Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3957

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-10-2019
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
20-000086-17
Formele relaties
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2016:2778
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Door de verdediging is niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit nu een CIE-informant een medeverdachte heeft gebracht tot het plegen van strafbare feiten. Het hof verwerpt dit verweer en acht het Openbaar Ministerie ontvankelijk. Het hof overweegt dat het Tallon-criterium inderdaad jegens een medeverdachte is geschonden. Echter, dit betekent niet dat dit ook jegens verdachte het geval is. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat de CIE-informant de medeverdachte heeft benaderd met de vraag of hij mensen wist die kopietjes van euro's konden leveren. De medeverdachte heeft op zijn beurt, uit eigen beweging, contact gezocht met verdachte. Verdachte heeft (in dit stadium) dus geen direct contact gehad met CIE-informant. Verdachte is dan ook niet door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het Openbaar Ministerie verantwoordelijk is, gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd. Het zogenoemde Tallon-criterium is ten aanzien van verdachte derhalve niet geschonden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 209
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000086-17

Uitspraak : 18 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 april 2006, parketnummer

09-755098-05 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] ,

wonende te [woonadres ] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Procesverloop en omvang van het hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte integraal vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof 's-Gravenhage heeft – na een tussenarrest op 16 mei 2007 – bij arrest van 25 juni 2007 (parketnummer 21-002751-06) het vonnis waarvan beroep vernietigd en heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging.

De advocaat-generaal heeft tegen dat arrest beroep in cassatie ingesteld.

Bij arrest van 11 oktober 2011 (nr. S 10/03899) heeft de Hoge Raad der Nederlanden het arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage vernietigd en heeft de zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 17 november 2015 (parketnummer 21-000973-14) het vonnis waarvan beroep vernietigd en heeft verdachte integraal vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

Tegen dit arrest heeft de advocaat-generaal beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 6 december 2016 (nr. S 15/05957) vernietigd en heeft de zaak verwezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 247 dagen, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de strafvervolging. Subsidiair heeft zij integrale vrijspraak bepleit en meer subsidiair heeft zij een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste

aanleg – tenlastegelegd dat:

1.

hij, in of omstreeks de periode van 25 maart 2005 tot en met 7 april 2005, te Den Haag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), te weten: [medeverdachte 1] en/of (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk 1 bankbiljet (ter waarde) van 500 euro, waarvan de valsheid of vervalsing verdachte en/of zijn medeverdachte(n), toen hij/zij dat bankbiljet ontving(en) (van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] ), bekend was, als echt en onvervalst heeft uitgegeven (aan [medeverdachte 4] ), en/of 1 bankbiljet (ter waarde) van 500 euro, waarvan de valsheid of vervalsing hem, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n), toen hij/zij dat bankbiljet ontving(en) (van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] ), bekend was, met het oogmerk om dat bankbiljet als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en/of heeft ontvangen en/of heeft vervoerd en/of heeft ingevoerd en/of zich heeft verschaft;

2.

hij, op of omstreeks 8 april 2005 te Amsterdam en/of Den Haag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), te weten: [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] , althans alleen, 118, althans een hoeveelheid, bankbiljetten (ter waarde) van (elk) 500 euro (in totaal 59.000 euro), waarvan de valsheid of vervalsing verdachte en/of zijn medeverdachte(n), toen hij/zij die bankbiljetten ontving(en), bekend was, met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en/of zich heeft verschaft en/of heeft ontvangen en/of heeft vervoerd en/of heeft ingevoerd;

subsidiair, indien vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] , tezamen en in vereniging, althans alleen, op of omstreeks 8 april 2005 te Amsterdam en/of Den Haag, in elk geval in Nederland, 118, althans een hoeveelheid, bankbiljetten (ter waarde) van (elk) 500 euro (in totaal 59.000 euro), waarvan de valsheid of vervalsing hem/hun, toen hij/zij die bankbiljetten ontving(en), bekend was, met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft/hebben gehad en/of zich heeft/hebben verschaft en/of heeft/hebben ontvangen en/of heeft/hebben vervoerd en/of heeft/hebben doorgevoerd en/of heeft/hebben ingevoerd, welk(e) bovenstaand(e) feit(en) hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2004 tot en met 8 april 2005 te Amsterdam en/of Den Haag, in elk geval in Nederland, door giften en/of beloften en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten door het leggen van de contact(en) met en/of tussen [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] en/of door het in het vooruitzicht stellen/toezeggen van een (geld)beloning/commissie en/of (geld)betaling (aan [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] ) en/of door te onderhandelen over de prijs van de valse of vervalste bankbiljetten met [medeverdachte 3] en/of (een) ander (en) en/of door het bestellen van een hoeveelheid, valse en/of vervalste bankbiljetten (van 500 euro) en/of door het afspreken en/of doorgeven van de plaats van (af)levering van de valse en/of vervalste bankbiljetten en/of door meerdere malen, althans eenmaal, telefonisch [medeverdachte 3] de weg te wijzen/vertellen naar de plaats van levering van de valse of vervalste bankbiljetten, opzettelijk heeft uitgelokt;

meer subsidiair, indien vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] , tezamen en in vereniging, althans alleen, op of omstreeks 8 april 2005 te Amsterdam en/of Den Haag, in elk geval in Nederland, 118, althans een hoeveelheid, bankbiljetten (ter waarde) van (elk) 500 euro (in totaal 59.000 euro), waarvan de valsheid of vervalsing hem/hun, toen hij/zij die bankbiljetten ontving(en), bekend was, met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft/hebben gehad en/of zich heeft/hebben verschaft en/of heeft/hebben ontvangen en/of heeft/hebben vervoerd en/of heeft/hebben doorgevoerd en/of heeft/hebben ingevoerd,

tot het plegen van welk feit/misdrijf hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2004 tot en met 8 april 2005, te Amsterdam en/of Den Haag, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door het leggen van de contact(en) met en/of tussen [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] en/of door het in het vooruitzicht stellen/toezeggen van een (geld)beloning/commissie en/of (geld)betaling (aan [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] ) en/of door te onderhandelen over de prijs van de valse of vervalste bankbiljetten met [medeverdachte 3] en/of (een) ander (en) en/of het bestellen van een hoeveelheid, valse en/of vervalste bankbiljetten (van 500 euro) en/of het

afspreken en/of doorgeven van de plaats van (af)levering van de valse en/of vervalste

bankbiljetten.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging

De verdediging heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar m Ministerie in de strafvervolging. Zij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De CIE heeft langere tijd gebruik gemaakt van een betaalde informant die onder haar regie aan [medeverdachte 4] heeft gevraagd om de levering van vals geld. [medeverdachte 4] en [verdachte] zijn door deze informant gebracht tot het plegen van strafbare feiten die zij anders niet zouden hebben gepleegd. Hierdoor is het Tallon-criterium geschonden. Er is daarom sprake van met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren die een ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt het volgende voorop (vgl. de twee bovengenoemde arresten van de Hoge Raad der Nederlanden in deze zaak van 11 oktober 2011, nr. S 10/03899, en van 6 december 2016, nr. S 15/05957). Ingeval sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is 'het belang dat het geschonden voorschrift dient'. De tweede factor is 'de ernst van het verzuim'. Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is 'het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt'. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Opmerking verdient dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim.

Indien de rechter op grond van de hiervoor bedoelde weging en waardering van de wettelijke beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, maar dat het verzuim niet zonder consequentie kan blijven, zal hij daaraan een van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen verbinden, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

Het vorenoverwogene brengt mee dat een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in art. 359a Sv dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in het tweede lid van het artikel zijn genoemd. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het in het

voorbereidend onderzoek begane vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. (Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376.)

Daarvan is onder meer sprake ingeval de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet reeds daarop was gericht (vgl. het hiervoor in deze zaak als eerst gewezen arrest van de Hoge Raad: HR 29 juni 2010, nr. S 07/10545, ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441).

Voor de beoordeling van het verweer gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

a. Volgens een bericht van de CIE zou op 8 april 2005 tussen 13.30 en 14.30 uur bij het Shell-tankstation in de buurt van de [woonwijk] te Amsterdam een overdracht plaatsvinden van een grotere partij valse eurobiljetten. Naar aanleiding van die informatie werd een observatie- en een arrestatieteam geformeerd. Dit laatste team arresteerde op 8 april 2005 bij dat tankstation vijf personen, te weten [medeverdachte 4] ,

[medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] . In één van de voertuigen werd een partij van € 59.000,- aan valse 500 euro-biljetten aangetroffen. Een aantal weken later werd [verdachte] (verdachte) aangehouden en op 13 september 2005 [medeverdachte 6] .

b. Op 9 april 2005 verklaarde [medeverdachte 4] bij de politie dat hij ongeveer twee weken daarvoor door [medeverdachte 6] was benaderd. [medeverdachte 6] had hem gevraagd of hij mensen wist die kopietjes van euro's konden leveren. [medeverdachte 4] had daarop geantwoord dat hij in zijn omgeving gezocht had en dat hij was terechtgekomen bij [verdachte] . Deze [verdachte] had hem in contact gebracht met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 4] zou er voor zorgen dat deze [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] elkaar op 8 april 2005 om 13.00 uur bij het (hiervoor genoemde) benzinestation zouden ontmoeten.

c. Op 12 juli 2005 verklaarde [medeverdachte 4] bij de politie dat hij bij de zaak betrokken was geraakt door [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] had hem in december 2004 of januari 2005 al gevraagd of hij aan vals geld kon komen. [medeverdachte 6] bleef [medeverdachte 4] daarom vragen. Via [verdachte] heeft hij [medeverdachte 1] leren kennen, waarna hij een afspraak heeft geregeld tussen [medeverdachte 6] en die [medeverdachte 1] . [medeverdachte 6] zou € 80.000,- aan valse bankbiljetten kopen voor 35% van de nominale waarde. [medeverdachte 4] had aan [medeverdachte 6] een proefbiljet overhandigd. Na de overhandiging van dat proefbiljet belde [medeverdachte 6] dat hij geleverd wilde hebben. [medeverdachte 4] zou voor zijn bemiddeling een percentage van [medeverdachte 6] ontvangen. Het initiatief was van [medeverdachte 6] uitgegaan. [medeverdachte 4] heeft met [medeverdachte 6] de afspraak gemaakt om elkaar op vrijdag 8 april 2005 bij het tankstation te ontmoeten.

