heeft gegriefd tegen de toegewezen wettelijke rente van € 2.911,43 tot en met 4 februari 2015 en de toewijzing van wettelijke rente vanaf 5 februari 2015, zal het hof ook deze posten toewijzen, evenals de rechtbank heeft gedaan.

6.18.3.

Vaststaat dat [zwager appellant] de bankrekening bij Caixaltea Bank met het saldo van

€ 2.423,62 heeft gesloten op 20 december 2005. Dat hij daarbij ook het saldo heeft opgenomen is door [appellante] onvoldoende betwist. In de memorie van grieven nr. 4.34. stelt zij zelf dat [zwager appellant] in december 2005 het saldo heeft opgenomen. De enkele stelling in de memorie van antwoord in incidenteel appel (nr. 4.28) dat uit de hierna te noemen mail van de bank niet blijkt dat op 20 december 2005 ook het saldo aan [zwager appellant] is vrijgegeven, is tegen die achtergrond een onvoldoende betwisting. Als vaststaand wordt dan ook aangenomen dat er op 20 december 2005 sprake was van een gecombineerde transactie van [zwager appellant] tot sluiting van de rekening en opname van het saldo.

Deze transactie heeft dus plaatsgevonden na de afgifte van de Verklaring. Dat de Spaanse bank deze transactie heeft uitgevoerd op basis van (onder meer) de Verklaring ligt, anders dan [appellante] naar voren brengt, juist wel voor de hand. Dit is ook in overeenstemming met het mailbericht van de bank van 8 februari 2012 (prod. 98 bij memorie van grieven in incidenteel appel). Daarin vermeldt de bank dat [zwager appellant] de rekening heeft gesloten “na voorafgaand bewijs van zijn hoedanigheid als erfgenaam van de overledene en na de successierechten te hebben voldaan”. [appellante] heeft in dit verband ook niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat dit bewijs uit iets anders bestond dan uit de Verklaring. Aldus gaat het hof uit van conditio sine qua non verband tussen bedoelde transactie van de kant van [zwager appellant] en de afgifte van de Verklaring. Dat de bank ook waarde heeft toegekend aan betaling van successierechten doet daar niet aan af, omdat de betaling daarvan ook voortvloeide uit het op de Verklaring gebaseerde optreden van [zwager appellant] als erfgenaam.

Naar het oordeel van het hof staat de schadepost inzake het onderhavige saldo gelet op bovengenoemde omstandigheden in een dusdanig nauw verband met de afgifte van de Verklaring, dat deze ook kan worden toegerekend aan het handelen van [Nederlandse notaris] .

6.18.4.

Ten aanzien van de gestelde eigen schuld van [geïntimeerde] overweegt het hof als volgt. Uit de stukken blijkt dat [geïntimeerde] na het overlijden van [zus appellant] in elk geval mondeling en later ook schriftelijk contact heeft gehad met de bank. Uit genoemd mailbericht van de bank blijkt dat de bank de rekening na het overlijden van [zus appellant] oorspronkelijk had geblokkeerd. Dit sluit aan bij de stelling van [geïntimeerde] dat hij de bank hiertoe ten behoeve van zijn vader had verzocht, kort na het overlijden van [zus appellant] . De bank was er dus van op de hoogte dat [geïntimeerde] (senior) in elk geval toen meende als erfgenaam aanspraak te kunnen maken op het saldo en [geïntimeerde] ging uit van de blokkade. De bank heeft vervolgens kennelijk voldoende waarde gehecht aan bovengenoemde door [zwager appellant] overgelegde bewijsstukken. Nog daargelaten dat [geïntimeerde] stelt dat hij de bank mondeling heeft geïnformeerd over de herroeping van de Verklaring, betekent het eventueel achterwege laten van deze mededeling onder de omstandigheden van dit geval niet dat [geïntimeerde] zijn plicht tot schadebeperking heeft geschonden. Zoals [geïntimeerde] concreet onderbouwd naar voren heeft gebracht, liep hij er steeds tegen aan dat de gevolgen van de Verklaring door de herroeping niet uitgewerkt waren en dat de Verklaring eerst in Spanje nietig moest worden verklaard. Hij hoefde er dan ook niet van uit te gaan dat de bank op grond van genoemde herroeping of een aangekondigde aansprakelijkstelling, de sluitingstransactie van [zwager appellant] zou hebben geweigerd.

