Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4182

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-11-2019
Datum publicatie
18-11-2019
Zaaknummer
200.259.487_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:1579, Overig
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht WWZ. Opzegging of beëindigingsovereenkomst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 14 november 2019

Zaaknummer : 200.259.487/01

Zaaknummer eerste aanleg : 7476690 AZ VERZ-19-11

in de zaak in hoger beroep van:

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

verweerster in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. A.L. Stegeman te Heerlen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [verweerster] ,

advocaat: mr. S.J.W.M. Vonken te Heerlen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 februari 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met een incompleet procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 14 mei 2019, en dat beroepschrift met een gecompleteerd procesdossier van de eerste aanleg (zonder proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg), ingekomen ter griffie op 23 mei 2019;

  • -

    het verweerschrift inclusief incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 11 september 2019;

  • -

    het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met een productie, ingekomen ter griffie op 20 september 2019;

- de op 3 oktober 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:

- mr. A.L. Stegeman namens [appellante] ;

- [verweerster] , bijgestaan door mr. S.J.W.M. Vonken;

  • -

    de ter zitting door beide partijen overgelegde pleitnotities;

  • -

    de door beide partijen ingediende V8-formulieren waaruit blijkt dat partijen geen schikking hebben getroffen en waarmee zij het hof verzoeken om uitspraak te doen, ingekomen ter griffie op respectievelijk 7 en 8 oktober 2019.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel hoger beroep

Feiten

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, door de kantonrechter vastgestelde, feiten (dus uitgezonderd hetgeen de kantonrechter in rov. 2.6 aan feiten heeft vastgesteld).

3.1.1.

[verweerster] is sinds 23 augustus 1999 krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst van [appellante] in de functie van secretaresse voor 32 uur per week en tegen een bruto maandloon van € 2.666,00. Aanvankelijk heeft [verweerster] gewerkt als algemeen secretaresse, de laatste jaren (onduidelijk blijft vanaf wanneer) vooral als medewerkster in de incassopraktijk en de faillissementspraktijk.

3.1.2.

Op 26 juli 2018 heeft [appellante] aan [verweerster] kenbaar gemaakt dat zij zich (vanaf dan) volledig moest gaan oriënteren op de faillissementsdossiers en dus werd ontheven van de incassowerkzaamheden. Vanaf 13 november 2018 moest [verweerster] zich echter weer (ook) met de incassowerkzaamheden gaan bezighouden.

3.1.3.

Op 20 november 2018 heeft [verweerster] zich ziek gemeld.

3.1.4.

Op 20 december 2018 heeft [appellante] een e-mailbericht aan [verweerster] verzonden (productie 3 bij verzoekschrift) waarin gerefereerd werd aan een in augustus tussen partijen overeengekomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 31 december 2018. Bij e-mailbericht van 31 december 2018 (productie 4 bij verzoekschrift) heeft [appellante] bevestigd dat er in haar optiek een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst.

3.1.5.

Bij brief van 4 januari 2019 (productie 5 bij verzoekschrift) heeft de gemachtigde van [verweerster] jegens [appellante] geprotesteerd tegen de – in de optiek van [verweerster] gedane – opzegging door [appellante] van de arbeidsovereenkomst en aanspraak gemaakt op het nog niet betaald loon tot 31 december 2018, de zogenoemde gefixeerde vergoeding, de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Daarbij heeft zij tevens ontkend dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd.

3.1.6.

Op 30 januari 2019 heeft het UWV aan [verweerster] te kennen gegeven dat zij op 20 november 2018 haar eigen werk niet kon doen. Daarbij baseerde het UWV zich op een verzekeringsgeneeskundig rapport d.d. 24 januari 2019 (productie 7 bij verzoekschrift) van [naam] , die onder het kopje “Beschouwing” onder meer het navolgende schrijft: “Na eigen onderzoek en na bestudering informatie kom ik tot de conclusie dat er sprake is van arbeidsgerelateerde arbeidsongeschiktheid. Cliënte is per datum heden en per datum ziekmelding ongeschikt eigen werk te achten en zal moeten worden begeleid op adequate wijze door arbo arts, in die zin dat er ook spreekuur contact zal moeten zijn. De situatie is zodanig dat deze problematiek van cliënte niet via telefonisch contact kan worden geadviseerd.”, en onder het kopje “Onderzoeksgegevens”: “Er is kennelijk sprake van een arbeidsconflict.”.

Procedure in eerste aanleg en de verzoeken in hoger beroep

3.2.1.