d. [medeverdachte 1] heeft op 9 april 2005 verklaard dat hij door [verdachte] was benaderd met de vraag of hij Bulgaren kende die in vals geld handelden. Een kennis van hem had vrienden die in vals geld handelden en via die kennis kreeg hij het telefoonnummer van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] vertelde aan hem, [medeverdachte 1] , dat hij valse euro's kon leveren voor 35% van de nominale waarde. [medeverdachte 1] heeft op verzoek van [medeverdachte 4] geregeld dat [medeverdachte 3] naar Amsterdam zou komen. Bij het tankstation was [medeverdachte 3] met nog twee andere personen (hof: [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] ).

e. Reeds kort na zijn aanhouding op 13 september 2005 heeft [medeverdachte 6] verklaard over zijn rol in deze kwestie. Op 13 september 2005 verklaarde hij dat hij [medeverdachte 4] had gevraagd een (vals) proefbiljet van € 500,- te leveren. Bij de levering deelde [medeverdachte 4] mee dat er een partij van € 80.000,- aan valse biljetten beschikbaar was. [medeverdachte 6] zou tegen [medeverdachte 4] hebben gezegd dat hij mogelijk belangstelling had. [medeverdachte 6] hield een slag om de arm, omdat het doorgaan van de transactie afhing van wat de CIE hiermee wilde. [medeverdachte 6] had de CIE-man verteld dat hij een afspraak kon maken waarbij € 80.000,- aan valse euro's aan hem geleverd kon worden. [medeverdachte 6] heeft afspraken gemaakt over het tijdstip en moment van levering, waarna hij de CIE meedeelde dat de valse biljetten van de straat gehaald konden worden. De CIE ging daarmee akkoord. [medeverdachte 6] zou op 7 april 2005 telefonisch contact met de CIE hebben gehad. De CIE zou volgens hem hebben gevraagd of hij voor elkaar zou kunnen krijgen dat de € 80.000,- aan valse euro's daadwerkelijk geleverd konden worden. De CIE zou dan een 'plan de campagne' maken om in te grijpen. [medeverdachte 6] heeft tenslotte verklaard dat hij na de actie van 8 april 2005 van de CIE € 1.750,- heeft ontvangen.

f. De CIE-man met wie [medeverdachte 6] op en vóór 8 april 2005 contact had, de zogenoemde runner, wordt ' [codenaam runner] ' genoemd. [codenaam runner] heeft in de loop van deze procedure verschillende verklaringen afgelegd en heeft volgehouden dat hij niet wist dat [medeverdachte 6] een initiërende en centrale rol had gespeeld bij de levering van de valse 500 euro-biljetten.

g. [medeverdachte 6] is in 2004 en 2005 als burgerinformant in twee verschillende rayons in meerdere zaken tegen betaling voor de CIE werkzaam geweest. Hij stond bij die dienst bekend als een initiatiefrijke, 'pro-actieve' en ervaren informant.

h. Op 6 april 2005 informeerde [medeverdachte 6] zijn CIE-runner ' [codenaam runner] ' tussen 14.45 en 14.50 uur telefonisch over een partij van € 80.000,- aan valse 500 euro-biljetten, waarmee 'iemand rond rijdt' en het feit dat hij zelf in bezit is van een vals 500 euro-biljet en 'een gedeelte' weet van 'de identiteit'.

i. De door ' [codenaam runner] ' en [medeverdachte 6] met betrekking tot het valse 500 euro-biljet gegeven verklaringen lopen uiteen over de inhoud van het advies c.q. de opdracht van de runner aan de informant met betrekking tot het valse biljet, maar komen in essentie hierin overeen dat [medeverdachte 6] zich zo spoedig mogelijk ('als de weerga') van het valse biljet moest ontdoen.

j. Het CIE-journaal van 6 april 2005 bevat in zeven regels een weergave van het contact tussen runner en informant en eindigt met de woorden 'Gezegd hierop terug te komen'. Het bevat geen specifieke vragen, nadere afspraken of opmerkingen van de runner over het feit dat [medeverdachte 6] in het bezit was van een vals 500 euro-biljet, over de wijze waarop hij in het bezit daarvan was gekomen en zijn wetenschap over en/of betrokkenheid bij de partij van € 80.000,- aan valse euro's.

k. Over de vraag of en hoe hierop later nog is teruggekomen en over de frequentie van het contact tussen de CIE-runner en zijn informant over deze kwestie verschillen de verklaringen van beiden aanzienlijk. [medeverdachte 6] verklaart dat tussen 6 april 14.50 uur en 8 april 2005 te 11.05 uur een aantal telefonische contacten tussen hen beiden hebben plaatsgevonden, terwijl ' [codenaam runner] ' verklaart dat er in die periode geen contact (meer) is geweest.

l. In strijd met de binnen de CIE geldende regels ter waarborging van een rechtmatige gang van zaken en een adequate controleerbaarheid is [medeverdachte 6] met betrekking tot zijn inzet niet gerund door een koppel van twee runners, maar solo door ' [codenaam runner] '.

m. Volgens het CIE-journaal van die dag lichtte [medeverdachte 6] zijn runner op 8 april 2005 om 11.05 uur telefonisch in over een overdracht van een partij vals geld van € 80.000,- op diezelfde dag om 13.45 uur bij een tankstation bij de [adres tankstation] te Amsterdam, waarbij een zekere [bestuurder Opel] ' en een blauwe Opel Vectra, waarin zich het valse geld zou bevinden, zouden zijn betrokken.

n. De verklaringen van de runner en zijn informant lopen uiteen over het tijdstip van de overdracht, in het bijzonder over het verzetten/verlaten van dat tijdstip om voldoende tijd en gelegenheid te hebben voor het treffen van politiële maatregelen rond de overdracht van de partij vals geld en het ingrijpen daarbij door de politie.

o. Het journaal van de runner van 8 april 2005 bevat voorts de strofe: 'Op mijn vraag wat de rol van info (naar het hof begrijpt: informant) is antwoordde hij hier geen enkele rol in te spelen', en de opmerking van informant geen enkel gevaar te duchten te hebben, gevraagd naar zijn afscherming.

p. Op basis van deze informatie werd door [coach runner] , die de coach was van runner ' [codenaam runner] ' en die tevens fungerend chef van de CIE was, en met wie op 8 april 2005 telefonisch voor het eerst over deze zaak was gesproken, 'er op geïnvesteerd', een proces-verbaal opgemaakt en per fax verzonden aan de CIE van de afdeling Nationale Recherche Randstad Noord.

q. Volgens hetzelfde dag-journaal lichtte [medeverdachte 6] zijn runner ' [codenaam runner] ' om 14.15 uur telefonisch in – na een daaraan voorafgegaan SMS-bericht van [medeverdachte 6] – dat hij gebeld werd 'dat men er al 45 minuten staat en dat er niemand is, dat de kopers de zaak niet vertrouwd hebben en door zijn gereden'.

r. Een (observatie)team van de politie, dat na het onder p. genoemde proces-verbaal van [coach runner] op de hoogte is gesteld van de vermoedelijke overdracht van een partij vals geld, observeerde diezelfde middag de ontmoeting bij bedoeld tankstation, waarbij [medeverdachte 6] niet aanwezig was, hield de verdachten aan, doorzocht de betrokken voertuigen en nam een partij van € 59.000.- aan valse biljetten van € 500,- in beslag.

s. In het CIE-journaal van 8 april 2005 is vermeld dat [medeverdachte 6] is gevraagd naar zijn rol en afscherming in deze zaak. Voorts is in dit journaal vermeld (mutatie 11.12 uur) dat na het telefoongesprek van 14.15 uur (?) informant 'kennelijk meer er bij betrokken' is dan in het eerste gesprek werd gesuggereerd, waarop evenwel niet meer is teruggekomen in het gesprek dat op de avond van 8 april 2005 tussen [coach runner] , [medeverdachte 6] en ' [codenaam runner] ' plaatsvond. In elk geval blijkt daarvan niet uit het journaal.

t. [medeverdachte 6] is vervolgens in de periode van april tot september 2005 ongewijzigd als informant voor de CIE werkzaam geweest, tot het moment van zijn aanhouding medio september 2005 in deze zaak op verdenking van betrokkenheid bij de handel in vals geld.

u. Het openbaar ministerie heeft de verdachten en de overige procesdeelnemers, onder wie ook de rechters van de rechtbank die over de vrijheidsbeneming van de verdachten te beslissen hadden, in dat stadium van de strafrechtelijke procedure niet ingelicht over deze aan de aanhoudingen voorafgegane, met bijstand van een burgerinformant ondernomen, opsporingsactiviteiten noch anderszins in het strafdossier verslag gedaan van de in nauw overleg tussen de runner en de informant bepaalde gedragslijn die leidde tot de onderschepping van de partij vals geld, de aanhouding van verdachte en medeverdachten en tot het daarop gevolgde strafrechtelijk onderzoek.

v. Pas maanden na de aanhouding van de verdachte(n), maar vóór de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg, is dankzij de proceshouding van [medeverdachte 6] de in deze zaak gevolgde bijzondere opsporingsmethode bekend geworden aan (mede)verdachte(n) en hun raadslieden. De aangehouden verdachten zaten in dat stadium van de strafprocedure allemaal in voorlopige hechtenis.

Het hof overweegt voorts het volgende.

In de zaak van medeverdachte [medeverdachte 4] heeft het gerechtshof 's-Gravenhage bij arrest van 25 juni 2007 (ECLI:NL:GHSGR:2007:BA8171) onder meer het volgende geoordeeld:

'Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest in verband met de delicten inzake de handel en gebruik van vals geld. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte de strafbare feiten zou hebben gepleegd als [medeverdachte 6] (die optrad als informant voor de CIE) hem daartoe niet had overgehaald. Onder andere het feit dat [medeverdachte 6] door de overheid kreeg betaald voor het verstrekken van informatie over strafbare feiten heeft hem er kennelijk toe gebracht verdachte over te halen om te bemiddelen bij de vals geld transactie. [medeverdachte 6] heeft kunnen handelen zoals hij gehandeld heeft, omdat het toezicht van de CIE faalde. Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte als gevolg van aan de overheid toe te rekenen omstandigheden is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet was gericht en dat alleen al om die reden geen veroordeling kan volgen.'

