Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3920

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
20-001834-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is in hoger beroep ter zake van diefstal en overtreding van de Opiumwet veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001834-17

Uitspraak : 31 juli 2019

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 14 juni 2017 in de strafzaak met parketnummer 02-046011-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort weergegeven – diefstal in vereniging door middel van inklimming, meermalen gepleegd (feit 1), diefstal door middel van inklimming, meermalen gepleegd (feit 2) en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod (feit 3), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Door de verdediging is primair bepleit dat de verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 dient te worden vrijgesproken en ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust en, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, met aanvulling van de strafmotivering en de artikelen waarop de straf berust.

Het hof ziet in de door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerde gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, mede gelet op de ernst van het feit, geen aanleiding om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf op te leggen, zoals door de raadsman is verzocht. Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, in verband met een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, mede gelet op eerdere veroordelingen voor gelijksoortige feiten, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan vrijheidsbenemende straf, te weten een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt in onderhavige zaak heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld.

In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, in hoger beroep is geschonden. Namens de verdachte is immers op 14 juni 2017 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 31 juli 2019 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met circa anderhalve maand overschreden, terwijl dit niet aan de verdachte valt toe te rekenen.

Gelet evenwel op de geringe mate van de overschrijding van de redelijke termijn alsmede de voortvarende behandeling van de zaak in eerste aanleg, ziet het hof geen reden voor compensatie in de vorm van strafvermindering en zal het hof daarom volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden.

Artikelen waarop de straf berust

Het hof vult de door de politierechter aangehaalde artikelen aan met art. 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter,

mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C. Schenker, griffier,

en op 31 juli 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. E.E. van der Bijl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.