Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:396

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
200.207.466_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:4730
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1850
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:2997
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:4186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

betekenis en gevolg schending art. 21 Rv

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/92
RFR 2019/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.207.466/01

arrest van 5 februari 2019

in de zaak van

[appellant] i.z.h.v. erfgenaam van [erflater],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. M. Timmermans-Roelands te Bergen op Zoom,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. S. van Reeven-Özer te Rijen,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 25 april 2017, 10 juli 2018 en 9 oktober 2018 10 juli 2018 en 9 oktober 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/307991/HAZA 15-771 gewezen vonnis van 13 juli 2016.

11 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 9 oktober 2018;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van [geïntimeerde] van 6 november 2018.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

12 De verdere beoordeling

12.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld bij antwoordakte te reageren op het beroep van [appellant] op het bepaalde in art. 3:194 BW.

12.2.

In haar antwoordakte ontkent [geïntimeerde] dat zij de Profijtrekening, gekoppeld aan bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] , heeft verzwegen.

De Profijtrekening is een onderdeel van de betaalrekening bij de ING bank met hetzelfde rekeningnummer. Aanvankelijk had de Profijtrekening de naam “Toprekening”. Na een voorstel hiertoe door de bank, heeft [geïntimeerde] de Toprekening omgezet in de Profijtrekening.

[geïntimeerde] heeft een rekeningafschrift van de betaalrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] , waarop de Profijtrekening was vermeld, overgelegd als productie 13 bij inleidende dagvaarding. Het bestaan van de Profijtrekening is toen door appellant niet ter discussie gesteld. Van een vereiste om € 50.000,-- op de Profijtrekening te storten is haar niets bekend.

In hoger beroep is geen grief aangevoerd die betrekking heeft op het bestaan van de Profijtrekening. Het had op de weg van appellant gelegen om bij het instellen van het hoger beroep inzage te verlangen en niet pas na de laatste akte.

Voor zover het hof van haar verlangt dat zij alsnog afschriften van de Profijtrekening in het geding brengt, is zij daartoe bereid. Zij is in staat om daarmee aan te tonen dat zij geen bedragen op de Profijtrekening heeft gehad en daarmee dus ook geen boedelbestanddelen heeft verzwegen.

[appellant] q.q. suggereert dat de geleende € 200.000,-- (het hof begrijpt gelet op de vordering in eerste aanleg: € 220.000,--) zich mogelijk heeft bevonden op de Profijtrekening. [geïntimeerde] ontkent dit en biedt hiervan bewijs aan.

12.3.

Ter beantwoording van het hof staan de volgende vragen:

  1. Bevond zich, op de peildatum (1 oktober 2014), het door [erflater] aan [geïntimeerde] geleende bedrag van € 220.000,-- op (een van) de bankrekening(en) van [geïntimeerde] ?

  2. Heeft [geïntimeerde] het saldo op de ING Profijtrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] verzwegen en mitsdien op grond van art. 3:194 BW verbeurd?

Saldo bankrekeningen [geïntimeerde] op 1 oktober 2014

12.3.1.

Het hof stelt vast dat de saldi van de bankrekeningen van [geïntimeerde] met de rekeningnummers [rekeningnummer 2] (€ 2.065,64) en [rekeningnummer 3] (€ 109,99) niet in geschil is. Uit die saldi kan niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] het door haar geleende bedrag van € 220.000,--, althans voor het geheel, op de peildatum (nog) in haar bezit had.

12.3.2.

De saldi van de overige twee bankrekeningen (met de nummers [rekeningnummer 4] en [rekeningnummer 1] ) zijn door [appellant] q.q. betwist.