Het tegen dit arrest ingestelde beroep in cassatie is verworpen (zie HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655).

Het hof gaat er daarom van uit dat tegen medeverdachte [medeverdachte 4] sprake is geweest van schending van het Tallon-criterium, in die zin dat CIE-informant [medeverdachte 6] , die kan worden aangemerkt als een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, [medeverdachte 4] heeft gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij is vervolgd. Dat [medeverdachte 6] dat op eigen initiatief heeft gedaan en niet in opdracht van de politie of het openbaar ministerie doet daar niet aan af.

Dat het Tallon-criterium jegens [medeverdachte 4] is geschonden, betekent echter niet dat dat ook jegens verdachte het geval is. Uit de hiervoor onder a. tot en met v. weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat [medeverdachte 6] medeverdachte [medeverdachte 4] heeft benaderd met de vraag of hij mensen wist die kopietjes van euro's konden leveren. [medeverdachte 4] heeft op zijn beurt, uit eigen beweging, contact gezocht met verdachte en verdachte heeft [medeverdachte 1] benaderd met de vraag of hij Bulgaren kende die in vals geld handelde. [medeverdachte 1] heeft vervolgens via een kennis contact gezocht met [medeverdachte 3] , die valse euro's kon leveren.

Verdachte heeft (in dit stadium) dus geen direct contact gehad met CIE-informant [medeverdachte 6] . Verdachte is dan ook niet door een opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd. Het zogenoemde Tallon-criterium is ten aanzien van verdachte derhalve niet geschonden. Het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt derhalve verworpen.

Het hof overweegt verder het volgende.

Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is het hof wel van oordeel, zoals ook het gerechtshof 's-Gravenhage in deze zaak tweemaal heeft geoordeeld, dat van de solerende runner ' [codenaam runner] ' reeds op 6 april 2005 een grotere waakzaamheid had mogen worden verwacht dan uit de daarop betrekking hebbende journaals en verklaringen naar voren komt en dat hij het reële risico onder ogen had moeten zien van een mogelijke betrokkenheid van [medeverdachte 6] bij de overdracht van het valse geld, welke betrokkenheid immers gelijkenis vertoont met die van de burger-pseudokoper ex art. 126ij Sv, zonder dat aan enige daaraan in dat artikel gestelde formele voorwaarde was voldaan. Bovendien kon, nu [medeverdachte 6] binnen de CIE als een 'pro-actieve' informant bekend stond, evenmin worden uitgesloten dat hij in het kader van die rol een persoon zou brengen of reeds had gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.

Al deze factoren maakten naar het oordeel van het hof reeds na het eerste telefoongesprek

tussen [medeverdachte 6] en ' [codenaam runner] ' op 6 april 2005, een op de CIE rustende verzwaarde

onderzoeksplicht noodzakelijk naar de aard en de mate van betrokkenheid van [medeverdachte 6] bij de

valse eurobiljettentransactie en de achtergronden daarvan. ' [codenaam runner] ' had onder de gegeven omstandigheden geen genoegen mogen nemen met de summiere informatie van [medeverdachte 6] , maar had – onder meer door nadere gesprekken met [medeverdachte 6] – een grondig onderzoek behoren te verrichten om uit te sluiten dat [medeverdachte 6] als koper of tussenpersoon bij de levering van de partij vals geld zou optreden of zich als zodanig zou voordoen en/of zich al dan niet bewust met schending van het zogenaamde Tallon-criterium aan strafbaar gedrag schuldig zou maken of reeds had gemaakt. ' [codenaam runner] ' heeft dat ten onrechte nagelaten.

Nu de summiere informatie van [medeverdachte 6] objectief bezien niet voldoende duidelijkheid

opleverde over diens feitelijke rol in deze transactie was de CIE weliswaar in beginsel

vanwege het doorlatingsverbod gehouden het op handen zijnde transport van de valse

bankbiljetten te (doen) onderscheppen, maar had de CIE daarna in verband met onder meer

het bepaalde in artikel 126ij Sv zo spoedig mogelijk het openbaar ministerie op de hoogte moeten stellen van de toegepaste opsporingsmethode, waarna het openbaar ministerie vervolgens de verdachten, hun raadslieden en de voorlopige hechtenis- c.q. de zittingsrechter had moeten informeren. In zoverre is bij het voorbereidend onderzoek dan ook een vorm verzuimd. Deze schending is echter tijdig, te weten vóór de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg, hersteld doordat de verdediging alsnog op de hoogte is gesteld. Dit betekent in het kader van de afweging van art. 359a Sv dat, rekening houdend met het belang dat het geschonden voorschrift dient, verdachte niet in zijn verdediging is geschaad en er derhalve geen sprake was van een onherstelbaar vormverzuim. Daarbij wijst het hof tevens op de bestendige jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens ter zake van de afweging of het recht op een behoorlijk proces (art. 6 EVRM) is geschonden, waarbij een belangrijke afwegingsfactor is 'whether the proceedings as a whole were fair' (vgl. EHRM 12 juli 1988, Publ. ECHR, Series A Vol. 140, § 46 (Schenk/Switserland) en meer recent EHRM 9 januari 2018, 1874/13 en 8567/13, ECLI:CE:ECHR:2018:0109JUD000187413, NJB 2018/549 (López Ribalda e.a./Spain), § 83). Indien de verdachte op enig moment zijn bezwaren aan de onafhankelijke rechter heeft kunnen voorleggen, zoals in het onderhavige geval, is geen sprake van een schending van het recht op een behoorlijk proces.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een vormverzuim op grond waarvan enig in artikel 359a Sv genoemd rechtsgevolg aan de orde is.

Ook overigens zijn er geen gronden gebleken of aannemelijk geworden die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging in de weg staan. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de strafvervolging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Zoals uit de hiervoor, onder het kopje 'Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging' onder a. tot en met v. weergegeven feiten en omstandigheden blijkt, ging het hier om een proefbiljet, dat ter beoordeling aan [medeverdachte 6] is getoond, met de bedoeling dat er meer valse biljetten zouden worden gedrukt als hij de proefdruk goed zou keuren. Of het getoonde proefbiljet inderdaad ook vals was, kan aan de hand van de inhoud van het dossier niet worden vastgesteld. Het hof acht daarom niet bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan het onder feit 1 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

hij, op 8 april 2005 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, te weten: [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] , 118, bankbiljetten ter waarde van elk 500 euro (in totaal 59.000 euro), waarvan de valsheid verdachte en zijn medeverdachten, toen zij die bankbiljetten ontvingen, bekend was, met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en zich heeft verschaft.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

1. Een bundel in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, met op het voorblad de vermelding 'Proces-verbaal van relaas onderzoek Binchois', met gedeeltelijk doorlopende paginanummering, waaronder een proces-verbaal van politie, Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, Unit Zuid-Nederland, Criminele Inlichtingen Eenheid, nummer 25-004663/30, gedateerd 8 april 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door [coach runner] , brigadier van politie bij het Korps Landelijke Politiediensten, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als relaas van bevindingen van de verbalisant voornoemd:

Bij de Criminele Inlichtingen Eenheid is in begin april 2005 via een informant de navolgende informatie binnengekomen:

'Op 8 april 2005 tussen 13.30 en 14.30 uur vindt er een overdacht plaats van een grotere partij valse eurobiljetten. De overdracht vindt plaats nabij het nieuwe Shell-tankstation in de buurt van de [woonwijk] te Amsterdam. Bij de overdracht is een blauwe Opel Vectra betrokken.'

2. Een bundel in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, met op het voorblad de vermelding 'Proces-verbaal van relaas onderzoek Binchois', met gedeeltelijk doorlopende paginanummering, waaronder een proces-verbaal 'Observatie vrijdag 8 april 2005' van het Korps Landelijke Politiediensten, Nationale Recherche, Unit Randstad Noord, Vestiging Amsterdam, Team 1, proces-verbaalnummer RN, gedateerd 8 april 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door [observant 8] , brigadier van het Korps Landelijke Politiediensten, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als relaas van bevindingen van de verbalisant voornoemd:

Naar aanleiding van binnengekomen informatie is op vrijdag 8 april 2005 observatie verricht bij het Shell-tankstation [naam] aan [adres] te Amsterdam.

Observanten: [observant 1] , [observant 2] , [observant 3] , [observant 4] , [observant 5] , [observant 6] , [observant 7] , [observant 8] , [observant 9] , [observant 10] en [observant 11] .

12.30

uur (allen)

Aanvang observatie.

13.05

uur ( [observant 8] en [observant 2] )

Op de openbare weg, langs het Shell-tankstation, de [adres] te Amsterdam, staat een blauwe Opel Vectra voorzien van kenteken [kenteken Opel] geparkeerd. Er lopen twee mannen naar toe, die voldoen aan het volgende signalement:

1. man met Turks uiterlijk, lengte ongeveer 1,75 à 1,80 meter, draagt een zonnebril, kort zwart haar, normaal postuur;

2. man met Turks uiterlijk, lengte ongeveer 1,85 à 1,90 meter, lang zwart krullend haar, breed/krachtig postuur, draagt een donkerkleurig jack.

De man genoemd onder 1 stapt in en gaat op de bestuurdersstoel zitten, de man genoemd onder 2 gaat naast hem zitten op de passagiersstoel. Ze blijven in de auto kennelijk zitten wachten.

13.17

uur ( [observant 5] )

Er komt een zwarte Mercedes personenauto aanrijden voorzien van het Bulgaarse kenteken [kenteken Mercedes] . Daar zitten drie mannen in. Deze auto rijdt eerst langzaam voorbij de geparkeerde Opel, draait aan het einde van de weg en rijdt langzaam weer terug. Dan parkeert de Mercedes vóór de Opel Vectra aan dezelfde kant van de weg, met één auto daar tussen.

