Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:409

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
200.243.640_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:2150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Overlijden procespartij, geen schorsing van de procedure;

Spoedeisend belang;

Afwikkeling VOF

Partiële verdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/40
NJF 2019/238
JONDR 2019/295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.243.640/01

arrest van 5 februari 2019

in de zaak van

[appellante] ,

overleden op 27 november 2018 en voordien wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. A.J.G. Bisscheroux te Kerkrade,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R.L.G.J. Eikelboom te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 30 mei 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 3 mei 2018, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie en eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/248383/KG ZA 18-189)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de akte in principaal appel en memorie van antwoord in incidenteel appel en verzoek tot het bepalen van een comparitie van partijen; na het nemen van deze memorie heeft appellante op 20 november 2018 (alsnog) om arrest gevraagd.

  • -

    een H16-formulier d.d. 7 januari 2019 van de zijde van de advocaat van [geïntimeerde] betreffende het overlijden van [appellante] op 27 november 2018;

  • -

    een H16-formulier d.d. 8 januari 2019 van de zijde van de advocaat van [appellante] .

Op 11 december 2018 is namens appellante gefourneerd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Partijen zijn op 19 augustus 1982 met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

3.1.2.

Medio 2017 heeft [appellante] de echtelijke woning aan de [adres 1] te [woonplaats] (kadastraal bekend gemeente Amby-Maastricht, sectie [sectieletter] nummers [sectienummer 1] en [sectienummer 2] , resp. groot 12 aren en 81 centiaren en twee aren en 50 centiaren (hierna te noemen: de woning) verlaten. Zij is bij haar ouders ingetrokken aan de [adres 2] te [woonplaats] . Op 22 juni 2017 is haar verzoek tot echtscheiding d.d. 13 juni 2017, door de rechtbank ontvangen.

3.1.3.

Bij beschikking van 6 maart 2018 (zaaknummer C/03/237205 / FA RK 17-2416) heeft de rechtbank de echtscheiding van partijen uitgesproken. Daarbij heeft de rechtbank het door de vrouw – kort gezegd – verzochte “bevel verdeling” ten overstaan van een notaris en met benoeming van onzijdige personen, toegewezen. De rechtbank overwoog daartoe als volgt:

Verdeling

De vrouw heeft verzocht de verdeling te bevelen van de tussen de partijen bestaande gemeenschap, ten overstaan van een notaris en met benoeming van onzijdige personen. Ter zitting heeft de vrouw aanvullend verzocht de beslissing op het verzoek om verdeling, aan te houden nu partijen hierover in overleg zijn. Inmiddels hebben partijen in onderling overleg ook al enkele afspraken gemaakt.

De man heeft verzocht het verzochte bevel tot verdeling toe te wijzen. De man voert verweer tegen de verzochte aanhouding omdat hij tot afronding wil komen, en heeft toegezegd het reeds opgestarte overleg te zullen voortzetten.

De rechtbank zal het gevraagde bevel geven, nu is gebleken dat partijen beiden wensen tot verdeling over te gaan en hebben toegezegd zich te zullen inspannen om dit zo snel mogelijk te kunnen afronden. De rechtbank ziet geen aanleiding de beslissing aan te houden, omdat geen concreet voorstel tot vaststelling van (de wijze) van de verdeling voorligt. Partijen hebben ter zitting laten weten ter afwikkeling van de VOF en de verdeling reeds de navolgende afspraken te hebben gemaakt:

- de vrouw krijgt eenmalig toegang tot de panden – bedrijfsruimten en woning – om te inventariseren wat tot de boedel van de VOF en de gemeenschap behoort, en om persoonlijke spullen alsmede de door de man gerestaureerde Peugeot van de vader van de vrouw op te halen, een en ander in het bijzijn van dhr. Geert Postma; de vrouw maakt hiertoe een week van tevoren een afspraak met de man;

