Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4007

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
29-11-2019
Zaaknummer
19/00262 en 19/00263
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:1471, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten gevolge van een ongeval op 7 augustus 2012 zijn belanghebbende en een verzekeraar overeengekomen dat aan belanghebbende in totaal een lumpsum schade-uitkering van € 132.500 toekomt. Van dit bedrag is aan belanghebbende in het jaar 2013 als voorschotbetaling reeds € 19.000 uitgekeerd. In geschil is of de lumpsum schade-uitkering, waaronder voormelde voorschotbetaling van € 19.000, geheel of gedeeltelijk onbelast is met betrekking tot de aanslagen IB/PVV en Zvw 2013. Belanghebbende heeft na vragen van de Inspecteur de lumpsum schade-uitkering gespecificeerd in: een onbelaste vergoeding voor immateriële schade (€ 15.000), een onbelaste vergoeding voor vermogensschade (€ 7.500), een onbelaste vergoeding voor huishoudelijke hulp (€ 10.000), een onbelaste vergoeding voor verlies aan zelfwerkzaamheid (€ 10.000) en een onbelaste vergoeding voor schade wegens verlies van arbeidsvermogen (€ 90.000). Het Hof volgt de Rechtbank in haar oordeel dat de onbelaste vergoeding voor immateriële schade, overeenkomstig het standpunt van belanghebbende, € 15.000 bedraagt, dat de onbelaste vergoeding van vermogensschade voor een bedrag van € 5.000 redelijk is en dat belanghebbende de kosten voor huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Ten aanzien van de onbelaste vergoeding voor schade vanwege het verlies van arbeidsvermogen heeft de Rechtbank deze in goede justitie op € 10.000 bepaald. Het Hof komt, na overwogen te hebben dat op belanghebbende de bewijslast rust, echter tot een onbelaste vergoeding van (in goede justitie) € 20.000. Dit komt enerzijds omdat in hoger beroep een arbeidskundige rapportage is overgelegd waaruit is af te leiden dat belanghebbende voor 33,33% arbeidsongeschikt is maar anderzijds een ander rapport met een mogelijk lager percentage door belanghebbende niet is overgelegd en belanghebbende na daartoe door het Hof te zijn bevraagd, geen duidelijkheid heeft kunnen scheppen over de conclusies van dit rapport. De hoger beroepen van belanghebbende zijn gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-11-2019
FutD 2019-3136
V-N Vandaag 2019/2717
V-N 2020/8.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 19/00262 en 19/00263

Uitspraak op de hoger beroepen van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en het incidenteel hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 4 april 2019, nummers BRE 17/8220 en 17/8221 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden aanslagen en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.282 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.713. Tevens is bij beschikking € 507 belastingrente in rekening gebracht (en heeft de Inspecteur een verlies uit werk en woning vastgesteld van nihil).

1.2.

Ook is aan belanghebbende voor het jaar 2013 de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) naar een bijdrage-inkomen van € 21.380 opgelegd. Tevens is bij beschikking € 143 belastingrente in rekening gebracht.

1.3.

De aanslagen IB/PVV en Zvw (hierna ook tezamen genoemd “de aanslagen”) - en naar het Hof begrijpt de beschikkingen - zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de aanslagen en de beschikkingen belastingrente verminderd. Ook heeft zij de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende veroordeeld en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.5.

Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 128 in de zaak met het hofkenmerk 19/00262. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft omtrent het incidentele hoger beroep zijn zienswijze ingebracht.

1.7.

De zitting heeft plaatsgehad op 3 oktober 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en namens hem [A] , [B] en [C] , alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur] .

1.8.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende per faxberichten, van 29 augustus 2019 en 16 september 2019, nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift doorgezonden aan de wederpartij.

1.9.

Het Hof heeft aan het slot van de zitting het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

In hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, door de Rechtbank vastgestelde, feiten:

2.1.