De drie mannen uit de Mercedes stappen uit, lopen naar het Shell-tankstation en gaan daar naar binnen. Zij voldoen aan het volgende signalement:

3. man met blauwe trainingsbroek, lengte ongeveer 1,75 meter, kaal hoofd (zat rechts voorin de Mercedes);

4. man met zwart haar, draagt een grijs jack, lengte ongeveer 1,80 meter (zat links achterin de Mercedes);

5. man met kort gemillimeterd haar (bestuurder van de Mercedes).

De twee mannen uit de Opel Vectra stappen ook uit hun auto en lopen eveneens het Shell-tankstation binnen.

13.25

uur ( [observant 2] en [observant 8] )

De bestuurder van de Opel, genoemd onder 1, komt naar buiten en staat achter het Shell-tankstation te praten met twee mannen uit de Mercedes, genoemd onder 3 en 4. De beide andere mannen zijn kennelijk nog in het Shell-tankstation.

14.05

uur ( [observant 5] en [observant 2] )

De mannen genoemd onder nummer 1, 3 en 4 lopen naar de Opel Vectra en stappen in. Persoon nummer 1 gaat achter het stuur zitten, de man genoemd onder nummer 3 stapt rechts achterin, de man genoemd onder nummer 4 gaat op de passagiersstoel zitten. Daar blijven ze kennelijk wachten.

14.06

uur ( [observant 5] en [observant 2] )

De man met het lange haar, genoemd onder nummer 2, komt uit de richting van het Shell-tankstation en loopt ook naar de Opel Vectra. Hij stapt in en gaat links achterin zitten.

14.12

uur ( [observant 5] en [observant 2] )

De bestuurder van de Mercedes, genoemd onder nummer 5, komt uit de richting van het Shell-tankstation en gaat op de bestuurdersstoel van de Mercedes zitten. (…)

14.13

uur ( [observant 5] )

De bestuurder van de Opel stapt uit en loopt naar het Shell-tankstation.

14.15

uur ( [observant 5] )

De kale man, genoemd onder nummer 3, stapt uit de Opel en gaat achter de Mercedes staan.

14.16

uur ( [observant 5] )

De man genoemd onder nummer 1 komt weer uit het Shell-tankstation en spreekt kennelijk de man aan die achter de Mercedes staat, nummer 3. Beiden lopen naar de Opel Vectra en stappen uiteindelijk weer in op de plek waar ze even daarvoor ook al zaten.

14.20

uur ( [observant 5] en [observant 7] )

De Opel Vectra met de vier inzittenden rijdt weg bij het tankstation richting [adres] . Op het einde van die weg, bij het restaurant is de Opel Vectra gedraaid en rijdt dezelfde weg terug.

Vervolgens wordt er overgegaan tot de aanhouding van de vier personen in de Opel Vectra en de man die bij de Mercedes staat.

Personalia verdachten:

Na de aanhouding van de verdachten bleek dat zij de volgende personalia hadden:

man genoemd onder 1: [medeverdachte 4] , geboren [geboortedatum] ;

man genoemd onder 2: [medeverdachte 1] , geboren [geboortedatum] ;

man genoemd onder 3: [medeverdachte 5] , geboren [geboortedatum] ;

man genoemd onder 4: [medeverdachte 3] , geboren [geboortedatum] ;

man genoemd onder 5: [medeverdachte 2] , geboren [geboortedatum] .

Tenaamstelling kenteken:

Uit de gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer te Veendam, blijkt dat het kenteken [kenteken Opel] is afgegeven voor een blauwe Opel Vectra en op naam staat van: [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum] , wonende [adres medeverdachte 4] .

3. Een bundel in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, met op het voorblad de vermelding 'Proces-verbaal van relaas onderzoek Binchois', met gedeeltelijk doorlopende paginanummering, waaronder een proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming van de Nationale Recherche, Unit Randstad Noord, proces-verbaalnummer RN-05-18, gedateerd 8 april 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] , inspecteur van de Nationale Recherche, Unit Randstad Noord, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als relaas van bevindingen van de verbalisant voornoemd:

Op vrijdag 8 april 2005 heb ik, verbalisant, de navolgende voorwerpen, in Amsterdam aangetroffen in het voertuig met kenteken [kenteken Opel] onder de rechter voorstoel, inbeslaggenomen: 118 biljetten van 500 euro.

4. Een bundel in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, met op het voorblad de vermelding 'Proces-verbaal. Pv.nr. PL 1532/2004/45815-BD 35. Onderzoek Goudsnip' van de Politie Haaglanden / Hollands Midden, BRT/IFT, Project Goudsnip, met gedeeltelijk doorlopende paginanummering, waaronder een proces-verbaal van bevindingen van de Politie Haaglanden/Hollands Midden, BRT/IFT, proces-verbaalnummer PL 15032/2004/45815, gedateerd 24 oktober 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent van politie Haaglanden, pagina 008, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als relaas van bevindingen van de verbalisant voornoemd:

Op 5 juli 2005 is getracht [verdachte] [het hof begrijpt: [verdachte] ] [verdachte] , geboren [geboortedatum] te Turkije, in zijn woning aan te houden. De verdachte was op dat moment niet in zijn woning. De verdachte heeft zich op 7 juli 2005 gemeld, waarop hij is aangehouden.

5. Een bundel in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, met op het voorblad de vermelding 'Proces-verbaal. Pv.nr. PL 1532/2004/45815-BD 39. Onderzoek Goudsnip' van de Politie Haaglanden / Hollands Midden, BRT/IFT, Project Goudsnip, met gedeeltelijk doorlopende paginanummering, waaronder een proces-verbaal van bevindingen van de Politie Haaglanden/Hollands Midden, Bureau Bovenregionale Recherche, proces-verbaalnummer PL1503/2004/45815, gedateerd 13 september 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] , brigadier van de regiopolitie Haaglanden, pagina 008, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als relaas van bevindingen van de verbalisant voornoemd:

Ter aanhouding van de verdachte [medeverdachte 6] werd de woning aan de [adres medeverdachte 6] op 13 september 2005 te 06.04 uur betreden. In de woning werd vervolgens de verdachte [medeverdachte 6] aangetroffen en aangehouden.

6. Een bundel in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, met op het voorblad de vermelding 'Index [proces-verbaal] aanvullend relaas Binchois', van de Nationale Recherche, Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, Unit Randstad Noord, Vestiging Amsterdam, Team 1, proces-verbaalnummer RN 05-18, met gedeeltelijk doorlopende paginanummering, waaronder een proces-verbaal van bevindingen van District KMar Schiphol/Brigade Centrale Vreemdelingenzaken, afdeling Doc & Info, mutatienummer PL278D/05-056567, gedateerd 24 juni 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] , opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee, pagina 000134, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als relaas van bevindingen van de verbalisant voornoemd:

Op 24 juni 2005 werd door personeel van de Nationale Recherche te Amsterdam verzocht een onderzoek in te stellen naar de juistheid van 118 (honderdachttien) EURO bankbiljetten met een opdrukwaarde van 500 EURO (…). Ten behoeve van het onderzoek werden de bankbiljetten ter beschikking gesteld. Naar aanleiding van het vorenstaande heb ik, verbalisant, een nader onderzoek ingesteld.

Bij onderzoek van voornoemde 118 (honderdachttien) EURO bankbiljetten, zag ik verbalisant dat:

- deze bankbiljetten een opdrukwaarde hadden van 500 EURO;

- deze bankbiljetten qua kleur, detaillering, gebruikt basismateriaal en toegepaste productie- en beveiligingstechnieken niet overeenkwamen met originele EURO bankbiljetten met een opdrukwaarde van 500 EURO.

Naar aanleiding van vorenstaande kon dezerzijds worden vastgesteld dat alle onderzochte EURO bankbiljetten valse exemplaren waren.

7. Een bundel in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, met op het voorblad de vermelding 'Proces-verbaal van relaas onderzoek Binchois', met gedeeltelijk doorlopende paginanummering, waaronder een proces-verbaal van verhoor van de politie, Dienst Nationale Recherche, Randstad Noord, Eenheid Amsterdam, Team 1, zonder proces-verbaalnummer, gedateerd 9 april 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] en [verbalisant] , respectievelijk inspecteur en brigadier van politie, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als verklaring van verdachte [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum] , tegenover de verbalisanten voornoemd:

V = vraag verbalisanten.

A = antwoord verdachte [medeverdachte 4] .

A: Ik werd door [medeverdachte 6] [het hof begrijpt: [medeverdachte 6] ] ongeveer een week of twee geleden benaderd. Hij vroeg mij of ik mensen wist die kopietjes kunnen leveren. Ik vroeg hem toen wat voor kopietjes.

Hij zei toen: 'Euro's'. (…) Ik antwoorde [medeverdachte 6] dat ik ging kijken of ik wat wist in de omgeving. (…)

Ik ben toen bij [verdachte] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [verdachte] ] terechtgekomen. (…)

Hij zei dat hij zou gaan kijken in zijn kring. Dit was ongeveer een week geleden. (…) [verdachte] belde mij gisterochtend op en noemde mij de naam van [medeverdachte 1] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [medeverdachte 1] ] . Hij gaf mij geen telefoonnummer, maar verwees mij voor een afspraak [naar] het café [naam] in Den Haag. (…) [I]k ben toen alleen naar het café gegaan. Daar ontmoette ik toen [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] sprak mij aan en vroeg of ik de man van [verdachte] was. Ik bevestigde en toen hebben wij kennis gemaakt. (…) Wij gingen een gesprek aan over het valse geld. [medeverdachte 1] vroeg aan mij hoe we het gingen doen. Ik zei hem toen dat ik hem in contact zou brengen met [medeverdachte 6] en dat ik [medeverdachte 1] naar een plek zou brengen waar [medeverdachte 1] [medeverdachte 6] zou ontmoeten. Ik zei tegen [medeverdachte 1] dat ik een afspraak ging maken met [medeverdachte 6] via de telefoon in de auto en hij kon meeluisteren omdat ik handsfree belde. Ik belde zo dus [medeverdachte 6] en maakte een afspraak elkaar om 1 uur in de middag te ontmoeten bij het benzinestation in Amsterdam waar ik later ben aangehouden. Ik dacht op dat moment dat [medeverdachte 1] degene was die met de euro's op zak zat. [medeverdachte 1] had met mij besproken dat er een bedrag van 80.000 valse euro's zou worden afgeleverd aan [medeverdachte 6] .