- de man wijst binnen drie weken een voertuig aan dat zal worden verkocht; de opbrengst zal bij helfte worden verdeeld tussen partijen;

- over drie weken berichten partijen elkaar welke personen kunnen worden aangewezen om de auto’s te verkopen; Ieder der partijen wijst hiertoe twee personen aan; de advocaten van partijen zullen uit deze vier personen, een of twee personen kiezen die de verkoop gaan begeleiden;

- de man zegt toe onverwijld het taxatierapport van de auto’s dat hij thans in bezit heeft aan de vrouw ter hand te stellen;

- de vrouw zegt toe onverwijld inzage te geven in de stukken betreffende de door haar ontvangen erfenis en de woning;

- partijen zeggen toe elkaar alle stukken te verstrekken die nodig zijn om tot een afwikkeling van de VOF te komen per 1 januari 2018;

- partijen voeren overleg over de overname van bedrijfsgoederen en de marktwaarde hiervan, om door de man in een eenmanszaak verder te gebruiken;

- de man zal zich uitlaten over het voorstel van de vrouw om het wagenpark toebedeeld te krijgen voor een taxatiewaarde van € 220.000,-.

- partijen zullen buiten rechte binnen drie weken een standpunt innemen ten aanzien van de volgende twee afspraken, en elkaar laten weten of ze hiermee akkoord gaan:

o partijen zullen elkaar inzage geven in hun opnamen van de bankrekeningen van partijen, waarbij opnamen tot een totaal bedrag tot € 1.000,- per maand zijn vrijgesteld van verrekening; opnamen die dit bedrag overschrijden zullen worden verantwoord en, indien de betreffende opnamen geen huishoudelijke of zakelijke uitgave betreffen, worden verrekend;

o partijen zullen het kluisgeld/de contante gelden voor een nader te bepalen bedrag in de verdeling betrekken.”

3.1.3.

De echtscheidingsbeschikking is op 27 maart 2018 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3.1.4.

Partijen hebben besloten om de vennootschap onder firma “ [de V.O.F.] ” (hierna: de VOF) die zij samen hebben gedreven, per 1 juni 2018 te ontbinden.

3.1.5.

De VOF is op 11 juni 2018 uitgeschreven uit het handelsregister. Op 11 juni 2018 is in het handelsregister geregistreerd dat de onderneming met ingang van 1 juni 2018 is voortgezet door de eenmanszaak van [geïntimeerde] , genaamd “ [de eenmanszaak] ” (hierna: de eenmanszaak).

3.1.6.

Op 27 november 2018 is [appellante] overleden. De advocaat van [appellante] heeft geen beroep gedaan op schorsing van het geding ingevolge art. 225 Rv.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde [appellante] in conventie (na vermeerdering van eis), samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat:

1. [geïntimeerde] beveelt om binnen een week na betekening van het ten deze gewezen vonnis:

A. (…)

B. v.w.b. de aanwijzing en verkoop van één auto t.b.v. opheffing financiële nood (op korte termijn)

  • -

    aan haar af te geven voor de verkoop en overdracht van één van de twee Ferrari’s op korte termijn, behorend tot de genoemde bedrijfsvoorraad, althans een door de voorzieningenrechter aangewezen voertuig en aan haar en medewerkers van [auctions] voornoemd daartoe ongehinderde toegang te verschaffen tot het terrein van de woning;

  • -

    m.d.v. dat de opbrengst – na aftrek van kosten i.v.m. de verkoop – bij helfte wordt verdeeld tussen partijen;

C. v.w.b. de medewerking aan verkoop auto-voorraad (op langere termijn)

  • -

    aan haar af te geven voor de verkoop en overdracht de overige roerende zaken, behorend tot de genoemde bedrijfsvoorraad en aan haar en medewerkers van [auctions] voornoemd daartoe ongehinderde toegang te verschaffen tot het terrein van de woning;

  • -

    m.d.v. dat de opbrengst – na aftrek van de kosten i.v.m. de verkoop – bij helfte wordt verdeeld tussen partijen;

