Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4089

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-11-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
200.259.729_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht WWZ. Werknemer is op staande voet ontslagen. Werkgever verwijt werknemer dat hij frequent en structureel meer uren als werktijd heeft genoteerd dan hij daadwerkelijk heeft gewerkt. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 7 november 2019

Zaaknummer : 200.259.729/01

Zaaknummers eerste aanleg : 7323318 AZ VERZ 18-102, 7323424 AZ VERZ 18-103 en
7345933 AZ VERZ 18-104

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. W.M.C.T. van den Bouwhuijsen te 's-Hertogenbosch,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna aan te duiden als [verweerster] ,

advocaat: mr. W.A.A. van Kuijk te Tilburg.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 22 februari 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties en het procesdossier van de eerste aanleg, waaronder de zittingsaantekeningen van de zitting op 20 december 2018, ingekomen ter griffie op 20 mei 2019;

  • -

    het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 juli 2019;

- de op 26 september 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Van den Bouwhuijsen;

- namens [verweerster] de heer [manager operationele zaken] , manager operationele zaken, en mevrouw [hoofd personeelszaken] , hoofd personeelszaken, bijgestaan door mr. Van Kuijk.

- de ter zitting door beide advocaten overgelegde spreekaantekeningen.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellant] , geboren op [geboortedatum] 1979, is op 1 maart 2014 in dienst getreden bij [verweerster] . Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van Senior-Projectleider Speciaal Transport, tegen een salaris van € 3.394,32 bruto en een functietoeslag van € 555,68 bruto per vier weken, exclusief 8% vakantietoeslag en overwerktoeslag.

3.1.2.

[appellant] diende de door hem gewerkte uren elke vierwekenperiode te registreren op urenlijsten, zogenoemde urenverantwoordingsstaten (UVS). Iedere UVS is voorzien van een invulinstructie. In deze invulinstructie staat onder meer dat niet-factureerbare kantoor- of buitenactiviteiten van meer dan een half uur separaat vermeld dienen te worden.

3.1.3.

[verweerster] heeft aan [appellant] een auto met grijs kenteken ter beschikking gesteld, met daarin een blackbox die registreert wanneer hij vertrekt en stilstaat.

3.1.4.

Op 18 september 2018 werd [appellant] in de middag uitgenodigd voor een gesprek met [directeur commerciële zaken] , directeur commerciële zaken (hierna: [directeur commerciële zaken] ). Tijdens het gesprek waren tevens aanwezig [manager Project Department] (manager Project Department) en mevrouw [hoofd personeelszaken] (hoofd personeelszaken). In dit gesprek werd [appellant] verweten dat hij heeft gefraudeerd met zijn urenregistratie. Er werd hem een urenanalyse in de vorm van een Excelsheet getoond van de periode van 4 juni 2018 tot en met 6 juli 2018 en hem gevraagd hierop te reageren.

Vervolgens is [appellant] verzocht de kamer te verlaten en is hem ongeveer een kwartier later meegedeeld dat hij op staande voet werd ontslagen, waarna [appellant] naar huis is gegaan.

3.1.5.

Op dezelfde dag heeft [verweerster] het personeel middels een interne memo ingelicht over het gegeven ontslag op staande voet en de reden hiervoor.

3.1.6.

Het ontslag op staande voet is schriftelijk aan [appellant] bevestigd bij brief van de gemachtigde van [verweerster] van 20 september 2018. Deze brief vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

“(…) Rondom een incident ten aanzien van uw declaratie van een hotel over het aantal van 16 halve liters bier welke op de rekening stond, is opgevallen dat u meer uren op uw dagstaat had geschreven dan uw collega waar u deze klus mee deed. Vervolgens zijn enkele steekproeven gedaan waaruit het vermoeden bestond dat u structureel teveel overuren schrijft. Daarna is overgegaan tot een meer uitgebreide controle van door u geschreven werkuren in vergelijking met de beschikbare administratieve gegevens. Daaruit bleek dat sprake is van structurele afwijkingen van door u geschreven werkuren op basis waarvan loon aan u wordt betaald en de gewerkte uren die blijken uit de administratieve
(controle-)systemen die beschikbaar zijn. Dit zijn allemaal tijdregistraties die steevast in uw voordeel en in het nadeel van uw werkgever zijn verwerkt.