Daar komt nog bij dat op basis van de stellingen van [appellante] niet kan worden vastgesteld dat de bank genoemde transactie dan daadwerkelijk zou hebben geweigerd. De opinie van meergenoemde advocaat Steinmetz (prod. K bij memorie van grieven nr. 8) is op dat punt onvoldoende concludent.

6.18.5.

Het voorgaande betekent dat de post van € 2.423,62 in zijn geheel zal worden toegewezen en dat het hof - anders dan de rechtbank - geen eigen schuld van [geïntimeerde] aanwezig acht. Daarbij zal geen vermindering worden toegepast in verband met de successierechten die [geïntimeerde] volgens [appellante] over dit saldo had moeten voldoen als hij het als erfgenaam had kunnen opnemen. Om andere redenen heeft [geïntimeerde] uiteindelijk in het geheel geen successierechten hoeven te betalen. Zoals hierna in r.o. 6.20. aan de orde komt, ziet het hof geen aanleiding voor verrekening van voordeel op dit punt.

6.18.6.

Ten aanzien van de wettelijke rente geldt dat geen van beide partijen specifiek heeft gegriefd tegen de toewijzing door de rechtbank van de wettelijke rente vanaf 20 december 2005. Dat betekent dat ook het hof zal overgaan tot toewijzing vanaf die datum. De wettelijke rente zal worden toegewezen over het saldo van € 2.423,62.

6.19.

Overige kosten

6.19.

De overige door [zwager appellant] gevorderde kosten, in verband met herstel van de door [zwager appellant] aan de woning toegebrachte schade betreffen de volgende bedragen in hoofdsom: € 4.773,45,

€ 3.702,60, € 1.164,--, € 894,06 en € 26.559,50. Nog daargelaten of het hierbij gaat om vervolgschade of om kosten van schadebeperkende maatregelen zoals [geïntimeerde] aanvoert, geldt het volgende. Het gaat om posten die verband houden met de gestelde waardevermindering van de woning. Gelet op de afwijzing van die schadepost en de daaraan ten grondslag liggende motivering in r.o. 6.11., komen de onderhavige daarmee nauw samenhangende schadeposten noch als vervolgschade noch als schadebeperkende maatregel voor toewijzing in aanmerking.

6.20.

V errekening voordeel successierechten?

6.20.1.

Vervolgens komt het hof toe aan de vraag of bij de vaststelling van de toe te wijzen schade zoals hierboven per post begroot, behaald voordeel dient te worden verrekend.

6.20.2.

[appellante] stelt in dit verband (grief 13 en reactie op bij memorie van antwoord overgelegde stukken, nr. 6.5.) dat [geïntimeerde] voordeel heeft gehad omdat hij door verjaring van de vordering van de Spaanse belastingdienst uiteindelijk geen successierechten heeft betaald. Volgens [appellante] gaat het om een bespaard bedrag van in elk geval € 74.639,12 (€ 49.992,94 + € 24.646,18).

6.20.3.

[geïntimeerde] betwist dat aan de vereisten van artikel 6:100 BW is voldaan. Dat hij uiteindelijk geen successierechten heeft hoeven betalen is volgens hem het gevolg van fouten van de Spaanse belastingdienst, en dus niet van dezelfde gebeurtenis (de beroepsfout van [Nederlandse notaris] ) waar zijn schade uit voortvloeit. Ook zou verrekening van voordeel niet redelijk zijn, mede gelet op de investeringen die [geïntimeerde] heeft moeten doen om de opgelegde belastingaanslagen ongedaan te maken.