D. v.w.b. de medewerking aan verkoop van de woning

- de verkoop van de woning zulks met hulp c.q. ondersteuning van een door de voorzieningenrechter aangewezen NVM-makelaar;

  • -

    (bevel tot) ontruiming van het pand binnen drie maanden na betekening van ten deze gewezen vonnis voor zover het betreft de woning;

  • -

    m.d.v. dat de opbrengst – na aftrek van de op dat registergoed rustende hypotheekschuld aan de Rabobank en de verkoopkosten – bij helfte wordt verdeeld tussen partijen;

E. v.w.b. de openheid van zaken, verantwoording en afrekening

  1. de afgifte aan haar van de gevraagde bankafschriften betreffende de ten name van [geïntimeerde] bij de BNP Paris Bas Fortis Bank aangehouden bankrekening(en) over de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 april 2018;

  2. aan haar, zoveel mogelijk door middel van verificatoire bescheiden, rekening en verantwoording af te leggen, althans schriftelijk uitleg te geven, over de besteding van ten laste van die rekening(en) opgenomen of overgeboekte gelden boven een bedrag van € 1.000,-;

2. (…)

3. voor het geval [geïntimeerde] niet binnen een week na betekening van het ten deze gewezen vonnis uitvoering geeft aan de veroordelingen te bepalen dat hij een dwangsom verbeurt van € 1.000,- per dag dat hij in strijd handelt met het gewezen vonnis en zodra hij € 15.000,- heeft verbeurd:

  1. an [appellante] machtiging verleent om datgene te bewerken, waartoe nakoming van die veroordeling(en) feitelijk zou hebben geleid en hetgeen in strijd met die verplichting(en) is verricht, teniet te doen met de bepaling dat de kosten, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de machtiging ten laste komen van [geïntimeerde] ; zulks op vertoon van de betreffende bescheiden, waaruit die kosten kunnen worden afgeleid;

  2. bepaalt dat, in zoverre [geïntimeerde] jegens [appellante] is gehouden een rechtshandeling te verrichten ter voldoening aan de ten deze gewezen uitspraak, de ten deze gewezen uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [geïntimeerde] , althans een door de voorzieningenrechter aangewezen vertegenwoordiger die handeling zal verrichten;

  3. bepaalt dat in zoverre [geïntimeerde] is gehouden om tezamen met [appellante] een akte op te maken, de ten deze gewezen uitspraak in de plaats van de akte of een deel daarvan zal treden;

  4. in zoverre het betreft een uitspraak, waarvan de voorzieningenrechter heeft bepaald dat die in de plaats treedt van een tot levering van de woning bestemde akte of van een deel van een zodanige akte, bepaalt dat de ten deze gewezen uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is en de inschrijving in de openbare registers van die uitspraak pas kan plaatsvinden nadat die uitspraak is betekend aan [geïntimeerde] en een termijn van zeven dagen sedert de betekening van de uitspraak is verstreken.

met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure en begroting van de nakosten volgens de wet voor het geval voldoening van die kosten niet binnen 14 dagen na dagtekening van het ten deze gewezen vonnis heeft plaatsgevonden.

3.2.2.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft een vordering in reconventie ingediend. Hij heeft, kort weergegeven, gevorderd dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat:

  1. indien en voor zover de voorzieningenrechter zich bevoegd acht om inhoudelijk te oordelen over de vorderingen in conventie van [appellante] , bij vonnis de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen voor één jaar uit te sluiten ex artikel 3:178 lid 3 BW vanaf datum van het te wijzen vonnis;

  2. bij vonnis uit te spreken dat, indien en voor zover de verkoop van de woning door de voorzieningenrechter wordt bevolen, uit de opbrengst van de woning eerst aan hem toekomt hetgeen hij vanaf datum indiening echtscheidingsverzoek (22 juni 2017), dan wel vanaf datum inschrijving echtscheiding (27 maart 2018) meer dan zijn aandeel in de hypotheek verbonden aan de woning heeft voldaan, waarna het overige voor verdeling bij gelijke helft in aanmerking komt;

  3. met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure in conventie en reconventie, en begroting van de nakosten volgens de wet voor het geval voldoening van die kosten niet binnen 14 dagen na dagtekening van het ten deze gewezen vonnis heeft plaatsgevonden.

