Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:398

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
200.209.722_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:9145, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geneeskundige behandelingsovereenkomst, verschuldigdheid loon door patiënt ex artikel 7:461 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 461
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2019/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.209.722/01

arrest van 5 februari 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. H.G.M. Hilkens te Echt,

tegen

Stichting [stichting] , medisch centrum [medisch centrum] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.J.T.M. Oudenhoven te Venlo,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 4 april 2017 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 4501077/CV EXPL 15-9842 gewezen vonnissen van 24 februari 2016 en

19 oktober 2016. Het hof zal hierna de nummering van dit tussenarrest voortzetten.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 4 april 2017 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 12 juni 2017;

  • -

    de memorie van grieven met producties 1 tot en met 10;

  • -

    de memorie van antwoord met producties 13 tot en met 19;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    productie 11, die [appellante] bij pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.

In rechtsoverwegingen 2.1. en 2.2. van het bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten, waartegen geen grief is gericht zodat zij ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen, luiden voor zover relevant in hoger beroep als volgt.

a) [geïntimeerde] heeft in opdracht en voor rekening van [appellante] medische diensten verleend. [geïntimeerde] heeft de volgende facturen aan [appellante] gestuurd:

- factuurnummer [factuurnummer 1] d.d. 8 september 2011 ten bedrage van € 1.860,51;

- factuurnummer [factuurnummer 2] d.d. 10 november 2011 ten bedrage van € 4.529,23;

- factuurnummer [factuurnummer 3] d.d. 10 oktober 2014 ten bedrage van € 118,81.

b) [appellante] was ten tijde van de behandelingen woonachtig in Duitsland, doch in Nederland verzekerd. De partner van [appellante] was verzekerd in Duitsland.

6.2.1.

In deze procedure vordert [geïntimeerde] veroordeling van [appellante] tot betaling van in totaal € 8.033,-, bestaande uit een bedrag in hoofdsom van € 6.508,55, een bedrag van € 847,- aan buitengerechtelijke kosten, een bedrag van € 677,45 aan wettelijke rente tot 15 september 2015, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 6.508,55 vanaf 15 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

6.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat zij op grond van een geneeskundige behandelingsovereenkomst met [appellante] medische diensten heeft verleend in verband met de geboorte van haar zoon op [geboortedatum] 2011, en in verband met verleende zorg medio 2014.

6.2.3.

In het vonnis in incident van 24 februari 2016 heeft de kantonrechter toegestaan dat AOK Rheinland/Hamburg en FBTO zorgverzekeringen N.V. door [appellante] in vrijwaring worden gedagvaard tegen de rolzitting van 23 maart 2016.

6.2.4.

In het eindvonnis van 19 oktober 2016 heeft de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

6.3.

[appellante] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 24 februari 2016 en het vonnis van 19 oktober 2016 en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

Specificatie facturen

6.4.1.

Met grief 1 voert [appellante] aan dat de kantonrechter haar verweer dat de facturen van 10 november 2011 en 10 oktober 2014 onvoldoende zijn gespecificeerd ten onrechte heeft gepasseerd. Volgens [appellante] is tussen haar en [geïntimeerde] geen overleg gevoerd over de kosten van de te verlenen zorg die is gedeclareerd, en is zij geen partij geweest bij de onderhandelingen over deze kosten tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar. Tussen haar en [geïntimeerde] is dan ook geen overeenstemming bereikt over het te factureren bedrag.

[geïntimeerde] stelt dat de gefactureerde bedragen zijn gebaseerd op de passantenprijslijst die [geïntimeerde] hanteert in gevallen wanneer geen sprake is van een zorgverzekering, en dat de gefactureerde bedragen in lijn zijn met de relevante DBC-codes (diagnose-behandelcombinatie-codes).

6.4.2.

Het hof stelt voorop dat [appellante] niet heeft betwist dat de facturen betrekking hebben op medische diensten die [geïntimeerde] heeft verricht op grond van tussen haar en [geïntimeerde] gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomsten in de zin van artikel 7:446 lid 1 BW. Op grond van artikel 7:461 BW is [appellante] daarom aan [geïntimeerde] voor deze behandelingen loon verschuldigd. Omdat de hoogte van dit loon niet tussen partijen is bepaald, is [appellante] – bij gebreke van een op gebruikelijke wijze berekend loon – een redelijk loon verschuldigd (artikel 7:405 lid 2 en 7:468 BW).

6.4.3.