Toen ik aankwam bij het benzinestation, zei [medeverdachte 1] tegen mij dat hij het valse geld niet had, maar dat dit door andere mannen zou worden gebracht. Ik parkeerde mijn auto bij het benzinestation en [medeverdachte 1] had telefonisch contact met de andere mannen. Ik heb nog even de telefoon overgenomen om de mannen uit te leggen waar ik stond. Ik zei tegen hen dat ik op mijn beurt nog moest wachten op [medeverdachte 6] , die met een zwarte bus zou komen. Tenminste, dat had hij tegen mij gezegd.

Om ongeveer 2 uur komt er een auto aanrijden. Dit was de auto met hierin de mannen met het valse geld. Dit was een zwarte Mercedes met een Bulgaars kenteken. In deze Mercedes zaten drie mannen. Wij maakten alle vijf met elkaar contact. Wij zijn toen koffie gaan drinken bij het benzinestation. Ik heb toen gezegd dat wij moesten wachten op [medeverdachte 6] in de zwarte bus. Ik heb gezegd tegen de mannen dat [medeverdachte 6] er zo aan zou komen en ik vroeg aan de drie mannen wie een en ander zou afhandelen.

De bolle Bulgaar en de Bulgaar met de grijze jas die naast mij in de auto zat zouden de zaak beiden afhandelen. Deze twee mannen stapten toen bij mij in de auto en wij zouden wachten op [medeverdachte 6] .

V: Waarom zijn jullie gaan rijden?

A: Zomaar ik heb in de tussentijd nog contact gehad met [medeverdachte 6] en we waren nog steeds op hem aan het wachten. Opeens werd ik klem gereden en aangehouden.

(…)

V: Was er sprake van 80.000 euro?

A: Uiteindelijk wel. Ik weet niet hoe groot het bedrag was, maar de bedoeling was 80.000.

V: Wat waren jou verdiensten?

A: Ik zou nog een geldbedrag van [medeverdachte 6] krijgen en mijn commissie zou ik met [medeverdachte 6] afhandelen. Normaal zijn het legale zaken die wij doen, maar nu was het dus vals geld.

8. Een bundel in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, met op het voorblad de vermelding 'Proces-verbaal van bevindingen. Pv.nr. PL1532/2004/45815. Onderzoek Goudsnip' van de Politie Haaglanden / Hollands Midden, BRT/IFT, Project Goudsnip, zonder (doorlopende) paginanummering, waaronder een proces-verbaal van verhoor verdachte van de Politie Haaglanden/Hollands Midden, BRT/IFT, proces-verbaalnummer PL1532/2004/45815, gedateerd 12 juli 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] en [verbalisant] , beiden hoofdagent van politie Haaglanden, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als verklaring van verdachte [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum] , tegenover de verbalisanten voornoemd:

V = vraag verbalisanten.

A = antwoord verdachte [medeverdachte 4] .

(…)

V: Hoelang kent u [verdachte] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [verdachte] ] al?

A: Ik ken hem sinds februari 2005.

(…)

V: Bent u eigenaar van de Opel Vectra waarin u bent aangehouden in Amsterdam?

A: Ja, dat klopt.

(…)

V: Kunt u nogmaals kort uitleggen hoe u betrokken bent geraakt bij de handel in vals geld?

A: Ik ben erbij betrokken geraakt door [medeverdachte 6] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [medeverdachte 6] ]. [medeverdachte 6] vroeg mij in december 2004 of januari 2005 of ik aan vals geld kon komen, maar ik had daar geen tijd voor. (…) [medeverdachte 6] bleef mij bellen en in een klein gesprek over leningen en verzekeringen met [verdachte] kwam het verzoek van [medeverdachte 6] weer ter sprake, dat hij dus vals geld wilde, en [verdachte] zou gaan kijken of hij iets kon regelen.

V: Wat vraagt [medeverdachte 6] dan letterlijk?

A: Hij vroeg om drukwerk en [medeverdachte 6] is een keer naar Utrecht gekomen en daar vroeg hij mij of ik aan valse euro-biljetten kon komen. Toen ik [medeverdachte 6] een keer aan de telefoon had en [hij] mij er weer om vroeg, was ik bij [verdachte] en [verdachte] wilde weten wat er aan de hand was. Ik vertelde [verdachte] toen wat [medeverdachte 6] wilde en [verdachte] zou kijken wat hij kon regelen. Via [verdachte] hebben we toen een man genaamd [medeverdachte 1] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [medeverdachte 1] ] leren kennen en in contact laten komen met [medeverdachte 6] . Ik heb toen een afspraak geregeld tussen [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] . Het initiatief lag bij [medeverdachte 6] .

V: Waarom vroeg [medeverdachte 6] u om valse bankbiljetten?

A: Omdat ik in het geld zat, verzekeringen en dergelijke. (…)

V: Hoe heeft u [verdachte] dan betrokken bij de zaak?

A: Ik heb hem uitgelegd wat [medeverdachte 6] wilde (…). [verdachte] vertelde dat het moeilijk en risicovol was om aan valse bankbiljetten te komen.

V: Wist [verdachte] u dat direct te vertellen of moest hij bijvoorbeeld informeren?

A: Dat vertelde [verdachte] toen gelijk al.

(…)

V: Kunt u zich herinneren wat u precies aan [verdachte] vroeg?

A: Ja, of [verdachte] iemand wist die zich bezighield met valse euro's.

V: Heeft u om specifieke coupures gevraagd?

A: Nee, gewoon valse euro's.

V: Wat zei [verdachte] toen tegen u?

A: Ik heb hem daarna nog één of twee keer gebeld en [verdachte] zei dat hij een persoon kende, dat bleek [medeverdachte 1] te zijn, en ik besprak met [verdachte] om een afspraak te regelen tussen [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] om verder zaken te doen.

V: Wat vertelde [verdachte] nog meer over [medeverdachte 1] ?

A: [medeverdachte 1] kon mogelijk wat betekenen voor [medeverdachte 6] . We hebben toen een keer in een ochtend afgesproken dat [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] elkaar zouden ontmoeten bij de benzinepomp in Amsterdam en daar ben ik toen aangehouden.

V: Zou dat de eerste ontmoeting geweest zijn tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] ?

A: Ja, ze hadden elkaar nog niet gezien en/of gesproken.

V: Kent [verdachte] [medeverdachte 6] ook?

A: Toen nog niet.

(…)

V: U bent vanuit Den Haag met [medeverdachte 1] naar Amsterdam gereden.

A: Dat klopt. (…)

(…)

V: Wanneer wist u dat er ook Bulgaren in Amsterdam zouden komen?

A: Dat wist ik niet. Ik kwam daar pas achter toen we al bij het benzinestation in Amsterdam stonden en [medeverdachte 1] aan mij vroeg waar wij stonden en zei dat er nog andere mensen bij kwamen. (…) [medeverdachte 1] zei dat dat vrienden van hem waren.

(…)

V: Maar als contactpersoon moet u toch hebben geweten wat de prijs zou zijn van de valse bankbiljetten?

A: Ja, dat klopt, er zou dertig of vijfendertig procent betaald worden per biljet.

V: Wanneer wist u die percentages?

A: Dat wist ik een dag ervoor volgens mij.

V: Hoe is dat bij u bekend geworden?

A: Dat ging via [medeverdachte 6] en ik heb [verdachte] gebeld, die op zijn beurt weer [medeverdachte 1] belde.

V: Wie heeft er dan onderhandeld over de percentages?

A: Ik niet, ik heb [verdachte] gebeld om te vragen wat de percentages waren. [verdachte] zou weer aan iemand anders gaan vragen hoeveel het was en volgens mij heeft [verdachte] toen een percentage bedongen van vijfendertig procent voor een vals biljet van honderd of vijfhonderd euro.

V: Om welke coupures ging het nu?

A: Vijfhonderd euro.

V: En wat wordt er dan bedoeld met een percentage?

A: Het percentage van de werkelijke vertegenwoordigende waarde van een biljet van vijfhonderd euro.

V: Op het moment dat u met [medeverdachte 1] naar Amsterdam onderweg was, wist u dat er een levering zou gaan plaatsvinden van valse euro-bankbiljetten?

A: Ja (…).

V: Waarom heeft [verdachte] de onderhandelingen gevoerd en niet uzelf?

A: Dat weet ik niet, [verdachte] kende [medeverdachte 1] en ik niet.

(…)

V: Maar [verdachte] was niet de koper noch de verkoper en [verdachte] beslist dan de percentages. Hoe kan dat dan?
A: [medeverdachte 1] was volgens mij de verkoper of in ieder geval de onderhandelaar van de verkoper.

(…)

V: Wat zou u eraan verdienen?

A: Ik zou een percentage van [medeverdachte 6] ontvangen. (…)

(…)

V: Toen u bij het benzinestation in Amsterdam stond, wachtte u op [medeverdachte 6] . U heeft toen diverse malen telefonisch contact gehad met [medeverdachte 6] , per GSM, maar ook met de vaste lijn in het benzinestation. Waar sprak u toen over met [medeverdachte 6] ?

A: [medeverdachte 6] was onderweg en zei dat hij zou komen in een zwarte bus en hij kwam eraan.

V: Werd er tussen u en [medeverdachte 6] gesproken over geld?

A: Ja, [medeverdachte 6] zou voor tachtigduizend euro aan valse bankbiljetten kopen voor vijfendertig procent van de nominale waarde, maar dit was natuurlijk ook al eerder besproken.

[medeverdachte 1] had het er met mij over dat er negenvijftigduizend euro vals geld was en niet tachtigduizend.

(…)

Achter mij zat [medeverdachte 1] , naast [medeverdachte 1] zat een bol figuurtje en naast mij zat een Bulgaar.

(…)

V: Werd er gesproken over vals geld?

