Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3972

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
19-11-2019
Zaaknummer
18/00194
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:1777, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof beslist in een BPM-zaak over verschillende geschilpunten: de hoorplicht, de rentevergoeding over de teruggaaf van op aangifte voldane BPM, het verzoek om immateriële schadevergoeding, de heffing van griffierecht, en de proceskostenvergoeding. Op grond van bijzondere omstandigheden, namelijk het grote aantal soortgelijke zaken, kent het Hof per zaak een vaste vergoeding toe voor bezwaar, beroep resp. hoger beroep. Het Hof geeft voorts aan in wat voor gevallen wel de normale vergoeding volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht zal worden toegekend, nl. wanneer het gaat om een vaststelling van de handelsinkoopwaarde van een individuele auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-11-2019
V-N Vandaag 2019/2627
FutD 2019-3075
NTFR 2020/424 met annotatie van mr. J. Kastelein
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00194

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] h.o.d.n. [bedrijf] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 2 maart 2018, nummer BRE 17/127, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen voldoening op eigen aangifte.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op 20 juni 2014 aangifte gedaan voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: de BPM) inzake de registratie van een uit het buitenland afkomstige, gebruikte personenauto, merk en type [automerk] , identificatienummer eindigend op [nummer] (hierna: de auto). Het aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag aan BPM van € 744. Dit bedrag is op 24 juni 2014 voldaan.

1.2.

Naar aanleiding van het door belanghebbende tegen het op eigen aangifte voldane bedrag gemaakte bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraak met dagtekening 25 november 2016 het bezwaar gegrond verklaard, een BPM-teruggaaf ter hoogte van € 43 verleend en een vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten ter hoogte van € 54,50 toegekend.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De griffier van de Rechtbank heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van € 168. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht vergoedt.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. De griffier heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van € 253. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) hebben zowel belanghebbende als de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

De zitting heeft plaatsgehad op 24 mei 2019 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en [A] alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.7.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft bij geschrift met dagtekening 29 juli 2014 pro forma bezwaar gemaakt tegen het door hem op aangifte voldane bedrag aan BPM ter hoogte van € 744. Bij brief met dagtekening 25 september 2014 heeft belanghebbende het bezwaar gemotiveerd.

2.2.

De Inspecteur heeft de voorgenomen uitspraak op bezwaar bij brief met dagtekening 21 november 2016 aan belanghebbende doen toekomen. Voor zover in de onderhavige procedure relevant is in deze brief opgenomen dat belanghebbende het recht heeft om te worden gehoord.

2.3.

Bij e-mailbericht van 22 november 2016 heeft de Inspecteur belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek dat plaats zal vinden op 24 november 2016 dan wel 25 november 2016. De gemachtigde van belanghebbende heeft de Inspecteur op dezelfde dag bij per e-mail verzonden bericht medegedeeld dat hij verhinderd is op voornoemde data.

2.4.

De Inspecteur heeft vervolgens, in de als bijlage bij een e-mailbericht van 24 november 2016 gevoegde brief met dagtekening 23 november 2016, voorgesteld om het hoorgesprek te doen plaatsvinden op 28 november 2016.

2.5.

Belanghebbende heeft bij e-mailbericht van 24 november 2016 als volgt gereageerd op het voorstel om gehoord te worden op 28 november 2016:

“Ik heb de brief als bijlage bij het e-mailbericht heden ontvangen. (…)

Vooropgesteld zij dat ik verhinderd ben a.s. maandag (…). Verder heb ik gesteld niets meer met u te maken te willen hebben, omdat u er alles aan is gelegen mijn klanten te belazeren, voor de gek te houden en al wat niet meer. U geeft in uw brief daar weer blijk van. U belt mijn klant ook niet terug, terwijl u wel aan het werk bent blijkens uw bericht.

(…)

Doe wat u meent te moeten doen, ik verwachten geen andere berichten dan vileine, domme, door mij geduid als achterbaks en smerige berichten van u. Ik zie uw collegae bij de rechtbank, het gerechtshof en de Hoge Raad, in ieder zaak afzonderlijk. Mij maakt het helemaal niks uit. Ik wist al vanaf het eerste moment dat dit de uitkomst zou zijn. (…).”.

2.6.

Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 25 november 2016 heeft de Inspecteur het bezwaar gegrond verklaard, een teruggaaf verleend tot een bedrag van € 43 en een vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten ter hoogte van € 54,50 toegekend. Bij uitspraak op bezwaar is aan belanghebbende ter zake van voornoemde teruggaaf geen rentebeschikking gegeven.

2.7.

Belanghebbende is voorafgaande aan het doen van deze uitspraak op bezwaar niet gehoord. Met betrekking tot deze beslissing is het navolgende opgenomen in de uitspraak op bezwaar:

“(…) Horen

Bij mail van 22 november 2016, nagezonden per post, heb ik u uitgenodigd voor een hoorzitting op 24 november 2016 dan wel 25 november 2016 te [plaats] . Eveneens bij mail van 22 november 2016 heeft u mij bericht dat zowel u als uw cliënt verhinderd zijn op eerdergenoemde data.

Gelet hierop en het feit dat u ons in deze zaken ingebreke heeft gesteld uitspraak op bezwaar te doen, heb ik u bij mail van 24 november 2016, nagezonden per post, uitgenodigd voor een hoorgesprek op 28 november 2016 om 10.00 te [plaats] . In uw mail van 24 november 2016 heeft u aangegeven dat u, evenals uw cliënt, ook op 28 november 2016 verhinderd bent.

Gelet op het bovenstaande heb ik thans besloten uitspraak op bezwaar te doen. (…)”.

2.8.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen deze uitspraak op bezwaar. Voor zover in de onderhavige procedure relevant heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard en overwogen dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding in verband met immateriële schade. In verband met het toekennen van de immateriële schadevergoeding heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de kosten van het geding bij de Rechtbank en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende ter zake van het geding bij de Rechtbank betaalde griffierecht aan hem dient te vergoeden. Zowel de immateriële schadevergoeding als de proceskostenvergoeding zijn toegekend in de zaak met het nummer BRE 17/132 (kenmerk Hof: 18/00197). De Rechtbank is er hierbij van uitgegaan dat de zaken met de nummers BRE 17/127, 17/132 en 17/133 (kenmerk Hof: 18/00198) in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp respectievelijk kwalificeren als samenhangende zaken.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is er sprake van schending van de hoorplicht?

2. Heeft belanghebbende ter zake van de bij uitspraak op bezwaar aan hem verleende teruggaaf recht op vergoeding van rente?

3. Dient op een verzoek tot het toekennen van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in een andere formatie te worden beslist dan die welke de hoofdzaak heeft beslist?

4. Heeft de Rechtbank de beroepen met de nummers BRE 17/127, 17/132 en 17/133 terecht aangemerkt als samenhangende zaken respectievelijk zaken die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp?

5. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van rente over de door de Rechtbank uitgesproken immateriële schadevergoeding?

6. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van materiële schade als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn?

7. Belemmeren de door de Rechtbank en het Hof geheven bedragen aan griffierecht de toegang tot de rechter op een wijze die verhinderd wordt door het Unierecht?

8. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van rente over het ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht?

9. Heeft belanghebbende recht op een hogere vergoeding voor de kosten van bezwaar dan door de Inspecteur is toegekend?

10. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van werkelijke proceskosten?

3.2.

Belanghebbende is van mening dat vragen 1 tot en met 3 en vragen 5 tot en met 10 bevestigend dienen te worden beantwoord en vraag 4 ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan, met dien verstande dat de Inspecteur erkent dat belanghebbende met betrekking tot de bij uitspraak op bezwaar aan hem verleende teruggaaf aanspraak kan maken op belastingrente.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Partijen hebben hun standpunten ter zitting toegelicht.

3.4.

Belanghebbende concludeert primair tot terugwijzing van de onderhavige zaak naar de Inspecteur. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag 1 Hoorplicht

4.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur heeft verzuimd om hem in de bezwaarfase te horen.

4.2.

