Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4185

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-11-2019
Datum publicatie
20-11-2019
Zaaknummer
200.253.619_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Geen verbleking behoefte, lotsverbondenheid niet vervallen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 14 november 2019

Zaaknummer: 200.253.619/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/334968 FA RK 17-4757

In de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: voorheen mr. C.G.M. Baas, thans geen,

tegen

[de bewindvoerder] ,

in hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van:

[de vrouw] (hierna te noemen: de vrouw),

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

advocaat: mr. M. Czarnota.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 13 november 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift, met producties, ingekomen ter griffie op 28 januari 2019, heeft de man hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking.

2.2.

De vrouw heeft op 19 maart 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en door haar persoonlijk begeleider van [organisatie] (de organisatie die de vrouw ondersteunt), de heer [persoonlijk begeleider] .

De man is zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 2 juli 2018;

- het journaalbericht van de zijde van de man van 5 februari 2019 met bijlagen, ingekomen op 6 februari 2019;

- het journaalbericht van de zijde van man van 12 februari 2019 met bijlagen, ingekomen op 12 februari 2019;

- de machtiging van de bewindvoerder d.d. 14 maart 2019;

- het journaalbericht van de zijde van de vrouw van 27 september 2019 met bijlagen, ingekomen op 30 september 2019.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 18 mei 1990 te [plaats] .

Partijen zijn de ouders van de twee thans meerderjarige kinderen:

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ;

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] .

3.2.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2010 heeft de rechtbank tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 22 oktober 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De rechtbank heeft voorts de tussen partijen getroffen regelingen (echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan) in de beschikking opgenomen.

3.3.

Partijen zijn in voormeld echtscheidingsconvenant d.d. 30 juli 2010 onder meer overeengekomen:

“ 1. Partneralimentatie

a. De draagkracht van de man is conform de bijgaande berekening, welke is vastgesteld op basis van door partijen beschikbaar gestelde gegevens, € 396,- bruto per maand.

b. Rekening houdend met de draagkracht en de vastgestelde kinderalimentatie, komen partijen op basis van de gemaakte berekeningen tot de volgende partneralimentatie. De man verstrekt aan de vrouw een partneralimentatie per 1 september 2010 van € 396,- per maand,

(...)

d. Partijen stellen dat de hoogte van het samengestelde inkomen van de vrouw, bestaande uit haar arbeidsinkomen, partneralimentatie, kinderalimentatie, kinderbijslag een voldoende invulling geeft aan haar welstandsnivo in de situatie dat zij met de kinderen samenwoont. Een mogelijke wijzing in de gezinsomstandigheden van de man zal zowel ten positieve als ten negatieve geen invloed hebben op de toekomstige draagkrachtberekeningen.

e. Partijen komen overeen dat bij wijziging in de woonsituatie van de man of de vrouw of bij uit- of verkoop van de woning een herberekening van de partneralimentatie het inkomen van de man over de maand augustus 2010 bepalend zal zijn. Mogelijke bonusuitkeringen en salarisverhogingen worden niet meegenomen bij een nieuwe alimentatieberekening.

(…)

2.4.

De eigen woning

(…)

c. De echtelijke woning wordt uiterlijk 1 juni 2012 ter verkoop aangeboden en overgedragen aan de eerste belangstellende die naar het oordeel van partijen een acceptabel bod uitbrengt.

d. Partijen komen overeen dat in de periode tot 1 juni 2012 partijen het recht hebben de ander uit te kopen tegen de dan geldende waarde welke blijkt uit een uitgevoerde woningtaxatie (…)”

3.4.

De vrouw heeft op 6 april 2012 een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank vanwege een wijziging van omstandigheden waardoor de overeengekomen bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven zou voldoen. Zij heeft aanvankelijk verzocht de bijdrage voor haar levensonderhoud met ingang van 1 april 2011 nader vast te stellen op € 1.197,- per maand. Nadien heeft zij haar verzoek vermeerderd en verzocht de bijdrage nader vast te stellen op € 1.370,- per maand.

