Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4009

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
20-002336-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:6474, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Doodslag, bedreiging, winkeldiefstal met geweld, medeplegen van poging tot zware mishandeling en poging tot mishandeling, winkeldiefstal en wederspannigheid. Beroep op (putatief) noodweer en (putatief) noodweerexces verworpen. Willens en wetens aangaan van de gewelddadige confrontatie met het latere slachtoffer. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en zes maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Parketnummer : 20-002336-17

Uitspraak : 30 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 7 juli 2017 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 03-700358-15 en 03-700572-14, alsmede de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders onder parketnummer 03-700118-13, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1984,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Limburg-Zuid –

gevangenis ‘De Geerhorst’ te Sittard.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van hetgeen onder feit 3 primair, feit 7, feit 8 primair, feit 8 subsidiair en feit 9 primair in de zaak met parketnummer 03-700358-15 aan hem ten laste is gelegd. De rechtbank heeft het onder feit 1, feit 2, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 5, feit 8 meer subsidiair en feit 9 subsidiair in de zaak met parketnummer 03-700358-15, alsmede het onder feit 1 en feit 2 in de zaak met parketnummer 03-700572-14 ten laste gelegde bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als:
- ‘doodslag’ (feit 1 in de zaak met parketnummer 03-700358-15);
- ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ (feit 2 in de zaak met parketnummer 03-700358-15);
- telkens ‘mishandeling’ (feit 3 subsidiair en feit 4 in de zaak met parketnummer 03-700358-15);
- ‘diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren’ (feit 5 in de zaak met parketnummer 03-700358-15);
- ‘medeplegen van mishandeling’ (feit 8 meer subsidiair in de zaak met parketnummer 03-700358-15);
- ‘medeplegen van poging tot zware mishandeling’ (feit 9 subsidiair in de zaak met parketnummer 03-700358-15);
- ‘diefstal’ (feit 1 in de zaak met parketnummer 03-700572-14) en
- ‘wederspannigheid’ (feit 2 in de zaak met parketnummer 03-700572-14),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

Voorts heeft de rechtbank de schorsing van het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 03-700358-15 opgeheven en het tegen de verdachte verleende (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 03-700572-14 opgeheven. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders onder parketnummer 03-700118-13 is afgewezen. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] is integraal toegewezen tot een bedrag van € 1.799,07, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] is afgewezen. Ten slotte is de teruggave aan de bij naam genoemde rechthebbende gelast van een inbeslaggenomen cd-rom en dvd en is de bewaring gelast van een blikje bier ten behoeve van de rechthebbende.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van het onder feit 7 in de zaak met parketnummer 03-700358-15 ten laste gelegde. Bij appelakte van 21 juli 2017 is deze vrijspraak uitgezonderd van het hoger beroep. Mitsdien is het onder feit 7 ten laste gelegde niet in hoger beroep aan de orde.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, het onder feit 1, feit 2, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 5, feit 8 meer subsidiair en feit 9 subsidiair in de zaak met parketnummer 03-700358-15, alsmede het onder feit 1 en feit 2 in de zaak met parketnummer 03-700572-14 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] is geconcludeerd tot integrale toewijzing. De benadeelde partij [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] dient in de visie van het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Ten slotte is gerequireerd tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders en is verzocht op het beslag te beslissen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.

De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit van het onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 8 en feit 9 in de zaak met parketnummer 03-700358-15 ten laste gelegde, alsmede partiële vrijspraak van het onder feit 5 in die zaak ten laste gelegde. Ter zake van het onder feit 1 en feit 2 in de zaak met parketnummer 03-700572-14 ten laste gelegde heeft de verdediging zich, zo begrijpt het hof, gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-700358-15 onder feit 1 ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een beroep toekomt op (putatief) noodweer dan wel noodweerexces. Tevens is met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 03-700358-15 onder feit 8 ten laste gelegde betoogd dat de verdachte uit zelfverdediging heeft gehandeld. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] is primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof. De verdediging heeft voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] primair betoogd dat deze daarin niet kan worden ontvangen en subsidiair is verzocht om deze vordering af te wijzen. In de visie van de verdediging dient de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders primair te worden afgewezen en subsidiair is verzocht daarvan de tenuitvoerlegging te gelasten voor de duur van één jaar, met aftrek van voorarrest.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 03-700358-15:

1.
hij op of omstreeks 22 juli 2015 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Limburg, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door voornoemde [slachtoffer 1] een of meerdere malen met een mes, in elk geval een steekwapen, te steken;

2.
hij op of omstreeks 8 mei 2015 te Maastricht, [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik vermoord je familie" en/of "Ik begin met je moeder aan stukken te snijden" en/of "Ik maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.
hij op of omstreeks 31 december 2015 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal (met gebalde vuist) tegen het gezicht en/of het lichaam heeft geslagen en/of meerdere malen, althans eenmaal, heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 31 december 2015 in de gemeente Maastricht, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3] ) meermalen, althans eenmaal (met gebalde vuist) tegen het gezicht en/of lichaam heeft geslagen en/of meermalen, althans eenmaal, heeft geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.
hij op of omstreeks 31 december 2015 in de gemeente Maastricht, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 4] ) een kopstoot tegen het gezicht/hoofd heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.
hij op of omstreeks 3 maart 2015 in de gemeente Maastricht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een blender en/of een ander(e) goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Blokker, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [bedrijfsleider Blokker] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij voornoemde [bedrijfsleider Blokker] heeft (weg)geduwd;

8.
hij op of omstreeks 5 april 2015 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] opzettelijk van het leven te beroven, met voornoemd opzet die [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd heeft geschopt en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht en/of in de/een arm(en) en/of in de hand(en) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 5 april 2015 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met voornoemd opzet die [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd heeft geschopt en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht en/of in de/een arm(en) en/of in de hand(en) heeft gestoken en/of die [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] meermalen, althans eenmaal, heeft geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 april 2015 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, in elk geval alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] ) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd heeft geschopt en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht en/of in de/een arm(en) en/of in de hand(en) heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

9.
hij op of omstreeks 5 april 2015 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met voornoemd opzet die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in een bovenarm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 5 april 2015 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met voornoemd opzet die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in een bovenarm heeft gestoken en/of die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of die [slachtoffer 1] een kniestoot (in het gezicht) heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 5 april 2015 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1] ) meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in een bovenarm heeft gestoken en/of die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of die [slachtoffer 1] een kniestoot (in het gezicht) heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

in de ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde zaak met parketnummer 03-700572-14:

1.
hij op of omstreeks 15 september 2014 in de gemeente Maastricht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
- diverse verpakkingen gezichtsverzorging en/of
- diverse stuks mascara en/of
- diverse elektrische tandenborstels,
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Kruidvat, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.
hij op of omstreeks 25 december 2014 in de gemeente Maastricht, toen een aldaar dienstdoende politieambtenaar (te weten [hoofdagent] , hoofdagent van politie) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en), had aangehouden en/of had vastgegrepen, althans vast had, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft verzet door te slaan in de richting van die opsporingsambtenaar en/of te rukken en/of te trekken en/of te bewegen in een richting tegengesteld aan die waarin die opsporingsambtenaar verdachte trachtte te geleiden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Het hof merkt op dat de nummering van de tenlastegelegde feiten in de zaak met parketnummer 03-700358-15 niet geheel doorloopt. Immers, feit 6 ontbreekt op de dagvaarding. Aangezien zowel bij de rechtbank als bij het hof van deze nummering is uitgegaan, zal het hof in dit arrest die nummering eveneens tot uitgangspunt nemen. Derhalve is deze doornummering niet verbeterd.

Vrijspraken

A.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-700358-15 onder feit 3 primair, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 8 primair, feit 9 primair en feit 9 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.


A.1 Vrijspraak van de (poging tot zware) mishandelingen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] (feiten 3 en 4 onder parketnummer 03-700358-15)
Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat aangever [slachtoffer 3] en zijn zoon [slachtoffer 4] op 31 december 2015 zijn mishandeld door een man.

Het hof is niet tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de persoon is geweest die de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Uit de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] blijkt dat zij de dader niet kenden. Uit de verklaring van [echtgenote slachtoffer 3] , de echtgenote van [slachtoffer 3] en moeder van [slachtoffer 4] , volgt dat zij van haar andere zoon, [zoon van slachtoffer 3 en echtgenote] , vernam dat het om een zekere [naam] zou gaan. Een vriend van haar man zou nadien hebben gezegd dat die man niet [naam] heet maar [voornaam verdachte] . [zoon van slachtoffer 3 en echtgenote] zou toen hebben gezegd dat de man inderdaad [voornaam verdachte] heet. Ook uit de verklaring van [slachtoffer 4] blijkt dat zij nadien de gegevens van de dader hebben gekregen van een vriend van [slachtoffer 3] . De ‘onbekende jongen’ zou volgens deze vriend de zoon van de achterburen zijn en zou [voornaam verdachte] zou heten. Uit het onderzoek blijkt echter niet hoe de betreffende vriend aan deze gegevens van de dader is gekomen en waarop zijn conclusie is gebaseerd dat het zou gaan om een persoon met de naam [voornaam verdachte] en dat het een zoon is van de achterburen. Ook [zoon van slachtoffer 3 en echtgenote] is niet door de politie als getuige over de herkenning van de dader gehoord. Voorts merkt het hof op dat door [slachtoffer 4] weliswaar het adres [adres 1] te Maastricht is genoemd als het adres van [voornaam verdachte] en dat verdachte in die tijd inderdaad op dit adres verbleef, doch het door [slachtoffer 4] genoemde adres lijkt te zijn gebaseerd op de gegevens die door de vriend van zijn vader zijn verstrekt.

Nu het hof niet tot de overtuiging is gekomen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zal het hof de verdachte vrijspreken van hetgeen onder feit 3 primair, feit 3 subsidiair en feit 4 aan hem ten laste is gelegd.

A.2 Vrijspraak van het medeplegen van poging tot doodslag van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] (feit 8 primair)

Uit de verklaring van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] is gebleken dat bij een vechtpartij waarbij [medeverdachte] en de verdachte waren betrokken, door [medeverdachte] in zijn, [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] ’s, richting stekende bewegingen zijn gemaakt met een mes en dat hij daarbij is geraakt op zijn voorhoofd. Hoewel de verdachte betrokken was bij de vechtpartij, heeft het hof onvoldoende aanwijzingen dat de verdachte dit feit tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft gepleegd. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van deze tenlastegelegde geweldshandeling.

Tijdens de vechtpartij is [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] door de verdachte en/of [medeverdachte] tegen zijn hoofd geschopt en in zijn gezicht geslagen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat daarbij niet is komen vast te staan dat door dit handelen de kans op overlijden aanmerkelijk was. Aldus kan niet worden vastgesteld dat de verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met zijn mededader [medeverdachte] , opzet had op de dood van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] .

Bij die stand van zaken kan het onder feit 8 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend worden bewezen. Mitsdien zal het hof de verdachte daarvan vrijspreken.

A.3 Vrijspraak van poging tot doodslag dan wel zware mishandeling van [slachtoffer 1] (feit 9 primair en feit 9 subsidiair)
Hoewel de verdachte betrokken was bij de vechtpartij met [slachtoffer 1] , heeft het hof voor wat betreft het steken met het mes of een soortgelijk voorwerp door [medeverdachte] onvoldoende aanwijzingen dat de verdachte dit feit tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft gepleegd. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte wist dat [medeverdachte] een dergelijk voorwerp bij zich had en bij de vechtpartij zou gebruiken.

Uit de bewijsmiddelen volgt, zoals tevens hierna onder C.5 zal worden vastgesteld, dat [slachtoffer 1] op 5 april 2015 door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] is geslagen en dat hem een kniestoot in het gezicht is gegeven. Het hof is van oordeel dat, bij gebreke aan nadere gegevens, het slaan en het geven van een kniestoot in het gezicht niet zonder meer de aanmerkelijke kans oplevert dat [slachtoffer 1] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Aldus schiet het bewijs tekort voor zowel het onder feit 9 primair tenlastegelegde medeplegen van de poging om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, alsmede voor het onder feit 9 subsidiair tenlastegelegde medeplegen van de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] , om welke reden het hof de verdachte daarvan zal vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-700358-15 onder feit 1, feit 2, feit 5, feit 8 subsidiair en feit 9 meer subsidiair en in de zaak met parketnummer 03-700572-14 onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

in de zaak met parketnummer 03-700358-15:

1.
hij op 22 juli 2015 in de gemeente Maastricht, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door voornoemde [slachtoffer 1] meerdere malen met een mes te steken;

2.
hij op 8 mei 2015 te Maastricht, [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.
hij op 3 maart 2015 in de gemeente Maastricht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een blender, toebehorende aan Blokker, welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [bedrijfsleider Blokker] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij voornoemde [bedrijfsleider Blokker] heeft weggeduwd;

8. subsidiair
hij op 5 april 2015 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met voornoemd opzet die [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] met kracht tegen het hoofd heeft geschopt en die [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

9. meer subsidiair
hij op 5 april 2015 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1] ) meermalen heeft geslagen en die [slachtoffer 1] een kniestoot in het gezicht heeft gegeven, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

in de ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde zaak met parketnummer 03-700572-14:

1.
hij op 15 september 2014 in de gemeente Maastricht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
- diverse verpakkingen gezichtsverzorging en
- diverse stuks mascara en
- diverse elektrische tandenborstels,
toebehorende aan Kruidvat;

2.
hij op 25 december 2014 in de gemeente Maastricht, toen een aldaar dienstdoende politieambtenaar (te weten [hoofdagent] , hoofdagent van politie) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit, had aangehouden en had vastgegrepen, althans vast had, zich met geweld tegen genoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft verzet door te slaan in de richting van die opsporingsambtenaar en te rukken en te trekken en te bewegen in een richting tegengesteld aan die waarin die opsporingsambtenaar verdachte trachtte te geleiden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Verweren van de verdediging

B.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit van het onder feit 1, feit 2, feit 8 en feit 9 in de zaak met parketnummer 03-700358-15 ten laste gelegde. De verdediging heeft voorts verzocht de verdachte partieel vrij te spreken van het onder feit 5 ten laste gelegde, namelijk van de geweldshandeling waarmee de diefstal zou zijn gepleegd. In de kern is daartoe – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – het volgende aangevoerd.


