Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4041

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
06-12-2019
Zaaknummer
200.264.379_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing in hoger beroep van verzoek tot verlof voor beslaglegging. Gestelde onrechtmatige daad niet summierlijk aannemelijk. Incidenteel beroep op procedeerverbod niet-ontvankelijk ivm 362 Rv, en overigens te afwijkend van de hoofdkwestie. Procedeerverbod in beginsel strijdig met art. 6 EVRM (zie ECLI:NL:GHARL:2017:7369. Veroordeling tot betaling reële proceskosten conform ECLI:NL:HR:2017:2366. Handelen in strijd met de waarheidsplicht ex 21 Rv. Ontbrekend belang bij appel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 362
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 6
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak: 31 oktober 2019

Zaaknummer: 200.264.379/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/267385 / KG RK 19-604

in de zaak van:

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. K.P. Meegdes te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.M. van Tol te Sittard, gemeente Sittard- Geleen .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 5 augustus 2019 onder zaaknummer C/03/267385 / KG RK 19-604, waarbij het verzoek van [appellante] om conservatoir derdenbeslag te mogen leggen op alle gelden en/of goederen van [geïntimeerde] die Gerechtsdeurwaarder [gerechtsdeurwaarder] van kantoor [kantoor] Gerechtsdeurwaarders te [kantoorplaats] (hierna: [gerechtsdeurwaarder] ) onder zich heeft dan wel onder zich zal hebben en op alle vorderingen die [geïntimeerde] heeft op [gerechtsdeurwaarder] of in de toekomst zal hebben tot een bedrag van € 40.054,55, is afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 augustus 2019, heeft [appellante] verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en – kort weergegeven – verzocht de vordering ter zake waarvan het beslag wordt gelegd vast te stellen op een bedrag van € 39.816,30 en alsnog verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van [geïntimeerde] onder [gerechtsdeurwaarder] , een en ander uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en onder veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

2.2.

Bij verweerschrift tevens zelfstandig verzoek in incidenteel appel met producties van 26 september 2019 heeft [geïntimeerde] – kort weergegeven – verzocht de beschikking van de voorzieningenrechter te bekrachtigen en het verzoek van [appellante] af te wijzen, onder veroordeling van [appellante] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 3.175,22, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voorts heeft [geïntimeerde] verzocht – zakelijk weergegeven – om [appellante] te verbieden haar te dagvaarden of in rechte te betrekken voor het plegen van een onrechtmatige daad en het verkrijgen van een schadevergoeding (althans ter zake van het verwijt dat [geïntimeerde] [directeur] van seksuele intimidatie heeft beschuldigd al dan niet op instigatie van mr. [voormalig juridisch adviseur] , teneinde te trachten een billijke vergoeding te krijgen), [appellante] te verbieden om conservatoir (derden)beslag te leggen, [appellante] te verbieden om beroep in cassatie in te stellen tegen de beschikking van dit hof van 29 augustus 2019 tussen partijen gewezen en [appellante] te veroordelen in alle proceskosten van [geïntimeerde] ,inclusief nakosten, te vermeerderen met rente, een en ander uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Ter zitting in hoger beroep is namens [geïntimeerde] aangegeven dat het verzoek om [appellante] te verbieden beroep in cassatie in te stellen tegen de beschikking van dit hof van 29 augustus 2019, wordt ingetrokken. Dit deel van het oorspronkelijk verzoek in incidenteel appel is derhalve niet langer aan het oordeel van het hof onderworpen.

2.3.

Bij verweerschrift in het incidenteel appel van 30 september 2019 heeft [appellante] verzocht het verzoek in incidenteel appel van [geïntimeerde] af te wijzen, en [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep van [appellante] , te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2019 (besloten zitting). Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de heer [directeur] , directeur van [appellante] ;

- mr. Meegdes, advocaat van [appellante] ;

- [geïntimeerde] ;

- mr. Van Tol, advocaat van [geïntimeerde] .

Van de zijde van beide partijen zijn toehoorders verschenen. Op verzoek van [geïntimeerde] zijn door het hof (alle) verschenen toehoorders de toegang tot de mondelinge behandeling ontzegd nu het een procedure in raadkamer betreft.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de stukken van het proces in eerste aanleg;

- de door mr. Meegdes ter zitting in hoger beroep overgelegde en voorgedragen pleitnota.