3.2.4.

[geïntimeerde] heeft de vordering in reconventie weersproken. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.5.

De voorzieningenrechter heeft (voor zover in hoger beroep van belang) de verkoop op zo kort mogelijke termijn van de tot de bedrijfsvoorraad van de VOF behorende auto van het merk Alfa Romeo, type GTV6 2.5, door [auctions] tegen een door [auctions] te bepalen reële verkoopprijs bevolen en [geïntimeerde] veroordeeld om aan bedoelde verkoop zijn medewerking te verlenen.

De vordering van [appellante] tot afgifte van de auto’s en het aan haar en [auctions] verschaffen van ongehinderde toegang tot het terrein van de woning strekte naar het oordeel van de voorzieningenrechter te ver en een zo ruime beslissing was gelet op de door partijen gemaakte afspraken in het kort geding niet nodig. Die vordering is afgewezen.

Voor wat betreft de overige vorderingen in conventie overwoog de voorzieningenrechter in rov. 4.3.:

“De overige conventionele vorderingen zien voor het overgrote deel op (het in gang zetten van een) (partiële) verdeling en op het zicht krijgen op de samenstelling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter horen dergelijke vorderingen, behoudens hoge uitzondering, in een bodemprocedure thuis.

De in de echtscheidingsprocedure gemaakte afspraken dateren nog maar van februari 2018. De man wil de woning en het bedrijf voorzetten en hij benodigt tijd om een en ander uit te zoeken, waaronder de vraag of hij de woning en het bedrijf kan overnemen. Enige goede grond voor het via een kort geding procedure als de onderhavige, waarin geen ruimte is voor een uitgebreid feitenonderzoek, de verdeling (al deels) te willen effectueren, is niet gegeven. De voorzieningenrechter begrijpt dat de vrouw –die thans een leenbijstandsuitkering ontvangt- haar financiële nood wil lenigen, maar de man heeft ook een gerechtvaardigd belang bij enige ruimte om in kaart te brengen of hij de zaak en/of woning kan overnemen en, zo nee, te streven naar zo gunstig mogelijke verkoopprijzen van de woning en de auto’s (na restauratie). Bij dit laatste heeft de vrouw op haar beurt ook weer belang. Overigens wordt de financiële positie van de vrouw door de verkoop van de auto zoals hiervoor bij 4.2. overwogen, al enigszins verbeterd.

Bovendien heeft de man in het kader van een te treffen minnelijke regeling -die uiteindelijk niet tot stand is gekomen- verklaard zes maanden nodig te hebben om uit te zoeken of hij de woning en het bedrijf kan overnemen en om, zo begrijpt de voorzieningenrechter, een en ander in kaart te brengen en een concreet voorstel te doen. De voorzieningenrechter acht deze termijn redelijk, waarbij hij onder meer betrekt de verklaring van de vrouw ter zitting dat een termijn van een half jaar voor haar bespreekbaar is. Mede gelet hierop, acht de voorzieningenrechter bij de overige vorderingen in conventie, zo deze al geschikt zijn voor een procedure als de onderhavige, onvoldoende spoedeisend belang aanwezig.

Dat geldt in het bijzonder ook voor de vordering onder E.a. en E.b. die door de man gemotiveerd zijn bestreden mede op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat er geen genoegzame reden is om terzake een noodverband te leggen in dit kort geding.”

Voor toewijzing van de gevorderde dwangsom of andere maatregel bestond naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond meer. Ook die vordering is daarom afgewezen. De proceskosten in conventie zijn gecompenseerd.