Op 7 augustus 2012 is belanghebbende betrokken geraakt bij een ongeval ten gevolge waarvan hij lichamelijk letsel aan zijn rechter voet, enkel en been heeft opgelopen. Een werknemer van [D] (hierna: [D] ) te [plaats 1] heeft het ongeval veroorzaakt. [D] was tegen de gevolgen van het ongeval verzekerd bij [E NV] (hierna: [E NV] ). [E NV] heeft de aansprakelijkheid erkend.

2.2.

Ten tijde van het ongeval dreef belanghebbende voor eigen rekening een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam “ [bedrijf] ”. De activiteiten van de onderneming bestonden uit onderhoud, APK keuring en in- en verkoop van auto’s. Het ongeval heeft plaatsgevonden op het bedrijfsterrein van de onderneming van belanghebbende.

2.3.

Vooruitlopend op een definitieve schaderegeling heeft [E NV] vanaf 2012 (voorschot)betalingen op de uiteindelijk uit te keren schadeloosstelling verstrekt. Het betreft de volgende (voorschot)betalingen:

16 augustus 2012

1.000

13 november 2012

12.500

4 april 2013

5.000

19 april 2013

5.000

13 december 2013

9.000

Totaal

32.500

2.4.

Vanwege onduidelijkheid ten aanzien van de ongeval-gerelateerde klachten van belanghebbende en de schadeomvang, hebben belanghebbende en [E NV] onder begeleiding van een in opdracht van [E NV] ingeschakelde schaderegelaar, de heer [F] , een regeling getroffen ter finale afwikkeling van de schadeclaim. Een afschrift van het rapport van de heer [F] , gedateerd 16 juli 2014, behoort tot de gedingstukken (bijlage 13 bij het beroepschrift). Op 25 september 2014 heeft belanghebbende een vaststellingsovereenkomst ondertekend. [E NV] heeft belanghebbende een schadevergoeding van € 132.500 verleend voor geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade, onder aftrek van de reeds verstrekte (voorschot)betalingen.

2.5.

Eveneens op 25 september 2014 is belanghebbende door ondertekening een belastinggarantie overeengekomen met [E NV] . Deze belastinggarantie heeft uitsluitend betrekking op de eventuele belastbaarheid van de schadevergoeding in box 1. Op grond van de belastinggarantie neemt [E NV] de (eventuele) over de schadevergoeding verschuldigde IB/PVV voor haar rekening.

2.6.

Op 7 oktober 2014 heeft [E NV] een slotuitkering van € 100.000 betaald aan belanghebbende.

2.7.

Over de periode 10 juli 2015 tot en met 31 december 2015 heeft belanghebbende een uitkering ontvangen uit hoofde van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze is met ingang van 1 januari 2016 gestopt.

2.8.

Op 2 maart 2015 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV en ZVW 2013 gedaan, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.098 negatief, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.713 en een bijdrage-inkomen van nihil. Daarbij heeft belanghebbende ten aanzien van de schadevergoeding geen belastbaar inkomen in aanmerking genomen.

2.9.

Met dagtekening 11 mei 2017 heeft de inspecteur de in geschil zijnde aanslagen opgelegd. De aanslag IB/PVV 2013 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.282 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.713. Naar de rechtbank uit de stukken afleidt is het belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) als volgt berekend:

Winst voor ondernemersaftrek

6.920

Bij: correctie schadevergoeding

32.500

Subtotaal

39.420

Af: zelfstandigenaftrek 2013

-/- 7.280

Af: zelfstandigenaftrek voorgaande jaren

-/- 7.280

Subtotaal

24.860

Af: MKB-winstvrijstelling (14%)

-/- 3.480

Belastbare winst

21.380

Af: premies AOV

-/- 4.098

Belastbaar inkomen box 1

17.282

De aanslag ZVW 2013 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 21.380.

In aanvulling op het bovenstaande stelt het Hof – doornummerend – de volgende feiten vast.