De Rechtbank heeft, naar het oordeel van het Hof, terecht en op goede gronden overwogen dat van een schending van de hoorplicht geen sprake is. Het Hof maakt, derhalve, de navolgende overweging van de Rechtbank tot de zijne:

“(…) 4.5.3. De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur heeft belanghebbende meerdere malen uitgenodigd voor een hoorgesprek voor het laatst bij brief van 23 november 2016 die hij – zoals de rechtbank begrijpt – per e-mail van 24 november 2016 aan de gemachtigde heeft verzonden. De gemachtigde heeft daar, voor zover hier van belang, per e-mail van 24 november 2016 als volgt op gereageerd:

“Ik heb de brief als bijlage bij het e-mailbericht heden ontvangen. (…)

Vooropgesteld zij dat ik verhinderd ben a.s. maandag (…). Verder heb ik gesteld niets meer me u te maken te willen hebben, omdat u er alles aan is gelegen mijn klanten te belazeren, voor de gek te houden en al wat niet meer. (…)

Doe wat u meent te moeten doen, ik verwacht geen andere berichten dan vileine, domme, door mij geduid als achterbaks en smerige berichten van u. Ik zie uw collegae bij de rechtbank, het gerechtshof en de Hoge Raad, in ieder zaak afzonderlijk. Mij maakt het helemaal niks uit. Ik wist al vanaf het eerste moment dat dit de uitkomst zou zijn.”

Met de inspecteur maakt de rechtbank uit deze reactie van de gemachtigde op dat belanghebbende heeft afgezien van zijn recht te worden gehoord. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank van een schending van de hoorplicht geen sprake. De tweede geschilvraag dient daarom ontkennend te worden beantwoord. (…)”

4.3.

Evenals de Rechtbank verstaat het Hof het door de Rechtbank geciteerde e-mailbericht aldus dat belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. De Inspecteur mocht gelet op deze omstandigheid op grond van artikel 7:3, onderdeel c, van de Awb afzien van het horen van belanghebbende.

4.4.

Indien het betoog van belanghebbende aldus verstaan dient te worden dat hij zich op het standpunt stelt dat het bepaalde in de artikelen 41, tweede lid, 47 en 48 van het Handvest noopt tot een ander oordeel, faalt dit betoog. Artikel 41, tweede lid, van het Handvest bevat geen voorschrift op grond waarvan een belanghebbende in bezwaar dient te worden gehoord, nog los van het feit dat deze bepaling niet is gericht tot de lidstaten maar uitsluitend tot de instellingen, de organen en de instanties van de Unie. Het Hof mag voorts niet inzien op welke wijze sprake zou zijn van schending van artikel 47 of 48 van het Handvest. Deze artikelen zien op de procedure in rechte en niet op hetgeen plaatsvindt in de fase voorafgaand aan een dergelijke gerechtelijke procedure.

4.5.

Voor zover belanghebbende betoogt dat het niet-horen strijd oplevert met het verdedigingsbeginsel faalt ook dit betoog. Het verdedigingsbeginsel noopt er immers slechts toe dat een belanghebbende in staat wordt gesteld om zijn standpunt met betrekking tot een voor hem nadelige beslissing naar behoren kenbaar te maken. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende hiertoe in het onderhavige geval voldoende in de gelegenheid gesteld. Belanghebbende heeft immers in zijn bezwaarschrift kenbaar kunnen maken op welke gronden sprake zou zijn van een te hoge voldoening op aangifte. Het Hof wijst daarnaast op de omstandigheid dat belanghebbende, voorafgaande aan het doen van uitspraak op bezwaar, diverse malen is uitgenodigd voor een hoorgesprek.

Vraag 2 Rentevergoeding in verband met de teruggaaf

4.6.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat recht bestaat op vergoeding van rente in verband met de teruggaaf van op aangifte voldane BPM. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van artikel 30ha van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) recht bestaat op belastingrente. Belanghebbende heeft ter zitting bij de Rechtbank verklaard dat met betrekking tot deze teruggaaf, bij beschikking met dagtekening 16 maart 2017, aan hem een rentevergoeding ter hoogte van € 4 is toegekend. De Rechtbank heeft vastgesteld dat deze beschikking niet ter beoordeling voorligt. Partijen hebben geen helderheid geboden over de omvang van eventueel reeds toegekende belastingrente. Het Hof gaat er in de onderhavige procedure derhalve vanuit dat met betrekking tot voornoemde teruggaaf geen rentebeschikking ex artikel 30ha van de AWR is afgegeven. Voor het geval dat wel heeft plaatsgevonden mag de Inspecteur daar bij het alsnog vergoeden van belastingrente rekening mee houden.

4.7.