[geïntimeerde] stelt dat de factuur van 10 november 2011 (€ 4.529,23) betrekking heeft op de daarin vermelde begeleiding van de geboorte van de zoon van [appellante] , inclusief nazorg en nacontrole. De gefactureerde bedragen voor ziekenhuiskosten (€ 3.873,-) en specialistenhonorarium (€ 656,23) zijn conform de relevante DBC-codes en passantenprijslijst van 2011.

[appellante] voert aan dat zij niet kan controleren of de hoogte van de gefactureerde ziekenhuiskosten correct is. Daarnaast komt het gedeclareerde specialistenhonorarium (€ 656,23) niet overeen met het tarief zoals vermeld in de DBC-zorgproducten tariefapplicatie van de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: NZa), te weten € 372,96.

6.4.4.

Het hof overweegt dat [geïntimeerde] met interne documenten, waarvan de authenticiteit door [appellante] niet wordt betwist, heeft onderbouwd dat zij het door haar in 2011 gehanteerde passantentarief heeft gebruikt voor de in rekening gebrachte ziekenhuiskosten van € 3.873,-. [appellante] heeft in de toelichting op grief 2 onderkend dat een ziekenhuis als [geïntimeerde] voor een dergelijk tarief concurreert met andere ziekenhuizen. Daarmee heeft [geïntimeerde] de redelijkheid van dit bedrag in beginsel voldoende onderbouwd. [appellante] heeft haar betwisting van de redelijkheid van dit bedrag niet onderbouwd, door bijvoorbeeld een vergelijking te maken met de tarieven van andere ziekenhuizen, zodat het hof aan die betwisting voorbijgaat.

Wat betreft het gefactureerde bedrag voor het specialistenhonorarium van € 656,23 heeft [appellante] aangevoerd dat dit hoger is dan het maximale honorarium van € 372,96 dat in de desbetreffende DBC-code is genoemd. In de DBC-code die [appellante] heeft overgelegd, is echter bepaald dat dit tarief uitsluitend het maximumtarief van de hoofdbehandelaar betreft. Uit de nadere specificatie van het specialistenhonorarium die [geïntimeerde] heeft overgelegd, volgt dat dit maximumbedrag door [geïntimeerde] is gebruikt náást bedragen voor andere verrichtingen. Daarmee heeft [appellante] haar betwisting van de redelijkheid van het gefactureerde bedrag onvoldoende onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

Hieruit volgt dat [appellante] het bedrag van € 4.529,23 aan [geïntimeerde] verschuldigd is als redelijk loon voor de begeleiding van de geboorte van de zoon.

6.4.5.

Met betrekking tot de factuur van 10 oktober 2014 (€ 118,81) stelt [geïntimeerde] dat deze betrekking heeft op de daarin vermelde behandeling van de zoon van [appellante] door de afdeling oogheelkunde. [geïntimeerde] stelt dat de gefactureerde bedragen voor ziekenhuiskosten (€ 81,77) en specialistenhonorarium (€ 37,04) conform de passantenprijslijst van 2014 en de relevante DBC-codes zijn, wat zij heeft onderbouwd met de relevante passages daarvan waarin voor de relevante DBC-code een totaalprijs van € 118,81 is genoemd. Daarmee heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof de redelijkheid van dit tarief in beginsel voldoende onderbouwd. [appellante] heeft haar betwisting daarvan slechts onderbouwd door te verwijzen naar een uitdraai van de tariefapplicatie van de NZa waarin een maximum voor specialistenhonorarium is genoemd van € 36,92. Het gaat hier echter wederom slechts om een maximumtarief voor de hoofdbehandelaar. Nu [appellante] op dit punt verder niets heeft aangevoerd, heeft [appellante] haar betwisting van de redelijkheid van de hoogte van het gefactureerde bedrag onvoldoende onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

Hieruit volgt dat [appellante] het bedrag van € 118,81 aan [geïntimeerde] verschuldigd is als redelijk loon voor genoemde behandeling van de zoon.

6.4.6.

Dit leidt tot de slotsom dat grief 1 faalt.

Declareren bij verzekeraar(s)

6.5.1.

Grief 2 is gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat de gestelde omstandigheid dat een zorgverzekeraar verantwoordelijk is voor de betaling van de facturen [geïntimeerde] niet regardeert. [appellante] stelt daartoe dat zij tegen ziektekosten verzekerd was, tot oktober 2011 bij FBTO en daarna bij de Duitse verzekeraar AOK, zodat [geïntimeerde] de facturen bij deze verzekeraars had moeten indienen. [appellante] stelt ervan uit te gaan dat [geïntimeerde] betaalovereenkomsten heeft met de zorgverzekeraars. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] , met het gebruikmaken van het DBC-systeem, een vordering gekregen op de zorgverzekeraars en niet op [appellante] . Daarnaast is het volgens haar naar verkeersopvattingen gebruikelijk dat zorgaanbieders hun facturen declareren bij zorgverzekeraars.