2.10.

De in 2.4 vermelde vaststellingsovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

“APS Vaststellingsovereenkomst Kenmerk: [nummer]

De ondergetekenden:

1 [belanghebbende] , geboren op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats] , verder te noemen benadeelde, bijgestaan door [G]

2. [E NV] , gevestigd te [plaats 2] , nader te noemen [E NV]

In aanmerking nemende:

• dat op 7 augustus 2012 een ongeval heeft plaatsgevonden, waarbij betrokken waren [D]

en benadeelde;

• dat ten aanzien van [D] ten tijde van het ongeval een

aansprakelijkheidsverzekering van kracht was bij [E NV] ;

• dat benadeelde tengevolge van dat ongeval letsel heeft opgelopen waarvoor hij [E NV] en/of haar verzekerde aansprakelijk heeft gesteld;

• dat benadeelde en [E NV] in onderhandeling zijn getreden over een definitieve regeling van de aanspraken van benadeelde jegens [E NV] en haar verzekerde(n);

• dat bij die onderhandelingen onzekerheden zijn gerezen over de omvang van de door benadeelde geleden en/of nog te lijden schade;

• dat benadeelde en [E NV] ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent aanspraken van benadeelde op vergoeding van de door benadeelde geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade zich jegens elkaar wensen te binden aan een vaststelling van die aanspraken door middel van een vaststellingsovereenkomst als geregeld in de artt. 7:900 e.v. B.W.;

Verklaren te zijn overeengekomen:

1. Alle aanspraken van benadeelde op vergoeding van de geleden en in de toekomst nog te lijden

materiële en immateriële schade worden door deze vaststellingsovereenkomst vastgesteld op een

bedrag van € 132.500 (…)”

2.11.

Tot het dossier in hoger beroep behoort een arbeidskundige rapportage opgemaakt door [H] , gecertificeerd registerarbeidskundige, opgemaakt op 13 november 2016. Deze rapportage, welke pas in hoger beroep is overgelegd, luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…) 1. INLEIDING

Op verzoek van de belangenbehartiger van betrokkene, te weten de heer [J] d.d.

14 juni 2016, werd op 22 juli 2016 een bezoek gebracht aan betrokkene, de heer [belanghebbende] .

Tijdens dit gesprek waarbij eveneens de echtgenote van betrokkene aanwezig was, werd een

bedrijfsrondgang gemaakt.

Betrokkene geeft aan dat hij niet akkoord is met een eerder arbeidsdeskundig onderzoek, verricht

door de heer [K] , register arbeidsdeskundige van [L BV] in

opdracht van [M] . Het rapport van laatstgenoemde werd opgesteld op

7 december 2015 en rust in mijn dossier.

Betrokkene verzocht mij om een arbeidsdeskundige herbeoordeling van zijn dossier.(…)

7. BESCHOUWING EN OORDEEL ARBEIDSDESKUNDIGE

Dit onderzoek werd uitgevoerd op verzoek van betrokkene en betreft een arbeidsdeskundige herbeoordeling van het dossier.

Met de heer [belanghebbende] werd uitvoerig over zowel zijn beperkingen (belastbaarheid) evenals

werkzaamheden (belasting) gesproken. Het gesprek vond plaats in een open en prettige sfeer.

Betrokkene benadrukt dat hij niet akkoord is met de beperkingen zoals eerder verwoord in het beperkingenpatroon (BP) van [M] d.d. 19 oktober 2015. Hij acht zich met name forser beperkt ten aanzien van lopen en staan tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden.

Naar aanleiding van de meest recent medische expertise d.d. 21 september 2016 door [N] , verzocht betrokkene mij een arbeidsdeskundige herbeoordeling op basis van deze belastbaarheidsgegevens, uit te voeren.

Ik kom op basis van de hiervoor genoemde belastbaarheid, tot het navolgende.