Op 18 september 2018 bent u met deze constateringen van uw werkgever geconfronteerd. U had voor de geconstateerde verschillen geen verklaring, maar gaf aan dat u de onjuiste werktijden in ieder geval niet bewust onjuist en steeds in uw voordeel hebt ingevuld.

In aanmerking nemende de frequentie van de onjuiste registraties die zoals aangegeven steeds in uw voordeel zijn, is [verweerster] tot de conclusie gekomen dat u frequent en structureel meer uren als werktijd hebt genoteerd dan u daadwerkelijk hebt gewerkt. Als gevolg daarvan hebt u bewerkstelligd dat aan u loon is betaald waarop u geen aanspraak had. [verweerster] beschouwt dit als fraude.

[verweerster] is van mening dat door uw bovengenoemde daden en/of gedragingen van haar redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met u te laten voortduren. Deze daden en/of gedragingen vormen voor haar dan ook (elk voor zich dan wel in combinatie met elkaar) een dringende reden om de arbeidsovereenkomst met u onverwijld op te zeggen. Ik bevestig u dan ook hierdoor dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst met u vanwege het bovenstaande op 18 september 2018 onverwijld heeft opgezegd. U bent derhalve op staande voet ontslagen. (…)”

3.2.1.

In eerste aanleg heeft [appellant] verzocht [verweerster] te veroordelen tot het opstellen en rondzenden binnen de gehele organisatie van een rectificatie van het memo dat op 18 september 2018 door het bedrijf is verzonden. Voorts heeft [appellant] primair verzocht:

- voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven;

- aan [appellant] een transitievergoeding toe te kennen ad € 8.283,- bruto;

- [verweerster] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW ad
€ 10.000,- bruto;

- aan [appellant] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe te kennen ad €
4.291,75;

- [verweerster] te veroordelen tot uitbetaling van niet opgenomen verlofuren en niet

uitbetaalde gemaakte overuren;

  • -

    [verweerster] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen;

  • -

    [verweerster] te veroordelen binnen tien dagen na de beschikking deugdelijke bruto/netto specificaties te verstrekken op straffe van een dwangsom;

Subsidiair, voor het geval de kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd door het ontslag op staande voet, heeft [appellant] verzocht hem een transitievergoeding toe te kennen ad € 8.283,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Daarnaast heeft [appellant] verzocht [verweerster] te veroordelen in de proceskosten, daaronder begrepen de buitengerechtelijke incassokosten. Ook heeft [appellant] verzocht voorlopige voorzieningen te treffen en een verzoek op grond van artikel 843a jo. 843b jo. 22 Rv gedaan.

3.2.2.

[verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en een zelfstandig verzoek gedaan. [verweerster] heeft, na wijziging van haar verzoek ter zitting, verzocht [appellant] te veroordelen tot betaling van de volgende bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente:

- € 6.470,10 ter zake van wettelijke schadeloosstelling;

- € 3.649,43 ter zake van onverschuldigd betaald loon;

- € 5.200,- ter zake van onderzoekskosten;

met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.3.

