Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4091

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-11-2019
Datum publicatie
13-11-2019
Zaaknummer
200.256.840_01 en 200.256.843_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Behoeftevaststelling en draagkrachtberekening.

Verdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.256.840/01 en 200.256.843/01

zaaknummer rechtbank : C/01/330638 / FA RK 18-611

beschikking van de meervoudige kamer van 7 november 2019

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.J.M. van Asten te ’s-Hertogenbosch,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.P. van Empel-Bouman te ’s-Hertogenbsoch.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant (’s-Hertogenbosch) van 18 december 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 18 maart 2019 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking.

2.2.

De man heeft op 15 mei 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 10 mei 2019 met bijlagen, ingekomen op 15 mei 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 19 augustus 2019 met bijlagen, ingekomen op 20 augustus 2019;

- een brief van de zijde van de man van 2 september 2019 met bijlagen, ingekomen op 3 september 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 6 september 2019, ingekomen op 6 september 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 9 september 2019, ingekomen op 9 september 2019;

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 17 september 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.5.

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen een V6 formulier met bijlage van mr. Van Asten, datum indiening 9 oktober 2019 en de reactie van mr. Van Empel-Bouman bij brief van 10 oktober 2019, ingekomen op 11 oktober 2019.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Bij de bestreden beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 22 januari 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het verzoek van de vrouw ter zake partneralimentatie afgewezen en is de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap gelast overeenkomstig de overeenstemming van partijen.

4.2.

De grieven van de vrouw zien op:

- de partneralimentatie (grief I);

- de verdeling (grief II).

De vrouw verzoekt in hoger beroep, na aanvulling van haar verzoek, de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt: voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage en voor over daarbij de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap is gelast), en opnieuw rechtdoende:

Primair:

- de man te veroordelen tot betaling van een onderhoudsbijdrage aan de vrouw van € 235,- per maand bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers;

- de man te bevelen om zijn financiële bescheiden over de periode van 5 oktober 2017 tot 5 februari 2018, te weten de bankafschriften van alle bankrekeningen van de man, daar onder begrepen de op naam van de man gestelde spaarrekeningen, in dit geding over te leggen;

- de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen te gelasten, met dien verstande dat de verdeling van de gemeenschap tussen partijen is overeengekomen en zoals in de aangevallen beschikking door de rechtbank is vastgesteld te bevestigen onder de aanvullende bepaling dat aan de vrouw de helft van het nog nader vast te stellen saldo op de bankrekening op naam van de man met rekeningnummer: [rekeningnummer 1] per peildatum, 1 november 2017, toe komt en voorts dat aan de vrouw de helft van de nog nader vast te stellen saldi van alle andere bankrekeningen op naam van de man per peildatum, 1 november 2017, toe komt en voorts onder de bepaling dat aan de man de helft van de saldi op de bankrekeningen op naam van de vrouw toe komt, dan wel een andere wijze van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen te gelasten zoals het hof juist acht;

- te bepalen dat de man de schade, zo de in artikel 1:164 BW vermelde handelingen van de man voldoende vast komen staan, aan de huwelijksgemeenschap zal dienen te vergoeden en de man daartoe te veroordelen;

Subsidiair:

- indien de man weigerachtig blijft de bescheiden als vermeld onder punt 11 van het aanvullend appelschrift in het geding te brengen, de man te veroordelen een bedrag van € 40.000,- aan de gemeenschap te vergoeden;

- de verdeling van de banksaldi van partijen vast te stellen per de datum die door de vrouw is verzocht, als ware de saldi per de in aanmerking te nemen peildatum vermeerderd met een bedrag van € 40.000,-.

5 De motivering van de beslissing

Verdeling (grief II)

5.1.

Bij brief van 9 oktober 2019 heeft mr. Van Asten het hof bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de bankrekeningen van partijen, en verzocht deze overeenstemming op te nemen in de door het hof te geven beschikking. De vrouw trekt de overige verzoeken in hoger beroep die betrekking hebben op de verdeling van de huwelijksgemeenschap in, voor zover die verzoeken afwijken van de verdeling die door de rechtbank in de beschikking van 18 december 2018 is vastgesteld.

Bij brief van 10 oktober 2019, ingekomen op 11 oktober 2019, heeft mr. Van Empel-Bouman dit bevestigd.

5.1.1.

Partijen zijn het volgende overeengekomen.

Als peildatum voor de omvang en de waardering van de te verdelen banksaldi op de bankrekeningen van partijen heeft te gelden 5 februari 2018.