Indien ik kijk naar de relevante functiebelasting van exploitant garagehouder, dan heeft

betrokkene binnen 80% van zijn tijd te maken met diverse uitvoerende werkzaamheden.

Binnen deze tijd heeft betrokkene met name te maken met langdurig staan tijdens het werk. Ik zie in een ietwat mindere mate, lopen tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden. De belasting als gevolg van staan tijdens het werk zie ik met name als de factor die de belastbaarheid van betrokkene fors overschrijdt. Deze belasting is gezien de aard van zowel het werk evenals het bedrijf, niet te reduceren. Voorts geldt er een beperking ten aanzien van duwen waarmee betrokkene frequent te maken heeft, namelijk op die momenten dat een auto (of bus) met kapotte motor alleen of met meerdere personen het garagebedrijf wordt binnengeduwd.

Ik zie geen overschrijding van de belastbaarheid ten aanzien van de administratieve

werkzaamheden gedurende 20% van de totale tijd en acht betrokkene derhalve niet beperkt voor deze taken.

Er wordt overschrijding van de belastbaarheid van betrokkene geconstateerd tijdens het plaatsen van autobanden op kleine vrachtwagens. Middels taakverschuiving is deze belasting volledig te reduceren.

Ter plekke werd een autoband gewogen en is geconstateerd dat het gewicht 25 kg. bedraagt. Tijdens het verwisselen is er sprake van overschrijding door de tilbelasting in combinatie met staan tijdens het werk. Betrokkene kon echter niet aangeven in welke frequentie deze taak voorkomt. Middels taakverschuiving is deze belasting eveneens volledig te reduceren.

Hetzelfde geldt voor hurken tijdens de uitvoerende werkzaamheden waarbij laag aan auto’s wordt gewerkt bijv. tijdens het afmonteren van een deur, indien er in de relaiskast wordt gewerkt of een interieurfilter wordt vervangen. Dit komt dagelijks voor.

Met betrokkene werd gesproken over het gebruik van de ladder waarbij sprake is van klimmen. Betrokkene gebruikt de ladder op het moment dat banden, in combinatie met tillen, uit de stellage wordt gehaald. Deze belasting in het werk is eenvoudig en volledig te reduceren door te kiezen voor opslag op de begane verdieping aangezien hier voldoende ruimte voor aanwezig is. Op deze wijze vindt geen verdere overschrijding van de belastbaarheid van betrokkene plaats.

Uitgaande van de kwantificering van de medisch adviseur dat betrokkene in staat wordt geacht om 4 tot 6 uur per dag te lopen en te staan tijdens het werk, acht ik het reëel te stellen dat betrokkene, gemiddeld, 5 uur per dag kan lopen en staan tijdens het werk.

Uit de voorgaande taak/functie analyse blijkt dat betrokkene in totaliteit 10,5 uur per dag

werkzaam is.

Ik acht betrokkene op basis van de weging belasting/belastbaarheid voor 3,5/10,5 * 100% = 33% arbeidsongeschikt voor het eigen werk.

8. CONCLUSIE

Kunt u een herbeoordeling verrichten betreffende de mate van arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk, namelijk dat van exploitant van ene garagebedrijf?

Betrokkene wordt voor circa 33% arbeidsongeschikt geacht voor het eigen werk. (…)”

2.12.

De door [E NV] aan belanghebbende gegeven belastinggarantie vermeldt ten aanzien van kosten van beroepsprocedures het volgende:

“dat alle kosten, die aan deze bezwaarschriften-, respectievelijk beroepsprocedures verbonden zijn, voor rekening komen van de verzekeraar”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of de Inspecteur de aanslagen te hoog heeft vastgesteld. In het bijzonder houdt partijen verdeeld of en in hoeverre het door [E NV] in 2013 uitgekeerde bedrag van € 19.000 onbelast is.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat dit bedrag geheel, dan wel gedeeltelijk, onbelast is. De Inspecteur conformeert zich aan het oordeel van de Rechtbank.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor wat hier ter zitting aan is toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.4.

