Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3960

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
200.193.575_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:4513
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:5750
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:186
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:2287
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arrest overeenkomstig door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.193.575/01

arrest van 29 oktober 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] (België),

appellant,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. C.C.C.A.M. Kuijken te Valkenswaard,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R.H.G. Kerckhoffs te Maastricht ,

als vervolg op de tussenarresten van 17 oktober 2017, 19 december 2017, 22 januari 2019 en 25 juni 2019 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , onder zaaknummer C/03/185953 / HA ZA 13-444 gewezen vonnissen van 29 juli 2015 en 16 maart 2016.

15 Het verdere geding in hoger beroep

15.1

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 25 juni 2019 waarbij het hof [appellant] heeft toegelaten tot

bewijslevering,

- het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 16 oktober 2019, waarbij

a. is vastgesteld dat beide partijen op respectievelijk 9 en 10 oktober 2019 een H-formulier hebben ingestuurd met daaraan gehecht een door partijen ondertekende

vaststellingsovereenkomst met de bedoeling om de ter beëindiging van hun geschil getroffen regeling in executoriale vorm vast te (laten) leggen, en

b. de zaak naar de rol is verwezen voor het wijzen van arrest.

15.2

Het hof heeft een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken zoals bovenvermeld, genoemd in de tussenarresten en van de eerste aanleg.

16 De verdere beoordeling

16.1

Bij het tussenarrest van 25 juni 2019 heeft het hof [appellant] toegelaten te bewijzen dat de werkzaamheden die [de vennootschap] in 2006 in opdracht en voor rekening van [geïntimeerde] voor de verdieping van de kelder van het pand aan het [adres 1] te [plaats 1] heeft uitgevoerd een bedrag van € 50.164,66 dan wel enig lager bedrag hebben gevergd.

16.2

Nadat de datum van het getuigenverhoor was bepaald op 16 oktober 2019 heeft [geïntimeerde] op 9 oktober 2019 meegedeeld dat partijen ter beëindiging van hun geschil een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. Bij een op 9 oktober 2019 gedateerd H-formulier heeft [geïntimeerde] die door partijen op 2 oktober 2019 ondertekende overeenkomst ingezonden en verzocht om deze buiten aanwezigheid van partijen op te nemen in een proces-verbaal.

Vervolgens heeft [appellant] bij een op 10 oktober 2019 gedateerd H-formulier diezelfde schriftelijke overeenkomst ingezonden en verzocht om deze buiten aanwezigheid van partijen op te nemen in een voor grosse uitgegeven proces-verbaal.

16.3

Het hof overweegt dat partijen ter beëindiging van hun geschil een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten die zij in executoriale vorm willen zien vastgelegd. De door partijen daartoe ingezonden schriftelijke overeenkomst is op 2 oktober 2019 door partijen ondertekend en vermeldt:

Ondergetekenden,

[appellant] , wonende te [woonplaats] (België), hierna te noemen [appellant] ,

en

[geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen [geïntimeerde] ,

In aanmerking nemende;

Dat partijen al een aanzienlijk aantal jaren een geschil hebben met betrekking tot een door [appellant] c.q. door zijn rechtsvoorganger [de vennootschap] BVBA, ten behoeve van [geïntimeerde] uitgevoerd werk aan het [adres 1] te [plaats 1] , hetwelk geschil voornamelijk betrekking had op de vraag welke werkzaamheden werden uitgevoerd en welke prijsafspraken daaromtrent werden gemaakt, alsook welke betalingen al werden verricht.

Dat [appellant] zijn vorderingen baseert op de factuur/opstelling van [de vennootschap] BVBA van september 2006 ter grootte van € 50.164,66 incl. BTW, welke factuur, waarvan [appellant] de rechten heeft overgenomen, hierbij wordt aangehecht.

Dat hieromtrent tussen partijen vooraleerst een procedure is gevoerd bij de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht , hetwelk is geëindigd in het eindvonnis van 16 maart 2016, waarnaar thans tussen partijen een hoger beroepsprocedure aanhangig is bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch onder rolnummer 200.193.575/01. In deze procedure zijn reeds tussenvonnissen gewezen.

Dat partijen inmiddels tot een regeling zijn gekomen.