A: Eén van de twee mannen die u mij zojuist toonde op de foto zei dat de rest van de tachtigduizend euro aan valse bankbiljetten ergens anders lag en dat ze nu maar negenvijftigduizend euro aan valse bankbiljetten hadden en dat ze binnen anderhalf uur de rest (dus het valse geld tot het totale bedrag van tachtigduizend euro) konden aanvullen. Volgens mij zei de bolle man achterin naast [medeverdachte 1] dat. Ik zei toen ook dat de dat maar met [medeverdachte 6] moesten overleggen.

(…)

V: Hoorden de twee getoonde mannen bij elkaar en kenden ze elkaar?

A: Ze stapten samen uit de dezelfde auto, een donkerblauwe Mercedes-Benz, samen met nog een man.

(…)

V: Voordat de partij vals geld overgedragen zou worden, moet er een proefbiljet getoond zijn. Kunt u hierover verklaren?

A: Ik heb er eentje aan [medeverdachte 6] gegeven. Ik denk ongeveer twee weken vóór mijn aanhouding. Ik kreeg dat biljet van [verdachte] en dat heb ik toen aan [medeverdachte 6] gegeven.

(…) Toen ik te horen kreeg van [verdachte] dat er valse bankbiljetten geleverd konden worden, heb ik dat doorgegeven aan [medeverdachte 6] en [medeverdachte 6] wilde toen een monster. [verdachte] heeft toen, na een telefonische afspraak, een monster, een vals bankbiljet, geleverd in de buurt van Den Haag, bij een tankstation. Dit biljet betrof een vals biljet van vijfhonderd euro. (…) Ik heb bij dezelfde benzinepomp waar ik ben aangehouden ook het monster overhandigd aan [medeverdachte 6] .

(…)

V: Wat zei [medeverdachte 6] van het monster?

A: (…) Een paar dagen later belde [medeverdachte 6] dat hij geleverd wilde hebben, dat het monster goed was, dat hij wilde weten hoeveel ze konden leveren en ik heb toen [verdachte] weer benaderd met deze vragen.

(…)

V: Hoeveel kon [verdachte] leveren, toen [medeverdachte 6] geïnteresseerd was?

A: [verdachte] zei dat er tachtigduizend geleverd kon worden. Later bleek dat dus maar negenenvijftigduizend te zijn. Dat was dus wat ze op dat moment konden leveren.

V: Is er tegen u verteld waar de valse biljetten vandaan kwamen?

A: Nee, ik vermoedde wel dat ze uit Bulgarije kwamen, want het waren allemaal Bulgaren.

Noot verbalisanten: de verdachte wordt een foto getoond waarop staat afgebeeld [medeverdachte 1] [het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ].

A: Dat is de man die ik ken als [medeverdachte 1] .

V: U heeft eerder verklaard dat [medeverdachte 1] u nogal wat heeft verteld. [medeverdachte 1] zou gezegd hebben tegen u dat [medeverdachte 1] eerder al valse bankbiljetten had verhandeld, klopt dat?

A: Ja, hij zei dat tegen mij.

(…)

V: U heeft ook verklaard dat [medeverdachte 1] tegen u gesproken zou hebben over valse bankbiljetten van vijftig en tweehonderd euro, klopt dat?

A: Ja, hij dat ook leveren, maar dat waren zijn woorden. Dat zei hij allemaal onderweg van Den Haag naar Amsterdam. [medeverdachte 1] vertelde mij ook dat de partij te leveren biljetten, van in totaal tachtigduizend euro aan valse bankbiljetten, op 8 april 2005 het overgebleven deel was van een grotere partij valse euro bankbiljetten.

9. De verklaring van [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum] , afgelegd tegenover de rechter-commissaris in de rechtbank 's-Gravenhage op 9 januari 2006:

(…)

2. Het klopt dat ik op 8 april 2005 in Amsterdam bij een Shell benzinestation ben

aangehouden. Ik was daar vanwege een afspraak die ik met [medeverdachte 6] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [medeverdachte 6] ] had gemaakt om hem met [medeverdachte 1] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [medeverdachte 1] ] in contact te brengen. (…) [medeverdachte 6] had mij dit twee dagen voor mijn aanhouding aan mij gevraagd.

3. (…) [medeverdachte 6] belde mij in de maand of anderhalve maand voor mijn aanhouding continu op, nadat hij aan mij gevraagd had of ik wist of iemand hem vals geld kon leveren. Ik weet niet waarom [medeverdachte 6] bij mij terechtkwam met die vraag. Daarna bleef hij mij continu telefonisch lastig vallen met de vraag of ik al wat meer wist. Ik heb hem via [verdachte] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [verdachte] ] in contact gebracht met [medeverdachte 1] . Op uw vraag hoe dat contact met [verdachte] tot stand kwam, zeg ik u het volgende. Ik herinner me dat ik onderweg was met [verdachte] naar België toen [medeverdachte 6] mij wederom belde. Dit was ongeveer één maand voor mijn aanhouding. [verdachte] vroeg aan mij waarom [medeverdachte 6] continu met mij belde, waarna ik hem dit uitlegde en [verdachte] zei dat ook hij zou informeren. Dit deed hij niet op een vraag van mij, maar geheel uit zichzelf. Na een week of anderhalf werd duidelijk dat [medeverdachte 1] in die business zat. Dat werd mij zo verteld door [verdachte] . Hiervan heb ik [medeverdachte 6] op de hoogte gebracht.

4. Ik herinner me dat [medeverdachte 6] een proefmonster wilde hebben van het valse geld. Daarop heb ik [verdachte] gebeld met deze mededeling, waarna [verdachte] mij vertelde dat anderen een proefmonster konden leveren. [medeverdachte 1] kende ik nog niet in die tijd. Ik kreeg het proefmonster van [verdachte] in een enveloppe en heb dit aan [medeverdachte 6] overhandigd. Dit was zo'n twee à twee en een halve week voordat ik werd opgepakt. [medeverdachte 6] nam het proefmonster in ontvangst, nam dit mee en zei tegen mij dat hij dat aan zijn opdrachtgevers zou laten zien. Dit speelde zich af bij hetzelfde tankstation als waar wij zijn aangehouden. Vervolgens heb ik één week niets van [medeverdachte 6] gehoord. Daarna vroeg hij mij of ze konden leveren en hoeveel zij konden leveren. Nadat ik dit had gevraagd aan [verdachte] , die dat op zijn beurt aan de anderen zou vragen, belde [verdachte] mij terug met de mededeling dat zij 70 à 80.000 euro konden leveren.

5. Op 8 april 2005 heb ik [medeverdachte 1] opgehaald. Tegen [medeverdachte 6] heb ik gezegd dat hij direct contact moest opnemen met [medeverdachte 1] . De details rond de levering zouden door [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] worden besproken. Ik was daar niet bij. [verdachte] is daar verder ook buiten gebleven.

6. U vraagt me naar mijn eigen rol in deze zaak. Ik was bemiddelaar, heb personen bij elkaar gebracht en heb geïnformeerd naar iemand die vals geld zou kunnen leveren. Het was de bedoeling van [medeverdachte 6] dat ik daarvoor 1.000 of 2.000 euro zou ontvangen, hetgeen ik niet heb gekregen. De rol van [verdachte] was eveneens die van bemiddelaar. Of hij betaald kreeg, weet ik niet. De rol van [medeverdachte 1] kan ik moeilijk beoordelen. Ik weet alleen van hem dat hij contact had met anderen in deze zaak, meer weet ik niet van hem.

(…)

10. Een bundel in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, met op het voorblad de vermelding 'Proces-verbaal van relaas onderzoek Binchois', met gedeeltelijk doorlopende paginanummering, waaronder een proces-verbaal van politie, Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, zonder proces-verbaalnummer, gedateerd 9 april 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] en [verbalisant] , opsporingsambtenaren bij het Korps Landelijke Politiediensten, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als verklaring van [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] , tegenover de verbalisanten voornoemd:

Van de personen, die gisteren aangehouden zijn, kan ik zeggen dat ik weet dat zij zich bezig houden met illegale dingen. Zij zouden zich bezig houden met verkoop van valse euro's. Ik heb deze personen leren kennen, via een Turkse vriend, genaamd [verdachte] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [verdachte] ].

(…)

Op een dag (…) vertelde [ [verdachte] ] mij toen dat hij op iemand aan het wachten was, maar dat die persoon niet kwam opdagen. [verdachte] heeft toen opgebeld naar iemand anders. Toen ik hem zag bellen, vroeg ik hem wat er aan de hand was. [verdachte] antwoordde dat iemand naar hem valse papieren zou komen brengen. Dit zou vals geld zijn. [verdachte] vertelde dat dit mensen waren die uit Bulgarije afkomstig waren en vroeg mij of ik die personen niet kende. Ik kende wel wat Bulgaren en [verdachte] vroeg mij of ik hen kon gaan bellen, zodat zij wat vals geld konden leveren. Ik kende vanuit de bouw iemand, die contacten had in die wereld. De vriend uit de bouw heet [vriend medeverdachte 4] . Deze was er gisteren niet bij. [vriend medeverdachte 4] heeft kennissen die in vals geld handelen en dat zijn de personen met wie ik gisteren ben aangehouden. Dit alles was een dag voor mijn aanhouding gisteren in Amsterdam. Via [vriend medeverdachte 4] kreeg ik een telefoonnummer en een naam [medeverdachte 3] . Deze [medeverdachte 3] kende ik al vanuit Bulgarije. Ik heb vervolgens, in het bijzijn van [verdachte] telefonisch contact gemaakt met deze [medeverdachte 3] . Ik zei tegen [medeverdachte 3] dat ik wist dat hij vals geld had en vroeg hem hoe dit in zijn werk ging. [medeverdachte 3] vertelde dat hij valse euro's had en die zou verkopen voor 35% van de werkelijke waarde. [medeverdachte 3] zei dat hij zoveel kon regelen zoveel als wij wilden hebben.

[verdachte] zei toen tegen mij of het mogelijk was dat wij dit geld eerst zouden kunnen zien. (…) [verdachte] zei dat ik hier geld voor krijgen. Via [medeverdachte 3] kregen wij vervolgens een adres door. Dit was het adres van een bar in Den Haag.