6.20.4.

Naar het oordeel van het hof slaagt het betoog van [geïntimeerde] dat voordeel en schade niet voortvloeien uit dezelfde gebeurtenis. [geïntimeerde] heeft concreet en met de producties 99 en 100.14 onderbouwd aangevoerd dat de verjaring van de vordering van de Spaanse belastingdienst voortvloeit uit door die dienst gemaakte fouten bij het in aanmerking nemen en berekenen/waarderen van bepaalde posten, die niet tijdig zijn gecorrigeerd. Anders dan [appellante] stelt, gaat het dus niet om een verjaring als gevolg van het feit dat de Spaanse belastingdienst te laat bij [geïntimeerde] aanklopte (wat niet zou zijn gebeurd bij achterwege blijven van de beroepsfout van [Nederlandse notaris] ). Bovendien heeft [appellante] niet betwist dat de aanslag in elk geval tot een bedrag van € 49.992,94 in het geheel zonder grond is opgelegd en dat ook bij de aanslag van € 24.646,18 allerlei fouten zijn gemaakt die tot vernietiging hebben geleid. Ook overigens heeft [appellante] geen of onvoldoende aanknopingspunten aangevoerd over bedragen aan successierechten die verschuldigd zouden zijn geweest indien [Nederlandse notaris] geen beroepsfout zou hebben gemaakt. Evenmin heeft zij onderbouwd gesteld dat de Spaanse belastingdienst in dat geval niet dezelfde (of vergelijkbare) fouten, leidend tot verjaring zou hebben gemaakt. Al met al oordeelt het hof dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6:100 BW (zelfde gebeurtenis, redelijkheid) en dat het beroep van [appellante] op verrekening van voordeel faalt.

6.21.

V erhaal halen bij [zwager appellant] , verrekening?

[appellante] stelt dat [geïntimeerde] zijn schade als volgt had dienen te beperken. [geïntimeerde] had (i) verhaal dienen te halen bij [zwager appellant] , via beslag op diens vordering op de Spaanse belastingdienst tot terugbetaling van ten onrechte betaalde successierechten en (ii) zijn schade moeten verrekenen met de nog aan [zwager appellant] verschuldigde afkoopsom in het kader van het vruchtgebruik.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] voldoende gemotiveerd en onderbouwd aangevoerd: (a) dat het niet of nauwelijks mogelijk is om contact te leggen met de in het buitenland (Spanje) verblijvende [zwager appellant] , (b) dat [zwager appellant] (volgens zijn eigen advocaat) in zeer slechte financiële en psychische omstandigheden verkeert (en onder meer langere tijd in een psychiatrische inrichting heeft verbleven) en (c) dat enig verhaal op [zwager appellant] moeilijk of onmogelijk is (zie onder meer prod. 101.2, 101.6, 101.9 en de vertaling van deze stukken in prod. 102). Tegenover deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van [appellante] gelegen concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt hoe [geïntimeerde] een en ander op de door [appellante] voorgestelde wijze had kunnen afhandelen. Zo heeft [appellante] niet toegelicht hoe [geïntimeerde] in weerwil van de punten (a) tot en met (c) had moeten bewerkstelligen dat [zwager appellant] een eventuele vordering op de Spaanse Belastingdienst te gelde zou maken en dit geld vervolgens beschikbaar zou houden voor verrekening. Daarbij neemt het hof verder nog in aanmerking dat [geïntimeerde] onbetwist heeft aangevoerd dat [zwager appellant] op het moment van terugvordering waarschijnlijk zou worden geconfronteerd met een navordering van de Spaanse belastingdienst. Ten aanzien van de afkoopsom in het kader van het vruchtgebruik heeft [geïntimeerde] allereerst aangevoerd dat [zwager appellant] daar in het geheel geen recht meer op heeft, vanwege het gebruik dat hij al heeft gemaakt van de woning. Daarnaast heeft [geïntimeerde] bij pleidooi in hoger beroep desgevraagd toegelicht dat de kwestie rondom het vruchtgebruik nog niet is afgehandeld met [zwager appellant] .