In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter alle verzoeken van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld om aan [verweerster] te betalen:

- een bedrag van € 3.697,20 bruto ter zake van gefixeerde schadevergoeding ex artikel
7:677 BW verminderd met het loon over de periode van 1 tot en met 18 september
2018;

- een bedrag van € 3.649,43 bruto ter zake van onverschuldigd betaald loon;

- een bedrag van € 5.200,- ter zake van schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:96 lid 2
sub b BW.
Daarnaast heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet op 18 september 2018 niet rechtsgeldig gegeven is en dat het bedrag ad € 14.462,63 dat [appellant] op 8 maart 2019 aan [verweerster] heeft betaald als gevolg van het niet rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet (deels) aan [appellant] terug betaald dient te worden met vermeerdering van de wettelijke rente vanaf de dag van betaling, althans vanaf de dag van instelling van hoger beroep, althans vanaf de datum van beschikking in hoger beroep, althans vanaf een door het gerechtshof in goede justitie te bepalen datum.

[appellant] heeft voorts verzocht [verweerster] te veroordelen tot betaling van de volgende bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente:

  • -

    € 1.382,50 aan achterstallig salaris over zeven werkdagen;

  • -

    € 1.406,22 bruto aan achterstallig salaris vanwege gewerkte maar nog niet vergoede overuren over de weken 34 tot en met 37 in 2018;

  • -

    € 8.283,- bruto aan transitievergoeding;

  • -

    € 40.000,- bruto aan billijke vergoeding;

  • -

    € 8.559,12 aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging;

  • -

    € 3.252,46 ter zake van 11,78 opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen.

Daarnaast verzoekt [appellant] [verweerster] te veroordelen:

  • -

    tot betaling van de wettelijke verhoging over het achterstallige salaris en de uitbetaling van vakantiedagen;

  • -

    tot het verstrekken van deugdelijke bruto/netto specificaties binnen tien dagen na de beschikking op straffe van een dwangsom;

  • -

    tot het verzenden van een rectificatie van het memo d.d. 18 september 2018 binnen tien dagen na de beschikking op straffe van een dwangsom;

  • -

    tot het verlenen van onbeperkte toegang aan [appellant] tot zijn e-mailaccount, Trimble in verband met de blackboxgegevens, zijn iPad en de telefoonrekening inclusief specificaties behorende bij telefoonnummer [telefoonnummer] met inbegrip van gearchiveerde en verwijderde gegevens/bestanden binnen twee dagen na de beschikking op straffe van een dwangsom;

  • -

    in de proceskosten van beide instanties, inclusief de nakosten.

3.5.

[appellant] heeft in hoger beroep dertien grieven aangevoerd. Het verzoek van [appellant] tot het treffen van voorlopige voorzieningen is in hoger beroep niet meer aan de orde, nu geen grief is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter tot afwijzing van dit verzoek.

3.6.

De eerste grief van [appellant] richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [verweerster] het beginsel van hoor en wederhoor niet heeft geschonden.

3.7.

Vast staat dat [appellant] tijdens het gesprek op 18 september 2018 met onder meer [directeur commerciële zaken] is geconfronteerd met de bevindingen van [verweerster] en dat hij in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren. Hieruit volgt dat hoor en wederhoor is toegepast vóór het ontslag op staande voet. [appellant] heeft aangevoerd dat hij door het gesprek overvallen was, omdat hij van tevoren niet geïnformeerd was over de inhoud van het gesprek en dat het voor hem ondoenlijk was om op dat moment echt inhoudelijk op de Excelsheet te reageren. Dit maakt echter niet dat het beginsel van hoor en wederhoor geschonden is. De eerste grief faalt derhalve. Overigens zou het niet horen van [appellant] niet leiden tot de conclusie dat het ontslag op staande voet om die reden vernietigbaar was. Het horen is geen voorwaarde voor het mogen geven van een ontslag op staande voet. Dus ook als de grief wel terecht was voorgesteld, zou dat niet kunnen leiden tot een toewijzing van de verzoeken van [appellant] .

3.8.

De tweede grief van [appellant] richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven.

3.9.