2.6.

Het hof heeft op 30 september 2019 tevens ontvangen een ‘verweerschrift in het incidenteel appel’, ingediend door de mr. [bedrijfsjurist] , bedrijfsjurist bij [appellante] . Omdat dit stuk niet volgens de geldende (wettelijke) voorschriften is ingediend door een advocaat, heeft het hof het terzijde gelegd en bepaald dat het geen deel zal uitmaken van het procesdossier. In verband met de korte beschikbare termijn vóór de zitting heeft het hof ervoor gekozen genoemd stuk niet terug te zenden aan de heer [bedrijfsjurist] .

2.7.

Op 9 oktober 2019 is ingekomen een (fax)brief van de bedrijfsjurist mr. [bedrijfsjurist] , waarin [bedrijfsjurist] – kort en bondig weergegeven – vraagt om een nieuwe behandeling ter zitting in hoger beroep wegens schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, nu de toehoorders niet bij de behandeling van het hoger beroep waren toegelaten. Nu ook dit verzoek niet is ingediend door een advocaat en het kennelijk ook niet in afschrift is gezonden naar de advocaat van de wederpartij, gaat het hof hieraan voorbij.

Ten overvloede merkt het hof op dat het een geïntimeerde vrij staat om nog in een laat stadium een verweerschrift, al dan niet voorzien van een verzoek in incidenteel appel, in te dienen. Indien dit bij appellant tot problemen zou hebben geleid, had men – middels de advocaat – kunnen verzoeken om aanhouding van de mondelinge behandeling. Een dergelijk verzoek is niet ingediend. Sterker nog, mr. Meegdes heeft op voorhand een verweerschrift in het incidenteel appel aan het hof doen toekomen waarin het standpunt van [geïntimeerde] uitgebreid is betwist waarbij door mr. Meegdes op alle punten is ingegaan. Bovendien heeft [appellante] (evenals [geïntimeerde] ) haar standpunt ter zitting in hoger beroep kunnen bespreken. Het hof wijst het beroep op schending van artikel 6 EVRM derhalve van de hand.

Van enige schending van artikel 6 EVRM/ art. 12 IVBPR/ artikel 121 Grondwet/ artikel 4 RO en artikel 27 lid 1 Rv is evenmin sprake nu door partijen meegebrachte toehoorders niet zijn toegelaten tot de zitting, omdat het een procedure in raadkamer betreft en derhalve achter gesloten deuren plaatsvindt. Tegen de honorering van het verzoek van [geïntimeerde] om de deuren te sluiten althans gesloten te houden is voorts van de zijde van [appellante] niet aanstonds na binnenkomst of op een ander moment tijdens de mondelinge behandeling geprotesteerd.

3 De beoordeling

3.1.

[appellante] wenste in eerste aanleg conservatoir derdenbeslag bij de gerechtsdeurwaarder te leggen voor haar vordering wegens gestelde geleden schade. Die schade zou zijn ontstaan doordat haar voormalig werkneemster [geïntimeerde] tijdens een re-intregratietraject een arbeidsconflict heeft veroorzaakt door de directeur ten onrechte te beschuldigen van seksuele intimidatie. Door dit gestelde onrechtmatig handelen zou schade zijn ontstaan (‘een bom onder het re-integratietraject’). [appellante] heeft namelijk kosten moeten maken voor die mislukte re-integratie alsook kosten moeten maken aan onderzoek naar de gestelde seksuele intimidatie. [appellante] stelde de schade op € 11.267,53 aan kosten voor het inschakelen van een onderzoeksbureau (onderzoeksbureau [onderzoeksbureau] , productie 39 van stukken eerste aanleg), kosten van een re-integratiebureau voor ‘Spoor II’ ad € 3.623,95, loonschade ad € 15.913,35, een en ander te vermeerderen met 30% volgens de beslagsyllabus, derhalve een bedrag van € 40.054,55.