In het licht van bovenstaande omstandigheden bezien, zijn de stellingen van [appellante] onvoldoende om te kunnen oordelen dat [geïntimeerde] ten onrechte niet zijn schade heeft beperkt op de hierboven onder (i) en (ii) genoemde wijze. Evenmin betekent het niet verhalen van schade op [zwager appellant] of het niet verrekenen met de afkoopsom, dat de schade van [geïntimeerde] dient te worden aangemerkt als schade die in redelijkheid niet aan [Nederlandse notaris] kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW). Het betoog van [appellante] op dit punt faalt dan ook.

6.22.

Schending informatie- of waarheidsplicht?

Nog daargelaten of [geïntimeerde] met de overlegging van de stukken bij memorie van antwoord volledig heeft voldaan aan zijn veroordeling uit het tussenarrest van 31 oktober 2017, geldt het volgende. De stellingen van [appellante] (nummers 3.4 en 5.1. tot en met 5.3. in de memorie van antwoord in incidenteel appel) geven onvoldoende concrete, onderbouwde aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat de vorderingen van [geïntimeerde] (mede) dienen te worden afgewezen wegens schending van de verplichting uit artikel 21 Rv en/of omdat hij na genoemd tussenarrest niet méér stukken of Nederlandse vertalingen van stukken aan [appellante] heeft verstrekt. Ook ziet het hof geen aanleiding voor de door [appellante] in dit verband genoemde bewijsconsequenties ten nadele van [geïntimeerde] .

Allereerst is in genoemd tussenarrest niet overwogen en/of beslist dat [geïntimeerde] een Nederlandse vertaling van de daar genoemde stukken aan [appellante] diende te verstrekken, zoals [geïntimeerde] terecht stelt. Voorts ziet de veroordeling in het tussenarrest op stukken over (kort samengevat, zie verder r.o. 6.5.1. onder a. tot en met c.). ): a. het al dan niet door [geïntimeerde] betaalde successierecht, b. (de beschrijvingen van) de nalatenschap van [zus appellant] en c. verhaal van schade op [zwager appellant] .

Voor zover al vereist, hadden aanvullende stukken over onderwerp b. niet tot een voor [appellante] betere uitkomst kunnen leiden. Juist de door [appellante] in dit kader genoemde schadeposten sieraden en schilderijen zullen immers worden afgewezen (r.o. 6.16.).

Zoals verder al overwogen in r.o. 6.21. heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof voldoende gemotiveerde en onderbouwde stukken overgelegd in verband met de verhaalspositie van [zwager appellant] (onderwerp c.).

Gelet op de stellingen van partijen over het successierecht, en nu vaststaat dat en waarom [geïntimeerde] geen successierecht heeft betaald, kunnen andere stukken op dit punt (onderwerp a.) niet tot de door [appellante] gewenste uitkomst van verrekening van voordeel inzake het successierecht leiden.

Al met al faalt het betoog van [appellante] dat de vorderingen van [geïntimeerde] dienen te worden afgewezen omdat [geïntimeerde] zijn waarheids- en informatieplicht zou hebben geschonden.

6.23.

Slotsom

6.23.

Al het bovenstaande, met inbegrip van het niet slagen van de hierboven in r.o. 6.20 tot en met 6.22. behandelde verweren, leidt ertoe dat de hieronder genoemde schadeposten van [geïntimeerde] zullen worden toegewezen. Het hof komt voor een groot deel tot dezelfde uitkomst als de rechtbank in het bestreden vonnis. Aangezien echter bepaalde schadeposten tot een ander bedrag of op andere wijze worden toegewezen dan in het bestreden vonnis, zal het hof voor alle duidelijkheid het gehele bestreden vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen.