Ten aanzien van die beide bankrekeningen stelt het hof vast dat [geïntimeerde] de daarbij behorende rekeningafschriften die betrekking hebben op de peildatum, niet volledig heeft overgelegd. Van de bankrekening eindigend op nummer * [laatste drie cijders van rekeningnummer 4] zijn de bladen 1, 6 en 7 aanwezig maar ontbreken de bladen 2, 3, 4 en 5. Van de bankrekening eindigend op nummer * [laatste drie cijfers van rekeningnummer 1] is blad 1 aanwezig maar ontbreekt blad 2. Hierdoor heeft het hof geen zicht gekregen op de (omvang van de) transacties (ten gunste en ten nadele van welke crediteur respectievelijk debiteur) die zich in desbetreffende periode hebben voorgedaan. Voorts kan het hof hierdoor het exacte saldo op de peildatum niet vaststellen. Een verklaring voor het ontbreken van bovengenoemde bladzijden heeft [geïntimeerde] niet gegeven

Door het niet volledig overleggen van de afschriften van de bovengenoemde rekeningafschriften, heeft [geïntimeerde] niet voldaan aan het bevel van het hof zoals neergelegd in het tussenarrest van 10 juli 2018. [geïntimeerde] heeft daarmee, zo stelt het hof ambtshalve vast, niet voldaan aan het bepaalde in art. 21 Rv.

12.3.3.

Artikel 21 Rv bepaalt:

“Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.”

Met art. 21 Rv wordt beoogd het achterhouden en verdoezelen van voor de beslissing relevante feiten uit te bannen, waardoor de rechterlijke beslissing zoveel mogelijk op waarheid berust. Doel van art. 21 is te bevorderen dat het geschil in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure ‘uit de verf komt’, dit in samenhang met de zogeheten substantiëringsplicht en bewijsaandraagplicht.

Wanneer eenmaal op grond van een bepaalde feitenconstellatie aan de rechter wordt gevraagd een beslissing te geven in een geschil, dan mag een partij de taak van de rechter, een juiste beslissing te geven over het geschil van partijen, niet bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken, door hem benodigde gegevens, die wel binnen het bedoelde kader vallen, te onthouden (MvA I, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 152).

Een en ander kan meebrengen dat op een procespartij een spontane mededelingsplicht kan rusten ten aanzien van feiten die voor het eigen standpunt ongunstig zijn, maar wel kunnen bijdragen aan het ‘gelijk’ van de wederpartij en waarvan zij wist of behoorde te weten dat de wederpartij niet met die feiten bekend was of redelijkerwijze bekend behoorde te zijn (vgl. in het kader van art. 382 Rv (bedrog): HR 4 oktober 1996, NJ 1998, 45 (Goossen/Goossen)). De opvatting dat (ook) in een civiele procedure niemand kan worden gedwongen eraan mee te werken bewijs tegen zichzelf of te zijner nadele bij te brengen is in haar algemeenheid niet juist (zie onder meer r.o. 3.5 in HR 28 september 2001, ECLI:NL:HR 2001:ZC3656 (Rowa/Hooters)).

12.3.4.

Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof bovendien dat [geïntimeerde] reeds bij haar antwoordakte op eigen initiatief het saldo van de Profijtrekening (waarvan zij het bestaan op de peildatum niet heeft ontkend) behorende bij haar ING betaalrekening op de peildatum met verificatoire stukken in het geding had dienen te brengen. Dit geldt temeer nu [geïntimeerde] bij antwoordakte heeft erkend dat de Profijtrekening onderdeel was van haar betaalrekening. De enkele omstandigheid dat dit uit productie 13 bij de inleidende dagvaarding bleek en die rekening niet door appellant ter discussie is gesteld, disculpeert [geïntimeerde] immers niet van haar verplichting de rechter tijdig en volledig te informeren teneinde een zoveel mogelijk op de waarheid berustende beslissing in het geschil van partijen te kunnen nemen.

12.3.5.

Het hof zal aan de schending van art. 21 Rv door [geïntimeerde] de gevolgtrekking maken die hij geraden acht in die zin dat het hof er van uit gaat dat het door [erflater] aan [geïntimeerde] geleende geldbedrag van € 220.000,-- zich op de peildatum onder [geïntimeerde] bevond.

Artikel 3:194 BW

12.4.

Op grond van het voorgaande dient het bedrag van € 220.000,-- bij helfte te worden verdeeld tussen [geïntimeerde] en [appellant] q.q.. Zulks is slechts anders indien dit bedrag zich op 1 oktober 2014 bevond op de Profijtrekening van [geïntimeerde] en het beroep van [appellant] q.q. op art. 3:194 BW slaagt. In dat geval verbeurt [geïntimeerde] het gehele bedrag (€ 220.000,--) aan [appellant] q.q.. Het hof komt thans toe aan de beantwoording van de hiervoor in rov. 12.3 geformuleerde tweede vraag.