[appellante] heeft er daarbij op gewezen dat [geïntimeerde] zelf heeft verklaard door haar spaargeld heen te zijn en hoge financiële verplichtingen te hebben ter zake van juridische kosten aan mr. [voormalig juridisch adviseur] ad € 17.000,- en aan mr. Van Tol van circa € 20.000,-.

[appellante] stelde recht en belang te hebben bij het veilig stellen van verhaal voor de door haar geleden schade.

3.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot verlof tot het leggen van conservatoir derdenbeslag afgewezen en daarbij overwogen dat [appellante] ter onderbouwing van haar grondslag verwijst naar productie 36 van het verzoekschrift, alsmede naar de zitting van 11 juli 2019 bij dit gerechtshof, waar [geïntimeerde] zou hebben erkend dat haar voormalig juridisch adviseur mr. [voormalig juridisch adviseur] de kwade genius was voor wat betreft de beschuldigingen. De voorzieningenrechter heeft vervolgens overwogen dat uit de overgelegde productie 36 enkel blijkt dat [geïntimeerde] haar juridisch adviseur verwijt dat het aankaarten van de seksuele intimidatie niet de juiste strategie was. Nu er verder geen proces-verbaal van de zitting bij het hof van 11 juli 2019 is overgelegd, ontbreekt een onderbouwing van de stelling dat [geïntimeerde] erkent dat de seksuele intimidatie niet heeft plaatsgevonden en dat dit enkel een verzinsel is geweest van mr. [voormalig juridisch adviseur] . De vordering is derhalve niet summierlijk gebleken, aldus de voorzieningenrechter.

3.3.

Tegen deze uitspraak van de voorzieningenrechter komt [appellante] thans in hoger beroep. Ter zitting in hoger beroep zijn de standpunten over en weer nader toegelicht. Het hof zal die standpunten per geschilpunt bespreken.

3.4.

Het hof overweegt het volgende.

Het principaal appel van [appellante]

3.4.1.

Bij de beoordeling van een verzoek tot verlofverlening teneinde conservatoir beslag te mogen leggen (onder een derde) dient allereerst aan alle formele vereisten te worden voldaan. Deze voorwaarde acht het hof vervuld. Bij de inhoudelijke beoordeling dient het hof zich te buigen over de vraag of het verzoek hem na summier onderzoek (artikel 700 Rv) gegrond voorkomt. Hierbij dienen de belangen van de verzoeker en die van de gerekestreerde/geïntimeerde summierlijk zo goed mogelijk te worden afgewogen. De verzoeker dient ook aannemelijk te maken dat hij een vordering heeft op de (aankomend) beslagene.

3.4.2.

[appellante] baseert haar claim – zo begrijpt het hof – op de mededelingen van [geïntimeerde] zelf die zowel in haar brief aan haar toenmalige raadsman mr. [voormalig juridisch adviseur] als ter zitting bij dit hof in de bodemzaak d.d. 11 juli 2019 zou hebben toegegeven dat zij directeur [directeur] ten onrechte zou hebben beschuldigd van seksuele intimidatie (beroepschrift: ‘beschuldiging aangaande seksuele intimidatie is geuit op instigatie van [voormalig juridisch adviseur] teneinde te trachten een billijke vergoeding te verkrijgen’). [geïntimeerde] betwist dat ze [directeur] ten onrechte heeft beschuldigd van seksuele intimidatie; wel erkent [geïntimeerde] dat ze op aanraden van haar voormalig adviseur mr. [voormalig juridisch adviseur] dit argument heeft gebruikt.

3.4.3.

In de betreffende brief van [geïntimeerde] aan mr. [voormalig juridisch adviseur] (ongedateerd, productie 6 bij het beroepschrift) staat onder meer:

(…)

De zaak is, mede dankzij het op jouw advies steeds aangeven van zelf ontslag nemen en het aankaarten van de seksuele intimidatie, compleet geëscaleerd (…)

  • -

    Ook de brief die ik op 8 mei 2018 persoonlijk aan de heer [directeur] heb voorgelezen (waarin ook de handtastelijkheden ter sprake worden gebracht) is op jouw advies en aandringen aan de advocaat aan de werkgever gestuurd (…)

  • -

    Je hebt me niet gewezen op de gevolgen van het nasturen van deze brief (o.a. het starten van een onderzoek naar seksuele intimidatie door de werkgever) en je hebt vooraf geen afwegingen gemaakt om dit wel of niet te doen;

  • -

    Je hebt van tevoren niet gekeken hoe groot de bewijslast was, zowel van de overuren als van de seksuele intimidatie. Je hebt je gelijk agressief naar de werkgever toe opgesteld en steeds aangegeven dat ik zelf ontslag wou nemen.