Het voorgaande roept de vraag op of bij het ontbreken van een beschikking als bedoeld in artikel 30j van de AWR, in de onderhavige procedure dit geschilpunt aan de orde kan komen. Het Hof beantwoordt die vraag bevestigend. In de beslissing op bezwaar tegen de voldoening op aangifte, ligt impliciet een beschikking besloten om geen rente te vergoeden. Het Hof past hier de rechtspraak zoals gewezen voor verliesvaststellingsbeschikkingen analoog toe (zie Hoge Raad 16 december 2005, nr. 41 587, ECLI:NL:HR:2005:AU8169, BNB 2006/73). Een geschil over een beschikking inzake de belastingrente loopt mee met het geschil over de verschuldigde materiële heffing (zie artikel 24a, derde lid, van de AWR).

Het Hof merkt hierbij op dat dit uitsluitend geldt voor de belastingrente die op de voet van de bepalingen van de AWR moet worden vergoed en niet voor de invorderingsrente die op grond van artikel 28c van de Invorderingswet (hierna: de IW) wordt vergoed. In dat laatste geval dient immers een verzoek te worden gedaan en beslist de ontvanger van de Belastingdienst bij beschikking ex. artikel 30 van de IW op een dergelijk verzoek. De belastingrente volgt daarentegen rechtstreeks uit de wettelijke bepalingen van de AWR en wordt weliswaar ook vastgesteld bij afzonderlijke beschikking, maar deze beschikking is - in beginsel - opgenomen op het aanslagbiljet, op het afschrift van de uitspraak of op de teruggaafbeschikking.

4.8.

Zoals hiervoor overwogene gaat het Hof er in de onderhavige procedure vanuit dat geen belastingrente is vergoed. Het Hof zal daarom bepalen dat de Inspecteur op grond van artikel 30ha van de AWR belastingrente, berekend overeenkomstig de in artikel 30hb van de AWR opgenomen rentevoet, over de teruggaaf dient te vergoeden, voor zover dit nog niet heeft plaatsgevonden.

4.9.

Met betrekking tot het betoog dat de rentevoet als bedoeld in artikel 30hb van de AWR in strijd is met het Unierecht overweegt het Hof als volgt. Bij het ontbreken van een regeling van de Unie is het een interne aangelegenheid van elke lidstaat om de voorwaarden vast te stellen waaronder de rente moet worden betaald, met name de rentevoet en de wijze waarop de rente wordt berekend. Deze voorwaarden moeten het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel eerbiedigen.

4.10.

Het doeltreffendheidsbeginsel verlangt dat in geval van terugbetaling van belasting die door een lidstaat in strijd met het recht van de Unie is geïnd, de nationale voorschriften inzake met name de berekening van de eventueel verschuldigde rente niet ertoe leiden dat de belastingplichtige een passende vergoeding voor het verlies dat hij als gevolg van de onverschuldigde betaling van belasting heeft geleden, wordt ontzegd. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 19 december 2014, nr. 13/06055, ECLI:NL:HR:2014:3606, heeft geoordeeld, voldoet de in artikel 30hb van de AWR neergelegde rentevoet, hieraan. Het door belanghebbende gedane beroep op het arrest HvJ EU 5 maart 2019, Eesti Pagar, C-349/17, ECLI:EU:C:2019:172, leidt niet tot een ander oordeel. Dat arrest gaat over de verplichting om onrechtmatige staatssteun terug te vorderen, inclusief rente. De rente moet op een zodanig bedrag worden vastgesteld dat de steun volledig wordt teruggevorderd. Het HvJ EU heeft daarbij geoordeeld dat de rentevoet gelijk dient te zijn aan die welke zou zijn toegepast indien de betreffende partij het bedrag van die steun tijdens die periode op de markt had moeten lenen. Zou minder rente worden gevorderd, dan zou de ontvanger van de staatssteun toch een voordeel hebben gehad. Die situatie is niet te vergelijken met de onderhavige. In het onderhavige geval gaat het om de vraag of de in de nationale regeling neergelegde rentevoet betekent dat het de belastingplichtige onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt om zijn rechten voortvloeiende uit het Unierecht te verzilveren (doeltreffendheidsbeginsel). Die vraag heeft de Hoge Raad - zoals hiervóór aangegeven - reeds ontkennend beantwoord. Het Hof ziet in de jurisprudentie van het HvJ geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken.

4.11.