[verweerster] heeft in eerste aanleg veroordeling verzocht van [appellante] tot betaling van (samengevat):

1. de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:672 lid 10 BW met rente;

2. de transitievergoeding met rente;

3. een billijke vergoeding met rente;

4. het onbetaald gelaten loon over december 2018 met rente vanaf 1 januari 2019;

5. de vakantiebijslag over 2018, de niet genoten vakantiedagen en de eindejaarsuitkering, allemaal met rente vanaf 1 januari 2019;

6. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de bedragen genoemd onder 4 en 5;

7. de proceskosten.

Daarnaast heeft [verweerster] verzocht om [appellante] te veroordelen tot het opmaken van een deugdelijke eindafrekening.

3.2.2.

[appellante] heeft verweer gevoerd.

3.2.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter op de verzoeken van [verweerster] het volgende beslist:

- van een opzegging van de arbeidsovereenkomst door [appellante] , is niet gebleken; om die reden worden de vorderingen 1, 2 en 3 afgewezen (rov. 4.1.);

- de vorderingen 4 en 5 zijn betaald, zodat ook die vorderingen worden afgewezen (rov. 4.2);

- de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de vakantiebijslag en de niet opgenomen vakantiedagen zijn niet toewijsbaar omdat niet is gebleken van een opzegging en omdat er in deze procedure vanuit moet worden gegaan dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat (rov. 4.3);

- de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon en over de eindejaarsuitkering is toewijsbaar (rov. 4.4);

- partijen zijn over en weer deels in het ongelijk gesteld zodat de proceskosten worden gecompenseerd (rov. 4.5).

Het dictum luidt als volgt:

5.1.

veroordeelt [appellante] om aan [verweerster] de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het te laat betaalde loon van december 2018 en de eindejaarsuitkering te betalen (inclusief de wettelijke rente vanaf de datum waarop die respectieve posten gebruikelijk hadden moeten worden betaald) tot 6 februari 2019;

5.2.

verklaart de veroordeling onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

wijst af het meer of anders verzochte en compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.3.1.

[appellante] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover het de veroordeling onder 5.1 en 5.2 betreft, en heeft verzocht de verzoeken van [verweerster] alsnog geheel af te wijzen en [verweerster] te veroordelen aan [appellante] terug te betalen wat [appellante] op grond van de bestreden beschikking heeft betaald, kosten rechtens.

3.3.2.

[verweerster] heeft in incidenteel hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover in incidenteel hoger beroep bestreden en, alsnog rechtdoende, de vorderingen van [verweerster] in eerste aanleg volledig toe te wijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in beide instanties.

Beoordeling van het incidenteel hoger beroep

3.4.

[verweerster] is met haar eerste grief in het incidenteel hoger beroep opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van een opzegging van de arbeidsovereenkomst door [appellante] .

3.5.

Het hof stelt voorop dat de vraag of een werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, beantwoord moet worden op de voet van de artikelen 3:33-3:35 BW, waarbij alle omstandigheden van het geval van belang zijn (HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387 Grillroom Ramses II en HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2905 Constar).

3.6.

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat [verweerster] de gedragingen en verklaringen van [appellante] redelijkerwijs niet kon opvatten als een opzegging. Daartoe overweegt het hof het volgende.

Volgens [verweerster] kreeg zij op 6 juli 2018 telefonisch van [appellante] te horen dat zij niet meer bij het kantoor zou passen en dat het beter zou zijn dat de wegen zich zouden scheiden. [verweerster] heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij de mededeling tijdens dit telefoongesprek niet anders kan opvatten dan een opzegging. Nu [verweerster] echter in eerste aanleg nog aanvoerde dat [appellante] de arbeidsovereenkomst met een e-mail van 20 december 2018 had opgezegd, mocht van haar worden verwacht dat zij nader had toegelicht waarom de mededelingen tijdens dit telefoongesprek als een opzegging gekwalificeerd moeten worden. Dat heeft [verweerster] echter niet nader toegelicht. Haar vordering tot toekenning van gefixeerde schadevergoeding strookt ook niet met dit standpunt. Wanneer [verweerster] de mededelingen op 6 juli 2018 zou aanmerken als een opzegging, dan zou [appellante] geen schadevergoeding verschuldigd zijn, want in de opvatting van [verweerster] heeft [appellante] de arbeidsovereenkomst opgezegd per 31 december 2018. In die opvatting heeft [appellante] dus wél de voor opzegging geldende termijnen in acht genomen. [verweerster] is voor haar vordering tot toekenning van gefixeerde schadevergoeding vast blijven houden aan een opzegging door [appellante] met een e-mail van 20 december 2018 per 31 december 2019. Echter, uit die e-mail blijkt overduidelijk dat [appellante] in de veronderstelling was dat zij met [verweerster] was overeengekomen de arbeidsovereenkomst te beëindigen per 31 december 2018. In die e-mail heeft [appellante] immers (onder meer) geschreven:

“31 december a.s. eindigt immers, zoals in augustus overeengekomen, jouw dienstbetrekking bij ons (…)

Graag verneem ik ook van jou of je nog behoefte hebt aan een schriftelijke vaststellingsovereenkomst met betrekking tot de beëindiging (…)

Ik denk dan met name aan het feit dat er nog geen vaststellingsovereenkomst is getekend, maar (…)

Voor de beëindiging is geen schriftelijke overeenkomst nodig (…)”.

Ook uit de nadien, op 31 december 2018 door [appellante] gestuurde e-mail volgt dat [appellante] in de veronderstelling was dat zij met [verweerster] een beëindiging van de arbeidsovereenkomst was overeengekomen. In die e-mail heeft [appellante] onder meer geschreven:

“Gelukkig voor mij zijn onze afspraken van augustus (…) objectief meermaals bewijsbaar.”

Dat [appellante] in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat de beëindiging mondeling kon worden overeengekomen en dat [appellante] daarbij het bepaalde in artikel 7:670b BW over het hoofd heeft gezien, maakt niet dat [verweerster] de mededelingen van [appellante] als een opzegging heeft kunnen opvatten. Gelet op deze onjuiste veronderstelling van [appellante] , kon [verweerster] uit het feit dat zij uit dienst werd gemeld bij de betrokken instanties en dat [appellante] haar vroeg de sleutels in te leveren, niet afleiden dat [appellante] de arbeidsovereenkomst had opgezegd of wilde opzeggen. Uit de e-mails blijkt duidelijk dat [appellante] meende dat mondeling een overeenkomst tot stand was gekomen om de arbeidsovereenkomst per 31 december 2018 te beëindigen en dat mondelinge overeenstemming daartoe voldoende was.

Grief 1 faalt dus.

3.7.

De tweede grief in het incidenteel hoger beroep van [verweerster] heeft betrekking op de afwijzing van de verzochte wettelijke rente en wettelijke verhoging over de vakantiebijslag en de niet opgenomen vakantiedagen. Deze grief borduurt volledig voort op grief 1 waarmee [verweerster] heeft betoogd dat [appellante] de arbeidsovereenkomst met haar heeft opgezegd. Nu die grief faalt, deelt de tweede grief het lot van grief 1 en hoeft verder niet besproken te worden.

3.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof aan bewijslevering niet toe. De conclusie is dat het incidenteel hoger beroep faalt.

Beoordeling van het principaal hoger beroep

3.9.

Grief 1 in het principaal hoger beroep van [appellante] is gericht tegen het hiervoor in 3.1.2. vermelde deel van de door de kantonrechter vastgestelde feiten. Volgens de grief is hetgeen aldaar als feit is vastgesteld niet onjuist, maar geeft het een bepaalde - onjuiste - indruk. Het hof is van oordeel dat deze feiten niet van belang zijn voor de beoordeling van de in dit hoger beroep bestreden vorderingen van [verweerster] , zodat deze grief verder onbesproken kan blijven.

3.10.

Grief 2 in het principaal hoger beroep van [appellante] is gericht tegen een deel van de door de kantonrechter vastgestelde feiten. Het hof heeft hiervoor vermeld van welke, door de kantonrechter vastgestelde feiten, het hof uitgaat. Daarin is niet de passage begrepen waarop [appellante] doelt. [appellante] heeft daarom geen belang bij deze grief.

3.11.

Volgens grief 4 in het principaal hoger beroep van [appellante] is de kantonrechter buiten de rechtsstrijd getreden door te overwegen dat er in deze procedure vanuit moet worden gegaan dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat. Het hof verwerpt deze grief. De kantonrechter moest een oordeel geven over de vraag of de arbeidsovereenkomst al dan niet nog bestond, omdat [verweerster] aanspraak maakte op de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over vakantiebijslag en niet opgenomen vakantiedagen. De vraag of die vordering toewijsbaar was, was afhankelijk van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Het hof is dus van oordeel dat de kantonrechter binnen de rechtsstrijd is gebleven. In zoverre faalt grief 4.