De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof zijn incidenteel hoger beroep ingetrokken.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur, tot vermindering van de aanslagen en tot dienovereenkomstige vermindering van de beschikkingen belastingrente, alsmede vaststelling van een verlies uit werk en woning van € 4.098. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf

4.1.

Een bezwaar tegen een aanslag moet, tenzij bijzondere omstandigheden wijzen op het tegendeel, tevens worden opgevat als een bezwaar tegen de verliesvaststellingsbeschikking van het jaar waarop de aanslag betrekking heeft. Aangezien in het bezwaarschrift is gevraagd om het inkomen uit werk en woning op € 4.098 negatief vast te stellen is buiten twijfel dat met het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV tevens bezwaar is gemaakt tegen de vaststelling van het verlies op nihil. Aangezien de Inspecteur op dat laatstbedoelde bezwaar niet afzonderlijk uitspraak heeft gedaan, moet worden geoordeeld dat in de uitspraak op bezwaar ook de uitspraak ligt besloten de verliesvaststellingsbeschikking te handhaven (zie Hoge Raad 16 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU8171). Het (hoger) beroep richt zich mede tegen de weigering van de Inspecteur om het verlies uit werk en woning op € 4.098 vast te stellen.

Inhoudelijk

4.2.

Ten gevolge van het ongeval op 7 augustus 2012 zijn belanghebbende en [E NV] , de verzekeraar van [D] , op 25 september 2014 overeengekomen dat aan belanghebbende in totaal een lumpsum schade-uitkering van € 132.500 toekomt. Van dit bedrag is aan belanghebbende in het jaar 2013 als voorschotbetaling reeds € 19.000 uitgekeerd. In geschil is of de lumpsum schade-uitkering, waaronder voormelde voorschotbetaling van € 19.000, geheel of gedeeltelijk onbelast is.

4.3.

Belanghebbende stelt dat de lumpsum schade-uitkering als volgt is te specificeren:

- Onbelaste vergoeding voor immateriële schade:

15.000,--

- Onbelaste vergoeding voor vermogensschade:

7.500,--

- Onbelaste vergoeding voor huishoudelijke hulp:

10.000,--

- Onbelaste vergoeding voor verlies aan zelfwerkzaamheid:

10.000,--

- Onbelaste vergoeding voor schade wegens verlies van

arbeidsvermogen:

90.000,--

4.4.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat van het in 2013 ontvangen bedrag € 4.302 onbelast is en dat het restant groot € 14.698 tot het belastbaar inkomen uit werk en woning (en het bijdrage inkomen) behoort. Partijen hebben afgesproken dat het oordeel met betrekking tot het jaar 2013, althans voor de verhouding belast/onbelast, ook zal gaan gelden voor het in 2014 ontvangen bedrag van de lumpsum schade-uitkering.

4.5.

Samengevat is de Rechtbank van oordeel dat de onbelaste vergoeding voor immateriële schade, overeenkomstig het standpunt van belanghebbende, € 15.000 bedraagt. Alhoewel de Rechtbank wel aannemelijk acht dat belanghebbende ten gevolge van het ongeval vermogensschade heeft geleden is zij van oordeel dat belanghebbende de omvang er van niet aannemelijk heeft gemaakt. Een bedrag van € 5.000 acht zij in dat verband redelijk. Met betrekking tot de onbelaste vergoeding voor huishoudelijke hulp en de onbelaste vergoeding voor zelfwerkzaamheid heeft de Rechtbank overwogen dat belanghebbende dergelijke kosten niet aannemelijk heeft gemaakt. Ten aanzien van de onbelaste vergoeding voor schade vanwege het verlies van arbeidsvermogen is zij van oordeel dat gelet op het arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9498 belanghebbendes primaire standpunt dat de vergoeding geen causaal verband met zijn onderneming heeft en reeds daarom onbelast is, dient te worden verworpen. Voorts is de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende, mede gebaseerd op zijn geloofwaardige verklaring ter zitting, aannemelijk heeft gemaakt dat er als gevolg van het ongeval sprake is van enige blijvende arbeidsongeschiktheid. Van volledige arbeidsongeschiktheid is geen sprake omdat belanghebbende in 2013 voor zijn onderneming werkzaamheden heeft verricht. Alles afwegende bepaalt de Rechtbank de onbelaste vergoeding voor blijvend verlies van arbeidskracht in goede justitie op € 10.000.