Voor zover belanghebbendes betoog aldus verstaan dient te worden dat het bepaalde in artikel 30hb van de AWR een inbreuk maakt op het gelijkwaardigheidsbeginsel faalt dit betoog. Het Hof ziet niet in dat de voorwaarden voor het vergoeden van de rente in de onderhavige situatie ongunstiger zijn dan die gelden voor gelijksoortige vorderingen die in een zuiver interne situatie worden vergoed. Een andersluidend standpunt door belanghebbende acht het Hof onvoldoende onderbouwd.

4.12.

De klacht van belanghebbende faalt in zoverre.

4.13.

De vraag of belanghebbende in aanvulling op de belastingrente recht heeft op vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c van de IW, dan wel rechtstreeks op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 april 2013, Mariana Irimie, C‑565/11, ECLI:EU:C:2013:250, kan in de onderhavige procedure niet aan de orde komen, nu - zoals hiervoor al is opgemerkt - het bedrag aan invorderingsrente op grond van artikel 30 van de IW bij beschikking wordt vastgesteld en tegen een dergelijke beschikking een eigen rechtsgang open staat. Het Hof is dan ook niet bevoegd in de onderhavige procedure hierover een oordeel te geven. Ten overvloede wijst het Hof op Hoge Raad 28 september 2018, nr. 17/01724, ECLI:NL:HR:2018:1790, onder 5, waarin, kort gezegd, is geoordeeld dat artikel 28c van de IW niet in strijd is met het Unierecht.

Vraag 3 Beslissing over verzoek tot het toekennen van een immateriële schadevergoeding

4.14.

Belanghebbende heeft gesteld dat de beslissing op het verzoek om immateriële schadevergoeding moet worden genomen door andere rechters dan degenen die over de hoofdzaak beslissen. Belanghebbende beroept zich voor dit standpunt op de arresten van het HvJ EU van 26 november 2013, Gascogne, C-58/12, ECLI:EU:C:2013:770, r.o. 90, 12 november 2014, Guardian, C-580/12, ECLI:EU:C:2014:2363, r.o. 18 en 19 en van 26 november 2016, Kendrion NV, C-50/12, ECLI:EU:C:2013:771, r.o. 101.

4.15.

Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat uit deze rechtspraak van het HvJ EU inderdaad lijkt te volgen dat het oordeel over de vraag of recht bestaat op schadevergoeding in verband de overschrijding van de redelijke termijn genomen dient te worden door andere rechters dan de rechters die over de hoofdzaak oordelen en die verantwoordelijk zijn voor het overschrijden van de redelijke termijn. De Hoge Raad heeft bij arrest van 19 april 2019, nr. 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623, het door belanghebbende verdedigde standpunt echter verworpen. Dit roept de vraag op hoe dit arrest zich verhoudt tot de door belanghebbende genoemde rechtspraak van het HvJ EU. Het Hof acht aannemelijk dat de Hoge Raad dit oordeel heeft gebaseerd op het feit dat in de nationale jurisprudentie een systeem is ontstaan waarbij, op grond van objectieve criteria, vastgesteld kan worden of er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en zo ja, welke gevolgen hieraan verbonden dienen te worden. Het Hof wijst hierbij op de omstandigheid dat binnen de jurisprudentie vaste uitgangspunten worden gehanteerd voor de (per afzonderlijke fase) als redelijk te achten behandelingstermijn, met dien verstande dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden, welke nader geconcretiseerd dienen te worden, van deze uitgangspunten afgeweken kan worden. Het Hof acht aannemelijk dat de Hoge Raad voornoemd systeem dermate geobjectiveerd en met voldoende waarborgen omkleed acht dat de rechten van een belanghebbende voldoende gewaarborgd worden indien de toetsing aan het hierboven omschreven kader wordt overgelaten aan de rechter die over het hoofdgeding beslist.

Ten overvloede merkt het Hof nog op dat in het onderhavige geval de Rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het handelen van de Inspecteur in de bezwaarfase. Belanghebbende heeft geen afzonderlijke grieven gericht tegen de duur van de behandeling van het door hem ingediende beroep. De Rechtbank heeft derhalve dus uitsluitend impliciet een oordeel geveld over haar eigen handelen, dat wil zeggen dat de behandeling in beroep is gebleven binnen de door de Hoge Raad geformuleerde objectieve criteria. Ook reeds op die grond faalt de klacht van belanghebbende.