[medeverdachte 3] had gezegd dat zij in de bar zaten en wij (ik en [verdachte] ) moesten hem weer bellen als wij daar in de buurt waren. Toen wij daar in de buurt waren, met de auto [van] [verdachte] , een zwarte Mercedes met Nederlands kenteken, belde ik [medeverdachte 3] weer op. (…) Nadat ik [medeverdachte 3] belde, bleek dat ik geen gehoor kreeg. Ik ben toen alleen de bar ingelopen. [verdachte] bleef in de auto wachten. (…) Ik heb toen [medeverdachte 3] aangesproken en vertelde hem dat de man ( [verdachte] ) buiten wachtte. [medeverdachte 3] vroeg waar de auto stond van [verdachte] . Ik antwoordde hem waar hij stond. [medeverdachte 3] stuurde mij vervolgens weg en zei dat een van zijn vrienden zo naar ons toe zou komen, bij de auto van [verdachte] . Vervolgens liep er op aanwijzing van [medeverdachte 3] een andere man met mij mee naar de auto van [verdachte] . De persoon die met mij meeliep werd [medeverdachte 2] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [medeverdachte 2] ] genoemd en is gisteren

ook door de politie aangehouden. [medeverdachte 2] liep naar zijn eigen auto, want daar zouden de papieren in zitten. Met papieren bedoelde hij het valse geld. Ikzelf liep naar [verdachte] en stapte in zijn auto en vertelde hem dat hij ( [medeverdachte 2] ) het valse geld zo kwam brengen. Toen [medeverdachte 2] vervolgens bij de auto van [verdachte] kwam, had hij een wegenkaart bij zich en vanuit deze wegenkaart haalde hij 1 biljet van 500 euro en liet dit zien. (…) [verdachte] heeft het bekeken en vroeg aan [medeverdachte 2] of hij dit biljet mocht hebben. Dit mocht niet. (…) [verdachte] vroeg aan [medeverdachte 2] hoeveel geld zij hadden. [medeverdachte 2] antwoordde dat zij zoveel konden regelen als [verdachte] wilde. [verdachte] vroeg hem nog of al dit geld er hetzelfde uitzag. [verdachte] vond dit biljet dat hem getoond werd er erg goed uitzien. Vervolgens kreeg ik dit biljet in handen en ik vond het er ook als echt uitzien. Ik wist hoe een echt biljet van 500 euro eruit zag. [verdachte] gaf [medeverdachte 2] aan dat hij hem zou bellen om later af te spreken. Ik had het nummer van [medeverdachte 3] . Wij spraken af dat er voor dit valse geld 35% van de totale waarde zou worden betaald. Als wij veel zouden afnemen zou de prijs naar beneden kunnen gaan. De onderhandelingen waren nog niet afgerond.

[verdachte] deelde mij mede dat hij mij nodig had, omdat hij geen Bulgaars verstond en ik wel. (…) [verdachte] heeft nog gebeld met mijn toestel naar [medeverdachte 3] om nog te proberen de prijs naar beneden te krijgen. [medeverdachte 3] had mij al aangegeven dat hij de prijs tot 32% kon verlagen, maar [verdachte] wilde de prijs nog wat naar beneden hebben (…).

(…)

De volgende dag, de dag van mijn aanhouding, belde [verdachte] mij om een uur of elf in de ochtend. [verdachte] zei dat hij zelf niet kon deze dag, maar de man met wie hij telefonisch contact had (waarschijnlijk die om het monster gevraagd had) zou contact met mij opnemen. Ik sprak met [verdachte] af dat ik deze man zou ontmoeten in restaurant [naam] in Den Haag, op [adres] . De man was al in Den Haag. [verdachte] zou zelf later komen en omschreef de man, die ik zou moeten ontmoeten. Het zou een man met bril zijn, donker getint. Toen ik in het restaurant kwam zag ik een man die aan deze omschrijving voldeed en vroeg hem of hij de vriend van [verdachte] was. Deze man bevestigde dit. Ik weet niet meer welke naam deze man had. Deze man is gisteren ook aangehouden.

De NN-man vroeg mij of ik de mensen kende die het valse geld leverden. Ik antwoordde dat ik ze wel kende, maar niet echt goed. [verdachte] had hen ook gezien, gaf ik hierbij aan.

De NN-man, met bril, vroeg mij hoeveel geld zij konden leveren. Ik antwoordde dat [verdachte] had besproken dat [ze] 80.000 valse euro in voorraad hadden. Dit bedrag moest eerst verkocht worden en later zou dan meer besteld kunnen worden. Toen wij daar aan tafel zaten heeft de NN-man met bril nog met [verdachte] gebeld. [De] NN-man met bril gaf [verdachte] [aan] dat hij nu die mensen zou benaderen en indien akkoord zouden zij richting Amsterdam [gaan]. De afnemer van het geld zou in Amsterdam zitten. Met deze afnemer had de man met bril contact. De man met bril heeft mij gevraagd of ik [medeverdachte 3] en de anderen wilde bellen om af te spreken in Amsterdam. Ik heb toen [medeverdachte 3] gebeld en hem gevraagd of zij naar Amsterdam konden komen. [medeverdachte 3] vroeg mij garantie of het allemaal wel goed zat. (…)

[verdachte] belde mij toen (…). [verdachte] legde uit dat hij op dat moment in Utrecht zat. (…)

Ik ben vervolgens met de man met bril, in zijn auto, een oud model Opel Vectra, naar Amsterdam gereden. (…) De afnemer zou met een zwarte Mercedes Vito komen. Ze spraken af bij een benzinestation in Amsterdam. Toen ik en de man met bril bij dit benzinestation aankwamen, hebben wij koffie gedronken daar. (…) [In] de telefooncel in [het] tankstation (…) heeft de man met bril weer gebeld met zijn afnemers, die in een Vito zouden komen en gaf door dat wij er al waren. Door [de] man met bril werd mij aangegeven dat de afnemers zouden komen. Ik en [de] man met bril zijn in de auto gaan zitten bij het tankstation waar wij later ook zijn aangehouden. Hier kwamen vervolgens [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en nog een andere persoon in een Mercedes met Bulgaars kenteken. Wij zijn met zijn allen het tankstation in geweest en (…) [medeverdachte 3] [vroeg] nog waar die andere man was. Hierbij doelde hij op de afnemer in de Vito. Ik vertelde dat die onderweg hier naartoe was. Dit werd ook nog bevestigd door [de] man met bril.

Nadat wij koffie hadden gedronken was de man met [de] Vito er nog steeds niet. De Mercedes met Bulgaars kenteken was van [medeverdachte 2] . Dit vertelde hij mij. Wij hebben daar lang staan praten. (…)

De man met bril is nog even naar binnen geweest om te bellen. De man met bril vroeg ons nog even vijf minuten te wachten want die ander zou er met vijf minuten aankomen. Deze persoon is echter nooit gekomen. Er werd vervolgens voorgesteld om niet bij het benzinestation te blijven wachten maar daar ergens achter bij boten en zo. [medeverdachte 2] was achtergebleven bij de Mercedes met Bulgaars kenteken bij het benzinestation. De anderen waren in de Vectra van de man met bril gestapt en wij waren net aan het rijden, toen wij werden aangehouden. (…)

Ik had wel gevraagd aan [medeverdachte 3] of hij het geld had meegebracht. Dit werd bevestigd door [medeverdachte 3] die aangaf in plaats van 80.000 echter maar 52.000 euro of 58.000 valse euro['s] te hebben. [medeverdachte 3] had de man met bril aangegeven die alvast in ontvangst te nemen. De rest zou later komen.

11. Een bundel in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, met op het voorblad de vermelding 'Proces-verbaal van relaas onderzoek Binchois', met gedeeltelijk doorlopende paginanummering, waaronder een proces-verbaal van verhoor van de Nationale Recherche, Korps Landelijke Politiediensten, Vestiging Amsterdam, zonder proces-verbaalnummer, gedateerd 10 april 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door [observant 7] en [verbalisant] , brigadier en hoofdagent van politie, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als verklaring van [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] , tegenover de verbalisanten voornoemd:

De mensen die mij niet goed kennen noemen mij ook wel [medeverdachte 1] in plaats van [medeverdachte 1] .

12. De verklaring van [medeverdachte 6] , geboren op [geboortedatum] , afgelegd tegenover de rechter-commissaris in de rechtbank 's-Gravenhage op 10 januari 2006:

(…)

3. Ik hoor u zeggen dat er op 8 april 2005 vals geld is aangetroffen in een auto in Amsterdam en u vraagt naar mijn betrokkenheid met betrekking tot dat geld. Ik herinner mij dat ik [medeverdachte 4] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [medeverdachte 4] ] zo'n drie à vier maanden voor zijn aanhouding heb gevraagd: 'Hoor je wel eens wat van vals geld, kom je dat wel eens tegen en zou je daar naar kunnen hengelen, een visje uitgooien en dit boven tafel kunnen krijgen'.

(…)

4. Vervolgens kreeg ik van [medeverdachte 4] een vals 500 euro-biljet te zien. Dit was een paar dagen vóór 8 april 2005. Het biljet was van een goede kwaliteit: het hologram stond er goed in verwerkt. Alleen na verkreukelen van het papier, bleek dit een slechte kwaliteit te hebben. (…)

Nadat ik dat biljet had gezien, heb ik meteen mijn CIE-runner, genaamd [codenaam runner] , gebeld en hem van mijn bevindingen op de hoogte gebracht. Dit was mijn eerste contact met hem in deze zaak.

(…)

5. In deze zaak heb ik uitsluitend telefonisch contact gehad met de CIE in de persoon van [codenaam runner] . Ook op 8 april 2005 is er nog telefonisch contact geweest. Dit was 's morgens. [codenaam runner] was er van op de hoogte dat er geen sprake was van een koper van het valse geld in deze zaak. Er waren dus geen echte klanten voor deze partij 500 eurobiljetten. De mensen in een Vito busje waarover ik als koper heb gesproken heb ik gewoon verzonnen. (…)

10. Ik ben op 8 april 2005 niet aanwezig geweest bij de aanhouding in Amsterdam. [codenaam runner]

heeft tegen mij gezegd dat ik thuis moest blijven.