[verweerster] stelt zich op het standpunt dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven en heeft in dat kader het volgende aangevoerd. Aanleiding voor onderzoek was de factuur van een hotel, die is overgelegd als productie 43 bij het verweerschrift in eerste aanleg. Dit betreft de factuur [hotel] d.d. 26 juli 2018. De heer [manager operationele zaken] (hierna: [manager operationele zaken] ) heeft deze factuur voor het eerst op vrijdagmiddag 14 september 2018 gezien. Op de factuur stonden 16 halve liters bier vermeld. [manager operationele zaken] heeft hierover overleg gehad met de heer [leidinggevende] (hierna: [leidinggevende] ), leidinggevende van [appellant] . Zij hebben daarop samen de dagstaten van [appellant] en zijn collega erbij gepakt en zagen toen dat deze van elkaar verschilden. [manager operationele zaken] heeft vervolgens in het weekend een aantal steekproeven gedaan, waarbij hij afwijkingen tegenkwam. Op de daarop volgende maandag en dinsdagochtend is [manager operationele zaken] overgegaan tot een meer uitgebreide controle van de door [appellant] geschreven werkuren in vergelijking met de beschikbare administratieve gegevens. [manager operationele zaken] heeft dinsdag 18 september 2018 tegen het einde van de ochtend zijn bevindingen gedeeld met [directeur commerciële zaken] , destijds algemeen directeur, [leidinggevende] en de heer [bestuurder-eigenaar] , bestuurder-eigenaar. Daarop is besloten [appellant] met deze bevindingen te confronteren en is [appellant] uitgenodigd voor een gesprek met [directeur commerciële zaken] diezelfde middag.

3.10.

Het hof stelt voorop dat voor het antwoord op de vraag of een ontslag op staande voet al dan niet onverwijld is gegeven, beslissend is het tijdstip waarop de dringende reden ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen.

3.11.

Het hof gaat ervan uit dat [directeur commerciële zaken] de tot het ontslag van [appellant] bevoegde persoon was, nu [appellant] tijdens het gesprek met [directeur commerciële zaken] op 18 september 2018 op staande voet is ontslagen. Volgens [verweerster] is [directeur commerciële zaken] op 18 september 2018 tegen het einde van de ochtend door [manager operationele zaken] op de hoogte gesteld van zijn bevindingen. Dit is door [appellant] niet betwist. Nu [appellant] diezelfde middag is uitgenodigd voor een gesprek met [directeur commerciële zaken] en ook diezelfde middag op staande voet is ontslagen, is het ontslag onverwijld gegeven. Echter ook indien zou moeten worden aangenomen dat reeds op 14 september 2018 een vermoeden van de dringende reden ter kennis is gebracht van een tot ontslag bevoegde persoon bij [verweerster] , is voldoende voortvarend gehandeld met het onderzoek dat tussen 14 en 18 september 2018 heeft plaatsgevonden. [appellant] heeft aangevoerd dat [verweerster] veel eerder met haar onderzoek had kunnen en moeten starten, omdat hij zijn urendeclaratie over de periode van 4 juni tot en met 7 juli 2018 eind juli of begin augustus 2018 heeft ingediend bij zijn leidinggevende en de factuur van het hotel op 26 juli 2018 aan [verweerster] is verstuurd. Voor de vraag of een ontslag op staande voet onverwijld is geschied is echter niet beslissend het tijdstip waarop de werkgever redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de dringende reden, maar het tijdstip waarop de tot ontslag bevoegde persoon bij de werkgever daadwerkelijk op de hoogte was. [manager operationele zaken] heeft tijdens de zitting bevestigd dat hij de factuur van het hotel, die aanleiding was voor het onderzoek, pas op 14 september 2018 voor het eerst heeft gezien. [appellant] heeft deze verklaring ter zitting niet weersproken. Voorts heeft [appellant] geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat bij [directeur commerciële zaken] of bij een andere tot ontslag bevoegde persoon bij [verweerster] eerder dan op 18 september 2018 een vermoeden is gerezen dat zich een dringende reden tot ontslag van [appellant] voordeed. Overigens acht het hof de door [manager operationele zaken] ter zitting gegeven verklaring waarom hij de factuur pas op 14 september 2018 heeft gezien (vakantieperiode en de controle van dergelijke facturen is geen dagelijkse bezigheid), ook niet onaannemelijk. De tweede grief faalt derhalve.