3.12.

In de toelichting op deze grief is [appellante] nader ingegaan op de vraag of de arbeidsovereenkomst al dan niet is geëindigd per 31 december 2018. Volgens [appellante] is dat het geval, omdat daarover volgens haar mondeling wilsovereenstemming is bereikt en omdat uit schriftelijke stukken blijkt van instemming daarmee van [verweerster] , zodat is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:670b BW. Het hof kan [appellante] daarin niet volgen omdat [verweerster] heeft betwist dat een beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen. Het standpunt van [verweerster] dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, was ingegeven door het (onjuiste) standpunt dat de arbeidsovereenkomst was opgezegd. Die onjuiste veronderstelling van [verweerster] maakt niet dat er een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 7:670b BW. Voor zover [appellante] heeft bedoeld aan te voeren dat uit de in eerste aanleg namens [verweerster] voorgedragen pleitnotities blijkt dat [verweerster] heeft ingestemd met een beëindiging met wederzijds goedvinden en dat met die pleitnotities is voldaan aan de schriftelijkheidseis, verwerpt het hof ook dat betoog. De passage in die notities over “een optie wanneer [appellante] zou persisteren bij de beëindiging”, is uit zijn verband getrokken. Ook in dit opzicht faalt grief 4.

3.13.

Grief 3 in het principaal hoger beroep van [appellante] heeft betrekking op de vraag of [appellante] loon en wettelijke verhoging verschuldigd is over de maand december 2018. Volgens [appellante] heeft de grief ook betrekking op de wettelijke verhoging over de vakantietoeslag, maar dat berust op een vergissing. De kantonrechter heeft immers de vordering van [verweerster] om wettelijke verhoging toe te kennen over de vakantietoeslag, afgewezen.

3.14.

Tussen partijen staat vast dat [verweerster] zich op 20 november 2018 heeft ziek gemeld. Volgens [appellante] heeft [verweerster] geen recht op loon, omdat uit de rapportage van het UWV volgt dat [verweerster] niet ziek was in de zin van artikel 7:629 BW. Het hof verwerpt dat verweer. Uit de rapportage van het UWV van 24 januari 2019 en de brief van het UWV van 30 januari 2019 blijkt dat de verzekeringsgeneeskundige van oordeel was dat sprake was van arbeidsgerelateerde arbeidsongeschiktheid en dat [verweerster] sinds 20 november 2018 doorlopend tot en met de datum van de rapportage arbeidsongeschikt was. Waarom het hof anders zou moeten oordelen over de arbeidsongeschiktheid dan het UWV, heeft [appellante] niet, althans onvoldoende, toegelicht. [appellante] heeft niet, althans onvoldoende, geconcretiseerd waarom het oordeel van het UWV onjuist is.

3.15.

[appellante] heeft ook nog een beroep gedaan op de onderdelen b en sub d van artikel 7:629 lid 3 BW. Daartoe heeft [appellante] aangevoerd dat [verweerster] overleg en contact heeft geweigerd en dat zij niet heeft meegewerkt aan een oplossing van het door [verweerster] gestelde arbeidsconflict. Verder heeft [appellante] verwezen naar een passage in het rapport van het UWV van 24 januari 2019 waarin wordt vermeld dat indien er passend werk wordt aangeboden, de arbeidsongeschiktheid niet lang hoeft te duren.

Het hof verwerpt deze argumenten van [appellante] . [appellante] heeft in de voor de beoordeling van het hoger beroep relevante periode geen passende arbeid aangeboden en geen voorschriften gesteld of maatregelen genomen die erop gericht waren [verweerster] in staat te stellen passende arbeid te verrichten, maar zich juist op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigde. Er is dus geen sprake geweest van een schending door [verweerster] van re-integratievoorschriften of van een weigering om passende arbeid te verrichten. Dat [verweerster] in de betreffende periode haar genezing zou hebben belemmerd of vertraagd heeft [appellante] op geen enkele manier onderbouwd. Dat [verweerster] niet wenste in te stemmen met de door [appellante] nagestreefde beëindigingsovereenkomst, betekent niet dat zij haar genezing heeft belemmerd of vertraagd. Van een schending door [verweerster] van haar verplichtingen op grond van artikel 7:629 lid 3 BW is dus geen sprake geweest.

3.16.