13. Een bundel in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, met op het voorblad de vermelding 'Proces-verbaal van relaas onderzoek Binchois', met gedeeltelijk doorlopende paginanummering, waaronder een proces-verbaal van verhoor van politie, Dienst Nationale Recherche, Randstad Noord, Eenheid Amsterdam, Team 1, zonder proces-verbaalnummer, gedateerd 10 april 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] en [observant 8] , beiden dienstdoende bij genoemd onderdeel van de politie, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als verklaring van verdachte [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] , tegenover de verbalisanten voornoemd:

V = vraag verbalisanten.

A = antwoord verdachte [medeverdachte 2] .

V: Kunt u in eigen woorden vertellen wat er vrijdag jongstleden [het hof begrijpt: 8 april 2005] gebeurd is?

A: Ik heb in Sliedrecht bij een Turks koffiehuis twee landgenoten opgepikt, dat zijn

de mannen die gelijk met mij zijn aangehouden. Zij heten [medeverdachte 5] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [medeverdachte 5] ] en [medeverdachte 3] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [medeverdachte 3] ]. [medeverdachte 5] belde me op en vroeg me hen naar Amsterdam te brengen. (…) Ik wist (…) dat ze een afspraak met iemand hadden.

V: Hoe wist u waar u zijn moest in Amsterdam?

A: [medeverdachte 3] had telefonisch contact met een man genaamd [medeverdachte 1] en die wist waar we heen moesten. [medeverdachte 3] gaf aan mij de aanwijzingen door en we kwamen uit bij een Shell-benzinestation in Amsterdam.

14. Een bundel in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, met op het voorblad de vermelding 'Proces-verbaal van relaas onderzoek Binchois', met gedeeltelijk doorlopende paginanummering, waaronder een proces-verbaal van verhoor van politie, Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, zonder proces-verbaalnummer, gedateerd 9 april 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] en [verbalisant] , opsporingsambtenaren, werkzaam bij het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als verklaring van verdachte [medeverdachte 5] , geboren op [geboortedatum] , tegenover de verbalisanten voornoemd:

Ik zal u vertellen wat er gisteren [het hof begrijpt: 8 april 2005] is gebeurd. Een vriend genaamd [medeverdachte 1] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [medeverdachte 1] ] had gebeld met [medeverdachte 3] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [medeverdachte 3] ]. [medeverdachte 3] vertelde mij dit en zei dat wij met [medeverdachte 1] gingen praten. (…) Ik kende [medeverdachte 3] vanuit Bulgarije. Ook [medeverdachte 1] kende ik al vanuit Bulgarije. Ik heb sinds ongeveer twee weken contact met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] had kennelijk afgesproken met [medeverdachte 1] bij een tankstation in Amsterdam. Ik ben samen met [medeverdachte 3] en nog een andere persoon, genaamd [medeverdachte 2] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [medeverdachte 2] , in de auto van [medeverdachte 2] naar Amsterdam gereden. (…) Onderweg belde [medeverdachte 3] kennelijk met [medeverdachte 1] en kreeg aanwijzingen waar wij in Amsterdam naartoe moesten komen.

Toen wij bij het benzinestation in Amsterdam aankwamen, zag ik daar [medeverdachte 1] staan, die samen was met een Turk, die ik niet van naam ken. Deze Turk betrof een man met snor, lang haar, maar korter dan [medeverdachte 1] . Volgens mij had die Turk een bril op (…).

15. Een schriftelijk bescheid, zijnde een proces-verbaal van een tapgesprek tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] d.d. 7 april 2005 om 18.33 uur, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt:

Het hof begrijp dat met 'G' [medeverdachte 3] is bedoeld, met 'B' [medeverdachte 1] en met 'Y' [verdachte] .

G: wat is er joh broer.

B: kijk, luister even, praat met die vriend, hij zegt dat het niet voor minder dan tweeëndertig procent kan... Hier, praat zelf maar met hem.

G: wat zegt ie?!

( [medeverdachte 3] krijgt vervolgens een NN-man aan de lijn, het gesprek gaat verder tussen [medeverdachte 3] en de NN-man, waarvan halverwege het gesprek zal blijken dat deze [verdachte] heet).

Y: hallo, gegroet broer.

G: gegroet broer.

Y: herinner je mij nog, ik kwam vorige maand langs, weet je nog?

G: jij hebt mij niet gezien, ik ben een ander, jij hebt een vriend gezien.

Y: ah, in orde.

G: zeg het maar, zeg het maar, ik luister.

Y: kijk broer, het zit zo.

G: zeg het maar broer.

Y: ik heb laatst gesproken en heb nog van die vriend een monster meegenomen en zijn geld gegeven…

G: ja.

Y: ik ben, euh, in de regio's Den Haag en Rotterdam een bekende en respectabele persoon... Ik zal me niet zo snel werpen in kleine of pietluttige dinges, begrijp je?

G: natuurlijk, natuurlijk.

Y: we waren laatst gekomen .. ik heb gedingest, ze belden en zeiden 'we hebben vijftigjes en honderdjes nodig ... tweeëneenhalf miljoen'.

G: ja.

Y: ik zei toen 'vriend, ik hou niet van grappen en grollen' en zei dat die mannen momenteel zeventig, tachtig duizend euro in handen hadden, dat deze mannen stumperds waren die het telkens uit het buitenland haalden... Ik zei dat deze mannen eerst geld moesten hebben om die vijftigjes en honderdjes te regelen en te leveren.

G: ja ja, precies, precies.

Y: ze zeiden toen 'laten we dan vijfentwintig duizend afnemen' waarop ik zei 'nee, vriend, als jullie vijfentwintig willen afnemen... Het is graag of niet, maar als jullie het willen afnemen, is het zeventig, en anders is het ajuus'.

G: dat heb ik niet begrepen, hoe?

Y: ik zei... Ze zeiden tegen mij 'laten we dan die vijfentwintigduizend afnemen, datgene wat-ie in handen heeft, en als ie dan wat geld in handen heeft, kan er voor ons volgende week tweeëneenhalf miljoen'... waarop ik zei 'geen vijfentwintig, deze mannen hebben tachtigduizend in handen, en

het is graag of niet, maar als jullie het willen, nemen jullie tachtigduizend af, en anders niks' zei ik, in duidelijke taal, waarop ze zeiden 'ok, [verdachte] , je bent boos geworden, laten we het maar afnemen' begrijp je?

G: ja.

Y: maar ik heb ze vanaf het begin... Ik zweer het je, ik heb hier geen dinges... Ik heb het gedingest omwille van de vriendschap met een vriend die het zei... Ik zei tegen ze dat als er veel zou worden afgenomen, dertig procent... Ik heb zelfs gedacht aan vijfentwintig, maar toen jullie zus en zo zeiden heb ik het zo gedaan.

G: ja.

Y: kijk, we doen zaken, we zullen handelaren zijn.

G: ja.

Y: volgende week is er tweeëneenhalf miljoen, da's geen grap, en om te laten zien dat het geen grap is, doen we dit morgen...

G: ja.

Y: je moet die twee eraf halen.

G: ja.

Y: echt waar, we doen zaken, we dingessen en zullen hier heel tevreden over zijn, vandaag of morgen zullen wij weer iets hebben waar jullie iets aan hebben...

G: zeker zeker.

(…)

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdediging heeft aan haar verweer als hierboven weergegeven onder het kopje 'Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging' subsidiair de conclusie verbonden dat dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Bewijsuitsluiting als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg kan uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim als in dat artikel bedoeld is verkregen.

Zoals het hof hiervoor onder het kopje 'Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging' heeft overwogen, is in deze zaak geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Reeds hierom dient het verweer te worden verworpen.

Op grond van de gebruikte bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met anderen, waarbij de intellectuele en materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht was.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van: bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, zich verschaffen en in voorraad hebben.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het zich verschaffen en in voorraad hebben van een grote hoeveelheid valse bankbiljetten, voor een totaalbedrag van € 59.000,-, met de bedoeling om die biljetten als echt en onvervalst uit te geven. Het in omloop brengen van vals geld dupeert de onwetende ontvanger en brengt schade toe aan het vertrouwen in papiergeld en in het monetaire verkeer.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof mede rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel van de Justitiële Informatiedienst d.d. 15 maart 2019, niet eerder ter zake van soortgelijke feiten (onherroepelijk) is veroordeeld.

Het hof heeft zich ook rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak, de vraag of verdachte al dan niet preventief is gedetineerd en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 6 juli 2005, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft in deze zaken vonnis gewezen op 14 april 2006. Op 27 april 2006 heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Het gerechtshof 's-Gravenhage heeft op 25 juni 2007 arrest gewezen. Tegen dit arrest heeft de advocaat-generaal op 27 juni 2007 beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft op 18 maart 2014 arrest gewezen en heeft de zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 17 november 2015 arrest gewezen, tegen welk arrest de advocaat-generaal op 26 november 2015 beroep in cassatie heeft ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft op 6 december 2016 arrest gewezen en de zaak verwezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Dit hof wijst op 18 oktober 2019 arrest.

Het hof stelt vast dat het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn tijdens de eerste cassatieprocedure, tijdens de procedure bij dit hof en in de strafprocedure in zijn geheel in aanzienlijke mate is geschonden, welke overschrijding niet aan verdachte is te wijten. Daarnaast zijn er naar het oordeel van het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een dergelijke overschrijding rechtvaardigen.

Het hof vindt in de termijnoverschrijding aanleiding een lagere straf op te leggen dan het hof zonder deze verdragsschending zou hebben opgelegd. Zonder deze termijn zou het hof een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest hebben opgelegd. Vanwege de duur van de termijnoverschrijding, die aanzienlijk meer dan 1 jaar bedraagt, zal het hof die straf met 25% verminderen, zodat de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf 9 maanden bedraagt, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft op de hiervoor vermelde grond dat sprake zou zijn van schending van het Tallon-criterium, meer subsidiair de conclusie verbonden dat dit dient te leiden tot strafvermindering. Zoals het hof hiervoor onder het kopje 'Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging' al heeft overwogen, is van schending van het Tallon-criterium geen sprake, zodat strafvermindering op deze grond niet aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 47 en 209 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. J. Nederlof, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I. Kroes, griffier,

en op 18 oktober 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.