[geïntimeerde] betwist dat zij een vordering heeft op zorgverzekeraars van [appellante] . Bij [geïntimeerde] was ten tijde van de behandelingen geen zorgverzekering van [appellante] bekend. Het had op de weg van [appellante] gelegen om aan te tonen wanneer en op welke wijze zij verzekerd zou zijn in de periode waarin de behandelingen hebben plaatsgevonden.

6.5.2.

Het hof stelt voorop dat de regulering – door de NZa op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg – van de tarieven en het betalingsverkeer in de zorg van publiekrechtelijke aard is en geen betrekking heeft op de grondslag voor de aanspraak op vergoeding van de kosten van verleende zorg. Bij zorgverlening aan een patiënt op grond van een geneeskundige behandelingsovereenkomst als bedoeld in art. 7:446 BW is, ingevolge art. 7:461 BW, de opdrachtgever (de patiënt of een derde namens deze) de zorgverlener loon verschuldigd, behoudens voor zover deze voor zijn werkzaamheden loon ontvangt op grond van het bij of krachtens de wet bepaalde, dan wel uit de overeenkomst anders voortvloeit. Dat laatste kan het geval zijn indien het gaat om een patiënt met een naturaverzekering en de zorgverlener de geneeskundige behandeling verricht op basis van een met de verzekeraar gesloten zorgovereenkomst (Hoge Raad 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2901, rov. 3.4.5. en 3.5.2.). [appellante] heeft niet gesteld dat zij ten tijde van de verleende zorg over een naturaverzekering beschikte. Integendeel, desgevraagd heeft zij bij pleidooi geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de aard van haar verzekeringen. De enkele aanwezigheid van betaalovereenkomsten tussen [geïntimeerde] en genoemde zorgverzekeraars, zoals [appellante] stelt, brengt nog niet met zich dat [appellante] jegens [geïntimeerde] geen loon verschuldigd is op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst waarbij zij zelf partij is. Dat hangt, gelet op het bepaalde in artikel 7:461 BW immers af van de inhoud van de overeenkomsten tussen [appellante] en [geïntimeerde] en de gestelde betaalovereenkomsten tussen [geïntimeerde] en de zorgverzekeraars. Daarover heeft [appellante] niets gesteld. Het hof is daarom van oordeel dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een uitzondering in de zin van artikel 7:461 BW, zodat zij volgens de hoofdregel het loon (de facturen) aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Daarmee faalt grief 2.

Termijn vrijwaring

6.6.1.

Met grief 3 voert [appellante] aan dat de kantonrechter, in het vonnis in het vrijwaringsincident, ten onrechte heeft bepaald dat AOK en FBTO in vrijwaring konden worden gedagvaard tegen een roldatum van vier weken na de datum van dit vonnis. Dat maakte het volgens [appellante] onmogelijk om AOK te dagvaarden omdat de dagvaardingstermijn voor een in het buitenland verblijvende gedaagde minimaal vier weken bedraagt.

6.6.2.

Het hof overweegt dat niet duidelijk is wat [appellante] met deze grief beoogt. [appellante] vordert (in de appeldagvaarding) vernietiging van het vonnis in het vrijwaringsincident. Echter, het op enigerlei wijze alsnog (of wederom) toewijzen van haar incidentele vordering is niet mogelijk nu deze in hoger beroep pas aan de orde is gekomen nadat in de hoofdzaak in eerste aanleg einduitspraak is gedaan (Hoge Raad 20 januari 2012, Wierts/Visseren, ECLI:NL:HR:2012:BT7496, rov. 3.5.). Evenmin kan de grief leiden tot vernietiging van het vonnis in de hoofdzaak, nu zij voor de hoofdzaak van geen betekenis is. Daarmee faalt grief 3.

Conclusie en proceskosten

6.7.1.

Grief 4 heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis, zodat deze grief geen afzonderlijke bespreking behoeft. Nu de grieven niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen kunnen leiden, zal het hof deze vonnissen bekrachtigen. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald.

6.7.2.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op:

– griffierecht € 716,-

– salaris advocaat (3 punten x tarief I € 759,-) € 2.277,-

totaal € 2.993,-.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de bestreden vonnissen;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 2.993,-, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.H. Schulten, E.A.M. van Oorschot en S.C.H. Molin en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 februari 2019.

griffier rolraadsheer