4.6.1.

Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de precieze schade(omvang) van de schadecomponenten die schattenderwijs aan de lumpsum schade-uitkering ten grondslag liggen aannemelijk moet maken. Hij stelt in dat verband dat de Rechtbank heeft miskend dat het bij een lumpsum schade-uitkering gaat om een totaalbedrag zonder differentiatie naar aard waarbij het vaak onmogelijk is exact te onderbouwen wat de omvang is van de afzonderlijke schadeposten. Aangezien het in onderhavige zaak niet mogelijk is een precieze onderbouwing per afzonderlijke schadecomponent te geven is belanghebbende van mening dat dat dan ook niet van hem kan worden gevergd. Voorts stelt belanghebbende dat een dergelijke bewijslast het ongewenste gevolg heeft dat de verzekeraar, in het geval van een door de verzekeraar afgegeven belastinggarantie, minder snel geneigd zal zijn om met de gelaedeerde tot een snelle afwikkeling te komen omdat hij eerst inzicht wil hebben in een preciezere onderbouwing van de schadecomponenten en mogelijk deskundigenonderzoeken zal willen instellen. Belanghebbende vindt het onredelijk dat een dergelijke bewijslast, in het geval van een belastinggarantie, van verzekeraars wordt gevergd.

4.6.2.

Belanghebbende stelt voorts dat ten aanzien van de schadecomponenten “immateriële schade”, “vermogensschade”, “huishoudelijke hulp” en “verlies aan zelfwerkzaamheid” in ieder geval vaststaat dat deze onvoldoende verband met de onderneming (dan wel enig andere bron van inkomen) van belanghebbende hebben om als daaruit genoten te kunnen worden beschouwd.

4.6.3.

Ook stelt hij dat niet in te zien valt waarom de onbelaste vergoeding voor vermogensschade van € 7.500 niet redelijk is en het door de Rechtbank in aanmerking genomen bedrag van € 5.000 voor deze schadecomponent wel redelijk zou zijn. Onder verwijzing naar verklaringen van de verzekeringsarts, de fysiotherapeut, de schaderegelaar en de arbeidskundige, alsmede naar de “De Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp” is belanghebbende van mening dat de onbelaste vergoeding voor huishoudelijke hulp in alle redelijkheid op € 10.000 gesteld dient te worden. Met betrekking tot de onbelaste vergoeding wegens blijvend verlies van arbeidsvermogen is belanghebbende primair van mening dat € 90.000 onbelast dient te blijven omdat het causale verband (zie 4.6.2) met de onderneming ontbreekt. Subsidiair is hij van mening dat de Rechtbank ten onrechte belanghebbende heeft aangewezen als “meest gerede partij” om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op grond waarvan de mate van blijvende arbeidsongeschiktheid kan worden bepaald. Onder verwijzing naar een uitspraak van het Hof Arnhem, ECLI:NL:GHARN:2008:BC5464, bepleit hij dat de bewijslast tussen partijen dient te worden verdeeld. Voor het geval het Hof niet tot het oordeel komt dat het gehele bedrag van € 90.000 onbelast zou zijn is hij van mening dat € 45.000 als een onbelaste vergoeding vanwege blijvend verlies van arbeidsvermogen dient te worden aangemerkt.

4.7.