B.1 Geen (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer 1] (feit 1 onder parketnummer 03-700358-15)

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met (voorwaardelijk) opzet heeft gehandeld, omdat hij in doodsangst en paniek was. Uit hetgeen deskundige drs. [deskundige] ten overstaan van het hof heeft verklaard maakt de verdediging op dat wanneer men in doodsangst of hevige paniek komt te verkeren, het zogenaamde ‘reptielenbrein’ (een overlevingsmechanisme) het handelen van een mens overneemt. Er ontstaat dan automatisch een zogenaamde ‘fight flight freeze-reactie’, waarbij men niet anders kan dan vechten, vluchten of bevriezen. Van die keuze is men zich niet bewust. Onder verwijzing naar de uitwerkingen van de verbatim verhoren van de verdachte van 23 en 25 juli 2015 is de verdediging de mening toegedaan dat de verdachte, op het moment van het meermalen steken met het mes, in doodsangst en paniek verkeerde en dat zijn handelen aldus was ingegeven door genoemde biologisch bepaalde reactie, waardoor niet kan worden bewezen dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer 1] bewust heeft aanvaard.

B.2 Betrouwbaarheidsverweer bedreiging [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] (feit 2 onder parketnummer 03-700358-15)
De verdediging betwist de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] en getuige [vriendin medeverdachte] , aangezien zij volgens de raadsman anders hebben verklaard ten overstaan van de rechter-commissaris dan bij gelegenheid van hun verhoor door de politie. Meer specifiek heeft [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij niet hoorde wat de verdachte zou hebben geschreeuwd door het lawaai van zijn scooter en doordat hij zijn helm droeg. Subsidiair is de verdediging de mening toegedaan dat uit beide verklaringen niet de overtuiging kan worden bekomen dat de verdachte de bedreiging aan het adres van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft geuit.

B.3 Geen medeplegen van een winkeldiefstal met geweld bij de Blokker te Maastricht (feit 5 onder parketnummer 03-700358-15)

In de visie van de verdediging kan niet worden bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander de blender heeft meegenomen. De enkele aanwezigheid van de oudere man [betrokkene] ten tijde van het ten laste gelegde en het zich mogelijk niet distantiëren van handelingen van de verdachte, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beiden.

B.4 Onvoldoende bewijs voor het medeplegen van een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] (feit 8 subsidiair onder parketnummer 03-700358-15)

De raadsman heeft betoogd dat er onvoldoende bewijs is voor het schoppen tegen het hoofd en het slaan van aangever [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] . Enkel aangever [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft over het slaan verklaard. Voorts is, al zou daarvan wel sprake zijn, niet gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met [medeverdachte] bij het schoppen of trappen tegen het lichaam van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] . Bovendien is niets bekend over de manier waarop er is getrapt en de kracht waarmee zou zijn getrapt, zodat dit trappen geen poging tot zware mishandeling kan opleveren.

B.5 Geen medeplegen van de mishandeling van [slachtoffer 1] (feit 9 meer subsidiair onder parketnummer 03-700358-15)

Op grond van de aangifte van [slachtoffer 1] , de geneeskundige verklaring betreffende het door [slachtoffer 1] opgelopen letsel, de verklaring van de getuige onder nummer en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] , zou volgens de raadsman tot een bewezenverklaring kunnen worden gekomen dat [medeverdachte] het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem te steken in zijn bovenarm. Dat de verdachte die geweldshandeling heeft medegepleegd, is naar de mening van de verdediging echter onvoldoende aannemelijk geworden.

Bewijsoverwegingen


C.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen. Het hof zal hierna tevens ingaan op de door de verdediging gevoerde bewijsverweren.


C.1 Doodslag op [slachtoffer 1] (feit 1 onder parketnummer 03-700358-15) 1
Op 22 juli 2015 omstreeks 23.55 uur zijn verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op verzoek naar de meldkamer naar de [adres 2] te Maastricht gegaan omdat aldaar een steekpartij had plaatsgevonden. Ter plaatse aangekomen troffen verbalisanten een persoon aan die in een grote plas bloed lag. Deze persoon had meerdere snijwonden ter hoogte van zijn rug en nek. Het slachtoffer was nog bij bewustzijn en noemde de naam van de verdachte als de persoon die dit had gedaan. Het slachtoffer is per ambulance overgebracht naar het academisch ziekenhuis te Maastricht.2

Door een getuige, [getuige 1] , werd tegen de politie gezegd dat het slachtoffer [voornaam slachtoffer 1] was genaamd. Deze persoon zou woonachtig zijn op het adres [adres 2] (het hof begrijpt: te Maastricht). Verificatie door de politie in de gemeentelijke basisadministratie wees uit dat op dit adres [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] te Maastricht, stond ingeschreven.3

Op 23 juli 2015 is het slachtoffer [slachtoffer 1] overleden in het academisch ziekenhuis te Maastricht.4 Bij sectie op het lichaam zijn bij het slachtoffer 20 scherprandige huiddefecten (A tot en met R) geconstateerd, alle met uitgebreide omgevende bloeduitstortingen waarvan enkele huiddefecten niet met nietjes gehecht waren.5 Aan de borstkas rechts bevond zich een scherprandige huidperforatie met een lengte van circa 4 centimeter met middenwaarts een stomp uiteinde (letsel D).6 In relatie met dit letsel was er sprake van een doorsteek aan de lever met schamping van het buitenste vlies van de galblaas.7 Hoog aan het bovenbeen rechts was een scherprandige huidperforatie, gegolfd, met een lengte van circa 14 centimeter (letsel F).8 In relatie met dit letsel was er een klieving van een aftakking van de rechterbovenbeenslagader. Het steekkanaal had een lengte van circa 12 centimeter.9 Aan de rug rechts was een scherprandige huidperforatie met een lengte van circa 3,5 centimeter waarbij het uiteinde zijwaarts gehoekt was (letsel M).10 In relatie met dit letsel was er een insteek van de onderkwab van de rechterlong.11 De overige letsels zijn beschreven als: (al dan niet scherprandige) huidklievingen aan de rechterwang (letsel A), aan het achterhoofd op de overgang naar de nek (letsel G), hoog aan de rechterschouder (letsel H) en middenwaarts aan de rug (letsel L); (al dan niet scherprandige) huidperforaties aan de rechteroksel (letsel B), aan de rechteroksel (letsel C) met een doorsteek naar letsel B, hoog aan het bovenbeen rechts (letsel E), aan de rechterarm (letsel I), aan de rechteroksel-rechterbovenarm (letsel J, in verbinding met letsel I: een doorsteek), hoog aan de rug rechts (letsel K), aan de rug rechts (letsel N), aan de buigzijde van het rechterbovenbeen (tweemaal, letsel O en letsel P), een doorsteek aan de rechteroorschelp (letsel Q) en oppervlakkige huidklievingen aan de strekzijde van de linkerhand en van de linkerduim (letsel R). De arts-patholoog M. Buiskool concludeerde dat de 20 scherprandige huidperforaties (steekletsels) en huidklievingen (steek-snijletsels) bij leven zijn ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend geweld. In relatie met de letsels D, F en M zijn vitale structuren geraakt, respectievelijk de lever, een aftakking van de rechterbovenbeenslagader en de onderkwab van de rechterlong, waardoor fors bloedverlies is ontstaan met vochtophoping in de longen als gevolg. Volgens de arts-patholoog wordt het overlijden van het slachtoffer verklaard door algehele weefselschade ten gevolge van fors bloedverlies en longfunctiestoornissen, zowel door het perforerend geweld aan de rechterlong als door de vochtophoping in de longen door longweefselschade in reactie op het forse bloedverlies. De overige letsels kunnen middels bloedverlies hebben bijgedragen aan het overlijden.12 Het intreden van de dood van het slachtoffer wordt verklaard door verwikkelingen ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch meervoudig scherprandig perforerend geweld, ergo ten gevolge van steekverwondingen.13

Door getuige [getuige 1] is verklaard dat zij in de avond van 22 juli 2015 naar de woning van de verdachte aan de [adres 2] (het hof begrijpt: te Maastricht) is gegaan, dat zij zag dat de verdachte en [slachtoffer 1] met elkaar in gevecht zijn geraakt, dat [slachtoffer 1] op een gegeven moment bovenop de verdachte lag, dat zij zag dat de verdachte een spitsvormig mes in zijn hand had, dat zij zag dat [slachtoffer 1] een behoorlijke rugwond had, dat de verdachte op enig moment is weggegaan en dat zij heeft geprobeerd om met een handdoek de wond dicht te drukken en dat [slachtoffer 1] nog heeft gezegd dat hij zich niet kon bewegen en geen lucht kreeg.14

Bij een doorzoeking van de woning van de verdachte aan de [adres 3] te Maastricht op 23 juli 2015 werd een vouwmes met zwart heft met daarop bloedsporen in beslag genomen.15 Uit onderzoek is naar voren gekomen dat bloedsporen zijn aangetroffen met het DNA-profiel van het slachtoffer.16

Het vouwmes had een clip. Het lemmet had een lengte van circa 8 centimeter en een breedte van circa 2,5 centimeter.17


De verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het gevecht met [slachtoffer 1] zijn mes dat met een clipje aan zijn broekzak vast zat, uit zijn broekzak heeft gepakt, dat hij het mes met één hand heeft opengevouwen, dat hij [slachtoffer 1] toen met het mes een aantal keren heeft gestoken (de verdachte noemt dit meerdere keren ‘geprikt’) omdat hij onder [slachtoffer 1] uit wilde, dat hij het steken heel snel achter elkaar heeft gedaan en dat hij [slachtoffer 1] daarbij heeft geraakt in zijn been en zijn rug.18


Ter terechtzitting van de rechtbank heeft de verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft gestoken en dat hij er bij nagedacht heeft om het mes te pakken.19

Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij het mes uit zijn broekzak heeft gepakt, het mes heeft opengeschoven en daarmee [slachtoffer 1] een aantal keren heeft gestoken. Hij heeft [slachtoffer 1] geraakt waar hij kon. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 1] wilde steken om hem, [slachtoffer 1] , van zich af te krijgen.20

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte vele malen in het lichaam van [slachtoffer 1] heeft gestoken en dat hij daarbij [slachtoffer 1] heeft geraakt waar hij kon. Uit het sectierapport komt naar voren dat [slachtoffer 1] onder andere in zijn rug ter hoogte van diens rechterlong, in zijn bovenbeen ter hoogte van een aftakking van een slagader en in de lever is geraakt. Naar algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk dat iemand komt te overlijden ten gevolge van meerdere steken met een mes op plaatsen in het lichaam waar zich vitale organen bevinden. Dit gevolg heeft zich in de onderhavige zaak daadwerkelijk verwezenlijkt.

De vraag die het hof vervolgens dient te beantwoorden is of de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] door de messteken zou komen te overlijden. Gelet op de aard van genoemde gedragingen, die zozeer gericht zijn op het dodelijk verwonden van het slachtoffer en in aanmerking genomen dat de verdachte heeft verklaard dat hij er bij heeft nagedacht om het mes te pakken, dat hij het mes uit zijn broekzak heeft gepakt, dat hij [slachtoffer 1] meerdere malen heeft gestoken, dat hij [slachtoffer 1] heeft geraakt waar hij kon en dat hij heeft gestoken omdat hij onder [slachtoffer 1] uit wilde, acht het hof bewezen dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.

Anders dan de verdediging heeft gesteld, is het hof van oordeel dat een contra-indicatie voor de bewustheid van de aanvaarding van de aanmerkelijke kans – die volgens de raadsman zou bestaan uit een zogenaamde ‘fight flight freeze-reactie’ – geen opgeld doet. Nog daargelaten dat naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat zich bij de verdachte een dergelijke ‘fight flight freeze-reactie’ heeft voorgedaan, volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte bewust het mes uit zijn broekzak heeft gepakt, het mes heeft opengevouwen en vervolgens met het mes [slachtoffer 1] vele malen heeft gestoken omdat hij onder [slachtoffer 1] uit wilde en dat hij [slachtoffer 1] daarbij heeft geraakt waar hij kon. Gelet hierop doet zich hier niet de situatie voor dat bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen ervan heeft ontbroken. Het hof is derhalve van oordeel dat de verdachte met (voorwaardelijk) opzet heeft gehandeld en acht gelet op het vorenoverwogene de onder feit 1 ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.

