Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4096

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-11-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
200.263.558_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing bekort tot 9 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 7 november 2019

Zaaknummer : 200.263.558/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/263110/ JE RK 19-921

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats]

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B.M.A. Jegers,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Limburg, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

Deze zaak heeft betrekking op [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018, verder te noemen [minderjarige] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 7 mei 2019, gegeven onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 juli 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen ten aanzien van het verlenen van de machtiging uithuisplaatsing en te bepalen dat [minderjarige] weer bij de moeder dient te wonen.

2.2.

De raad heeft geen verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij schrijven met bijlage (plan van aanpak) van 28 augustus 2019, ingekomen ter griffie op 29 augustus 2019, heeft de GI bericht over de stand van zaken.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door L.H.G. Pelzer, waarnemend kantoorgenoot van mr. Jegers;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

3 De beoordeling

3.1.

[minderjarige] is op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] geboren uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder met de heer [de vader] . De vader heeft [minderjarige] niet erkend en de moeder heeft het eenhoofdig gezag.

3.2.1.

Bij mondelinge beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 februari 2019 (op schrift gesteld op 12 februari 2019) is [minderjarige] op verzoek van de raad voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden, dus tot 8 mei 2019, en is het verzoek tot uithuisplaatsing zonder voorafgaand verhoor afgewezen en iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van het verhoor van de belanghebbenden.

3.2.2.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 18 februari 2019, op schrift gesteld op 27 februari 2019, heeft de kinderrechter het verzoek tot uithuisplaatsing afgewezen.

3.2.3.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 maart 2019, op schrift gesteld op 27 maart 2019, is zonder voorafgaand verhoor het verzoek van de GI tot een spoedmachtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van 4 weken tot 23 april 2019 en iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van het verhoor van de belanghebbenden.

3.2.4.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 18 april 2019 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI tot een machtiging uithuisplaatsing afgewezen.

3.3.

Bij de bestreden beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 7 mei 2019 heeft de kinderrechter op verzoek van de raad [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 8 mei 2019 tot 8 mei 2020, en een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin verleend voor de duur van 12 maanden, van 8 mei 2019 tot 8 mei 2020.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing voor wat betreft de uithuisplaatsing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter terechtzitting, - kort samengevat – het volgende aan.

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de moeder ambivalent is in het toelaten van hulpverlening, dat het niet is gelukt een stabiel en betrouwbaar opvoedingsklimaat voor [minderjarige] te scheppen en dat de emotionele basisveiligheid voor [minderjarige] niet is gegarandeerd.

De moeder wijst erop dat er twee kinderrechters hebben geoordeeld dat uithuisplaatsing niet in het belang van [minderjarige] is. De moeder had het gevoel dat ze eindelijk verder kon met haar leven. Zij is verder gegaan met hulpverlening van [naam 1] , met haar therapie bij [naam 2] en met ambulante woonbegeleiding van [naam 3] .

Desondanks heeft de raad op 12 april 2019, nota bene drie dagen voordat de tweede kinderrechter het verzoek van de GI afwees nogmaals een verzoek ingediend gericht op uithuisplaatsing. De rechter is ten onrechte voorbij gegaan aan de twee eerdere afwijzingen.

De veiligheid van [minderjarige] is nooit concreet in gevaar geweest. De moeder is eventueel bereid tot een 24-uursopname en accepteert alle hulp. De huidige bezoekregeling loopt goed en wordt uitgebreid.

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat het ondersteunende netwerk van de moeder uit wisselende, min of meer toevallige personen uit de omgeving van de moeder bestaat en niet stabiel en betrouwbaar is. De moeder wijst op de overwegingen in de twee eerdere beschikkingen, waarin aangegeven is dat de moeder beschikt over een netwerk waarop zij op ieder moment een beroep kan doen en waarvan altijd binnen tien minuten iemand aanwezig is. Het netwerk is dus wel stabiel en betrouwbaar. Er zijn problemen geweest met de moeder van de ex-partner, maar deze maakt geen deel meer uit van het netwerk. De moeder heeft een nieuwe partner en ook haar moeder en haar zus ondersteunen haar. Het is niet waar dat de moeder zich niet prettig voelt in haar woning in [woonplaats] ; dat is nu alleen zo omdat [minderjarige] er niet is en daarom is de moeder momenteel vaak bij haar partner.

De moeder heeft geen paniekaanvallen meer; dat is iets uit het verleden dat erg wordt opgeblazen.