(…)

3.4.4.

In het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep in de bodemzaak d.d. 11 juli 2019 (productie 3 bij het verweerschrift tevens beroep in incidenteel appel) wordt door [geïntimeerde] niet gesproken over de vermeende seksuele intimidatie, anders dan dat zij een brief aan [directeur] op 8 mei 2018 heeft voorgelezen-.

Desgevraagd ter zitting heeft mr. Meegdes verklaard dat hij het hof niet heeft gevraagd om een herstel of aanvulling van het proces-verbaal.

3.4.5.

Anders dan door [appellante] is aangevoerd, ziet het hof in genoemde brief en proces-verbaal geen onderbouwing van de stelling dat [geïntimeerde] zelf zou hebben verklaard dat zij directeur [directeur] ten onrechte zou hebben beschuldigd van seksuele intimidatie; uit de brief blijkt enkel dat [geïntimeerde] op aanraden van mr. [voormalig juridisch adviseur] ervoor gekozen heeft de door haar gestelde seksuele intimidatie te noemen in het kader van (eerst) het re-integratietraject en (later) het tussen haar en haar werkgever gerezen arbeidsconflict.
Over dat arbeidsconflict is door dit hof op 29 augustus 2019 geoordeeld, alsook over de betekenis van de beschuldigingen van seksuele intimidatie (r.o. 3.4.4. en 3.5.4) in het kader van het arbeidsconflict. Hierbij heeft het hof geoordeeld dat geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] .
Er blijkt derhalve niet (summierlijk) van enige door [geïntimeerde] gepleegde onrechtmatige daad. De vordering van [appellante] is derhalve niet summierlijk onderbouwd en niet aannemelijk geworden. Het verzoek tot verlof tot het leggen van conservatoir derdenbeslag wordt derhalve afgewezen.

Hetgeen door [geïntimeerde] ten aanzien van de schadeposten en belangenafweging nog is aangevoerd, behoeft – gelet op de afwijzing van het verzoek – geen bespreking meer.

3.4.6.

Namens [appellante] is nog aangeboden om getuigen te horen die aanwezig waren op de zitting bij dit hof in de bodemzaak op 11 juli 2019. Deze getuigen zouden kunnen verklaren dat [geïntimeerde] wel degelijk ter zitting zou hebben verklaard dat ze [directeur] ten onrechte heeft beschuldigd van seksuele intimidatie. Namens [geïntimeerde] is een aanbod gedaan om getuigen, waaronder mr. Van Tol zelf, te horen teneinde te verklaren dat [geïntimeerde] dit niet heeft verklaard ter zitting. Het hof passeert beide bewijsaanbiedingen, mede gezien de aard van de behandeling in het kader van een beslagverzoek in hoger beroep. Het hof gaat voorshands uit van de tekst van het proces-verbaal van 11 juli 2019 zoals dit door de voorzitter en de griffier is opgemaakt en ondertekend. Zolang geen van partijen heeft verzocht dit proces-verbaal te laten rectificeren, mag en zal het hof uitgaan van hetgeen daarin is weergegeven.

3.4.7.

Door [geïntimeerde] is in het verweerschrift onder de punten 10 en 11 nog verzocht uit hoofde van artikel 21 Rv wegens het geven van ‘een verkeerde voorstelling van zaken’ conclusies te trekken die het hof passend vindt. In ieder geval verzoekt [geïntimeerde] het hof over te gaan tot een integrale vergoeding van de reële proceskosten. Ten aanzien van de proceskosten zal het hof hieronder beslissen. Nu het hof reeds tot afwijzing van het verzoek van [appellante] komt, ziet het hof geen aanleiding tot enige andere beslissing op dit punt.