3.5.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) heeft in haar beschikking van 26 juni 2013 in rechtsoverweging 3.18 het volgende overwogen:

“Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale

gevolgen acht de rechtbank bij de man geen draagkracht aanwezig om, naast een bedrag

van € 852,- aan kosten voor de twee in zijn gezin verblijvende kinderen van partijen (zie

rechtsoverweging 3.17), ten behoeve van de vrouw nog een onderhoudsbijdrage te voldoen.

Het verzoek van de vrouw zal derhalve worden afgewezen.”

In het dictum van deze beschikking is het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:

- voor recht verklaard dat de man ingevolge de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2010 is gehouden aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud te voldoen welke in de beschikking was vastgesteld op € 396,- per maand geindexeerd naar 2017 € 433,- per maand in zoverre de beschikking niet door het navolgende wordt gewijzigd;

- bepaald dat de man als achterstallige partneralimentatie aan de vrouw binnen drie maanden na dagtekening van deze beschikking, dient te voldoen:

- over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014: € 4.983,96;

- over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015: € 5.023,80;

- over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 decembern 2016: € 5.089,08;

- over de periode 1 januari 2017 tot 1 september 2017: € 3.464,-;

- de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2010 gewijzigd door te bepalen dat de daarbij vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 september 2017 wordt vastgesteld op € 2.117,- per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;

- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

4.2.2.

De man verzoekt, voor zover thans van belang, de bestreden beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt uitsluitend voor zover het de wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2010 betreft in die zin dat de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van ingang van 1 september 2017 nader is vastgesteld op

€ 2.117,- per maand, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Primair:

het verzoek van de vrouw met betrekking tot de partneralimentatie alsnog af te wijzen en te bepalen dat de man niet gehouden is om partneralimentatie te betalen dan wel te bepalen dat de partneralimentatie op nihil wordt gesteld;

Voor zover het hof van oordeel is dat de man een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen:

Subsidiair:

de termijn voor de alimentatie te limiteren tot een jaar vanaf de van inschrijving van de

echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, subsidiair tot een moment dat het hof juist acht;

Meer subsidiair:

de alimentatie in twee jaar af te bouwen tot nihil, met door bedragen die het hof juist acht, dan wel termijn voor het afbouwen van de alimentatie te bepalen.

4.2.2.

De grieven van de man zien op de ingangsdatum, op de behoefte van de vrouw en haar aanvullende behoefte en op de draagkracht van de man.

4.3.

De vrouw heeft verzocht het hoger beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering

Wijziging van omstandigheden

5.1.

Gelet op het feit dat ingevolge het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 april 2017 de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van de vrouw is geëindigd op het moment dat die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan en de minderjarige kinderen van partijen op [geboortedatum] 2015 respectievelijk op [geboortedatum] 2017 de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, zoals de vrouw onweersproken heeft gesteld, is er sprake van een wijziging van omstandigheden die ertoe leidt dat de door de man te betalen partneralimentatie opnieuw dient te worden beoordeeld.

Ingangsdatum

5.2.

De man heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van 1 september 2017 als ingangsdatum, doch hij heeft die stelling in het geheel niet onderbouwd, hetgeen mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, wel op zijn weg had gelegen. Het hof stelt de ingangsdatum, evenals de rechtbank, op 1 september 2017, zijnde de eerste van de maand nadat de vrouw het oorspronkelijk inleidend verzoek bij de rechtbank heeft ingediend en vanaf welke datum de man rekening heeft kunnen houden met het verschuldigd worden van een door de vrouw verzochte hogere partneralimentatie.

Behoefte van de vrouw

5.3.1.

De rechtbank Zeeland-West Brabant (Breda) heeft bij beschikking van 26 juni 2013 het voormalig netto gezinsinkomen van partijen bepaald op € 5.777,- per maand (niveau 2010) en, op basis daarvan en aan de hand van de hofnorm, de behoefte van de vrouw bepaald op € 2.883,- netto per maand (niveau 2013). Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank deze destijds vastgestelde behoefte van de vrouw, vermeerderd met de wettelijke indexering, met ingang van 1 januari 2017 vastgesteld op € 3.084,- netto per maand.