[appellante] zal worden veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van de hieronder weergegeven posten:

( i) Wettelijke rente over een bedrag van € 216.496,58 (gemiste rente over de waarde van de woning), over de periode van 2 juni 2004 tot 12 maart 2014,

(ii) een aantal posten, waarbij ook het daarachter vermelde bedrag aan wettelijke rente tot en met 4 februari 2015 wordt toegewezen:

€ 15.173,05 (Spaanse advocaat) plus rente € 3.109,32

€ 3,557,91 (vertalingen) plus rente € 615,06

€ 1.274,00 (Opel Corsa) plus rente € 903,43

€ 12.829,55 (rekening ABN AMRO) plus rente € 2.911,43

Het totaal van deze posten bedraagt: € 40.373,75 en dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente (6:119 BW) daarover vanaf 5 februari 2015,

(iii) € 9.453,80 (honorarium [appellante] ), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldata van de desbetreffende facturen,

(iv) € 158,14 (reiskosten), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum van de desbetreffende factuur,

( v) € 2.423,62 (rekening Caixaltea), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2005.

6.24.

Proceskosten

6.24.1.

Anders dan [appellante] naar voren brengt, heeft zij zowel in eerste aanleg als in principaal appel te gelden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij en is voor compensatie van de kosten geen plaats. [appellante] zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en principaal hoger beroep.

6.24.2.

[appellante] heeft voor het overige niet gegriefd tegen de omvang en wijze van berekening van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Ook [geïntimeerde] heeft geen grieven gericht tegen de berekeningswijze, waarbij op basis van het toegewezen (en niet het gevorderde) bedrag tariefgroep V is gehanteerd. Het hof zal de proceskostenveroordeling in eerste aanleg dan ook op dezelfde voet toewijzen. (Daarbij wordt voor alle volledigheid overwogen dat ook voor vergoeding in aanmerking komen de kosten voor het oorspronkelijk dagvaarden van [Nederlandse notaris] , aangezien op dat moment nog onvoldoende duidelijk was hoe over het beroep op verjaring van de vordering tegen [Nederlandse notaris] zou worden geoordeeld.)

6.24.3.

Ook in principaal appel ziet het hof aanleiding om de proceskosten te berekenen op basis van het toegewezen bedrag/tarief V.

6.24.4.

Nu partijen in incidenteel appel over en weer op enkele punten in het gelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten in incidenteel appel tussen partijen compenseren in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

6.24.5.

Ook in het incident in het hoger beroep ziet het hof aanleiding de proceskosten op de hiervoor vermelde manier te compenseren.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 2 november 2016, en opnieuw rechtdoend:

veroordeelt [appellante] tot betaling aan [geïntimeerde] van de volgende bedragen (zie r.o. 6.23.) in hoofdsom en terzake van wettelijke rente (als bedoeld art. 6:119 BW):

- wettelijke rente over een bedrag van € 216.496,58, over de periode van 2 juni 2004 tot 12 maart 2014,

- € 40.373,75, € 40.373,75, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 februari 2015,

- € 9.453,80, € 9.453,80, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldata van de desbetreffende facturen die [appellante] aan [geïntimeerde] heeft verstuurd,

- € 158,14, € 158,14, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum van de desbetreffende factuur ten aanzien van de reiskosten,

- € 2.423,62, € 2.423,62, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2005;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 5.729,64;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten in principaal appel in de hoofdzaak en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 1.628,00 aan griffierecht en op € 9.483,00 aan salaris advocaat,

en voor wat betreft de nakosten op € 157,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden,

en bepaalt dat de proceskosten binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van genoemde termijn tot aan de dag van voldoening;

compenseert de kosten van het incidenteel appel en het incident in hoger beroep tussen partijen in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, J.F.M. Pols en T.H.M. van Wechem en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 november 2019.

griffier rolraadsheer