3.12.

De derde grief van [appellant] richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat er sprake is van een dringende reden voor het ontslag op staande voet.

3.13.

[verweerster] verwijt [appellant] dat hij frequent en structureel meer uren als werktijd heeft genoteerd dan hij daadwerkelijk heeft gewerkt. Het hof constateert dat het hierbij gaat om door [appellant] genoteerde overuren. [verweerster] voert tevens aan dat [appellant] de pauzetijden niet conform de gemaakte afspraken heeft genoteerd. [appellant] heeft echter gesteld dat dit tijdens het gesprek op 18 september 2018 niet aan de orde is geweest en pas voor het eerst aan hem wordt verweten in het verweerschrift in eerste aanleg. Deze stelling is door [verweerster] niet weersproken. [verweerster] heeft ook niet aangevoerd dat het Excelsheet dat aan [appellant] tijdens het ontslaggesprek werd getoond met hem per onderdeel (waaronder opgegeven pauzeduur) is doorgenomen. Het hof constateert dat in de ontslagbrief niet concreet wordt ingegaan op de manier waarop [appellant] volgens [verweerster] meer uren heeft geschreven dan hij feitelijk heeft gewerkt. Het hof is derhalve van oordeel dat [appellant] niet hoefde te begrijpen dat de notering van de pauzetijden onderdeel uitmaakte van de dringende reden. Om die reden kan dit verwijt niet als onderdeel van de dringende reden worden beschouwd.

[verweerster] heeft aangegeven dat aan het ontslag op staande voet niet ten grondslag is gelegd dat [appellant] geen dagelijkse forfaitaire reistijd in mindering heeft gebracht. Dit is wel besproken met [appellant] tijdens het gesprek op 18 september 2018, maar daar had [appellant] een plausibele verklaring voor.

3.14.

[verweerster] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat [appellant] frequent en structureel meer uren als werktijd heeft genoteerd dan hij heeft gewerkt, als productie 10 bij haar verweerschrift in eerste aanleg een overzicht overgelegd met betrekking tot de weken 19 tot en met 36 van 2018. In dit overzicht worden de door [appellant] op de UVS opgegeven uren afgezet tegen de gegevens afkomstig uit het registratiesysteem van de auto van [appellant] . [verweerster] leidt uit dit overzicht af dat door [appellant] in voornoemde periode op 67 van de 75 werkdagen meer werktijd is geschreven dan hij daadwerkelijk heeft gewerkt. Het gaat in totaal om 34 uur en 25 minuten in het voordeel van [appellant] . Daarnaast heeft [verweerster] in het verweerschrift in eerste aanleg veertien dagen in de weken 19 tot en met 36 van 2018 nader uitgewerkt, waarbij is aangegeven welk e-mail- of telefoonverkeer er voor en na de door [verweerster] vastgestelde werkelijke werktijd is geweest. Volgens [verweerster] volgt uit dit overzicht dat er nauwelijks of geen e-mail- en telefoonverkeer is geweest op de momenten dat door [appellant] extra tijd is geschreven. Voorts voert [verweerster] aan dat [appellant] dit soort werkzaamheden buiten werktijd niet diende te schrijven, omdat partijen daarvoor een extra beloning zijn overeengekomen in de vorm van een functietoeslag met ingang van 1 januari 2017.

3.15.