C.2 Bedreiging van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] (feit 2 onder parketnummer 03-700358-15) 21
Aangever [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft verklaard dat hij op 8 mei 2015 op bezoek ging bij [slachtoffer 1] op het adres [adres 2] te Maastricht. [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] ging daar naartoe op zijn scooter. [vriendin medeverdachte] , de vriendin van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] , zat achterop de scooter. Bij aankomst zag [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] dat de verdachte vrijwel direct uit zijn woning naar buiten kwam gerend, in de richting van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] . [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] hoorde dat de verdachte van alles tegen hem, [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] , schreeuwde, onder andere: ‘Ik maak je kapot’ of iets soortgelijks. [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] voelde zich hierdoor bedreigd en is met zijn vriendin snel de flat van [slachtoffer 1] binnen gegaan.22

Bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] onder andere verklaard dat de verdachte dreigend naar hem en zijn vriendin kwam, van alles naar hen schreeuwde en dingen riep als: ‘Ik had (het hof begrijpt: hak) jullie kapot’.23

Getuige [vriendin medeverdachte] heeft tijdens haar verhoor door de politie verklaard dat zij de partner is van [medeverdachte] , dat zij op 8 mei 2015 met [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] met de brommer naar [slachtoffer 1] , woonachtig aan de [adres 2] in Maastricht, is gereden, dat zij en [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] voor het appartementenblok van [slachtoffer 1] zijn gestopt, dat zij zag dat uit een woning een man naar buiten kwam, dat die man in hun richting kwam gelopen, dat zij hoorde dat de man aan het roepen en het tieren was en dat zij hoorde dat de man riep: ‘We maken u kapot’. Zij zag dat de man [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] en haar, [vriendin medeverdachte] , aankeek. Zij hoorde de man roepen en tieren en zij zag dat de man wild met zijn armen stond te zwaaien. Dit voelde voor [vriendin medeverdachte] als zeer intimiderend. Zij vernam van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] dat de man [verdachte] was.24 Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [vriendin medeverdachte] onder andere verklaard dat de man, van wie zij had gehoord dat dit [verdachte] was, naar hen riep dat hij hen kapot zou maken.25

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij [medeverdachte] kent, dat de laatste keer dat hij [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] zag deze met de bromfiets was en een meisje bij zich had en dat hij, verdachte, [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] toen heeft uitgescholden, naar eigen zeggen: ‘helemaal verrot gescholden’.26

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat zich op 8 mei 2015 te Maastricht een confrontatie heeft voorgedaan tussen de verdachte en [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] waarbij de verdachte in ieder geval [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft uitgescholden. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte daarbij [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] ook heeft bedreigd.

Het hof heeft geen reden om aan de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] en [vriendin medeverdachte] te twijfelen. Zowel aangever [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] als getuige [vriendin medeverdachte] hebben zowel bij de politie als ten overstaan van de rechter-commissaris in de kern gelijkluidend verklaard.27 Anders dan de verdediging acht het hof deze verklaringen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Deze voor de verdachte belastende verklaringen vinden immers op essentiële punten steun in elkaar, ook waar het de geuite bedreiging betreft. Weliswaar heeft [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij niet alles heeft verstaan wat de verdachte naar hem heeft geschreeuwd, maar dat neemt niet weg dat uit de bewijsmiddelen naar voren komt dat hij de bedreiging, die plaatsvond nadat [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] en [vriendin medeverdachte] met de scooter waren gearriveerd, wel degelijk heeft gehoord. Voorts heeft het hof geen aanwijzingen dat de verklaringen van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] en [vriendin medeverdachte] op elkaar zijn afgestemd. Ook ziet het hof anderszins geen aanwijzingen dat [vriendin medeverdachte] bij de politie een onwaarachtige verklaring zou hebben afgelegd, nu zij geen partij was bij de ruzie tussen [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] en de voor haar toen onbekende verdachte. Hetgeen de raadsman overigens nog naar voren heeft gebracht, maakt dat niet anders.

Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat de verdachte de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft begaan.

C.3 Winkeldiefstal met geweld bij Blokker te Maastricht (feit 5 onder parketnummer 03-700358-15) 28

Namens Blokker B.V. is door [bedrijfsleider Blokker] , assistent bedrijfsleider, aangifte gedaan van winkeldiefstal. [bedrijfsleider Blokker] verklaarde dat zij op 3 maart 2015 omstreeks 15.30 uur met haar collega [werkneemster Blokker] werkzaam was in het filiaal van Blokker aan de Malbergsingel 40 te Maastricht. Aangeefster [bedrijfsleider Blokker] zag dat een jongeman een showmodel van een blender uit het rek nam. Aangeefster [bedrijfsleider Blokker] zag dat de jongeman richting de uitgang liep met een groene gevulde bigshopper in zijn hand. Aangeefster [bedrijfsleider Blokker] vroeg aan de jongeman of zij mocht kijken in de bigshopper, maar dit werd door hem geweigerd. Aangeefster [bedrijfsleider Blokker] zag dat de jongeman naar buiten wilde lopen. [bedrijfsleider Blokker] probeerde hem tegen te houden. Aangeefster [bedrijfsleider Blokker] zei tegen de jongeman dat hij de bigshopper leeg moest maken of op zijn minst moest betalen. De jongeman zei niets, duwde [bedrijfsleider Blokker] weg en verliet de winkel. Nadat [bedrijfsleider Blokker] was teruggelopen naar het rek, zag zij dat het showmodel van de blender weg was. [bedrijfsleider Blokker] heeft de camerabeelden van de diefstal overhandigd aan de politie.29

Door verbalisant [verbalisant 3] zijn camerabeelden van het filiaal van Blokker bekeken. De beelden zijn gedateerd 3 maart 2015 van 15:27:53.613 uur tot 15:32:59.863 uur. Verbalisant [verbalisant 3] zag dat de camera was gericht op de kassa en een gedeelte van de winkel. De verbalisant zag dat een persoon in beeld kwam. Deze persoon had donkere haren en een capuchon met bontkraag. De verbalisant zag dat deze persoon zijn linkerarm strekte en een product uit het schap pakte. Deze persoon werd door verbalisant [verbalisant 3] ambtshalve herkend als [verdachte] , geboren op [geboortedatum verdachte] te Maastricht. Door de verbalisant werd waargenomen dat de verdachte een tas vasthield en richting de uitgang liep. De verbalisant zag dat een medewerker van de winkel hem tegenhield. Verbalisant [verbalisant 3] zag dat de verdachte haar aan de kant duwde en de winkel verliet.30

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem onder feit 5 ten laste gelegde heeft begaan. Het verweer van de verdediging, inhoudende dat het bewijs ervoor tekort schiet om te kunnen oordelen dat de verdachte het ten laste gelegde in vereniging heeft gepleegd, behoeft geen bespreking, aangezien dit niet aan de verdachte ten laste is gelegd.


C.4 Medeplegen van poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] (feit 8 subsidiair onder parketnummer 03-700358-15) 31
Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat op 5 april 2015 een vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] enerzijds en [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] anderzijds. Het hof heeft met betrekking tot deze vechtpartij, in het bijzonder het aandeel van de verdachte daarin, het volgende kunnen vaststellen.

Aangever [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft verklaard dat hij op 5 april 2015 op bezoek was bij [slachtoffer 1] , woonachtig aan de [adres 2] te Maastricht. [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] ging even naar het tankstation om shag te halen. Toen hij terugkwam, zijn scooter parkeerde voor de woning van [slachtoffer 1] en gebukt bezig was om het slot door de velg van het wiel te halen, zag hij verdachte en [medeverdachte] staan. [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] hoorde dat de verdachte in de richting van [medeverdachte] zei: ‘Kom we pakken dat ding’, dan wel woorden van gelijke strekking. [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] ging ervan uit dat daarmee zijn scooter werd bedoeld. [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] voelde direct daarop een flinke schop tegen zijn hoofd. Hij voelde direct een flinke pijnscheut aan zijn linkeroogkas. Hij heeft verklaard dat hij direct daar achteraan meteen een tweede stoot voor zijn hoofd kreeg en dat hij hiervan helemaal duizelig raakte en even niet wist waar hij was. Na daarvan te zijn bijgekomen, had [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] ontzettend veel pijn aan zijn hoofd. Even daarna voelde [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] weer een harde klap in het gezicht. Toen hij zich omdraaide zag hij dat de verdachte naast hem stond. [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] voelde aan zijn achterzijde nog een schop, volgens [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] was deze afkomstig van [medeverdachte] . Hij hoorde de verdachte zeggen dat verdachte hem, [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] , kapot zou schieten en hij hoorde de verdachte ook zeggen: ‘Ik weet waar jij woont, ik kom je thuis opzoeken’.32

Door verbalisant [verbalisant 4] is op 6 april 2015 waargenomen dat [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] letsel had aan zijn gezicht. De verbalisant zag dat [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] letsel had aan zijn oog.33 Het hof gaat ervan uit dat het letsel aan de oogkas is ontstaan door de schop tegen het hoofd, nu [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft verklaard dat hij direct na de schop een flinke pijnscheut aan zijn linkeroogkas voelde.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij zijn verhoor door de politie op dinsdag 7 april 2015 verklaard dat hij op zondag (het hof begrijpt: 5 april 2015) bij de verdachte was. Er was toen een vechtpartij geweest. Er ontstond een ruzie, waarbij [medeverdachte] , verdachte en ‘Ice’ (het hof begrijpt: [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] ) betrokken waren. De verdachte en [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] waren aan het ‘rollebollen’. [medeverdachte] verklaarde voorts ‘een beetje [te hebben] kunnen trappen’. De vechtpartij was buiten. Het was bij de voordeur waar men de flat binnen gaat. Voorts heeft [medeverdachte] verklaard dat het ‘echt vechten’ was.34

De verdachte heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op maandag 6 april 2015 verklaard dat hij op zondag 5 april 2015 ‘Ice’ zag bij de ingang van de flat waar de verdachte woont, zijnde aan de [adres 2] te Maastricht. ‘Ice’ zat op zijn knieën bij een brommer.35

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 5 april 2015 thuis kwam en dat hij voor het appartementencomplex aan de [adres 2] te Maastricht een persoon zag. Hij was bezig het slot van zijn scooter te openen. Deze persoon zei tegen [getuige 2] : ‘Ik ging alleen shag halen, ik heb klappen van [voornaam verdachte] gekregen’.36 Het hof begrijpt hieruit dat de getuige [getuige 2] aangever [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft gezien.

Door [slachtoffer 1] , die toen aan de [adres 2] te Maastricht woonde, is verklaard dat [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] , die ook wel ‘Ice’ wordt genoemd, op 5 april 2015 naar het tankstation ging om sigaretten te halen. Toen [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] terugkwam heeft hij tegen [slachtoffer 1] gezegd dat hij in elkaar was geslagen door de verdachte en nog twee andere personen.37

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij op 5 april 2015 aan de [adres 2] te Maastricht was. Toen getuige [getuige 3] naar de parkeerplaats reed, zag hij een brommer de parkeerplaats oprijden. Toen de getuige was uitgestapt hoorde hij dat er iemand schreeuwde. Toen hij in die richting keek zag de getuige een man op de grond. Dat was bij het voorportaal van de ingang van de flat. Er stonden twee jongens bij. [getuige 3] zag dat één van de twee jongens een trappende beweging maakte naar de jongen op de grond, in de richting van de benen. De persoon die op de grond lag is door getuige [getuige 3] aangeduid als ‘jongen 1’ en de persoon die een trappende beweging maakte is door hem aangeduid als ‘jongen 2’. Jongen 1 lag op de rug. Jongen 2 trapte op de benen van jongen 1 in. De getuige zag dat er nog een jongen bij stond. De getuige noemt deze jongen ‘jongen 3’. Op een gegeven moment liepen jongen 2 en jongen 3 in de richting van een woning. Hij hoorde jongen 1 schreeuwen: ‘Blijf met je vingers van mijn motor af’ of woorden van gelijke strekking. De getuige heeft gehoord dat jongen 2 heel duidelijk dreigend tegen jongen 1 zei dat hij wist waar jongen 1 woont.38

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat zij op 5 april 2015 omstreeks 22.00 uur over de parkeerplaats liep bij de flat aan de [adres 2] . Zij zag daar drie mannen in gevecht. Dit speelde zich af buiten voor de voordeur. Een van hen werd getrapt toen hij op de grond lag.39

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat aangever [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] , toen hij met zijn scooter bij de flat arriveerde, door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] is belaagd. Door [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] is verklaard dat hij een flinke schop tegen zijn hoofd voelde en een flinke pijnscheut ervoer aan zijn oogkas. Hij heeft verklaard dat hij direct een tweede ‘stoot voor zijn hoofd’ kreeg en dat hij hiervan helemaal duizelig raakte en even niet wist waar hij was. Hij had ontzettend veel pijn aan zijn hoofd. Even daarna heeft hij weer een harde klap in het gezicht gekregen. Toen hij zich omdraaide zag hij dat de verdachte naast hem stond. [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] voelde aan zijn achterzijde nog een schop, volgens [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] was deze afkomstig van [medeverdachte] .