Vraag 4 Samenhangend respectievelijk betrekking op hetzelfde onderwerp

4.16.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat bij de zaken met zaaknummers BRE 17/127, 17/132 en 17/133, sprake is van samenhangende zaken. Op grond daarvan heeft de Rechtbank de kosten van beroep voor deze drie zaken gezamenlijk vastgesteld op € 501. Tevens heeft de Rechtbank geoordeeld dat voor deze drie zaken tezamen een immateriële schadevergoeding van € 4.000 moet worden toegekend, aangezien deze zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. De proceskostenvergoeding en de immateriële schadevergoeding zijn toegekend in de zaak met het nummer BRE 17/132.

4.17.

Belanghebbende meent dat de Rechtbank ten onrechte deze zaken als samenhangende zaken respectievelijk zaken die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp heeft aangemerkt. Het Hof verwerpt deze stelling. De Rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze overwegingen van de Rechtbank over en maakt deze tot de zijne.

Vraag 5 Rentevergoeding over immateriële schadevergoeding

4.18.

Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van rente over het bedrag van de door de Rechtbank toegekende immateriële schadevergoeding. Gezien het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, nr. 17/04504, ECLI:NL:HR:2018:2358 en gelet op de omstandigheid dat tussen partijen niet in geschil is dat de Inspecteur deze schadevergoeding niet heeft vergoed binnen een termijn van vier weken na de datum waarop de Rechtbank de bestreden uitspraak heeft gedaan, dient de Inspecteur over de toegekende immateriële schadevergoeding wettelijke rente te vergoeden vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 2 maart 2018 tot aan de dag van algehele voldoening. Voor zover belanghebbende betoogt dat het Unierecht noopt tot het toekennen van een hogere rentevergoeding faalt dit betoog.

4.19.

Hieruit volgt dat vraag 5 bevestigend moet worden beantwoord. Omdat belanghebbende blijkens het proces-verbaal van de zitting reeds bij de Rechtbank heeft verzocht om vergoeding van wettelijke rente over de verschuldigde immateriële schadevergoeding en de Rechtbank dit verzoek ten onrechte heeft afgewezen, leidt dit in beginsel tot gegrondverklaring van het hoger beroep. Omdat de immateriële schadevergoeding is toegekend in de zaak met het nummer BRE 17/132, zal het Hof de vergoeding van wettelijke rente daarover uitspreken in de zaak 18/00197 betreffende het hoger beroep tegen de uitspraak met nummer BRE 17/132.

Vraag 6 Vergoeding van materiële schade

4.20.

Belanghebbende heeft in de pleitnota van 14 mei 2019 gesteld dat de Rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over het recht op vergoeding van materiële schade als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn. Deze materiële schade bestaat volgens belanghebbende uit rente en de kosten van rechtsbijstand. Aangezien op deze punten zelfstandig door de Rechtbank is beslist, faalt deze klacht. Belanghebbende heeft overige materiële schade niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbendes stelling dat hij de materiële schade pas hoeft te onderbouwen bij de behandeling van het verzoek om schadevergoeding door andere rechters dan die over de hoofdzaak oordelen, dient te worden verworpen. Het Hof verwijst hiervoor naar hetgeen is overwogen onder 4.15.

Vraag 7 Geheven griffierecht

4.21.

De Rechtbank heeft in deze zaak een griffierecht van € 168 van belanghebbende geheven, het Hof in deze zaak een griffierecht van € 253. Onder verwijzing naar het arrest Kantarev (HvJ EU 4 oktober 2018, C-571/16, ECLI:EU:C:2018:807) heeft belanghebbende betoogd dat de hoogte van het griffierecht zijn toegang tot de rechter bemoeilijkt. Hij acht het in totaal geheven griffierecht onevenredig hoog, afgezet tegen het (materiële) belang.