Aan de voorwaardelijk ingestelde reconventionele vordering is de voorzieningenrechter, gelet op zijn oordeel in conventie, niet toegekomen en overigens zou hiervoor onvoldoende spoedeisend belang zijn. De proceskosten in reconventie zijn gecompenseerd.

3.3.1.

[appellante] heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot handhaving van haar vorderingen (het hof begrijpt: tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover haar vorderingen zijn afgewezen en tot handhaving van haar vorderingen onder B, C, D en E nu tegen afwijzing van de overige vorderingen geen grieven zijn gericht).

Zij heeft hiertoe vier grieven aangevoerd. De grieven hebben betrekking op:

  • -

    de aanwijzing en verkoop van één auto (vordering B / grief 1);

  • -

    de medewerking aan de verkoop van de autovoorraad en de woning (vorderingen C en D / grief 2);

  • -

    het verschaffen van openheid van zaken, verantwoording en afrekening (vordering D / grief 3);

  • -

    de proceskosten (grief 4).

3.3.2.

[geïntimeerde] heeft de grieven weersproken.

Overlijden appellante

3.4.

Het hof stelt vast dat appellante op 27 november 2018, derhalve voordat de dag waarop is bepaald waarop het arrest zal worden uitgesproken, is overleden. Krachtens het bepaalde in art. 225 Rv vindt geen schorsing van de procedure van rechtswege plaats. Schorsing vindt immers plaats door betekening van de ingeroepen grond voor de schorsing aan de wederpartij dan wel door een daartoe strekkende akte ter rolle. Bij gebreke hiervan wordt op grond van art. 225 lid 2 Rv het geding op naam van de oorspronkelijke partij, in dit geval [appellante] , voortgezet.

In deze zaak is geen sprake van betekening van een ingeroepen schorsingsgrond en evenmin van een daartoe strekkende akte. Bij akte van 8 januari 2019 heeft de advocaat van [appellante] het hof immers het volgende bericht:

“De mededeling van geïntimeerde betreffende het overlijden van appellante staat niet in de weg aan het wijzen van arrest nu:

- aan de kant van appellante bewust niet gebruik is gemaakt van de bevoegdheid om mededeling te doen van de schorsingsgrond conform de wet;

- (…)”.

Het hof stelt gelet op het voorgaande daarom vast dat de procedure wordt voortgezet namens [appellante] en zal daarom arrest wijzen.

Spoedeisend belang

3.5.1.

[geïntimeerde] stelt dat [appellante] geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. [appellante] heeft de beschikking over financiële middelen. Zij bezit een woning ( [adres 2] te [woonplaats] ) die vrij van hypotheek is en niet in de huwelijksgemeenschap valt, heeft de beschikking over een voor de echtscheiding door haar aan de gemeenschap onttrokken bedrag van € 12.500,--, een als voorschot (in leen) ontvangen van [geïntimeerde] op de eventuele vergoeding van haar kapitaalspositie in de VOF op 1 juni 2018 bedrag van € 15.000,-- alsmede een (leen)bijstandsuitkering. Hierdoor heeft zij geen spoedeisend belang om op zo kort mogelijke termijn (de) afzonderlijke bestanddelen van de inmiddels door [geïntimeerde] voortgezette onderneming te vervreemden c.q. te liquideren.

3.5.2.

Het hof stelt voorop dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is (zie HR 31 mei 2002, LJN AE3437 m.nt. H.J. Snijders).

De vraag of [appellante] in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. De omstandigheid dat de eisende partij lang heeft stilgezeten, kan bij die afweging een rol spelen, en de omstandigheid dat een rechtsvraag in geschil is waarop het antwoord niet evident is, kan leiden tot behoedzaamheid bij de toewijzing van de gevraagde voorziening, maar deze omstandigheden kunnen noch ieder voor zich noch in onderlinge samenhang het oordeel rechtvaardigen dat de eisende partij geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening (meer) heeft. Evenmin zijn die omstandigheden op zichzelf voldoende voor het oordeel dat de eisende partij, door een vordering in kort geding in te stellen, handelt in strijd met de eisen van een goede procesorde (HR 29 november 2002, LJN AE4553).