Het hof ziet geen reden om aan de voor het bewijs gebruikte verklaring van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] te twijfelen. Zijn verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van getuige [getuige 3] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat de door getuige [getuige 3] met ‘jongen 1’ aangeduide persoon aangever [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] wordt bedoeld en dat met ‘jongen 2’ de verdachte wordt bedoeld. Dit laatste leidt het hof af uit de verklaring van de getuige dat hij heeft gehoord dat jongen 2 heel duidelijk dreigend tegen jongen 1 zei dat hij wist waar jongen 1 woont in combinatie met het feit dat door [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] is verklaard dat de verdachte naar hem heeft geroepen: ‘Ik weet waar jij woont, ik kom je thuis opzoeken’.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof voorts af dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] bij het geweld tegen [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] .

Uit de aangifte van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] volgt dat hij meerdere malen met kracht tegen het hoofd is geschopt en geslagen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbare plek van het lichaam is. Door met kracht tegen het hoofd te schoppen en te slaan, was de kans aanmerkelijk dat zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] zou worden toegebracht. Het hof merkt in dit verband nog op dat [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] ook is geraakt bij zijn oogkas en dat het met kracht schoppen tegen de oogkas ernstig oogletsel kan veroorzaken.

Het hof is van oordeel dat de verdachte door te handelen zoals bewezen is verklaard willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dat uit de verklaring van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] niet blijkt of de verdachte dan wel [medeverdachte] dan wel beiden hem tegen het hoofd hebben geschopt en/of geslagen, doet hier niet aan af. Nu sprake is van medeplegen is de verdachte immers ook aansprakelijk voor de gedragingen van zijn mededader; de verdachte hoeft niet zelf alle feitelijke handelingen te hebben verricht.

Het hof acht derhalve, anders dan de verdediging, gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] .

C.5 Medeplegen van mishandeling van [slachtoffer 1] (feit 9 meer subsidiair onder parketnummer 03-700358-15) 40

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 5 april 2015 in zijn woning aan de [adres 2] te Maastricht samen was met [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] , alias ‘Ice’. Toen [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] naar huis wilde gaan, liep [slachtoffer 1] met hem mee ter beveiliging, om [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] te beschermen. [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] was namelijk naar eigen zeggen even daarvoor in elkaar geslagen door onder meer de verdachte (hof: het bewezenverklaarde feit 8). [slachtoffer 1] nam tevens een plastic zak met daarin een koevoet mee. Toen [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] was weggereden zag [slachtoffer 1] dat de verdachte en een Marokkaanse jongen (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ) recht op [slachtoffer 1] kwamen afgelopen. De verdachte schreeuwde: ‘We schieten je kapot’. De verdachte en de Marokkaanse jongen stonden bij hem.41

[slachtoffer 1] heeft aanvullend verklaard dat, toen [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] zijn bromfiets startte om weg te gaan, de gordijnen in de woning van de verdachte open gingen. [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] is toen vertrokken. Toen [slachtoffer 1] bij de ingang van de flat was stonden de verdachte en de Marokkaan voor hem. De verdachte begon meteen op [slachtoffer 1] te schelden. De verdachte zei dat hij [slachtoffer 1] kapot zou schieten. Toen de verdachte op hem, [slachtoffer 1] , begon te schelden, hebben de verdachte en de Marokkaan naar hem geslagen.42

Door [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] is verklaard dat hij, toen hij op 5 april 2015 bij [slachtoffer 1] weg wilde rijden, zag dat het gordijn van de woning van de verdachte open ging. Hij zag dat de verdachte en [voornaam medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) met zijn tweeën de woning uit kwamen gerend.43

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij zich op 5 april 2015 in zijn woning bevond, gelegen aan de [adres 2] te Maastricht. Hij had bezoek van een vriend. Toen zijn vriend naar huis wilde gaan, liep hij met hem naar de hoofdingang. In de trappenhal zag hij drie personen staan, waarvan hij de verdachte en [slachtoffer 1] herkende. De derde persoon was een getint persoon met kort zwart haar. De verdachte en de derde persoon stonden in een vechthouding tegenover [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] zwaaide met een zak ter afwering van links naar rechts. De getuige zag dat de verdachte met zijn rechterhand [slachtoffer 1] sloeg, toen met zijn linkerhand en dat hij [slachtoffer 1] vervolgens een kniestoot in het gezicht gaf. Terwijl de verdachte sloeg, hield de derde persoon [slachtoffer 1] vast. Vervolgens zag getuige [getuige 5] dat [slachtoffer 1] wist weg te rennen.44

De verdachte heeft verklaard dat hij aanwezig was bij het incident op 5 april 2015. Het was toen Eerste Paasdag. Hij heeft verklaard dat hij zag dat ‘Ice’ met [slachtoffer 1] op de parkeerplaats stond. Hij zag dat ‘Ice’ op een brommer stapte en wegreed. De verdachte heeft verklaard dat een van de jongens die bij hem was aan het ‘rollebollen’ was met [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] was aan het zwaaien met iets dat hij met twee handen vast hield.45

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] naar aangever [slachtoffer 1] is gegaan. De verdachte heeft [slachtoffer 1] toen gedreigd dat hij hem ‘kapot zou schieten’. [slachtoffer 1] werd vervolgens geslagen door de verdachte. [slachtoffer 1] werd toen door [medeverdachte] vastgehouden. Ook heeft de verdachte [slachtoffer 1] een kniestoot in het gezicht gegeven.

Het hof is van oordeel dat uit het handelen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] spreekt van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking om van medeplegen van mishandeling te kunnen spreken.

Hoewel door [slachtoffer 1] niet is verklaard over pijn of letsel mag het als algemeen bekend worden verondersteld dat het meermalen slaan en het geven van een kniestoot in het gezicht pijn veroorzaakt.

Aldus acht het hof het onder feit 9 meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

C.6 Winkeldiefstal bij Kruidvat te Maastricht (feit 1 onder parketnummer 03-700572-14) 46
Namens Kruidvat B.V. aan de Brusselsepoort te Maastricht is door [filiaalmanager Kruidvat] , filiaalmanager, aangifte gedaan van winkeldiefstal. Op 15 september 2014 zag aangeefster [filiaalmanager Kruidvat] omstreeks 10.00 uur een man de Kruidvat-winkel binnenkomen. Hij pakte bij binnenkomst een mandje, ging de winkel in en stopte vervolgens bij de gezichtsverzorging. Daarna liep hij naar de elektrische tandenborstels, waar hij stil stond. Vervolgens liep de man hard weg met het mandje, de winkel uit. [filiaalmanager Kruidvat] zag dat alle elektrische tandenborstels weg waren. Op de camerabeelden zag [filiaalmanager Kruidvat] dat de man verschillende verpakkingen gezichtsverzorging in het mandje deed en diverse mascara’s wegnam. Ook nam de man ter hoogte van de elektrische tandenborstels meerdere pakketten weg. Een klant riep dat zij de man herkende als [verdachte] , die vroeger bij deze klant in de buurt woonde.47

Naar aanleiding van een melding kwamen verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] op 15 september 2014 te 10.35 uur ter plaatse nabij de kruising Begoniastraat-Tulpenstraat te Maastricht en zagen een witte scooter geparkeerd staan. Naast de scooter stond een rode winkelmand van Kruidvat, waarin diverse elektrische tandenborstels en gezichtsverzorgingsproducten in de verpakking met beveiliging lagen. Daar zaten prijsstickers van Kruidvat op. Op dat moment kwam de verdachte aanlopen. Hij reageerde ongevraagd dat deze spullen bestemd waren voor zijn jarige oma. In de buddyseat troffen verbalisanten later die dag verpakkingen aan van elektrische tandenborstels met beveiliging en een zwarte toilettas met een tiental nieuwe mascara’s.48

Verbalisant [verbalisant 7] heeft de camerabeelden bekeken van de winkeldiefstal op
15 september 2014 omstreeks 10.00 uur in de Kruidvat aan de Brusselsepoort te Maastricht. Verbalisant [verbalisant 7] herkende op de camerabeelden verdachte als de dader. De verbalisant zag dat verdachte goederen uit de schappen haalde en vervolgens in het rode winkelmandje duwde. Verdachte verliet op een gegeven moment in versneld tempo met een gevuld rood winkelmandje de winkel, zonder te betalen.49

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 1 ten laste gelegde winkeldiefstal heeft begaan.

C.7 Wederspannigheid (feit 2 onder parketnummer 03-700572-14) 50

Op 25 december 2014 was hoofdagent [hoofdagent] in Maastricht belast met de incidentenafhandeling. Hij was in burger gekleed en reed in een onopvallend dienstvoertuig. Omstreeks 23.20 uur zag hij de verdachte en een andere man vermoedelijk dealen in een portiek van een flatgebouw op de hoek van de Gentelaan en de Courtoisstraat. Verbalisant [hoofdagent] liep naar de twee mannen toe. Hij toonde zijn politielegitimatie, zei daarbij: ‘Politie, politie’ en deelde hen mede dat zij waren aangehouden op grond van de Opiumwet. Hij sommeerde hen beiden mee te lopen naar het dienstvoertuig. Hij pakte de verdachte met zijn linkerhand beet bij zijn pols. Vervolgens plaatste verbalisant [hoofdagent] beide mannen tegen het dienstvoertuig. De verdachte vroeg hem of hij van de politie was. De verbalisant heeft de verdachte nogmaals zijn politielegitimatie getoond. De verbalisant had de verdachte nog steeds vast bij zijn pols. De verbalisant zag en voelde dat de verdachte zich wilde lostrekken. Terwijl de verdachte dit probeerde, sloeg de verdachte met zijn linkerhand in de richting van het gezicht van verbalisant [hoofdagent] ; de verbalisant kon deze slag ontwijken. Er volgde een korte en heftige worsteling, waarbij verbalisant [hoofdagent] een nekklem bij de verdachte moest toepassen om hem onder controle te krijgen. Tijdens de worsteling probeerde de verdachte zich te onttrekken aan de aanhouding, hij spande zijn spieren aan en bewoog in een andere richting dan de richting waarin verbalisant [hoofdagent] hem wilde bewegen. Hij bleef proberen los te komen.51


De verdachte heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie verklaard dat hij op 25 december 2014 op straat stond, dat er een man uit een auto kwam, dat die man hem vast pakte en zei dat hij van de politie was, waarna hij, verdachte, zich probeerde los te trekken.52

De verdachte heeft ten overstaan van de rechtbank verklaard: ‘Ik heb (…) geprobeerd om mezelf los te trekken’.53

Het hof is van oordeel dat gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen de onder feit 2 ten laste gelegde wederspannigheid eveneens wettig en overtuigend is bewezen.

D.

Aldus falen de bewijsverweren van de verdediging. Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren in al hun onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft –, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-700358-15 onder feit 1, feit 2, feit 5, feit 8 subsidiair en feit 9 meer subsidiair en in de zaak met parketnummer 03-700572-14 onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde van het in de zaak met parketnummer 03-700358-15 onder feit 1 ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

doodslag.

Het bewezen verklaarde van het in de zaak met parketnummer 03-700358-15 onder feit 2 ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het bewezen verklaarde van het in de zaak met parketnummer 03-700358-15 onder feit 5 ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Het bewezen verklaarde van het in de zaak met parketnummer 03-700358-15 onder feit 8 subsidiair ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Het bewezen verklaarde van het in de zaak met parketnummer 03-700358-15 onder feit 9 meer subsidiair ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van mishandeling.

Het bewezen verklaarde van het in de zaak met parketnummer 03-700572-14 onder feit 1 ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal.

Het bewezen verklaarde van het in de zaak met parketnummer 03-700572-14 onder feit 2 ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

wederspannigheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

E.1

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van feit 8 (in de zaak met parketnummer 03-700358-15) – kort gezegd – betoogd dat de verdachte aan [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] uit zelfverdediging een klap heeft gegeven in reactie op de (voortgezette) aanval van die [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] .

Het hof gaat bij de beoordeling van het verweer uit van het navolgende.

Uit de hiervoor onder C.4 vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat aangever [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] , toen hij met zijn scooter bij de flat arriveerde, de verdachte in de richting van [medeverdachte] heeft horen zeggen: ‘Kom we pakken dat ding’, dan wel woorden van gelijke strekking, waarmee kennelijk zijn, [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] ’s, scooter werd bedoeld. [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft vervolgens een flinke schop tegen zijn hoofd gekregen en direct daarna een tweede ‘stoot voor zijn hoofd’.

Uit de verklaring van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] volgt voorts dat vervolgens door [medeverdachte] stekende bewegingen met een mes in de richting van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] zijn gemaakt. [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft dit kunnen ontwijken en afweren en heeft geprobeerd de verdachte hard op het gezicht te slaan. [medeverdachte] heeft toen met het mes naar [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] gestoken en hem op het voorhoofd geraakt. [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft vervolgens getracht [medeverdachte] het mes afhandig te maken en heeft hem tegen zijn been geschopt. Hij voelde toen aan zijn gezicht weer een harde klap en zag dat de verdachte naast hem stond. Vervolgens is hij geschopt door [medeverdachte] .54

Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat de verdachte, tezamen met [medeverdachte] , de confrontatie met [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft gezocht door de scooter van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] te willen wegnemen, waarbij [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] is geschopt en geslagen. [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft zich hiertegen verweerd. Gelet hierop heeft de verdachte willens en wetens een gewelddadige reactie van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] uitgelokt. Onder die omstandigheden komt de verdachte derhalve geen beroep toe op noodweer.