4.22.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbendes beroep op het arrest Kantarev niet slaagt. Ingevolge dat arrest mag een nationale procesregeling de uitoefening van rechten van particulieren niet praktisch onmogelijk maken. Het feit dat de toegang tot de rechter afhankelijk is van de betaling van griffierecht brengt nog niet met zich mee dat per definitie sprake is van een onoverkomelijk obstakel om toegang tot de rechter te verkrijgen (vergelijk r.o. 135 van het arrest Kantarev). Naar het oordeel van het Hof staat het de wetgever vrij om te kiezen voor een vast griffierecht, zonder rekening te houden met het (proces)belang. De hoogte van het (vaste) griffierecht dat wordt geheven (in BPM-zaken) acht het Hof niet buitenproportioneel. Daarbij komt dat een belanghebbende in geval van betalingsonmacht vanwege zijn financiële situatie (gedeeltelijke) vrijstelling van het griffierecht kan worden verleend. In het onderhavige geval is gesteld noch gebleken dat belanghebbende, gegeven zijn financiële situatie, in aanmerking komt voor vermindering van het verschuldigde griffierecht. Voorts ziet het Hof geen aanleiding om te oordelen dat het Unierecht noopt tot een ruimere regeling voor betalingsonmacht.

Vraag 8 Rentevergoeding over griffierecht

4.23.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op vergoeding van rente over het bedrag van het door hem bij de Rechtbank betaalde griffierecht van € 168, welk bedrag de Inspecteur, naar de Rechtbank heeft gelast, aan belanghebbende dient te vergoeden. Gezien het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, nr. 17/04504, ECLI:NL:HR:2018:2358 en gelet op de omstandigheid dat tussen partijen niet in geschil is dat de Inspecteur het griffierecht niet heeft vergoed binnen een termijn van vier weken na de datum waarop de Rechtbank de bestreden uitspraak heeft gedaan, dient de Inspecteur over het bedrag van € 168 wettelijke rente te vergoeden vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 2 maart 2018 tot aan de dag van algehele voldoening.

4.24.

Voor een rentevergoeding over de periode vanaf de datum van betaling van het griffierecht aan de Rechtbank, ziet het Hof geen reden (zie Hoge Raad 19 april 2019, nr. 18/01623, ECLI:NL:HR:2019:623, en Hoge Raad 24 september 2010, nr. 09/03257, ECLI:NL:HR:2010:BN8049). Voorts ziet het Hof geen aanleiding om te oordelen dat het Unierecht noopt tot het toekennen van een hogere rentevergoeding.

4.25.

Er is derhalve geen grond voor enige andere of verdergaande rentevergoeding dan de rentevergoeding vermeld onder 4.23.

4.26.

Hieruit volgt dat vraag 8 bevestigend moet worden beantwoord. Omdat belanghebbende blijkens het proces-verbaal van de zitting reeds bij de Rechtbank heeft verzocht om vergoeding van wettelijke rente over het griffierecht en de Rechtbank dit verzoek ten onrechte heeft afgewezen, leidt dit tot gegrondverklaring van het hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Vraag 9 en 10 (Proces)kostenvergoeding

4.27.

Belanghebbende stelt dat de Rechtbank voor de vergoeding van de kosten van bezwaar ten onrechte, met een beroep op artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), de vergoeding heeft vastgesteld op € 54,50. Voorts betoogt belanghebbende dat hij recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten.

4.28.

Het Hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot een lagere vergoeding, aangezien:

- de gemachtigde van belanghebbende in enkele duizenden soortgelijke zaken rechtsbijstand verleent;

- tussen partijen in geen van die zaken verschil van inzicht bestaat over de feiten;

- in alle zaken in wisselende combinaties partijen steeds over dezelfde, juridische geschilpunten van mening verschillen;

- de in alle zaken, namens de onderscheidene belanghebbenden, gebezigde argumenten per rechtsvraag in belangrijke mate met elkaar overeenkomen.

Er is derhalve sprake van een zeer groot aantal zaken die op veel punten een sterke inhoudelijke samenhang vertonen, waardoor de proceshandelingen voor een zeer groot deel een uniform karakter hebben, en dus niet zijn afgestemd op de bijzonderheden van de desbetreffende zaak. Onder die omstandigheden kan gemachtigde volstaan met het samenstellen van gedingstukken op basis van standaard-tekstblokken al naar gelang de rechtsvragen die in de betreffende procedure in geschil zijn. Indien met deze bijzondere omstandigheden geen rekening wordt gehouden en bij de bepaling van de omvang van de vergoeding onverkort voor elke individuele zaak wordt vastgehouden aan het puntensysteem zoals opgenomen in het Besluit, leidt dit zonder twijfel tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Dat is onwenselijk gelet op het doel en de strekking van het Besluit. De vergoedingen op grond van het Besluit hebben immers het karakter van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten (zie Hoge Raad 8 april 2011, nr. 10/00652, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415). Het Hof wijkt daarom af van het puntensysteem (vergelijk Hoge Raad 9 oktober 2015, nr. 14/04108, ECLI:NL:HR:2015:2990).

