Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4051

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
08-11-2019
Zaaknummer
200.263.187_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 31 oktober 2019

Zaaknummer : 200.263.187/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/358501/JE RK 19-855

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.E.C. Segeren-Krijnen,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling en/of de GI.

Deze beschikking gaat over [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 28 juni 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 juli 2019, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep gegrond te verklaren en voormelde beschikking te vernietigen en naar het hof begrijpt het inleidend verzoek van de GI alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 augustus 2019, heeft de GI – naar het hof begrijpt – verzocht voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Segeren-Krijnen;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en de heer [vertegenwoordiger van de GI 2] .

De raad is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlage van de GI, ingekomen op 3 oktober 2019;

  • -

    het V-formulier met bijlage van de advocaat van de vader, ingekomen op 7 oktober 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het huwelijk van [de moeder] (hierna: de moeder) en de vader is op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren. De moeder is op [datum] 2015 overleden.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 13 juli 2018 onder toezicht van de GI.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 13 juli 2019 tot uiterlijk 13 juli 2020.

3.4.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.

De vader ontkent niet dat er zorgen zijn over [minderjarige] , maar hiervoor is hulpverlening ingeschakeld en daarmee gaat het prima. De vader heeft geen bagatelliserende houding. Hij zal de ingezette hulpverlening en de naschoolse opvang ( TED ) ook voortzetten in een vrijwillig kader. De voor overlast zorgende buurman is vertrokken, waardoor de situatie is gewijzigd en de vader tijd en energie heeft voor [minderjarige] . De vader en [minderjarige] hebben het gevoel te worden geleefd door de ondertoezichtstelling en de inmenging van de verschillende instanties. De verlenging van de ondertoezichtstelling dient in ieder geval beperkt te worden tot maximaal zes maanden aangezien de vader meewerkt aan het persoonlijkheidsonderzoek van [minderjarige] en de daaruit volgende adviezen zal opvolgen.

3.6.

De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.

Er bestaan nog zorgen over het gedrag dat [minderjarige] laat zien, zijn sociaal-emotionele achterstand en hoe hij ingrijpende levensgebeurtenissen heeft verwerkt. [minderjarige] wordt hierdoor nog ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd en hulpverlening is aangewezen. Hij moet hulp krijgen voor zijn persoonlijke problematiek en zijn ontwikkeling moet goed gevolgd worden. De vader is heel wisselend in zijn uitspraken over het voortzetten van de hulpverlening. De GI verwacht dat de vader zonder de ondertoezichtstelling selectief zal zijn ten aanzien van de aangeboden hulpverlening. De ondertoezichtstelling is nodig om de hulpverlening te bestendigen en de vader te dwingen zich te focussen op het belang van [minderjarige] . Een verlenging van een jaar is nodig vanwege het te verrichten persoonlijkheidsonderzoek, om het verloop van de schoolwisseling en de ontwikkeling van [minderjarige] te kunnen volgen en om een reëel beeld te krijgen of het vrijwillig kader zal volstaan.

Als de vader het gevoel heeft dat hij helemaal niets meer kan en dat hij wordt vastgezet door de hulpverlening dan zal de GI daar naar kijken.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.7.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.7.3.

Het hof is van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW en overweegt daartoe het volgende. De vader lijkt niet of in ieder geval onvoldoende in te zien wat in het belang van [minderjarige] is. Ook ziet hij de noodzaak van hulpverlening onvoldoende in. Zo heeft de vader ter mondelinge behandeling verklaard dat hij bij [minderjarige] geen vooruitgang ziet door de inzet van TED en dat hij TED dan ook niet belangrijk vindt voor [minderjarige] . De hulpverlening daarentegen acht de inzet van TED in het belang van [minderjarige] nodig en de GI ziet, anders dan de vader, dat [minderjarige] hier baat bij heeft. Verder ervaart de vader steeds omstandigheden waardoor hij naar zijn zeggen (te veel) in beslag wordt genomen zoals eerder de buurman en nu de hulpverlenende instanties. Hierdoor komt hij, naar zijn eigen zeggen, onvoldoende toe aan rust hetgeen geen positieve invloed op [minderjarige] heeft. Volgens de vader wordt hij momenteel geleefd door alle betrokken instanties en krijgen hij en [minderjarige] pas weer rust als de ondertoezichtstelling wordt beëindigd omdat deze instanties er dan immers niet meer zijn. Gelet hierop acht het hof het risico groot dat in een vrijwillig kader noodzakelijk te achten hulpverlening niet, althans niet in voldoende mate door de vader zal worden voortgezet.

Daarbij komt dat er op dit moment er een persoonlijkheidsonderzoek bij [minderjarige] wordt gestart. De resultaten van dit onderzoek zijn van belang om duidelijkheid te krijgen over de problematiek van [minderjarige] , wat hij in dit kader nodig heeft en de noodzakelijk daaruit nog voortvloeiende hulpverlening. Bovendien is [minderjarige] net gewisseld van school en dient deze wisseling vooralsnog te worden gevolgd.

In verband met al het vorenstaande is een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar in ieder geval noodzakelijk.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 28 juni 2019;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, C.A.R.M. van Leuven en M.I. Peereboom-van Drunick en is op 31 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.