E.2

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van feit 1 (in de zaak met parketnummer 03-700358-15) bepleit dat de verdachte een beroep op (putatief) noodweer dan wel (putatief) noodweerexces toekomt. Om die reden dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.

Op het moment dat de verdachte bemerkte dat [slachtoffer 1] gewapend met een schep, agressief en door het dolle heen, zich naar de woning van de verdachte begaf, was er volgens de verdediging in redelijkheid sprake van in ieder geval een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1] van enig goed van de verdachte, meer specifiek het inslaan van de ruiten van diens woning. In de visie van de verdediging leverde de aanval van [slachtoffer 1] met een schep een (minstgenomen dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de goederen van de verdachte op, tegen welke aanranding de verdachte zich mocht verdedigen. De verdachte heeft zich daartegen noodzakelijkerwijs verdedigd door zijn woonkamer uit naar buiten te lopen, om [slachtoffer 1] met twee stokken ervan te kunnen weerhouden vernielingen met de schep aan te richten. Toen de verdachte ondervond dat hij daarmee [slachtoffer 1] niet kon tegenhouden, heeft hij de stokken naar de grond gegooid en richtte hij zich, met zijn armen gekruist naar boven geheven, tot [slachtoffer 1] , om zich tegen de klap met de schep af te weren.

Toen [slachtoffer 1] de schep met kracht en gericht liet neerdalen op het hoofd van de verdachte, is voornoemde situatie volgens de verdediging naadloos overgegaan in een daadwerkelijke ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf van de verdachte. De verdachte en [slachtoffer 1] zijn hierna op de grond gevallen en in een worsteling beland. De verdachte is in die worsteling ruggelings onderop geraakt, met het grotere en zwaardere lijf van [slachtoffer 1] bovenop hem. Omdat [slachtoffer 1] onder andere met zijn handen op de ademsappel van de verdachte drukte, deze naar beneden heeft geduwd en kennelijk is blijven duwen, kreeg de verdachte geen adem. De verdachte voelde en dacht dat hij zijn bewustzijn zou gaan verliezen. De verdachte stond doodsangst uit. Hij pakte daarom wat er voorhanden was, in het onderhavige geval het vissersmes dat in zijn broekzak zat. Met dat mes heeft de verdachte in het been en meermalen in het bovenlichaam van [slachtoffer 1] gestoken. Het steken in het lichaam van [slachtoffer 1] was onder die gegeven omstandigheden gerechtvaardigd, aldus de raadsman.

Indien het hof mocht oordelen dat de verdachte door het meerdere malen steken met het vissersmes de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden, is dat steken naar de mening van de verdediging het onmiddellijke gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging – bestaande uit gevoelens van paniek en doodsangst – die door de wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1] was veroorzaakt.

Uiterst subsidiair is betoogd dat de verdachte in elk geval in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zich moest verdedigen tegen [slachtoffer 1] , omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar van de aanval heeft ingebeeld en/of omdat hij de aard van de dreiging door [slachtoffer 1] verkeerd heeft beoordeeld. Om die reden komt hem volgens de raadsman een geslaagd beroep op putatief noodweer(-exces) toe.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.


F.

Het hof neemt bij de vaststelling van de loop der gebeurtenissen die van belang zijn voor de beoordeling van het door de verdediging gedane beroep op (putatief) noodweer dan wel (putatief) noodweerexces, de hierna te noemen verbatim uitgewerkte verklaringen van de verdachte, getuige [getuige 6] , getuige [getuige 1] en de getuige onder nummer 583681 tot uitgangspunt. Voor hetgeen zich voorafgaand aan het dodelijk verwonden van het slachtoffer [slachtoffer 1] in de avond van 22 juli 2015 heeft afgespeeld, heeft het hof tevens acht geslagen op hetgeen getuige [getuige 7] daaromtrent heeft verklaard.55

Het hof stelt voorop dat uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat er voorafgaand aan het fatale incident op 22 juli 2015 al een conflict was tussen de verdachte en [slachtoffer 1] . Daarvan getuigt het onder feit 9 bewezenverklaarde medeplegen van mishandeling van [slachtoffer 1] op 5 april 2015 (het hof begrijpt: Eerste Paasdag) en de verklaring van de verdachte dat het conflict tussen [slachtoffer 1] en de verdachte, waarbij sprake was van ruzies en vechtpartijen, al een langere tijd speelt.56

De verdachte stelt zich op het standpunt dat [slachtoffer 1] en diens vriend [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] schuldig zijn aan de incidenten die eerder bij de woning van de verdachte hebben plaatsgevonden. Wat daarvan ook zij: het hof stelt vast dat de verdachte zijn eigen aandeel in deze conflicten bagatelliseert. Hij heeft bijvoorbeeld over het geweldsincident van 5 april 2015 verklaard dat hij [slachtoffer 1] en [medeverdachte] uit elkaar wilde halen.57 Uit de bewijsmiddelen komt evenwel naar voren dat de verdachte gewelddadig naar [slachtoffer 1] is geweest. De verdachte heeft [slachtoffer 1] toen bedreigd en geslagen en een kniestoot in het gezicht gegeven.58 Dit brengt met zich mee dat de verdachte kennelijk het gebruik van geweld niet schuwt.

Het hof gaat bij de beoordeling van het verweer uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op de avond van 22 juli 2015 was de verdachte samen met zijn vriendin [getuige 6] eten bij [getuige 7] en diens toenmalige vriendin [getuige 1] . Toen voornoemde personen op het balkon zaten, kwam op een gegeven moment [slachtoffer 1] langs lopen. Tot verbazing van [getuige 7] zag hij de verdachte op dat moment een snijbeweging over de voorzijde van zijn hals maken. Met dat gebaar riep de verdachte bij [getuige 7] het gevoel op dat hij [slachtoffer 1] wilde afmaken. [getuige 7] wist dat beiden ruzie met elkaar hadden. Er zou namelijk iets zijn voorgevallen met Pasen (het hof begrijpt: het onder feit 9 bewezenverklaarde incident).59

De verdachte heeft ontkend deze snijbeweging te hebben gemaakt.60 De verklaring van [getuige 7] komt het hof evenwel authentiek over, temeer nu het hof niet vermag in te zien om welke reden [getuige 7] , mede in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het etentje vriendschappelijke banden met hem onderhield, daarover een onwaarachtige verklaring zou hebben afgelegd.

De verdachte is die avond op enig moment naar zijn woning gegaan.61 Hij heeft zich toen omgekleed en daarbij een korte broek aangetrokken waarin zich een mes bevond.62 De verdachte wist, nadat hij de broek had aangetrokken, dat het mes in zijn broekzak zat.63

Rond 23.00-23.30 uur die avond kwamen [getuige 6] en [getuige 1] naar de woning van de verdachte. De verdachte is toen naar buiten gegaan. Daar zag hij [slachtoffer 1] staan.64 Het is toen tot een verbale confrontatie gekomen tussen de verdachte en [slachtoffer 1] . Volgens de verdachte maakte [slachtoffer 1] een hatelijke opmerking over hem. De verdachte heeft verklaard dat het vervolgens bij hem begon ‘te koken’.65 Er ontstond een woordenwisseling, waarbij over en weer werd gescholden.66 Beide personen reageerden agressief, opgehitst tegen elkaar.67 De verdachte heeft toen [slachtoffer 1] bedreigd; hij heeft tegen [slachtoffer 1] geschreeuwd: ‘Menneke, ik zou mijn bakkes maar houden, want ik sla je de hele straat door! Denk erom rotzak! Aan mij heb je een goeie!’, althans woorden van gelijke strekking.

De verdachte heeft verklaard dat hij naar [slachtoffer 1] toe wilde, maar dat de vrouwen (het hof begrijpt: [getuige 1] en [getuige 6] ) tegen hem zeiden: ‘ [voornaam verdachte] laat dat nou, ga mee naar binnen’, waarna zij de verdachte naar binnen hebben begeleid. [getuige 1] heeft verklaard dat ze de verdachte toen met enige drang naar binnen heeft geduwd.68 Tijdens het naar binnen lopen heeft de verdachte nog tegen [slachtoffer 1] gezegd: ‘Jij moet je bek houden man! Ik sla je over de hele parkeerplaats mietje!’. [slachtoffer 1] heeft daarop tegen de verdachte gezegd: ‘Wacht maar, ik ga naar boven en ik haal de schop en ik maak je kapot!’.69

De verdachte is vervolgens in zijn woonkamer gaan zitten. [slachtoffer 1] liep toen weg. [getuige 6] en [getuige 1] bevonden zich inmiddels ook in de woning van de verdachte. Op enig moment keek de verdachte naar buiten en zag over de parkeerplaats [slachtoffer 1] aan komen lopen. De verdachte zag dat [slachtoffer 1] een schep vasthad. Het ijzeren gedeelte van de schep stak boven zijn hoofd uit.70

Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat [slachtoffer 1] , na de eerdere ruzie met de verdachte, een schep is gaan halen om, gewapend met die schep, de confrontatie met de verdachte te zoeken.

Toen de verdachte zag dat [slachtoffer 1] met de schep aan kwam lopen, is hij naar buiten gegaan. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij zich daarbij had voorzien van een afgepelde boomtak en een bezemsteel. Hij had de stok en de tak in zijn linker- en rechterhand.71 Getuige onder nummer 583681 heeft in dit verband verklaard dat de verdachte met een stok naar buiten kwam en dat er over en weer werd gescholden en geprovoceerd.72

Gelet op de voorafgaande confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer 1] en de bedreigingen over en weer – waarbij de verdachte [slachtoffer 1] heeft gewaarschuwd dat hij, verdachte, [slachtoffer 1] de hele straat door zou slaan –, alsmede gelet op het al bestaande conflict tussen [slachtoffer 1] en de verdachte, gaat het hof ervan uit dat de verdachte op het moment dat hij, voorzien van een boomtak en een stok, naar buiten ging, in zijn boosheid de confrontatie zocht met [slachtoffer 1] en dat hij met [slachtoffer 1] het gevecht wilde aangaan. Het hof hecht derhalve geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij, toen hij naar buiten liep, alleen wilde voorkomen dat [slachtoffer 1] bij verdachtes woning de ramen in zou slaan.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dan ook dat niet alleen [slachtoffer 1] maar ook de verdachte de confrontatie zocht. Beiden hebben zich daarvoor bewapend met voorwerpen om daarmee te kunnen slaan, te weten [slachtoffer 1] met een schep en de verdachte met een tweetal stokken.

Volgens de getuige onder nummer 583681 zijn de verdachte en [slachtoffer 1] naar elkaar toegelopen en hebben zij elkaar op het pad tussen de heggen bij de woning van de verdachte getroffen. Er werd over en weer geslagen, door [slachtoffer 1] met de schep en door de verdachte met in ieder geval één van de stokken.73 De verdachte is daarbij met de schep op het hoofd geraakt.74 Tijdens een medisch onderzoek op 23 juli 2015 is bij de verdachte op zijn hoofd letsel geconstateerd, bestaande uit een zeven centimeter lange, ondiepe splijtwond.75

Er is door de verdachte en [slachtoffer 1] nog een kort moment staand met de vuist gevochten.76 De verdachte had de stok en de tak laten vallen.77 Ook de schep van [slachtoffer 1] is op de grond terecht gekomen en is door [getuige 1] in de tuin bij de buurman gegooid.78 Zowel [slachtoffer 1] als de verdachte hadden derhalve toen niet meer de beschikking over de schep respectievelijk de stokken. Het gevecht ging dus verder met de blote vuist.79

Een paar seconden later zijn [slachtoffer 1] en de verdachte op de grond terecht gekomen.80 Volgens de getuige onder nummer 583681 ging het allemaal heel snel.81 Vervolgens is een worsteling ontstaan. Getuige [getuige 1] heeft het in dit verband over een vechtpartij op de grond.82 Ook getuige [getuige 6] heeft verklaard over een worsteling. Beiden ‘vlogen met zijn tweeën over elkaar heen’, ‘ze lagen echt in elkaar’, aldus getuige [getuige 6] .83

In de worsteling is de verdachte onderop geraakt. [slachtoffer 1] , die steviger was dan de verdachte, lag bovenop.84

De verdachte heeft bij gelegenheid van zijn eerste inhoudelijke verhoor bij de politie, kort na het incident, verklaard dat, toen hij en [slachtoffer 1] op de grond lagen, [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, vinger begon te bijten waarna de verdachte zijn hand naar voren heeft geduwd, zodat [slachtoffer 1] minder kracht kon zetten. Verdachte heeft zijn hand toen heel snel naar achteren getrokken.85 Ook zou [slachtoffer 1] in het gezicht van de verdachte hebben gekrast.86 De verdachte heeft voorts verklaard dat hij, toen hij op de grond lag, bang was en dat hij onder [slachtoffer 1] uit wilde, maar dat dit niet lukte omdat hij werd vastgehouden.87 Hij heeft toen zijn mes gepakt en [slachtoffer 1] een paar keer gestoken.88 Toen [slachtoffer 1] de verdachte weer vastpakte heeft hij weer een aantal keren gestoken, zodat [slachtoffer 1] van hem af zou gaan. Hij heeft [slachtoffer 1] geraakt waar hij kon.89Verdachte heeft de laatste paar keer gestoken toen de buurman (het hof begrijpt: de getuige onder nummer 583681) naar buiten kwam en [slachtoffer 1] vervolgens van hem aftrok.90 Uit de verklaring van getuige onder nummer 583681 volgt dat [slachtoffer 1] toen al ernstig gewond was.91 De verdachte is daarna opgestaan en weggegaan.92

Uit sectie op het lichaam van het slachtoffer [slachtoffer 1] is naar voren gekomen dat hij vele malen is gestoken.93

G.