Het Hof merkt hierbij op dat dit anders is, indien in een individuele zaak de handelswaarde van de betreffende auto moet worden vastgesteld op basis van een taxatierapport (al dan niet gebaseerd op een koerslijstwaarde verminderd met getaxeerde schade). In een dergelijk geval dient in beginsel per individuele auto een beoordeling plaats te vinden. Indien de bepaling van de handelswaarde echter uitsluitend afhankelijk is van bepaalde rechtsvragen, waarbij, bijvoorbeeld, kan worden gedacht aan de discussie of vergeleken moet worden met een BTW-auto of een marge-auto, dan valt die zaak onder de hiervoor geformuleerde regel van bijzondere omstandigheden. De onderhavige procedure behoort tot laatstgenoemde categorie.

4.29.

Het Hof is van oordeel dat het door de Inspecteur gehanteerde bedrag van € 54,50 per zaak een redelijke tegemoetkoming van de kosten van bezwaar vormt. Ten aanzien van de procedure bij de Rechtbank acht het Hof een vergoeding van € 75 per zaak redelijk en voor hoger beroep bij het Hof € 150 per zaak. Het Hof is verder van oordeel dat bij dergelijke vergoedingen het niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt om de aan een belanghebbende toekomende rechten te gelde te maken.

4.30.

Ondanks de omstandigheid dat de Rechtbank in de zaken met de nummers 17/127, 17/132 en 17/133 per zaak een proceskostenvergoeding heeft toegekend die hoger is dan € 75 (immers € 167) ziet het Hof geen aanleiding om deze proceskostenvergoeding te corrigeren, aangezien de Inspecteur de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding voor de kosten van de beroepsprocedure niet heeft bestreden.

4.31.

Gelet op het vorenoverwogene beantwoordt het Hof zowel vraag 9 als vraag 10 ontkennend.

Slotsom

4.32.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is gelet op de beantwoording van vragen 2, 5 en 8.

Ten aanzien van het griffierecht

4.33.

Omdat de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 253 te vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

4.34.

Gelet op het overwogene onder 4.23 zal het Hof de Inspecteur voorts gelasten wettelijke rente te vergoeden over de door de Rechtbank toegekende vergoeding van griffierecht vanaf vier weken na openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 2 maart 2018 tot aan de dag van algehele voldoening.

Ten aanzien van de proceskosten

4.35.

Omdat het hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof ziet geen aanleiding om de vergoeding voor de kosten van bezwaar en het geding bij de Rechtbank zelfstandig vast te stellen, aangezien de Rechtbank deze niet te laag heeft vastgesteld en de Inspecteur zich niet tegen de te hoge vaststelling van de vergoeding van de kosten voor het geding bij de Rechtbank heeft verzet (zie onder 4.29 en 4.30).

4.36.

Het Hof stelt de vergoeding voor de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende vast op een bedrag van € 150. Ter onderbouwing van dit oordeel verwijst het Hof naar het overwogene onder 4.28 en 4.29. Het Hof verstaat het betoog van belanghebbende aldus dat hij verzocht heeft om deze proceskostenvergoeding te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening. Het Hof zal derhalve aldus gelasten.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover de Rechtbank heeft verzuimd een rentevergoeding toe te kennen ter zake van de bij uitspraak op bezwaar verleende teruggaaf en bij te late betaling van het griffierecht;

  • -

    gelast dat de Inspecteur op grond van artikel 30ha van de AWR belastingrente dient te vergoeden over de bij uitspraak op bezwaar verleende teruggaaf van € 43, voor zover dit nog niet heeft plaatsgevonden;

  • -

    gelast dat de Inspecteur wettelijke rente dient te vergoeden over de door de Rechtbank toegekende vergoeding van griffierecht vanaf vier weken na openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 2 maart 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende bij het Hof betaalde griffierecht van € 253 aan laatstgenoemde vergoedt, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening; en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 150, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

Aldus gedaan op 24 oktober 2019 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en M.H.P. Groenland, in tegenwoordigheid van J.M.A. van Rooij-Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.