12.4.1.

Artikel 3:194 lid 2 BW vereist dat de deelgenoot – in dit geval [geïntimeerde] – de tot de gemeenschap behorende goederen (het geldbedrag van € 220.000,--) opzettelijk verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat – vanwege de aan art. 3:194 lid 2 BW verbonden sanctie – zware eisen aan het bewijs van opzet dienen te worden gesteld (Nota II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1307). De deelgenoot ( [geïntimeerde] ) moet weten dat het goed deel uitmaakt van de gemeenschap. Uit de aard van deze (zware) sanctie, die een strafkarakter heeft, hetgeen in het systeem van het burgerlijk recht uitzonderlijk is, en uit de wetsgeschiedenis, waarin is vermeld dat (de sanctie van) de bepaling slechts geldt als de deelgenoot wist dat de goederen tot de gemeenschap behoorden (Parl. Gesch. Boek 3, p. 630), volgt dat het in art. 3:194 lid 2 BW bedoelde opzet niet reeds kan worden aangenomen indien de desbetreffende deelgenoot (niet wist, maar wel) behoorde te weten dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoorde. (Zie: Hoge Raad 31 maart 2017 ECLI:NL:HR:2017:565.)

Op grond van het bepaalde in art. 3:189 BW geldt art. 3:194 lid 2 BW enkel voor de ontbonden huwelijksgemeenschap. Vanaf het moment dat de gemeenschap ontbonden is, volgt uit art. 3:194 BW dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoot verbeurt. In deze zaak gaat het om een ontbonden huwelijksgemeenschap zodat art. 3:194 lid 2 BW van toepassing is.

12.4.2.

Krachtens het bepaalde van art. 150 Rv rust op [appellant] q.q. de stelplicht (en zo nodig ook de bewijslast) van het door [geïntimeerde] opzettelijk verzwijgen, zoek maken en/of verborgen houden van het saldo van de Profijtrekening op de peildatum.

12.4.3.

Het hof is van oordeel dat het beroep van [appellant] q.q. op art. 3:194 lid 2 BW niet kan slagen. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Niet kan worden geoordeeld dat [geïntimeerde] de desbetreffende Profijtrekening (opzettelijk) heeft verzwegen, zoek gemaakt en/of verborgen gehouden. Reeds door het overleggen van het bankafschrift (productie 13 bij inleidende dagvaarding) blijkt dat [geïntimeerde] gerechtigd was tot de Profijtrekening (en het daarbij behorende saldo op 1 oktober 2014). Dat [geïntimeerde] op grond van art. 21 Rv gehouden was het saldo van deze rekening in de onderhavige procedure kenbaar te maken en dit heeft nagelaten, kan niet leiden tot een ander oordeel. Het niet inzichtelijk maken van het saldo van deze bankrekening betekent immers niet (ook) dat zij het bestaan van de bankrekening opzettelijk heeft verzwegen, zoek gemaakt en/of verborgen gehouden.

Hieruit volgt dat het beroep van [appellant] q.q. op art. 3:194 lid 2 BW niet kan slagen.

Resumé

12.5.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis gedeeltelijk (voor zover het de geldlening van € 220.000,-- betreft) zal worden vernietigd en zal worden bepaald dat [appellant] q.q. € 59.493,-- (in plaats van € 169.493,--) aan [geïntimeerde] dient te voldoen.

12.6.

Het hof zal [geïntimeerde] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] q.q. zullen worden vastgesteld op:

– griffierecht € 1.533,--

totaal verschotten € 1.533,--

en voor salaris advocaat/gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief:

2,5 punten x € 452,-- (tarief oud) € 1.130,--

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] q.q. zullen worden vastgesteld op:

– explootkosten € 79,35

– griffierecht € 313,--

totaal verschotten € 392,35

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

2,5 punten x € 894,-- (tarief oud) € 2.235,--

13 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 juli 2016 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen (rov. 3.27 tot en met 3.31);

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat [appellant] q.q. aan [geïntimeerde] € 59.493,-- dient te voldoen;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 1.533,-- aan griffierecht en op € 1.130,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 79,35 aan dagvaardingskosten, op € 313,-- aan griffierecht en op € 2.235,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 februari 2019.

griffier rolraadsheer