De Inspecteur stelt dat het oordeel van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Bewijslastverdeling

4.8.

Met betrekking tot belanghebbendes standpunt inzake de bewijslastverdeling (zie 4.6.1) is het Hof van oordeel dat in het geval als het onderhavige waarin een vaststellingsovereenkomst is gesloten en waarbij een lumpsum schade-uitkering wordt bedongen ten gevolge van een bedrijfsongeval het aan belanghebbende is om feiten en omstandigheden aan te dragen die tot de conclusie kunnen leiden dat de schade-uitkering (in zoverre) onbelast dient te blijven. Belanghebbende is namelijk de meest gerede partij aangezien hij met zijn advocaat de onderhandelingen met [E NV] heeft gevoerd en derhalve – in tegenstelling tot de Inspecteur – inzicht heeft gehad in de opbouw en omvang van eventuele componenten die hebben geleid tot de uiteindelijke schade-uitkering. Ter zitting is immers onweersproken verklaard dat bij dergelijke onderhandelingen ook gesproken wordt over de onderverdeling (op hoofdlijnen) van schadecomponenten om tot een finaal bedrag te komen. Belanghebbendes stelling dat de lumpsum schade-uitkering de resultante is van een onderhandelingsproces en dat ook achteraf niet precies is te onderbouwen wat de omvang is van de afzonderlijke schadecomponenten, wordt verworpen. Belanghebbende is namelijk wel in staat geweest, zoals ter zitting van het Hof is vastgesteld, om nadat de vaststellingsovereenkomst was gesloten en de Inspecteur om informatie had verzocht de in 4.3 opgenomen verdeling te overleggen. In alle redelijkheid mag dan van hem worden verwacht deze specificatie, na weerspreking door de Inspecteur, nader te onderbouwen, vooral nu belanghebbende stelt dat deze onderverdeling is gebaseerd op (herleidbare) ervaringsregels en richtlijnen uit de praktijk. Dat een dergelijke bewijslastverdeling het ongewenste gevolg heeft dat een verzekeraar, in het geval van een door haar afgegeven belastinggarantie, minder snel geneigd zal zijn om met de gelaedeerde tot een snelle afwikkeling te komen, doet, voor zover deze stelling van belanghebbende juist zou zijn, daar niet aan af.

De schadecomponenten immateriële schade, vermogensschade, huishoudelijke hulp en verlies aan zelfwerkzaamheid

4.9.

Met betrekking tot de schadecomponenten immateriële schade, vermogensschade, huishoudelijke hulp en verlies aan zelfwerkzaamheid heeft belanghebbende in hoger beroep niets nieuws aangedragen. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank op goede gronden de juiste beslissing genomen en het maakt deze beslissing tot de zijne.

De schadecomponent (blijvend) verlies van arbeidsvermogen

4.10.

In het geval waarin een ondernemer, zoals belanghebbende, bij een (bedrijfs)ongeval ernstig wordt gelaedeerd, waardoor hij (blijvend) arbeidsongeschikt wordt, kan hij - wanneer de schuld bij derden ligt - hiervoor een schadevergoeding claimen. Wanneer die schadevergoeding door de verzekeraar van degene die de schade heeft veroorzaakt in het algemeen voor het blijvend verlies van arbeidskracht wordt toegekend, ligt deze buiten de inkomenssfeer en is deze derhalve onbelast. Wordt de schadevergoeding echter toegekend ter (tijdelijke) vervanging van gederfde of te derven winst uit onderneming dan is deze belast.

4.11.

Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat als gevolg van het ongeval er sprake is van enige blijvende arbeidsongeschiktheid. Het Hof acht daarbij van belang hetgeen belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verklaard, alsmede de in hoger beroep overgelegde arbeidsdeskundige rapportage (zie 2.11), waaruit in retrospectief aannemelijk is geworden dat het ongeval tot gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid heeft geleid.

4.12.