Komen overeen,

1. [geïntimeerde] betaalt aan [appellant] een bedrag van € 22.000,-- binnen een week na ondertekening van deze overeenkomst, doch uiterlijk op 10 oktober 2019 en wel door overboeking van het verschuldigde op de rekening derdengelden van de Stichting Derdengelden Beheer [stichting derdengelden beheer] met het IBAN nummer [IBAN nummer] ,

2. [geïntimeerde] betaalt, eveneens op voornoemde rekening derdengelden, in aanvulling op voornoemde betaling van € 22.000,--, aan [appellant] verder 13 opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 1.500,--, waarvan de eerste termijn zal worden voldaan uiterlijk op 31 oktober 2019.

3. Voornoemde betalingen van in totaal € 41.500,--, geschieden ter finale delging van voornoemde factuur van september 2006,

4 Na betaling door [geïntimeerde] van het bedrag van € 41.500,--, op de wijze zoals hiervoor omschreven, hebben partijen over en weer niets meer van elkander te vorderen en verlenen zij elkander finale kwijting, welke finale kwijting tevens inhoudt, dat elk der partijen haar eigen kosten draagt en dat [geïntimeerde] onherroepelijk afziet van het geven van enigerlei uitvoering aan het vonnis van de rechtbank van 16 maart 2016 ter zake de daarbij uitgesproken proceskostenveroordeling.

5. Onderhavige overeenkomst dient ter beëindiging en/of het voorkomen van onzekerheid of geschil ten aanzien van hetgeen tussen partijen zal gelden. Partijen beschouwen deze overeenkomst als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW. Terzake komen partijen, mede in dat verband, overeen dat zij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch zullen verzoeken om buiten hun aanwezigheid de inhoud van de vaststellingsovereenkomst neer te leggen in een proces-verbaal, hetwelk uitgegeven wordt als executoriale titel en -voorzover het gerechtshof hiertoe niet kan/wenst over te gaan-, dat partij [appellant] in de lopende procedure bij het gerechtshof zijn eis aldus zal verminderen, dat deze exact overeenkomt met de inhoud van deze vaststellingsovereenkomst, waarna [geïntimeerde] zich zal refereren aan het oordeel van het gerechtshof. Hierna vragen partijen vervolgens arrest”.

16.4

Het hof overweegt dat als partijen een executoriale titel willen, er in beginsel twee mogelijkheden zijn.

Bij de eerste mogelijkheid wordt een proces-verbaal opgemaakt van een mondelinge behandeling waarin een door partijen bereikte schikking is opgenomen die partijen mee-ondertekenen; van dat proces-verbaal kan dan op de voet van artikel 87 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een grosse worden afgegeven.

Bij de tweede mogelijkheid wijzigt de oorspronkelijk eisende partij de ingestelde vordering overeenkomstig de bereikte regeling, stemt de wederpartij uitdrukkelijk in met de wijziging van eis en vragen partijen arrest; van het arrest wordt dan op de voet van artikel 231 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een grosse afgegeven.

16.5

Nu partijen een executoriale titel willen maar aangeven daartoe niet op een mondelinge behandeling te willen verschijnen, begrijpt het hof -in navolging van de raadsheer-commissaris- dat [appellant] als oorspronkelijk eisende partij zijn vordering overeenkomstig de bereikte regeling wijzigt, dat [geïntimeerde] uitdrukkelijk met die wijziging van eis instemt en dat partijen arrest vragen. Aangezien partijen blijkens de bereikte regeling geen uitvoering (meer) wensen van het bestreden eindvonnis en de bereikte regeling afwijkt van in de bestreden vonnissen gegeven beslissingen, begrijpt het hof dat partijen ook vernietiging van die vonnissen wensen.

16.6

Het hof komt tot de slotsom dat de bestreden vonnissen moeten worden vernietigd, zal de gewijzigde vordering van [appellant] toewijzen en zal de proceskosten tussen partijen overeenkomstig hun regeling compenseren zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het hof beslist als volgt.

17 De uitspraak

Het hof:

vernietigt de beroepen vonnissen van 29 juli 2015 en 16 maart 2016 en doet opnieuw recht:

beslist overeenkomstig de door partijen op 2 oktober 2019 overeengekomen regeling zoals geciteerd onder rechtsoverweging 16.3;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 oktober 2019.

griffier rolraadsheer