Het incidenteel appel van [geïntimeerde]

3.5.1

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] – na wijziging van haar verzoek ter zitting in hoger beroep waarbij het verzoek om een cassatieverbod (betreffende de beschikking van dit hof van 29 augustus 2019) is ingetrokken – verzocht om een procedeerverbod waarbij het [appellante] verboden zou moeten worden om [geïntimeerde] te dagvaarden en in rechte te betrekken voor het plegen van een onrechtmatige daad en het verkrijgen van schadevergoeding van [geïntimeerde] , alsmede om een beslagverbod, een en ander als is omschreven op pagina 7 van het beroepschrift. Tevens wordt verzocht om een kostenveroordeling van de reële proceskosten. [geïntimeerde] voert hiertoe aan dat er sprake is van bijzondere omstandigheden welke door [appellante] zijn veroorzaakt en die ertoe leiden dat gesproken kan worden van onrechtmatig gedrag van [appellante] dan wel misbruik van procesrecht door het instellen van het onderhavige verzoek in hoger beroep. [appellante] schaadt daarmee niet alleen het belang van [geïntimeerde] , maar ook het algemeen belang. De toegang tot de rechtspraak is immers niet bedoeld om lichtzinnig mee om te gaan of onwaarheden ten grondslag te leggen aan vorderingen, aldus [geïntimeerde] (punt 31 e.v. van het verweerschrift).

3.5.2.

Met [appellante] , die dit punt als primair verweer heeft opgevoerd, is het hof van oordeel dat artikel 362 Rv al in de weg staat dat aan een ‘zelfstandig tegenverzoek’ eerst in hoger beroep. Dit betekent dat [geïntimeerde] in hoger beroep geen verzoeken mag indienen die niet al verband houden met hetgeen in eerste aanleg door één der partijen naar voren is gebracht. Dit verzoek (procedeerverbod) kan reeds daarom niet worden toegewezen.

Dit verbod geldt niet voor zover het betrekking heeft op een verzoek tot vergoeding van (de reële) proceskosten in principaal appel, nu het punt van de proceskosten in beginsel in elke procedure (op tegenspraak of anderszins) speelt en altijd om een vergoeding kan worden gevraagd en derhalve niet als zelfstandig tegenverzoek als bedoeld in artikel 362 Rv heeft te gelden. Het hof is in verzoekschriftprocedures zelfs bevoegd ambtshalve een (reële) proceskostenveroordeling uit te spreken (art. 289 Rv). Op het punt van de proceskosten zal het hof verderop ingaan.

3.5.3.

Voor zover artikel 362 Rv niet zou opgaan omdat [geïntimeerde] in deze zaak in eerste aanleg niet is gehoord als partij, nu het een verzoek tot verlof voor beslaglegging betreft dat in eerste aanleg ex parte is beoordeeld, en het hier derhalve de facto om een verzoek in eerste aanleg zou gaan, overweegt het hof als volgt. De aard van de zaak – wel of geen conservatoir derdenbeslag toestaan door de voorzieningenrechter – verzet zich tegen een tegenverzoek (procedeerverbod) dat inhoudelijk zozeer afwijkt van de onderhavige hoofdkwestie, dat in feite een totaal andere procedure wordt gestart. Bovendien dient een eis tot een procedeerverbod bij dagvaarding te worden aangebracht. Ook om die reden kan het verzoek niet worden toegewezen.

3.5.4.