5.3.2.

De man heeft gesteld dat de vrouw geen behoeftelijst heeft overgelegd. Indien en voor zover de man met de enkele stelling dat de vrouw geen behoeftelijst heeft overgelegd heeft bedoeld bezwaar te maken tegen de door de rechtbank aan de hand van de hofnorm berekende behoefte van de vrouw, gaat het hof aan deze, door de vrouw betwiste, stelling van de man voorbij. Het hof overweegt dat het hanteren van de hofnorm als enige maatstaf mogelijk niet op zijn plaats is wanneer daarbij voorbij wordt gegaan aan door partijen aangevoerde relevante omstandigheden die tot een andere wijze van begroting nopen. Nu de man dergelijke omstandigheden niet heeft aangevoerd, ziet het hof geen belemmering om, zoals de vrouw primair verlangt, van de op de hofnorm gebaseerde behoefte uit te gaan.

5.3.3.

Waar de man verder heeft gesteld dat partijen schulden hadden ten tijde van het huwelijk en indien en voor zover hij daarmee heeft bedoeld te stellen dat de aanwezigheid van schulden de welstand van partijen tijdens het huwelijk heeft verminderd, volgt het hof de man niet in die stelling.

Het hof overweegt dat het gehele voormelde netto gezinsinkomen van € 5.777,- tijdens het huwelijk (in 2010) integraal aan partijen ter beschikking heeft gestaan en dat dit gehele netto gezinsinkomen bepalend is voor de berekening van de behoefte van de vrouw aan de hand van de hofnorm. De aanwezigheid van schulden kan dit anders maken indien er sprake is van bijzondere omstandigheden, maar dergelijke omstandigheden zijn in deze zaak gesteld, noch anderszins gebleken. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat er wel schulden waren ten tijde van het huwelijk, te weten een hypotheekschuld en een krediet bij de Nederlandse Voorschotbank. Het krediet bij de Nederlandse Voorschotbank is aangewend voor inrichting van de echtelijke woning, aldus de vrouw, hetgeen door de man niet is betwist. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling verder onweersproken gesteld dat er eertijds geen sprake was van bijzondere omstandigheden. Gelet op het voorgaande en nu het hof ook anderszins niet is gebleken van bijzondere omstandigheden gaat het hof, evenals de rechtbank, uit van een behoefte van de vrouw gebaseerd op het gehele netto gezinsinkomen van partijen in 2010 van € 5.777,- per maand, welke behoefte met ingang van 1 januari 2017 € 3.084,- netto per maand bedraagt.

5.3.4.

De man heeft voorts gesteld dat de behoefte van de vrouw is verbleekt, niet enkel door tijdsverloop maar ook gelet op het feit dat de vrouw de voormelde huwelijkse welstand na de echtscheiding nimmer heeft gehad. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist.

Het hof is van oordeel dat hetgeen de man heeft gesteld niet meebreng dat de huidige behoefte van de vrouw niet meer gelijk gesteld kan worden met haar oorspronkelijke huwelijksgerelateerde behoefte. Enkel tijdsverloop leidt niet tot de conclusie dat de huwelijksgerelateerde behoefte is verbleekt (zie conclusie A-G onder 2.12. bij de uitspraak van de Hoge Raad van 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:313). Dat de vrouw na de echtscheiding voormelde welstand mogelijk nimmer heeft gehad en daarmee, zo begrijpt het hof de stelling van de man, in de loop der jaren aan een lagere levensstandaard gewend zou zijn geraakt, leidt niet tot een ander oordeel, ook niet in samenhang met het voorgaande.

5.3.5.

Ten slotte heeft de man nog gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat de lotsverbondenheid niet meer bestaat. De vrouw heeft deze stelling van de man gemotiveerd betwist.