3.5.3.

Het hof oordeelt als volgt.

3.5.3.1. [appellante] heeft het spoedeisend belang bij haar vordering in kort geding gebaseerd op haar (kennelijk) moeilijke financiële situatie. Zij stelt dat zij acute behoefte heeft aan geld om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien (het hof verwijst hiervoor naar de appeldagvaarding waarin het doel van het kort geding is beschreven) en zij daarom belang heeft bij een spoedige afwikkeling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

Beoordeling van dat belang is thans echter niet meer aan de orde. Na het aanbrengen van de zaak is [appellante] overleden en is de procedure is door haar erfgenamen voortgezet nu (doelbewust) geen schorsing van de procedure is verzocht.

Het door [appellante] gestelde spoedeisend belang is, gelet op de aard daarvan (het kunnen voorzien in haar levensonderhoud) derhalve niet meer actueel en kan niet worden beschouwd als een spoedeisend belang van haar erfgenamen.

Beoordeeld dient daarom te worden of de erfgenamen van [appellante] een ander spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorziening.

Welk spoedeisend belang zij (waarbij het aan het hof overigens onbekend is wie die erfgenamen zijn) hebben, is het hof op geen enkele wijze duidelijk gemaakt. Gesteld noch gebleken is welk belang dit zou (kunnen) zijn dan wel in welke feiten en omstandigheden dit gelegen is dan wel zou kunnen zijn.

Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van appellante. De grieven 1, 2 en 3 falen en het voorwaardelijk ingesteld incidenteel appel behoeft daarom geen bespreking.

3.5.3.2. Ook overigens zijn de vorderingen in principaal appel niet vatbaar voor toewijzing in kort geding.

De vorderingen sub B en C hebben betrekking op de VOF. Vast staat dat de VOF is ontbonden en dat de onderneming – als eenmanszaak – is voortgezet door [geïntimeerde] . Nadere informatie over de afwikkeling van de ontbinding van de VOF ontbreekt, zodat – in het kader van het kort geding – niet kan worden beoordeeld of één of meerdere goederen die deel uitmaakten van de bedrijfsvoorraad van de voormalige VOF (en thans tot de eenmanszaak behoren) in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen kunnen worden toegedeeld aan [appellante] , zoals door haar is verzocht.

De vordering sub D richt zich op een partiële verdeling van de huwelijksgemeenschap en bovendien wordt de woning volgens [appellante] gebruikt als bedrijfswoning terwijl [geïntimeerde] de onderneming heeft voortgezet. Deze vordering leent zich gelet op die feiten en omstandigheden niet voor een beoordeling in kort geding.

Vordering sub E is door [geïntimeerde] gemotiveerd bestreden en leent zich, mede bezien in het licht van de aard van die vordering (het vaststellen van de omvang van de huwelijksgemeenschap) niet voor een beoordeling in kort geding.

Vordering sub 3 ten slotte is verbonden aan de vorderingen sub B, C, D en E treft daarom hetzelfde lot.

Proceskosten (grief 4)

3.6.

Het hof zal met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt. In het door [appellante] aangevoerde (zij zou veel moeite hebben gedaan om tot een minnelijke regeling te komen en [geïntimeerde] wilde niet meewerken aan de verdeling) ziet het hof, mede gelet op het tijdsverloop tussen de data van de echtscheidingsbeschikking (d.d. 6 maart 2018) en het uitbrengen van de kort geding-dagvaarding (18 april 2018) geen aanleiding om [geïntimeerde] in de proceskosten te veroordelen. Grief 4 faalt.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 30 mei 2018;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 februari 2019.

griffier rolraadsheer