Gelet op voormelde verklaring van de verdachte van 23 juli 2015, waar het hof de verdachte aan houdt, gaat het hof ervan uit dat de verdachte, toen hij tijdens de vechtpartij onder [slachtoffer 1] lag en niet onder hem uit kon komen en hij werd gebeten en in zijn gezicht werd gekrast, zijn mes heeft gepakt en [slachtoffer 1] meerdere malen heeft gestoken om onder hem uit te komen. Toen hem dit ondanks het steken met het mes niet lukte, heeft de verdachte wederom [slachtoffer 1] een aantal malen gestoken.

Door de verdachte is eerst op 25 juli 2015 bij de politie verklaard dat hij zijn mes heeft gepakt en [slachtoffer 1] heeft gestoken omdat [slachtoffer 1] hem aan het verstikken was en dat hij, verdachte, geen lucht meer kreeg.94

Het hof acht deze verklaring van de verdachte voor het steken met het mes niet aannemelijk geworden. Bij zijn eerste inhoudelijke verhoor bij de politie op 23 juli 2015, zeer kort na het incident, heeft de verdachte dit namelijk niet als reden voor het pakken van het mes en het steken genoemd, zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld. De verdachte heeft toen immers verklaard dat er bij de worsteling sprake was van vechten, krassen en bijten en dat hij het mes heeft gepakt en daarmee is gaan steken omdat hij niet onder [slachtoffer 1] uit kon komen. Hij heeft toen niet verklaard dat [slachtoffer 1] hem aan het verstikken/wurgen was.

Het hof merkt in dit verband nog op dat, als er sprake zou zijn geweest van een verstikken/wurgen zoals door de verdachte in latere verhoren tegenover de politie op 25 juli 2015, 27 juli 2015 en 12 augustus 2015 en ook tegenover de rechter-commissaris op 28 juli 2015 is beschreven95 en dit voor de verdachte de aanleiding is geweest om zijn mes te pakken en te steken, het minstgenomen in de rede zou liggen dat de verdachte dit bij gelegenheid van zijn eerste contact met de politie en al helemaal bij zijn eerste inhoudelijke verhoor op 23 juli 2015, alwaar hij gedetailleerd heeft verklaard over hetgeen is voorgevallen en over de reden van het steken met het mes, reeds naar voren zou hebben gebracht. Dat is echter niet het geval.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen aanwijzingen naar voren gekomen dat [slachtoffer 1] de verdachte aan het verstikken/wurgen was en dat dit voor de verdachte de reden is geweest om [slachtoffer 1] met het mes te steken.

Bij het medisch onderzoek van de verdachte op 23 juli 2015, kort na zijn aanhouding en nog voordat hij werd verhoord, zijn foto’s gemaakt van het letsel bij de verdachte.96 Op die datum, omstreeks 01.05 uur, had de verbalisant het eerste contact met de verdachte. De verdachte deelde toen mede dat hij met een schep op het hoofd was geslagen en dat [slachtoffer 1] hem in de hand had gebeten. Er zijn toen door de verbalisant onder meer foto’s gemaakt van de hoofdwond van de verdachte. De verdachte heeft toen niet te kennen gegeven dat [slachtoffer 1] hem aan het verstikken/wurgen was.

Later die dag is opnieuw een onderzoek ingesteld naar het letsel bij de verdachte en zijn weer foto’s gemaakt. Aan de verdachte is toen gevraagd waar hij letsel had. De verdachte heeft toen kenbaar gemaakt dat hij letsel had op zijn hoofd, in zijn gezicht, op zijn borst, aan zijn ellebogen en aan zijn linkerduim. Ook toen heeft hij niets verklaard over letsel aan zijn keel of hals door het verstikken/wurgen door [slachtoffer 1] .

Naar aanleiding van de pas later afgelegde verklaring van de verdachte dat [slachtoffer 1] hem had proberen te wurgen is op 27 juli 2015 opnieuw een onderzoek ingesteld naar hematomen in de halsregio van de verdachte. Er werd daarbij gebruik gemaakt van een forensische lichtbron waarmee onderhuidse bloeduitstortingen die met het blote oog niet of slecht zichtbaar zijn, vaak wel zichtbaar worden. Door forensisch arts [forensisch arts ] werden de hals en nek van de verdachte met wit licht en met forensisch licht bekeken. Er werden daarbij geen hematomen waargenomen.97

Het hof merkt voorts op dat door getuige [getuige 1] , die dicht bij de worsteling heeft gestaan en delen van het voorval heeft meegemaakt, niets is verklaard over een verwurging van de verdachte.

Door de verdediging is ter onderbouwing van het standpunt dat de verdachte het mes heeft gepakt en heeft gestoken omdat [slachtoffer 1] de verdachte aan het verstikken was, tevens gewezen op de verklaring van getuige onder nummer 583681. Deze getuige heeft namelijk bij de politie verklaard dat [slachtoffer 1] de verdachte in een soort wurggreep hield. De getuige heeft daarbij verklaard dat volgens hem [slachtoffer 1] de verdachte probeerde te verstikken.

Deze verklaring brengt het hof echter niet tot een ander oordeel, gelet op de eerste inhoudelijke verklaring van de verdachte en gelet op de omstandigheid dat de getuige heeft verklaard dat hij niet zeker weet of [slachtoffer 1] de verdachte aan het verstikken was. Uit de verklaring leidt het hof af dat de getuige onder nummer 583681 dit heeft geconcludeerd omdat hij, toen hij [slachtoffer 1] en de verdachte uit elkaar haalde, zag dat de verdachte zo ‘rood was als een tomaat’.98 De omstandigheid dat deze getuige bij de reconstructie op 7 april 2016 en in zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris op 2 februari 2018 stelliger verklaart over door [slachtoffer 1] vermeend gepleegde verwurgingshandelingen maakt dit evenmin anders, nu de getuige op 25 juli 2015 – slechts enkele dagen na het incident –, juist uitdrukkelijk heeft gezegd dat hij niet zeker was of [slachtoffer 1] probeerde om [voornaam verdachte] te verstikken.

Door de verdediging is ter onderbouwing van haar standpunt dat [slachtoffer 1] de verdachte aan het verstikken was voorts gewezen op de verklaring van de moeder van de verdachte, [moeder verdachte] , die als getuige bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat zij direct na het feit een telefoontje kreeg van de verdachte waarin de verdachte haar onder meer vertelde dat [slachtoffer 1] had geprobeerd de verdachte te wurgen.99 Ook heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gewezen op de verklaring van [broer verdachte] , de broer van de verdachte. Hij heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris namelijk eveneens verklaard over een verwurging.100

Het hof gaat eveneens aan deze verklaringen, die overigens pas zeer laat in de procedure, namelijk eerst in hoger beroep, zijn afgelegd, voorbij. Zoals reeds is overwogen, heeft de verdachte bij gelegenheid van zijn eerste inhoudelijke verhoor bij de politie, zeer kort na het incident, het verwurgen namelijk niet als reden voor het pakken van het mes en het steken opgegeven. Daarnaast merkt het hof op dat uit de getuigenverklaring van de broer van de verdachte slechts naar voren komt dat hij van buurman [voornaam buurman] (het hof begrijpt: de getuige onder nummer 583681) heeft gehoord dat de verdachte zou zijn gewurgd.101 Aldus is de verdachte daarvan niet de bron geweest. Met betrekking tot de vermeende verwurging, zoals die door getuige onder nummer 583681 zou zijn waargenomen, heeft het hof hiervoor reeds overwogen dat deze conclusie van de getuige onder nummer 583681 is gebaseerd op een interpretatie.

Het door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoek tot het opnieuw horen van [moeder verdachte] wordt gelet op het vorenoverwogene afgewezen. Het hof acht zich voldoende geïnformeerd en het opnieuw horen van deze getuige niet noodzakelijk.

Het hof merkt ten slotte op dat het voorgaande overigens niet wegneemt dat het hof wel wil aannemen dat de verdachte erg geschrokken is toen hij met de schep op zijn hoofd werd geslagen, op de grond terecht kwam en bij de vechtpartij niet onder [slachtoffer 1] uit kon komen en dat hij erg bang was.102

H.

Het hof ziet zich voor de beantwoording van de vraag gesteld of de verdachte heeft gehandeld uit (putatief) noodweer dan wel of de verdachte een beroep op (putatief) noodweerexces toekomt. In dat verband overweegt het hof als volgt.

Voor een geslaagd beroep op noodweer vereist de wet dat de verdedigingshandeling wordt geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding.

Naar bestendige jurisprudentie kan een beroep op noodweer niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.

Voorts kunnen gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, onder bijzondere omstandigheden in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt.

Het hof stelt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen vast dat het eerder tussen de verdachte en [slachtoffer 1] tot een gewelddadige confrontatie is gekomen. Het hof wijst daarvoor niet alleen naar de gebeurtenis op 5 april 2015, maar ook naar de verklaring van de verdachte dat het conflict tussen [slachtoffer 1] en hem, waarbij sprake was van ruzies en vechtpartijen, al een langere tijd speelt.

Daarnaast hebben de verdachte en [slachtoffer 1] elkaar op de betreffende dag en kort voor het treffen over en weer bedreigd met ernstig lichamelijk geweld. De verdachte is daarbij slechts onder aandrang van [getuige 1] en [getuige 6] naar binnen gegaan in zijn woning.

[slachtoffer 1] had zich, toen hij naar de woning van de verdachte liep, voorzien van een schep. Gelet hierop en gezien de eerdere bedreigingen aan het adres van de verdachte, waarin geweld met de schep door [slachtoffer 1] werd aangekondigd, moet de verdachte zich ervan bewust zijn geweest dat [slachtoffer 1] met de schep zou kunnen gaan slaan. Desondanks is de verdachte, toen hij [slachtoffer 1] met de schep aan zag komen lopen, bewapend met een tweetal stokken naar buiten gegaan en op [slachtoffer 1] afgelopen. Daarmee heeft de verdachte willens en wetens, voorzien van een tweetal slagvoorwerpen, de gewelddadige confrontatie met [slachtoffer 1] opgezocht en is met hem het gevecht aangegaan. De verdachte heeft bovendien, door zijn eerder die avond geuite bedreigingen aan het adres van [slachtoffer 1] , deze [slachtoffer 1] geprovoceerd en, door met stokken op hem af te lopen, een gewelddadige reactie van [slachtoffer 1] uitgelokt. Door op deze wijze de confrontatie te zoeken en het gevecht aan te gaan, neemt men bewust het risico op de koop toe dat men (als eerste) wordt geslagen en dat men niet is opgewassen tegen de tegenstander met wie het gevecht is aangegaan.

Gelet op voornoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte niet met vrucht een beroep kan doen op noodweer of noodweerexces toen hij tijdens het gevecht niet onder [slachtoffer 1] uit kon komen en die [slachtoffer 1] vervolgens ongeveer twintigmaal met een mes in het lichaam heeft gestoken. Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat, nadat de verdachte met de schep op het hoofd was geslagen, de schep en de stokken op de grond terecht zijn gekomen en de vechtpartij – eerst staand en vervolgens op de grond – met de vuisten verder is gegaan. Bij die vechtpartij heeft overigens ook de verdachte zich niet onbetuigd gelaten. Uit zijn eigen verklaring blijkt namelijk dat hij [slachtoffer 1] heeft geprobeerd in de ogen te duwen en dat hij zijn hand in de mond van [slachtoffer 1] hard naar achteren heeft geduwd.103 Daarnaast volgt uit de verklaring van getuige [getuige 1] dat de verdachte [slachtoffer 1] ook heeft geslagen toen beiden op de grond lagen.104

Nu de verdachte willens en wetens de gewelddadige confrontatie met [slachtoffer 1] heeft gezocht en met hem het gevecht is aangegaan, kon de verdachte evenmin verontschuldigbaar in de veronderstelling verkeren dat hij zich moest verdedigen, waardoor het beroep op putatief noodweer dan wel putatief noodweerexces eveneens faalt.