Het hof overweegt dat de rechtbank in dit verband onder meer heeft overwogen dat niet is gebleken dat de vrouw dermate wangedrag of grievend gedrag heeft vertoond, dat de lotsverbondenheid niet meer bestaat. De man heeft in hoger beroep niet, althans niet voldoende gesteld dat het hof daar anders over zou moeten oordelen. Indien en voor zover de man bedoeld heeft te stellen dat de lotsverbondenheid anderszins is vervallen, gaat het hof ook aan die stelling van de man voorbij. Het hof verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 4 mei 2018, ECLI:HR:NL:2018:695, rov. 3.3.5.:

“ (…) Weliswaar kan de door het huwelijk in het leven geroepen lotsverbondenheid als een grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting worden beschouwd, maar het voortduren van die verplichting berust niet op het voortduren van de lotsverbondenheid. Daarom kan het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van lotsverbondenheid geen grond zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, ook niet in samenhang met andere omstandigheden (vgl. HR 20 december 2013, ECLI:HR:NL:2013:2058, NJ 2014/143)”.

Aanvullende behoefte van de vrouw

5.4.

De man heeft verder gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw getracht heeft meer inkomen te verwerven. De vrouw heeft deze stelling van de man gemotiveerd betwist. Het hof gaat voorbij aan deze stelling van de man nu de man die op geen enkele wijze heeft toegelicht en onderbouwd, hetgeen, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, wel op zijn weg had gelegen.

Het hof overweegt verder dat de rechtbank heeft overwogen dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 1.067,- per maand bedraagt, tegen welke overweging de man geen grief heeft aangevoerd, zodat het hof daarvan uitgaat. Ook heeft de man geen grief aangevoerd tegen de overweging van de rechtbank dat de aanvullende behoefte van de vrouw, mede rekening houdend met de te betalen bijdrage Zorgverzekeringswet over de te ontvangen partneralimentatie, € 2.359,- netto per maand bedraagt in 2017, zodat het hof, evenals de rechtbank, uitgaat van een aanvullende behoefte van de vrouw van € 2.359,- netto per maand (niveau 2017).

Draagkracht van de man

Inkomen van de man

5.5.

De man heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet voor elke wijziging van de partneralimentatie de salarisstrook van augustus 2010 als maatstaf dient te worden gehanteerd. Volgens de man zijn partijen overeengekomen dat bij een herberekening van de alimentatie wegens wijziging van omstandigheden, rekening moet worden gehouden met het inkomen van de man in 2010. De vrouw heeft deze stelling van de man gemotiveerd betwist.

Het hof overweegt dat de rechtbank terecht en op goede gronden, die het hof na eigen beoordeling overneemt en de zijne maakt, heeft overwogen dat de salarisstrook van augustus 2010, gelet op de context van het convenant, enkel als uitgangspunt diende te gelden indien wijziging van de partneralimentatie verband hield met de verkoop van de voormalige echtelijke woning, maar dat het verzoek van de vrouw niet op die verkoop maar op andere gewijzigde omstandigheden is gebaseerd.

5.6.

De man heeft voorts gesteld dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met een jaarloon van € 153.552,- en dat de rechtbank de kosten van de auto van de zaak op een te laag bedrag heeft berekend. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

Het hof overweegt dat de man in eerste aanleg met betrekking tot zijn inkomenssituatie uitsluitend de salarisstrook van april 2018 heeft overgelegd, waaruit een fiscaal jaarloon blijkt van € 153.552,- en een fiscale bijtelling van de auto van € 1.080,13 per maand, van welke gegevens de rechtbank, bij gebrek aan andere salarisgegevens van de man, terecht is uitgegaan voor de berekening van het belastbaar loon van de man.

In hoger beroep heeft de man ten aanzien van zijn inkomenssituatie en in aanvulling op de salarisstrook van april 2018, drie salarisstroken overgelegd met betrekking tot de maanden augustus, september en oktober 2018. Ook uit die salarisstroken blijkt een fiscaal loon van de man van € 153.552,-. Weliswaar blijkt uit deze salarisstroken in die maanden een fiscale bijtelling van de auto van € 1.178.89 per maand, doch nu de salarisstroken over het gehele jaar 2018 en met name de jaaropgaaf 2018 ontbreken, heeft de man onvoldoende inzicht gegeven in de totale fiscale bijtelling van de auto over het jaar 2018. Ook salarisgegevens over de verstreken maanden in 2019 ontbreken geheel. Gelet op het voorgaande ziet het hof onvoldoende reden om een correctie op het door de rechtbank vastgestelde belastbaar loon van de man toe te passen.