De tot de huwelijksgemeenschap van partijen behorende bankrekeningen en de saldi daarvan op de peildatum 5 februari 2018 dienen te worden toegedeeld aan de partij op wiens naam de betreffende bankrekeningen zijn gesteld, onder gelijktijdige verdeling van de hierna te vermelden saldi.

De bankrekeningen op naam van de man:

- betaalrekening [rekeningnummer 1] , saldo € 2.853,99

- Oranje spaarrekening [spaarrekening] , saldo € 22.510,17.

De bankrekeningen op naam van de vrouw:

- betaalrekening [rekeningnummer 2] , saldo € 693,28

- Oranje spaarrekening, diverse, saldo € 5.121,77.

De man is uit hoofde van de verdeling van de banksaldi van partijen aan de vrouw een bedrag verschuldigd van € 9.774,55.

Na betaling van dit bedrag en met inachtneming van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 december 2018 met zaaknummer C/01/330638/ FA RK 18-611 inzake de verdeling, hebben partijen ter zake van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap over en weer niets meer van elkaar te vorderen.

5.1.2.

Gelet op het feit dat de vrouw haar overige verzoeken ten aanzien van de verdeling heeft ingetrokken, behoeft het bezwaar van de advocaat van de man tegen het aanvullend verzoek van de vrouw geen bespreking meer.

Partneralimentatie (grief I)

Ingangsdatum

5.2.

De door de vrouw verzochte ingangsdatum, te weten de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (22 januari 2019) is in zoverre tussen partijen niet in geschil, zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.

Behoefte van de vrouw

5.3.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw heeft nagelaten te stellen en onderbouwen wat haar (aanvullende) behoefte is, zodat de rechtbank niet in staat is te beoordelen of, en zo ja tot welk bedrag en de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

Tegen dit oordeel richt zich de eerste grief van de vrouw.

Huwelijksgerelateerde behoefte

5.3.1.

Het hof oordeelt als volgt.
Partijen zijn het er over eens dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vastgesteld kan worden met behulp van de Hofnorm, uitgaande van het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2017. Partijen hebben beiden berekeningen overgelegd op basis van deze uitgangspunten, waarbij de vrouw uitkomt op een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 2.339,55 met een bijbehorende huwelijksgerelateerde behoefte van € 1.403,73 netto per maand en de man op een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 2.257,- en een bijbehorende huwelijksgerelateerde behoefte van € 1.294,- netto per maand.

De reden dat partijen, uitgaande van dezelfde inkomensgegevens, op andere resultaten uitkomen is gelegen in het feit dat de vrouw heeft gerekend met netto inkomsten van ieder van partijen en de man is uitgegaan van bruto inkomsten van ieder van hen, die hij heeft doorgerekend naar netto besteedbare inkomens.

Het hof becijfert de huwelijksgerelateerde behoefte door aan de hand van de bruto inkomsten van partijen, het netto besteedbaar gezinsinkomen te berekenen. Het hof zal derhalve de berekening van de man als uitgangspunt nemen en uitgaan van een huwelijksgerelateerde behoefte van € 1.294,- netto per maand. Rekening houdend met de verhoging analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte met ingang van 1 januari 2019 € 1.339,68 netto per maand.

Aanvullende behoefte

5.3.2.

Het inkomen van de vrouw bestaat uit een AOW-uitkering en een Duits pensioen. Met ingang van 1 juli 2019 stijgt het inkomen uit AOW en Duits pensioen licht. Met ingang van 1 september 2019 ontvangt de vrouw uit hoofde van pensioenverevening een deel van het pensioen van de man. Gelet op het feit dat het slechts om een beperkte inkomensstijging gaat en gelet op de relatief korte periode tussen deze stijging en de datum dat de pensioenverevening ingaat, zal het hof uit praktische overwegingen rekenen met twee periodes, te weten de periode 22 januari 2019 tot 1 september 2019 en de periode met ingang van 1 september 2019.

22 januari 2019 – 1 september 2019

5.3.3.

Blijkens de als productie 6 bij journaalbericht van 6 september 2019 overgelegde specificaties ontvangt de vrouw een AOW-uitkering van € 559,28 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld, en een Duits pensioen van € 572,09 bruto per maand. Rekening houdend met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, de algemene heffingskorting de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting, levert dit een netto besteedbaar inkomen op van € 1.111,- per maand.

De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt derhalve (€ 1.339,68 -/- € 1.111,- =)

€ 228,68 netto per maand. De vrouw heeft hiermee behoefte aan een bijdrage van € 242,- bruto per maand.

Met ingang van 1 september 2019

5.3.4.