Het hof is dus van oordeel dat [verweerster] recht heeft op loon op grond van artikel 7:629 BW. In zoverre faalt grief 3. In haar toelichting op grief 4 heeft [appellante] nog aangevoerd dat haar zuimverzekeraar de loonaanspraak van [verweerster] vanaf 1 januari 2019 niet meer wil vergoeden. Los van de vraag waarom dat voor risico van [verweerster] zou moeten komen, constateert het hof dat het in deze procedure slechts gaat over het loon over de maand december 2018. [appellante] heeft dus geen belang bij de beoordeling van haar verweer dat zij schade lijdt. Evenmin heeft [appellante] belang bij een beoordeling van haar in dat verband gedane beroep op rechtsverwerking. In zoverre behoeft grief 4 geen bespreking.

3.17.

De kantonrechter is ervan uitgegaan dat [appellante] het loon over de maand december 2018 pas op 6 februari 2019 heeft voldaan. [appellante] heeft daar geen grief tegen gericht (en [verweerster] evemin). Het loon over de maand december 2018 is op 1 januari 2019 (onbetwist) opeisbaar geworden. Nu het hof van oordeel is dat [appellante] loon verschuldigd was aan [verweerster] , terwijl [appellante] het loon pas in februari 2019 heeft voldaan, is [appellante] de wettelijke verhoging verschuldigd geworden. Hierna zal het hof ingaan op de hoogte van het loon en op de hoogte van de wettelijke verhoging.

3.18.

Met grief 5 in het principaal hoger beroep betoogt [appellante] dat zij over de maand december 2018 geen 100%, maar slechts 70% loon verschuldigd was. [appellante] verwijst daartoe naar het bepaalde in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst. Daarin is, kort gezegd, bepaald dat [appellante] 100% loon zal doorbetalen bij arbeidsongeschiktheid en 70% bij situatieve arbeidsongeschiktheid en in overige gevallen waarin de afgesloten ziekengeldverzekering niet volledig zal blijken uit te keren.

3.19.

Zoals het hof in het voorgaande heeft overwogen, blijkt uit het deskundigenoordeel van het UWV dat [verweerster] arbeidsongeschikt was. Er was dus geen sprake van situatieve arbeidsongeschiktheid. [appellante] heeft niet onderbouwd dat de afgesloten ziekengeldverzekering niet volledig zal uitkeren, zodat het hof daarin geen argument ziet om slechts 70% toewijsbaar te achten. In zoverre faalt grief 5.

3.20.

In de toelichting op grief 5 voert [appellante] ook nog aan dat [verweerster] geen betaling kan verlangen van vakantietoeslag en eindejaarsuitkering zodat daarover ook geen wettelijke verhoging verschuldigd is. Zoals hiervoor ook al is vermeld (in 3.13) heeft de kantonrechter de vakantietoeslag ook niet toegewezen, zodat het hoger beroep van [appellante] niet daarop gericht kan zijn.

3.21.

De grief faalt ook voor zover daarmee wordt geklaagd over de toewijzing van wettelijke verhoging. Volgens de grief is over ten minste 30% te veel wettelijke verhoging toegewezen. Dat is niet juist. Het hof is tot de conclusie gekomen dat [verweerster] recht had op 100% loon, niet op 70% loon. Dat [appellante] is afgegaan op het oordeel van haar arbodienst en dat zij om die reden geen loon heeft betaald, komt in beginsel voor haar risico. Overigens begrijpt het hof niet waarom [appellante] in het geheel geen loon heeft voldaan. [appellante] heeft zelf verwezen naar hetgeen in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst is opgenomen. Daarin is bepaald dat bij situatieve arbeidsongeschiktheid 70% loon moet worden voldaan. [appellante] diende dus in ieder geval 70% van het loon te betalen. Waarom [appellante] in het geheel geen loon heeft betaald, is dus onnavolgbaar. Ook is onnavolgbaar waarom [appellante] de eindejaarsuitkering niet tijdig heeft voldaan. Die was niet afhankelijk van arbeids(on)geschiktheid. Gelet op deze stand van zaken ziet het hof geen aanleiding tot matiging van de wettelijke verhoging.

3.22.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof aan bewijslevering niet toe. De conclusie is dat ook het principaal hoger beroep faalt.

Slotsom

3.23.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Het hof ziet in het falen van zowel het principaal hoger beroep als het incidenteel hoger beroep aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in het principaal en in het incidenteel hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. van Ham, P.P.M. Rousseau en D.J.B. de Wolff en is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2019.