Het hof merkt nog op dat, ook al heeft men zelf de confrontatie gezocht, onder bijzondere omstandigheden toch een – geslaagd – beroep op (putatief) noodweer of noodweerexces kan worden gedaan. Een dergelijke bijzondere omstandigheid doet zich hier echter niet voor. Zoals hiervoor is overwogen acht het hof immers niet aannemelijk dat de verdachte met het mes heeft gestoken omdat [slachtoffer 1] hem aan het verstikken was en de verdachte zich dus in een levensbedreigende situatie zou hebben bevonden. Ook de omstandigheid dat de verdachte eerder met een schep op het hoofd is geslagen is niet een zodanige bijzondere omstandigheid. [slachtoffer 1] had de schep immers laten vallen en de vechtpartij is daarna met de blote vuist verder gegaan. Ook het krassen en bijten door [slachtoffer 1] zijn geen omstandigheden die tot een ander oordeel leiden. Dit geldt temeer nu bij letselonderzoek van verdachte op 23 juli 2015 kort na zijn aanhouding en nog voordat hij werd verhoord, foto’s zijn gemaakt van het letsel van verdachte.105 Er zijn toen door de verbalisant geen tekenen van enige drukplek in relatie tot een beet waargenomen en ook de forensisch arts zag geen indicatie dat de wondjes aan de linkerhand van verdachte door een beet waren veroorzaakt. Op een later tijdstip, bij onderzoek door de forensisch arts [forensisch arts ] , werd het gestelde mogelijke bijtletsel aan de linkerhand van verdachte nogmaals, met wit licht en forensisch licht, onderzocht. Daarbij werden geen hematomen waargenomen. Het hof leidt hieruit af dat het bijten door [slachtoffer 1] kennelijk niet met een zodanig (grote) kracht is gebeurd dat de verdachte heeft kunnen menen dat zijn vinger er bijna af werd gebeten, zoals hij bij gelegenheid van zijn verhoor op 23 juli 2015 heeft verklaard. Het bijten en krassen waren onderdelen van de vechtpartij op de grond, waarbij beide partijen zich niet onbetuigd hebben gelaten.

Hoewel het hof, zoals ook hiervoor onder G. is overwogen, zich kan voorstellen dat de verdachte erg is geschrokken van de klap op zijn hoofd en dat hij bang is geworden toen hij tijdens de daarop volgende worsteling onder [slachtoffer 1] is komen te liggen, acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet aannemelijk geworden dat die situatie voor de verdachte zodanig bedreigend is geweest dat hem alsnog een geslaagd beroep op (putatief) noodweer of noodweerexces zou toekomen.

De verdediging heeft nog ten verwere aangevoerd dat sprake zou zijn van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van een goed van de verdachte, toen [slachtoffer 1] zich met een schep naar diens woning begaf. Het in dit verband bepleite beroep op (putatief) noodweer dan wel noodweerexces faalt eveneens omdat het hof, zoals hiervoor onder F. is overwogen, geen geloof hecht aan de verklaring van de verdachte dat hij, toen hij naar buiten liep, alleen wilde voorkomen dat [slachtoffer 1] bij zijn woning de ramen in zou slaan.

I.

Het hof verwerpt mitsdien de tot ontslag van alle rechtsvervolging strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.

Nu er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is hij strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft [slachtoffer 1] tijdens een worsteling, waarbij de verdachte onderop is komen te liggen, met een mes een fors aantal keren gestoken. Het ging om ongeveer 20 messteken, onder andere in de rug van het slachtoffer. Door het daarbij opgelopen letsel is [slachtoffer 1] korte tijd later in het ziekenhuis overleden. De verdachte heeft met het doden van het slachtoffer [slachtoffer 1] het meest fundamentele recht dat een mens heeft, namelijk het recht op leven, aan hem ontnomen. Daardoor heeft de verdachte ook aan de partner van het slachtoffer, zijn familie en andere nabestaanden immens en onherstelbaar leed toegebracht, hetgeen tevens naar voren komt uit de in hoger beroep namens de partner van [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring. Het begaan van een dergelijk delict schokt de rechtsorde zeer ernstig en moet tevens zeer schokkend zijn geweest voor diverse buurtbewoners die hiervan getuige waren.

Anderzijds houdt het hof rekening met de omstandigheid dat het slachtoffer [slachtoffer 1] op 22 juli 2015, nadat de verdachte en hij over en weer forse bedreigingen hadden geuit, zich met een schep naar de woning van de verdachte heeft begeven en hem vervolgens daarmee heeft geslagen, ten gevolge waarvan de verdachte ook letsel heeft opgelopen. Ook heeft het hof onderkend dat de verdachte oprecht is aangedaan door het overlijden van het slachtoffer en dat hij daaronder lijdt.

Ten laste van de verdachte is voorts bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] , een winkeldiefstal gevolgd van geweld bij Blokker te Maastricht, het medeplegen van poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] , het medeplegen van mishandeling van [slachtoffer 1] , een winkeldiefstal bij Kruidvat te Maastricht en aan wederspannigheid bij zijn aanhouding door een dienstdoende politieambtenaar.

Door het medeplegen van mishandeling en poging tot zware mishandeling heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Dergelijk strafbaar gedrag brengt voorts in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een bedreiging. De verdachte heeft zich ook verzet bij zijn aanhouding. Daardoor heeft de verdachte blijk gegeven zich niets aan te trekken van het openbaar gezag. Door het plegen van de winkeldiefstallen heeft de verdachte het eigendomsrecht van de winkeliers geschonden. Dergelijk strafbaar handelen levert voor de winkeliers tevens veel overlast en ergernis op en hindert hen in de bedrijfsvoering, zeker als een dergelijk delict ook nog met geweld gepaard gaat. Ook de maatschappij ondervindt schade van winkeldiefstallen, omdat de kosten die gemoeid zijn met het nemen van veiligheidsmaatregelen tegen diefstallen, uiteindelijk door consumenten worden betaald. Het hof houdt er rekening mee dat de verdachte deze feiten langere tijd geleden, te weten in 2014 en 2015, heeft gepleegd.

Het hof heeft in het kader van de straftoemeting eveneens acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 april 2019, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, waaronder wederspannigheid, diefstal met geweld, bedreiging en andere geweldsdelicten. In het nadeel van de verdachte weegt het hof mee dat hij een deel van de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd gedurende de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting, en uit het onder meer hierna aangehaalde rapport van drs. [deskundige] van 8 december 2015, is gebleken.

Uit het Pro Justitia-rapport van psycholoog drs. [deskundige] d.d. 8 december 2015 komt als conclusie naar voren dat er volgens deze gedragsdeskundige bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid en antisociale en borderline-trekken in de persoonlijkheid. Hiervan was ook sprake ten tijde van de doodslag op het slachtoffer [slachtoffer 1] . Deze problematiek beïnvloedde toentertijd vermoedelijk niet de gedagskeuzes en gedragingen van de verdachte. De persoonlijkheidspathologie en beperkte oplossingsvaardigheden kunnen niet tot advisering van enige vermindering van de toerekeningsvatbaarheid leiden.

In het Pro Justitia-rapport d.d. 16 januari 2016 heeft deskundige Koornstra aanvullend gerapporteerd dat de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte door structuur en rust in zijn leven minder duidelijk problemen geeft. Er is geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis. De verdachte gebruikt cannabis als automedicatie en alcohol als de druk voor hem te hoog oploopt. Zonder afdoende structuur is de verdachte impulsief, toont hij weinig verantwoordelijkheid en laat hij zich weinig gelegen liggen aan anderen. Het geweten is volgens de psycholoog ‘extern gebleven’.

Het hof is met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf van 10 jaar met aftrek van voorarrest geëist.

Het hof zal de verdachte daartoe evenwel niet veroordelen. Alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden afwegende en rekening houdend met het aantal bewezenverklaarde feiten, acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.


Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak ambtshalve het volgende.


Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden nadat het hoger beroep is ingesteld. Het hof stelt vast dat namens de verdachte op 21 juli 2017 hoger beroep ingesteld. Daarmee is de redelijke termijn met ruim 11 maanden overschreden.

Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In de onderhavige zaak is door de verdediging een aantal (door de rechtbank respectievelijk het hof gehonoreerde) onderzoekswensen ingediend, bestaande uit het horen van getuigen, het verbatim laten uitwerken van een groot aantal verhoren en het horen van een deskundige ter terechtzitting. De overschrijding van de redelijke termijn komt echter niet geheel voor rekening van de verdediging. Voorts houdt het hof rekening met het procesverloop in eerste aanleg.

Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou het hof aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 7 jaren. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn komt het hof echter tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.

Al hetgeen door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte overigens naar voren is gebracht, legt tegenover de ernst van de feiten onvoldoende gewicht in de schaal om tot een andersluidend oordeel te komen.

Beslag

Voor wat betreft de hierna in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen goederen, bestaande uit een cd-rom, dvd/beeldplaat en een blikje bier, stelt het hof vast dat er geen strafvorderlijk belang meer is bij de handhaving daarvan. Het hof zal derhalve de teruggave gelasten van cd-rom ‘Platinum 52 Speed’ met beslagnummer 666705 aan Blokker B.V. te Maastricht en van de dvd/beeldplaat met beslagnummer 573875 aan Bristol B.V. te Gronsveld, als zijnde de redelijkerwijs als rechthebbenden aan te merken rechtspersonen. Ten aanzien van het inbeslaggenomen blikje bier van het merk Schultenbrau met beslagnummer 586554 is voor het hof niet genoegzaam komen vast te staan wie in juridische zin als rechthebbende kan worden aangemerkt. Het hof zal derhalve daarvan de bewaring gelasten ten behoeve van de rechthebbende.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft ter zake van feit 1 (in de zaak met parketnummer 03-700358-15) in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.799,07. Deze vordering valt uiteen in een bedrag van € 149,07 aan kosten voor het plaatsen van een overlijdensadvertentie en een bedrag van € 1.650,00 aan kosten voor de crematie van het slachtoffer [slachtoffer 1] .

De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep integraal toegewezen. Voorts is de verdachte veroordeeld in de proces- en executiekosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De raadsman heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding, in verband met de bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte materiële schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat de gestelde schade, bestaande uit kosten voor het plaatsen van een overlijdensadvertentie en kosten voor de crematie van het slachtoffer, voldoende is onderbouwd door de overlegging van facturen. Het hof stelt vast dat de verdediging de vordering niet inhoudelijk heeft betwist. Nu het hof de verdachte ter zake van het onder feit 1 (in de zaak met parketnummer 03-700358-15) ten laste gelegde zal veroordelen en de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, ligt het gevorderde bedrag ad € 1.799,07 voor integrale toewijzing gereed.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2/benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] heeft ter zake van feit 2 (in de zaak met parketnummer 03-700358-15) in eerste aanleg eveneens een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 300,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep afgewezen. Voorts is de benadeelde partij veroordeeld in de proces- en executiekosten aan de zijde van de verdachte, ten tijde van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft de vordering in hoger beroep inhoudelijk betwist. De raadsman heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding. De niet-ontvankelijkverklaring zou allereerst moeten worden uitgesproken in verband met de bepleite vrijspraak. Indien het hof tot een veroordeling mocht komen, is in de kern aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat de benadeelde partij zich evenmin onbetuigd heeft gelaten, om welke redenen het hof wordt verzocht de vordering tot schadevergoeding af te wijzen dan wel de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk te verklaren.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij thans onvoldoende heeft gesteld waaruit kan volgen dat sprake is van aantasting in zijn persoon door schade in eer en goede naam of op andere wijze, zoals het oplopen van geestelijk letsel. Een nader onderzoek naar dergelijke (eventueel) ingetreden immateriële schade zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Daarbij komt dat de vordering op inhoudelijke gronden is betwist.

Het hof zal daarom de benadeelde partij [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding en bepalen dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Het hof zal voorts de benadeelde partij [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan de nabestaande van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , is toegebracht tot een bedrag van € 1.799,07. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor de duur van 27 dagen zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren, opgelegd bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Limburg van 3 oktober 2013, gewezen onder parketnummer 03-700118-13. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Hoewel het hof van oordeel is dat in beginsel de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde maatregel geboden is indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, is in dit geval de tenuitvoerlegging daarvan, gelet op de hierna op te leggen gevangenisstraf en gezien het tijdsverloop, naar ’s hofs oordeel niet opportuun. Mitsdien zal het hof, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging, de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 27, 36f, 45, 47, 57, 63, 180, 285, 287, 300, 302, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-700358-15 onder feit 3 primair, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 8 primair, feit 9 primair en feit 9 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-700358-15 onder feit 1, feit 2, feit 5, feit 8 subsidiair en feit 9 meer subsidiair en in de zaak met parketnummer 03-700572-14 onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren en 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de teruggave aan Blokker B.V. te Maastricht van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, cd-rom ‘Platinum 52 Speed’ met beslagnummer 666705;

gelast de teruggave aan Bristol B.V. te Gronsveld van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, dvd/beeldplaat met beslagnummer 573875;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven blikje bier van het merk Schultenbrau met beslagnummer 586554;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezen verklaarde van het in de zaak met parketnummer 03-700358-15 onder feit 1 ten laste gelegde tot het bedrag van € 1.799,07 (zegge: duizend zevenhonderdnegenennegentig euro en zeven cent) als vergoeding van materiële schade;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van dit arrest begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezen verklaarde van het in de zaak met parketnummer 03-700358-15 onder feit 1 ten laste gelegde een bedrag te betalen van € 1.799,07 (zegge: duizend zevenhonderd-negenennegentig euro en zeven cent) aan materiële schadevergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 (zevenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide voornoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat deze benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van dit arrest begroot op nihil;

wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Limburg van 25 juni 2015, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Limburg van 3 oktober 2013 onder parketnummer 03-700118-13 voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.