[appellant] heeft gemotiveerd betwist dat hij frequent en structureel meer uren als werktijd heeft genoteerd dan hij daadwerkelijk heeft gewerkt. Hij voert samengevat het volgende aan. Hij ontkent dat hij ten onrechte (en bovendien met opzet) te veel overuren heeft geschreven. Hij heeft gedurende zijn dienstverband structureel overgewerkt en maar een deel van zijn overuren geschreven. Hij vulde de UVS achteraf in aan de hand van zijn Outlook-agenda. Hij heeft de UVS steeds naar eer en geweten ingevoerd. Voor zover hij zijn uren niet op de juiste wijze registreerde, was hij zich daar niet van bewust en is hij daar door [verweerster] nooit op gewezen. [appellant] betwist dat de functietoeslag met ingang van 1 januari 2017 bedoeld was als compensatie voor overwerk. Deze toeslag was bedoeld als loonsverhoging en had te maken met de regelmatig terugkerende discussie onder projectleiders over de hoogte van de beloning. [appellant] betwist verder de juistheid van het door [verweerster] overgelegde overzicht met betrekking tot de weken 19 tot en met 36 van 2018. Hij heeft onder meer als productie 33 bij het beroepschrift een overzicht overgelegd waarin hij de door [verweerster] overgelegde uitdraaien van de blackbox (die niet compleet zijn) heeft vergeleken met de tijden van de blackbox die in het overzicht van [verweerster] zijn opgenomen. [appellant] leidt uit zijn overzicht af dat er 20 uur en 53 minuten meer door de blackbox is geregistreerd dan [verweerster] in haar overzicht heeft opgenomen. De gegevens van de blackbox vormen bovendien geen correcte weergave van de werktijden van [appellant] . De blackbox geeft alleen aan wanneer de auto rijdt of stilstaat en op welke locatie hij stilstaat. [appellant] was zeer regelmatig thuis en buiten de gebruikelijke werktijden aan het werk.

3.16.

[appellant] heeft verder aangevoerd dat op basis van de ten tijde van het ontslag op staande voet kenbare gegevens - de gegevens van de blackbox, de gegevens van de key en van de UVS waarmee [verweerster] de Excelsheet heeft gemaakt die [appellant] tijdens het gesprek van 18 september 2018 is getoond - niet geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een dringende reden. Voor zover [appellant] daarmee betoogt dat voor het bewijs van de dringende reden alleen gekeken kan worden naar de op het moment van het ontslag op staande voet kenbare gegevens, faalt dit betoog. De werkgever is bij de bewijslevering niet beperkt tot de bewijsmiddelen waarover hij reeds ten tijde van het ontslag beschikte. Voor de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet geldt dus niet de eis dat het bestaan van de dringende reden al ten tijde van het ontslag onomstotelijk vaststaat. Het bewijs dat de dringende reden aanwezig was, kan immers alsnog worden geleverd in de procedure waarin de werknemer de dringende reden betwist (vgl. HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:55).

3.17.

Partijen twisten in het kader van de dringende reden onder meer over het doel van de functietoeslag die [appellant] met ingang van 1 januari 2017 ontvangt. [verweerster] stelt dat deze toeslag bedoeld is als compensatie voor kleine werkzaamheden zoals mailen en bellen na werktijd en heeft bewijs aangeboden van deze stelling. [appellant] stelt dat de toeslag bedoeld is als loonsverhoging.

[verweerster] heeft als productie 1 en 2 bij het verweerschrift in eerste aanleg twee brieven van [verweerster] aan [appellant] met betrekking tot de functietoeslag overgelegd. De eerste brief dateert van 24 januari 2017. Daarin staat voor zover hier relevant het volgende:

“Betreft: toekenning functietoeslag
(…)

Werken op onregelmatige uren is in veel gevallen onvermijdelijk in onze sector, met name in jouw functie. Zoals je aangegeven hebt komt het regelmatig voor dat je ’s avonds gebeld wordt of dat je nog even een e-mail moet versturen.

In onderling overleg hebben wij met elkaar afgesproken dat je met ingang van 1 januari 2017 een functietoeslag toegekend krijgt van € 222,24 bruto per 4 weken, zodat deze extra inzet op ongewone tijden hiermee gedekt is.”