Voorts verzet artikel 6 EVRM zich tegen een procedeerverbod, nu in dit artikel wordt bepaald dat bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en plichten een ieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn en door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij wet is ingesteld. Weliswaar zijn daarop uitzonderingen denkbaar, zoals wanneer sprake zou kunnen zijn van misbruik van procesrecht c.q. het systematisch onrechtmatig instellen van vorderingen, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, die in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan echter pas sprake zijn als de eiser (verzoeker) zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans op slagen hadden (zie bijvoorbeeld GHARL 1 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7369). Naar het oordeel van het hof is deze situatie thans in algemene zin, in die zin dat [appellante] thans reeds het aanhangig maken van iedere procedure tegen [geïntimeerde] moet worden verboden, echter (nog) niet aanwezig. Dit hoewel het hof niet uitsluit dat een dergelijk scenario zich in het conflict tussen [appellante] en [geïntimeerde] in de toekomst nog wel zou kunnen voordoen. Vooralsnog dient naar het oordeel van het hof echter de bescherming van artikel 6 EVRM de boventoon te voeren. Het voorgaande geldt eveneens voor (in algemene zin) het [appellante] verbieden verzoeken tot beslaglegging gericht tegen [geïntimeerde] in te dienen, waarbij overigens door [appellante] terecht is opgemerkt dat deze verzoeken ook nog beoordeeld worden door een rechter, zij het vaak ex parte.

Proceskosten

3.6.1.

Ten aanzien van een verzoek van [geïntimeerde] tot toewijzing van reële proceskosten in het principale appel heeft de Hoge Raad in zijn arrest d.d. 15 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2366) ten aanzien van toewijzing van reële proceskosten het volgende overwogen:

“3.5.2 Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 12 juni 2015,

ECLI:NL:HR:2015:1600, NJ 2016/380 (K./Rabobank), volgt uit art. 241 Rv en de toelichting op het daarmee corresponderende art. 57 lid 6 (oud) Rv (Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 36) dat de art. 237-240 Rv, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling bevatten van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Deze regeling derogeert ingevolge art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv aan art. 6:96 lid 2 BW. Zij derogeert eveneens aan het uitgangspunt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, volledig te vergoeden.

Het voorgaande neemt evenwel niet weg dat, zoals in voormelde toelichting wordt opgemerkt, een volledige vergoedingsplicht (ter zake van proceskosten) denkbaar is, doch alleen in 'buitengewone omstandigheden', waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Hieromtrent is in het arrest HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012/233 (Duka/Achmea) overwogen dat pas sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (als grond voor een vergoedingsplicht ter zake van alle in verband met een procedure gemaakte kosten), als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.

Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.

3.6.2.

Het is het hof gebleken dat [appellante] zich niet volledig heeft gehouden aan de waarheidsplicht als vereist in artikel 21 Rv. De door [appellante] gestelde onrechtmatige daad is voor de helft gestoeld op een mededeling van [geïntimeerde] die zou moeten blijken uit het proces-verbaal d.d. 11 juli 2019 in de hoofdzaak, welk proces-verbaal vervolgens niet door [appellante] zelf is overgelegd. Desgevraagd is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat door de advocaat van [appellante] het proces-verbaal ook niet op voorhand is opgevraagd is bij het hof. Toen namens [geïntimeerde] genoemd proces-verbaal vervolgens wel werd overgelegd, bleek een dergelijke mededeling van [geïntimeerde] in het proces-verbaal in het geheel niet terug te vinden te zijn. Met andere woorden, de stelling van [appellante] bleek in het geheel niet gebaseerd te kunnen worden op genoemd proces-verbaal. [appellante] heeft echter niet de moeite genomen om de grondslag van haar stellingen aan te passen. Ook heeft [appellante] niet de moeite genomen om aanpassing c.q. correctie te vragen van dat proces-verbaal, ondanks dat in deze zaak is aangevoerd dat het proces-verbaal op dit punt niet volledig zou zijn vanwege hetgeen de directeur van [appellante] en de aanwezige toehoorders aan haar zijde stellen te hebben gehoord.

3.6.3.

Ook ten aanzien van door [appellante] opgevoerde schadepost ‘Kosten voor het re-integratiebureau in spoor II’ ad € 3.623,95 blijkt de gestelde hoogte niet te kloppen. Directeur [directeur] heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat het integratiebureau uiteindelijk slechts circa € 2.000,- in rekening heeft gebracht omdat het traject uiteindelijk niet (althans niet volledig) heeft plaatsgevonden. Hoewel het hof wil aannemen dat mr. Meegdes hiervan niet op de hoogte was, zoals hij ter zitting heeft verklaard, had het op de weg van [appellante] gelegen om het hof (en in eerste aanleg de rechtbank) uit eigen beweging hierover te informeren en niet eerst nadat de wederpartij – die in eerste aanleg niet is gehoord - hierop de aandacht vestigde. Het hof wijst erop dat partijen, en zeker een partij die beslag wenst te leggen middels de gebruikelijk ex parte gevoerde procedure, de rechter (in casu het hof), verplicht zijn uit hoofde van artikel 21 Rv de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Nu dit niet gebeurd is mag het hof hieruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

3.6.4.