Alhoewel het Hof aannemelijk acht dat er sprake is van enige blijvende arbeidsongeschiktheid heeft belanghebbende, na betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat € 90.000 van de per saldo ontvangen € 132.500 als een onbelaste schade-uitkering dient te worden gekwalificeerd. Uit de tot het dossier behorende medische informatie is namelijk geen eenduidig beeld over de mate van blijvende arbeidsongeschiktheid op te maken en daarnaast heeft belanghebbende er voor gekozen om het verslag van het arbeidskundig onderzoek door [K] , register arbeidsdeskundige, opgemaakt op 7 december 2015, waar naar wordt verwezen in de in 2.11 opgenomen rapportage, niet te overleggen. Ook ter zitting heeft belanghebbende, na daartoe door het Hof te zijn bevraagd, geen duidelijkheid kunnen scheppen over de conclusies van deze rapportage. Het Hof zal derhalve het onbelaste bedrag in goede justitie vaststellen en meewegen dat enerzijds de in 2.11 vermelde rapportage uitgaat van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 33,33% - waarbij overigens niet is aangegeven of er sprake is van blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid - en anderzijds het verslag van een mogelijk lagere inschatting van de mate van blijvende arbeidsongeschiktheid door [K] niet is overgelegd. Alles afwegende stelt het Hof, in afwijking van het oordeel van de Rechtbank, de onbelaste vergoeding vanwege een blijvend verlies van arbeidsvermogen vast op € 20.000. In zoverre is het gelijk aan belanghebbende.

4.13.

In deze procedure staat niet de gehele lumpsum schade-uitkering van € 132.500 maar de voorschotbetaling van € 19.000 ter discussie. Aangezien het Hof van oordeel is dat van de totale vergoeding € 40.000 (immateriële schade van € 15.000, vermogensschade van € 5.000 en blijvend verlies van arbeidsvermogen van € 20.000) als onbelast kan worden aangemerkt behoort 30,18% (40.000 / 132.500 * 100%) van € 19.000 = € 5.734 niet tot het belastbaar inkomen uit werk en woning. Met inachtneming van het voorgaande wordt het belastbaar inkomen uit werk en woning dan als volgt bepaald:

Winst voor ondernemersaftrek € 6.920

Bij: correctie schadevergoeding € 13.266

Subtotaal € 20.186

Af: zelfstandigenaftrek 2013 € 7.280-

Af: zelfstandigenaftrek voorgaande jaren € 7.280-

Subtotaal € 5.626

Af: MKB-winstvrijstelling (14%) € 787-

Belastbare winst € 4.839

Af: premies AOV € 4.098-

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 741

Het bijdrage-inkomen met betrekking tot de aanslag Zvw dient te worden bepaald op € 4.839.

Slotsom

4.14.

De slotsom is dat de hoger beroepen gegrond zijn.

Ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht

4.15.

Alhoewel de hoger beroepen van belanghebbende gegrond zijn, is het Hof van oordeel dat er desondanks geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht dan wel de proceskosten geheel of gedeeltelijk vergoedt. Uit de door [E NV] afgegeven belastinggarantie (zie 2.12) blijkt namelijk dat kosten van onderhavige (hoger) beroepsprocedure voor rekening van [E NV] zullen komen. Het Hof acht aannemelijk dat daaronder proceskosten zoals bedoeld in artikel 8:75 Awb alsmede het Besluit proceskosten bestuursrecht en betaalde griffierechten worden begrepen op grond waarvan belanghebbende derhalve geen kosten heeft.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen met betrekking tot de proceskosten en het griffierecht;

  • -

    verklaart de hoger beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de aanslagen en de beschikkingen belastingrente;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2013 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 741 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.713;

  • -

    vermindert de aanslag Zvw 2013 tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 4.839; en

  • -

    vermindert de beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig.

Aldus gedaan op 24 oktober 2019 door A.J. Kromhout, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en S.A.J. Bastiaansen, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.