3.6.

De GI voert in de brief van 28 augustus 2019, zoals aangevuld ter terechtzitting, aan dat er vanaf 8 mei 2019 een regeling is opgesteld van éénmaal per week één uur contact bij de moeder thuis onder begeleiding van [naam 1] ; vanaf 17 juni is dat, omdat het goed ging, uitgebreid naar tweemaal per week één uur, vanaf 22 juli is dat, omdat het goed ging, nogmaals uitgebreid naar tweemaal per week vier uur, met begeleiding gedurende het eerste uur en het laatste half uur.

In het plan van aanpak worden zorgen benoemd maar wordt ook gesteld dat de moeder graag wil laten zien dat ze zelfstandig voor [minderjarige] kan zorgen en dat ze ervoor open staat om ondersteuning te krijgen in de opvoeding en verzorging van hem.

Sinds 2 september 2019 is het echter om diverse redenen (onder meer ziekte van [minderjarige] , ziekte van de moeder, afspraak van de moeder bij de Gemeentelijke Sociale Dienst, vakantie van de pleegmoeder) van de veertien keer negen maal voorgekomen dat de contactmomenten geen doorgang hebben gevonden. Op 11 november 2019 is een evaluatie gepland. De GI wil naar een stabiele omgang toewerken en van daaruit bekijken of thuisplaatsing tot de mogelijkheden behoort. De moeder moet daarvoor aan een aantal voorwaarden voldoen: ze moet zich prettig voelen in haar eigen woning, de woning moet hygiënisch zijn, er moet structuur in haar leven zijn, en de moeder moet opvoedondersteuning hebben.

3.7.

De raad heeft ter terechtzitting aangegeven dat dat het grootste probleem zit in de emotionele instabiliteit van de moeder. Daarin moet eerst balans komen, en die moet structureel zijn, ook wat betreft haar woning in [woonplaats] moet de moeder zich prettig voelen en daar structureel willen verblijven. Verder moet de moeder niet afhankelijk zijn.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.3.

De zorgen over de situatie van [minderjarige] lagen en liggen met name in de stabiliteit van de moeder. De moeder is een 21-jarige vrouw met een licht verstandelijke beperking en een zeer belast verleden. Zij woont in een begeleide woonvoorziening. De moeder heeft zelf ter terechtzitting ook aangegeven dat zij hulp nodig heeft bij het reguleren van haar emoties en nog bezig is met het zoeken naar de juiste therapie.

Haar persoonlijke problematiek maakt dat er in de sociale contacten van de moeder en in haar relaties sprake is van zodanig veelvuldige wisselingen dat nog zeker gesteld kan worden dat de moeder haar leven niet optimaal op de rit heeft.

De in het rapport van de raad geformuleerde doelen zien op een veilige en stabiele opvoedingssituatie voor [minderjarige] , waarbij het van belang is dat de moeder haar persoonlijke problemen dusdanig heeft opgelost dat zij stabiel en daarmee berekenbaar en emotioneel beschikbaar is voor [minderjarige] .

3.8.4.

Gelet op het voorgaande, en mede gelet op de het rapport van de raad van 9 april 2019, is het hof van oordeel dat de noodzaak tot uithuisplaatsing ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig was en ook nu nog aanwezig is.

3.8.5.

Ter zitting heeft de GI aangegeven naar een stabiele omgang toe te werken en van daaruit te bekijken of thuisplaatsing van [minderjarige] tot de mogelijkheden behoort. De moeder moet daarvoor volgens de GI aan een aantal voorwaarden voldoen, waarbij blijkens het OTS-plan van 26 augustus 2019 samenwerking met de moeder vooralsnog mogelijk lijkt. Gelet op vorenstaande, in aanmerking genomen de (jonge) leeftijd van [minderjarige] en de bereidheid van de moeder om aan zich zelf te werken ziet het hof reden om de machtiging tot uithuisplaatsing tot 9 maanden te bekorten en niet tot 8 mei 2020 te laten gelden. Het hof gaat ervan uit dat in de periode tot 8 februari 2020 de nodige duidelijkheid kan worden gekregen over de mogelijkheden tot thuisplaatsing.

3.8.6.

Het hof zal dan ook beslissen als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 7 mei 2019 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en voor zover deze ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing na 8 februari 2020;

bekrachtigt de beschikking voor het overige;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, C.D.M. Lamers en M.L.F.J. Schyns, en is op 7 november 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.