Lasten van de man

5.7.

De man heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met alle schulden van de man. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist.

Het hof overweegt dat de rechtbank rekening heeft gehouden met betaling van:

- rente en aflossing van € 435,- per maand op de lening bij Vesting Finance;

- rente en aflossing van € 414,- per maand op de lening bij de Nederlandse Voorschotbank;

- aflossing van € 700,- per maand op de achterstand bij Finqus;

- aflossing van € 800,- per maand op de nog openstaande belastingschuld.

In totaal heeft de rechtbank rekening gehouden met betaling van rente en aflossing ad

€ 2.349,- per maand.

Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst de man naar de door hem in hoger beroep overgelegde productie 10, waarin onder meer – al dan niet gedateerde – brieven van crediteuren, diverse bankafschriften en een door de man opgesteld overzicht van schuldeisers met een opgaven van (aflossings-)bedragen. Het hof overweeg dat de man geen enkele toelichting heeft gegeven op de inhoud van productie 10, welke productie zonder nadere toelichting onvoldoende inzicht geeft van de schuldenpositie van de man en de mate waarin deze op de draagkracht van de man drukt. Met name is niet gebleken hoe de schulden zijn ontstaan, wat de hoogte van de oorspronkelijke schulden was, hoeveel en wanneer de man op de schulden heeft afgelost en hoe groot de restantschulden zijn. Gelet op het voorgaande is het hof van de oordeel dat de man zijn stelling dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met alle schulden van de man, niet althans niet voldoende heeft onderbouwd, hetgeen, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, wel op zijn weg had gelegen, zodat het hof aan die stelling van de man voorbij gaat.

5.8.

De man heeft verder gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met advocaatkosten van € 114,- per maand, hetgeen de vrouw gemotiveerd heeft betwist. Het hof overweegt dat de man ook op dit punt zijn stelling niet, althans niet voldoende heeft onderbouwd nu de man slechts enkele facturen van verschillende advocaten heeft overgelegd en betaling op deze facturen volstrekt onduidelijk is gebleven.

5.9.

Ten slotte heeft de man gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de kosten van de meerderjarige kinderen. De vrouw heeft ook deze stelling van de man gemotiveerd weersproken. Het hof volgt de man niet in zijn stelling op dit punt.

Het hof constateert dat beide kinderen met ingang van 1 september 2017, de datum met ingang waarvan de partneralimentatie wordt gewijzigd, de leeftijd van 21 jaar zijn gepasseerd. Gelet op de leeftijd van de kinderen en nu de man niets heeft gesteld of aangetoond omtrent eventuele behoeftigheid van de kinderen, overweegt het hof dat er geen sprake is van een wettelijke onderhoudsplicht van de man jegens de kinderen en dient de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw te prevaleren.

5.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de grieven van de man falen.

5.11.

Waar de man in hoger beroep heeft verzocht de termijn voor de te betalen partneralimentatie te limiteren, subsidiair de partneralimentatie af te bouwen, dient de man in zijn verzoeken niet ontvankelijk te worden verklaard.

De man heeft in eerste aanleg (slechts) verweer gevoerd. De voormelde verzoeken van de man dienen te worden beschouwd als zelfstandige (tegen-)verzoeken welke verzoeken niet voor het eerst in hoger beroep kunnen worden gedaan, zoals blijkt uit artikel 362 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

5.12.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 13 november 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

verklaart de man niet-ontvankelijk in het subsidiaire verzoek om de termijn voor de alimentatie te limiteren, en in het meer subsidiaire verzoek om de alimentatie af te bouwen tot nihil;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, E.L. Schaafsma-Beversluis en

E.M.C. Dumoulin is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.