Blijkens de als productie 6 bij journaalbericht van 6 september 2019 overgelegde specificaties ontvangt de vrouw een AOW-uitkering van € 564,99 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld, een Duits pensioen van € 590,31 bruto per maand en een deel van het pensioen van de man van € 139,05 bruto per maand. Rekening houdend met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, de algemene heffingskorting de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting, levert dit een netto besteedbaar inkomen op van € 1.265,- per maand.

De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt derhalve (€ 1.339,68 -/- € 1.265,- =)

€ 74,68 netto per maand. De vrouw heeft hiermee behoefte aan een bijdrage van € 79,- bruto per maand.

Draagkracht van de man

22 januari 2019 – 1 september 2019

5.4.

De man heeft blijkens productie 5 en 6 bij verweerschrift inkomen uit AOW-uitkering van € 1.215,81 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en inkomen uit ABP-pensioen van € 1.018,92 bruto per maand. Het hof houdt rekening met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, de algemene heffingskorting de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting.

Met ingang van 1 september 2019

5.4.1.

Evenals bij de vrouw zal het hof met ingang van 1 september 2019 rekening houden met de verhoging van de AOW-uitkering (per 1 juli 2019 heeft de man recht op een AOW-uitkering van € 1.228,22 bruto per maand).

Met ingang van 1 september 2019 wordt het ABP-pensioen van de man verminderd met het bedrag waarop de vrouw in het kader van de pensioenverevening recht heeft, te weten een bedrag van € 139,05 bruto per maand, zodat voor de man resteert een bedrag van € 879,87 bruto per maand. Het hof houdt rekening met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, de algemene heffingskorting de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting.

Lasten

5.4.2.

Het hof houdt rekening met de op de man toepasselijke bijstandsnorm, een huur van € 695,33 per maand in de periode 22 januari 2019 tot 1 september 2019 en € 705,90 per maand met ingang van 1 september 2019, en basispremie ziektekosten van € 109,- per maand, een aanvullende premie van € 53 per maand en een verplicht eigen risico € 32,- per maand.

De huur van de man is verhoogd met ingang van 1 augustus 2019. Omdat het hof uit praktisch oogpunt rekent met in de periodes 22 januari 2019 tot 1 september 2019 en met ingang van 1 september 2019 (zie rov.5.3.2.) zal het hof met deze huurverhoging rekening houden met ingang van 1 september 2019.

Het hof houdt, anders dan de vrouw, geen rekening met een korting wegens onredelijke woonlast nu de man ter zitting onbetwist heeft gesteld dat er bij het aangaan van de huurovereenkomst in 2017 is gekeken naar het toetsingsinkomen 2016, terwijl de man in 2017 met pensioen is gegaan waardoor zijn inkomen lager is geworden. De man kwam hierdoor niet in aanmerking voor een huurwoning met een lagere huur.

Volgens berekening van het hof heeft de man in de eerste periode recht op € 33,- zorgtoeslag en in de tweede periode recht op € 37,- zorgtoeslag, zodat het hof hiermee rekening zal houden.

5.4.3.

Uit het voorgaande volgt voor de periode 22 januari 2019 tot 1 september 2019 een draagkrachtruimte van € 260,-, waarvan 60% beschikbaar is voor partneralimentatie, te weten € 156,- per maand. De man heeft hiermee draagkracht om een bruto bijdrage te voldoen in het levensonderhoud van de vrouw van € 195,- per maand.

Met ingang van 1 september 2019 volgt uit het voorgaande een draagkrachtruimte van € 176,-, waarvan 60% beschikbaar is voor partneralimentatie, te weten € 106,- per maand. De man heeft hiermee draagkracht om een bruto bijdrage te voldoen in het levensonderhoud van de vrouw van € 132,- per maand. De vrouw heeft een aanvullende behoefte van € 79,- bruto per maand, zodat het hof een door de man te betalen bijdrage van € 79,- zal opleggen.

6 De slotsom

in het hoger beroep

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn.

6.3.

Het hof heeft berekeningen van de aanvullende behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 december 2018 voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen:

- met ingang van 22 januari 2019 tot 1 september 2019 € 195,- per maand;

- met ingang van 1 september 2019 € 79,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de bankrekeningen op de peildatum zullen zijn toegedeeld aan de partij op wiens naam de betreffende bankrekeningen zijn gesteld;

veroordeelt de man om uit hoofde van overbedeling een bedrag van € 9.774,55 aan de vrouw te betalen binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen L.Th.L.G. Pellis en M.I. Peereboom-Van Drunick, bijgestaan door mr. E. Verbaarschot-Richie als griffier, en is op 7 november 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.