Daar komt nog bij dat ter zitting in hoger beroep namens [geïntimeerde] is aangevoerd dat het geld dat onder deurwaarder [gerechtsdeurwaarder] lag, inmiddels is doorgestort naar [geïntimeerde] zelf. Namens [appellante] is deze mededeling niet betwist. Er is onder deurwaarder [gerechtsdeurwaarder] dus feitelijk geen conservatoir derdenbeslag meer mogelijk en een verlof daartoe zou geen doel treffen. Daarmee ontbreekt het belang dat [appellante] heeft bij het handhaven van het onderhavige appel.

3.6.5.

Ondanks dit gebrek aan belang en de schorsing ter overleg die het hof daarop aan [appellante] heeft gegeven, is dit hoger beroep door [appellante] doorgezet. De handhaving van het hoger beroep is namens [appellante] gemotiveerd door te stellen dat er meerdere zaken lopen tegen [geïntimeerde] en dat het niet ondenkbaar is dat één van partijen in één van die andere zaken geld dient te storten onder deurwaarder [gerechtsdeurwaarder] . Het hof wijst er echter op dat het niet zeker is dat in de toekomst geen gebruik zal worden gemaakt van een andere deurwaarder. Bovendien kan niet zonder meer beslag worden gelegd op te betalen gelden uit hoofde van een andere (toekomstige) rechtsverhouding. Zoals namens [appellante] ter zitting ook is toegegeven, speelt één van de rechtszaken tussen [geïntimeerde] en de heer [directeur] in privé en niet tussen [geïntimeerde] en [appellante] . Er is ook niet gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] een permanente relatie heeft met deurwaarder [gerechtsdeurwaarder] .

3.6.6.

In het licht van hetgeen hierboven is overwogen, te weten een door [appellante] ingestelde oneigenlijke procedure op een oneigenlijke manier, alsmede de vele reeds gevoerde procedures tussen [appellante] en [geïntimeerde] , is het hof met [geïntimeerde] van oordeel dat er sprake is van ‘buitengewone omstandigheden’ als bedoeld in het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2015 en 15 september 2017. Het hof zal het verzoek tot vergoeding van de reële proceskosten (inclusief het verschuldigde griffierecht) in het kader van het principaal appel dan ook toewijzen, een en ander als aangegeven door [geïntimeerde] .

Dit nu [appellante] de opgevoerde omvang van de kosten als zodanig niet heeft betwist.

Deze veroordeling in principaal appel, vermeerderd met wettelijke rente als gevorderd vanaf het aan te geven moment, zal het hof conform verzoek uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

3.7.

In het incidenteel appel zal het hof [geïntimeerde] veroordelen in de kosten, als te begroten aan de hand van het liquidatietarief, derhalve op de helft van één punt in tarief II, nu het incidenteel appel betreft. Ook deze proceskostenveroordeling in incidenteel appel, vermeerderd met wettelijke rente als gevorderd vanaf het aan te geven moment zal het hof uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

3.8

Het hof zal (de verzoeken in) het principaal appel afwijzen en de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. In het incidenteel appel zal het hof de verzoeken niet ontvankelijk verklaren.

Voorts wordt [appellante] veroordeeld in de reële proceskosten in het hoger beroep in principaal appel en [geïntimeerde] in de geliquideerde kosten van het incidenteel appel.

4 De beslissing

Het hof:

in het principaal appel:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

in het incidenteel appel:

verklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk;

ten aanzien van de proceskosten:

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep in principaal appel, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 324,- aan griffierecht en op € 3.175,22 (inclusief btw) aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het hoger beroep in incidenteel appel, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 537,= aan salaris advocaat en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening

verklaart deze veroordelingen ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, A.P. Zweers-van Vollenhoven en M. Breur en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2019.