De tweede brief dateert van 26 januari 2018. Daarin staat voor zover hier relevant het volgende:

“Betreft: loonsverhoging

(…)

Met ingang van 1 januari 2018 word je functietoeslag verhoogd naar € 555,68 bruto per 4 weken.”

[appellant] ontkent dat hij de brief van 24 januari 2017 heeft ontvangen. Volgens hem heeft hij alleen de brief van 26 januari 2018 ontvangen.

3.18.

Het hof zal [verweerster] in de gelegenheid stellen bewijs te leveren van haar stelling dat zij met [appellant] heeft afgesproken dat de functietoeslag diende als compensatie voor kleine werkzaamheden, zoals mailen en bellen na werktijd.

3.19.

De negende grief van [appellant] richt zich tegen de afwijzing van zijn verzoek tot het overleggen van bewijsmiddelen door [verweerster] op grond van artikel 843a jo. 843b jo. 22 Rv. [appellant] heeft dit verzoek in hoger beroep opnieuw gedaan en aangevuld. [appellant] verzoekt [verweerster] te veroordelen tot het verlenen van onbeperkte toegang aan [appellant] tot zijn e-mailaccount, Trimble in verband met de blackboxgegevens, zijn iPad en de telefoonrekening inclusief specificaties behorende bij telefoonnummer [telefoonnummer] met inbegrip van gearchiveerde en verwijderde gegevens/bestanden, binnen twee dagen na de beschikking op straffe van een dwangsom.

3.20.

Het hof is van oordeel dat [appellant] een rechtmatig belang heeft op inzage in dan wel een afschrift van de hiervoor vermelde gegevens, echter uitsluitend met betrekking tot de weken 19 tot en met 36 van 2018 (7 mei 2018 tot en met 7 september 2018), aangezien [verweerster] deze periode blijkens het als productie 10 bij haar verweerschrift in eerste aanleg overgelegde overzicht tot uitgangspunt heeft genomen bij de onderbouwing van de dringende reden. Het hof zal [verweerster] veroordelen tot het verstrekken van inzage in en/of afschriften van deze gegevens binnen 30 dagen na heden voor zover deze gegevens niet reeds eerder door [verweerster] aan [appellant] zijn verstrekt. Het hof verbindt aan deze veroordeling geen dwangsom, nu de bewijslast van de dringende reden op [verweerster] rust en niet op [appellant] . Als blijkt dat [verweerster] geen inzage in en/of afschriften van de gegevens verstrekt, kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die het hof geraden acht.

3.21.

De overige grieven van [appellant] richten zich tegen de beslissingen van de kantonrechter tot afwijzing van de verzoeken van [appellant] en tot toewijzing van de verzoeken van [verweerster] . Het hof zal de beslissing op deze grieven aanhouden in afwachting van de bewijslevering.

4 De beslissing

Het hof:

laat [verweerster] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat zij met [appellant] heeft afgesproken dat de functietoeslag diende als compensatie voor kleine werkzaamheden, zoals mailen en bellen na werktijd;

bepaalt, voor het geval [verweerster] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. M.E. Smorenburg als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

bepaalt dat [verweerster] uiterlijk 21 november 2019 schriftelijk opgave dient te doen aan de civiele griffie van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 16 weken na de datum van deze beschikking;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde datum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [verweerster] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

veroordeelt [verweerster] om binnen 30 dagen na heden aan [appellant] inzage in en/of afschriften van de door [appellant] bij [verweerster] gebruikte e-mailaccount en iPad, Trimble in verband met de blackboxgegevens en de telefoonrekening inclusief specificaties behorende bij telefoonnummer [telefoonnummer] met inbegrip van gearchiveerde en verwijderde gegevens/bestanden te verstrekken met betrekking tot de weken 19 tot en met 36 van 2018, voor zover inzage in en/of afschriften van deze gegevens niet eerder door [verweerster] aan [appellant] zijn verstrekt;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.E. Smorenburg, M. van Ham en R.J. Voorink en is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2019.