Aldus gewezen door:

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. J.F. Dekking en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 30 oktober 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, district Maastricht, op ambtsbelofte opgesteld door verbalisant [verbalisant 8] , brigadier van politie, proces-verbaalnummer 2015138081, afgesloten d.d. 16 augustus 2015, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-339.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juli 2015, p. 168.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juli 2015, p. 170.

4 Deskundigenrapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van het NFI d.d. 31 juli 2015, p. 149.

5 Ibidem, p. 150.

6 Ibidem, p. 150.

7 Ibidem, p. 152.

8 Ibidem, p. 150.

9 Ibidem, p. 152.

10 Ibidem, p. 151.

11 Ibidem, p. 152.

12 Ibidem, p. 151-153.

13 Ibidem, p. 154.

14 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van getuige [getuige 1] zoals afgelegd bij gelegenheid van haar verhoor op 23 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2017-09-361461, p. 1, 3, 8, 10, 11, 12 en 14.

15 Proces-verbaal van bevindingen doorzoeking d.d. 23 juli 2015, p. 32; proces-verbaal plaats delict onderzoek d.d. 4 april 2016, afzonderlijk in het procesdossier gevoegd, proces-verbaalnummer PL2300-2015138081-18, p. 5 en 7.

16 Deskundigenrapport NFI d.d. 23 november 2015 met zaaknummer 2015.07.23.223.

17 Proces-verbaal onderzoek stuk van overtuiging d.d. 5 april 2016, afzonderlijk in het procesdossier gevoegd, proces-verbaalnummer PL2300-2015138081-68.

18 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 23 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253003, p. 3, 4, 6, 8, 9, 10, 11, 12, 15 en 17; alsmede de verbatim uitwerking van het verhoor van verdachte [verdachte] op 25 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253176, p. 36, 37 en 38.

19 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Limburg te Maastricht van 23 juni 2017, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 12.

20 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor strafzaken, van 25 april 2018, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 7, 9 en 10.

21 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, district Zuid-West-Limburg, basisteam Maastricht, op ambtsbelofte opgesteld door verbalisant [verbalisant 9] , hoofdagent van politie, registratienummer PL2300-2015086136, afgesloten d.d. 11 mei 2015, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-28.

22 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] d.d. 9 mei 2015, p. 22, 23 en 24.

23 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg te Roermond, d.d. 8 februari 2017.

24 Proces-verbaal van verhoor getuige [vriendin medeverdachte] d.d. 9 mei 2015, p. 26 en 27.

25 Proces-verbaal van verhoor van getuige [vriendin medeverdachte] bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg te Roermond, d.d. 8 februari 2017.

26 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 11 mei 2015, p. 16 en 17.

27 Processen-verbaal van verhoor van getuigen [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] en [vriendin medeverdachte] bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg te Roermond, d.d. 8 februari 2017.

28 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, district Zuid-West-Limburg, basisteam Maastricht, op ambtseed opgesteld door verbalisant [verbalisant 10] , brigadier van politie, registratienummer PL2300-2015047223 (PL2300 is op het voorblad doorgehaald en handgeschreven gewijzigd in ‘2411’), afgesloten d.d. 9 april 2015, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen.

29 Proces-verbaal van aangifte door [bedrijfsleider Blokker] namens Blokker B.V. te Maastricht, proces-verbaalnummer PL2300-2015047223-1.

30 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2015, proces-verbaalnummer PL2300-2015047223-3.

31 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, district Zuid-West-Limburg, districtsrecherche Zuid-West-Limburg, op ambtseed opgesteld door verbalisant [verbalisant 11] , brigadier van politie, registratienummer PL2300-2015063068, afgesloten d.d. 8 juni 2015, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-139.

32 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] d.d. 6 april 2015, p. 111-114.

33 Opmerking verbalisant [verbalisant 4] in het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] d.d. 6 april 2015, p. 113. De verbalisant heeft gerelateerd dat hij letsel zag aan het rechteroog van [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] . Het hof gaat ervan uit dat de vermelding dat het zou gaan om het rechteroog op een vergissing berust, gelet op de verklaring van aangever [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] dat hij een flinke pijnscheut voelde aan zijn linker oogkas en gelet op de bij de aangifte gevoegde foto’s op p. 115 en 116 waarop een afbeelding is te zien van een man, zijnde [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] (de verbalisant heeft foto’s gemaakt van het letsel en die foto’s bijgevoegd), met een verwonding aan het linker ooglid en met een gezwollen linker oog.

34 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 7 april 2015, p. 44-46.

35 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 april 2015, p. 24-25.

36 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 6 april 2015, p. 102.

37 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 6 april 2015, p. 106-107.

38 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 9 april 2015, p. 132-135.

39 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 6 april 2015, p. 104.

40 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, district Zuid-West-Limburg, districtsrecherche Zuid-West-Limburg, op ambtseed opgesteld door verbalisant [verbalisant 11] , brigadier van politie, registratienummer PL2300-2015063068, afgesloten d.d. 8 juni 2015, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-139.

41 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 6 april 2015, p. 106-107.

42 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 13 april 2015, p. 137-138.

43 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] d.d. 6 april 2015, p. 111-113.

44 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 6 april 2015, p. 99-100.

45 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 april 2015, p. 24-25.

46 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, district Maastricht, basiseenheid Maastricht Centrum/Zuid, op ambtseed opgesteld door verbalisant [verbalisant 12] , brigadier van politie, registratienummer PL2300-2014102411, afgesloten d.d. 2 oktober 2014, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-46.

47 Proces-verbaal van aangifte door [filiaalmanager Kruidvat] namens Kruidvat B.V. te Maastricht d.d. 15 september 2014 met bijlage goederen, p. 27-31.

48 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2014, p. 32-34 en de kennisgevingen van inbeslagneming, p. 13-17.

49 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 september 2014, p. 37-38 en printscreens van de camerabeelden op p. 39-41.

50 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, district Maastricht, basiseenheid Maastricht Centrum/Zuid, op ambtseed opgesteld door verbalisant [verbalisant 13] , brigadier van politie, registratienummer PL2411-2014171620, afgesloten d.d. 26 december 2014, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-15.

51 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 december 2014, p. 3-4.

52 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 26 december 2014, p. 13-14.

53 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Limburg te Maastricht van 23 juni 2017, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 5.

54 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] d.d. 6 april 2015, p. 111-112.

55 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, district Maastricht, op ambtsbelofte opgesteld door verbalisant [verbalisant 8] , brigadier van politie, proces-verbaalnummer 2015138081, afgesloten d.d. 16 augustus 2015, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-339.

56 Vgl. Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor strafzaken, van 25 april 2018, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 5.

57 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 april 2015, p. 25.

58 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 13 april 2015, p. 138.

59 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] d.d. 29 juli 2015, p. 287.

60 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor strafzaken, van 25 april 2018, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 6.

61 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor strafzaken, van 25 april 2018, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 6. Zie ook de verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 25 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253176, p. 7.

62 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor strafzaken, van 25 april 2018, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 6. Zie ook de verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 23 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253003, p. 10.

63 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 25 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253176, p. 14-15.

64 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 25 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253176, p. 16-18.

65 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 25 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253176, p. 23-24.

66 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor strafzaken, van 25 april 2018, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 8.

67 Verbatim uitwerking van het verhoor van de getuige onder nummer 583681 bij de politie in de Nederlandse taal, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253182, p. 6. De identiteit van deze getuige is gedurende het onderzoek – ook bij de verdediging – bekend geworden. Het hof verwijst onder meer naar het proces-verbaal van verhoor van de getuige door de raadsheer-commissaris d.d. 2 februari 2018 en het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof op 25 april 2018.

68 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 25 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253176, p. 24-27; verbatim uitwerking van de verklaring van getuige [getuige 1] bij de politie d.d. 3 augustus 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-08-253982, p. 7.

69 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 25 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253176, p. 24-26.

70 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 25 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253176, p. 24-27.

71 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor strafzaken, van 25 april 2018, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 8-9.

72 Verbatim uitwerking van verhoor getuige onder nummer 583681, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253182, p. 7-11.

73 Verbatim uitwerking van verhoor getuige onder nummer 583681, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253182, p. 8, p. 11 en p. 13.

74 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 23 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253003, p. 2.

75 Rapport forensisch geneeskundig onderzoek door forensisch geneeskundige [forensisch geneeskundige] d.d. 3 augustus 2015, bijlage bij het hierna te noemen proces-verbaal. Zie ook het proces-verbaal letselbeschrijving verdachte [achternaam verdachte] d.d. 31 juli 2015, proces-verbaalnummer PL2300-2015138081-20, onderdeel van het dossier forensisch onderzoek.

76 Verbatim uitwerking van verhoor van getuige onder nummer 583681, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253182, p. 13, 14; verbatim uitwerking van de verklaring van getuige [getuige 1] , auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-08-253982, p. 14.

77 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor strafzaken, van 25 april 2018, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 9.

78 Verbatim uitwerking van de verklaring van getuige [getuige 1] bij de politie d.d. 3 augustus 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-08-253982, p. 11; verbatim uitwerking van de verklaring van getuige [getuige 1] zoals afgelegd bij gelegenheid van de reconstructie op 7 en 8 april 2016, PL09/2016060260, p. 7.

79 Verbatim uitwerking van verhoor van getuige onder nummer 583681 d.d. 25 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253182, p. 13.

80 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van getuige onder nummer 583681 d.d. 25 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253182, p. 13-14; verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 25 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253176, p. 30.

81 Verbatim uitwerking van verhoor getuige onder nummer 583681 d.d. 25 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253182, p. 13 en p. 15.

82 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de getuigenverklaring van [getuige 1] zoals afgelegd bij gelegenheid van de reconstructie op 7 en 8 april 2016, PL09/2016060260, p. 7.

83 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de getuigenverklaring van [getuige 6] zoals afgelegd bij gelegenheid van de reconstructie op 7 en 8 april 2016, PL09/2016060260, p. 6.

84 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van getuige onder nummer 583681 d.d. 25 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253182, p. 11-12, p. 16.

85 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 23 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253003, p. 4.

86 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 23 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253003, p. 8.

87 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 23 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253003, p. 3-4 en p. 8.

88 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 23 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253003, p. 4, p. 6 en p. 8.

89 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 23 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253003, p. 4, p. 6 en p. 8; proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor strafzaken, van 25 april 2018, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] , p. 7 en 10.

90 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 23 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253003, p. 4 en p. 6.

91 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de getuige onder nummer 583681 d.d. 25 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253182, p. 23.

92 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 23 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253003, p. 6.

93 Deskundigenrapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van het NFI d.d. 31 juli 2015, p. 150.

94 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 25 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253176, p. 30 e.v.

95 Zie de bijbehorende verbatim uitwerkingen in de Nederlandse taal van de verklaringen van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoren door de politie op 25 juli 2015, 27 juli 2015 en 12 augustus 2015 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] door de rechter-commissaris in het kader van de vordering inbewaringstelling d.d. 28 juli 2015, p. 40-41.

96 Letselbeschrijving verdachte [verdachte] , PL2300-2015138081-20, met bijlagen, waaronder een briefrapport van forensisch geneeskundige [forensisch arts ] .

97 Rapport forensisch geneeskundig onderzoek d.d. 27 juli 2015 door [forensisch arts ] , forensisch geneeskundige bij de GGD Zuid-Limburg, deel uitmakende van het dossier forensisch onderzoek met proces-verbaalnummer PL2300-2015138081-18.

98 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de getuige onder nummer 583681 d.d. 25 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253182, p. 2 en p. 16.

99 Proces-verbaal van verhoor van getuige [moeder verdachte] ten overstaan van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 2 februari 2018.

100 Proces-verbaal van verhoor getuige [broer verdachte] ten overstaan van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 2 februari 2018, p. 2.

101 Ibidem.

102 Zoals door de verdachte eveneens reeds bij gelegenheid van zijn eerste inhoudelijke verhoor is verklaard, zie de verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] bij de politie op 23 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253003, p. 8 en p. 11.

103 Verbatim uitwerking in de Nederlandse taal van de verklaring van verdachte [verdachte] zoals afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 23 juli 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-07-253003, p. 4 en 8.

104 Verbatim uitwerking van de verklaring van getuige [getuige 1] bij de politie d.d. 3 augustus 2015, auditief geregistreerd onder nummer VRH-2015-08-253982, p. 13.

105 Rapport forensisch geneeskundig onderzoek door forensisch geneeskundige [forensisch geneeskundige] d .d. 3 augustus 2015, bijlage bij het hierna te noemen proces-verbaal. Zie ook het proces-verbaal letselbeschrijving verdachte [verdachte] d.d. 31 juli 2015, proces-verbaalnummer PL2300-2015138081-20, onderdeel van het dossier forensisch onderzoek, p. 49-51.