Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3912

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-10-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
20-000392-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:294, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In eerste aanleg is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden voor medeplegen van gewoontewitwassen van meerdere geldbedragen, waarmee onder meer de bouw van een (luxe) woning en garage, de aanschaf van inboedel, apparatuur, speelgoed en sieraden en reizen naar het buitenland zouden zijn betaald. In hoger beroep spreekt het hof de verdachte daarvan vrij.

Het hof is van oordeel dat in deze zaak niet is voldaan aan de eisen om te kunnen spreken van medeplegen. De enkele vaststelling dat de verdachte met zijn partner in de ten laste gelegde periode een economische eenheid (gezamenlijke huishouding) vormde, is daarvoor onvoldoende. De verdachte wordt ook vrijgesproken van het alleen plegen van (gewoonte)witwassen, omdat in het dossier in het midden blijft welke contante uitgaven door hem zelf zijn gedaan. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 420ter
Wetboek van Strafrecht 420bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000392-17

Uitspraak : 25 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 24 januari 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-879246-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen (kort gezegd van: A. geldbedragen waarmee het perceel en de bouw van en bouwwerkzaamheden aan een woning en garage aan de [adres] te 's-Hertogenbosch werden betaald, B. contante geldbedragen, C. (contante) geldbedragen waarmee voorwerpen zoals meubels, inboedel en huisraad, stoffering, apparatuur, kleding, schoeisel, speelgoed, een zwembad, quads en een kindermotor en een horloge van het merk Audemars Piguet werden betaald en D. (contante) geldbedragen waarmee reizen naar Spanje, Aruba en Oostenrijk werden betaald). De verdachte is daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

De rechtbank heeft de woning en de garage aan de [adres] te 's-Hertogenbosch , waarop geen beslag was gelegd, op grond van artikel 34 van het Wetboek van Strafrecht verbeurd verklaard. De rechtbank heeft daarnaast een motorfiets, quad, skelter, negen paar schoenen, een hoeveelheid kleding en een geldbedrag van € 409,00 verbeurd verklaard op grond van artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft van de overige in beslag genomen voorwerpen de teruggave aan de verdachte gelast.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, opnieuw rechtdoende het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de woning aan de [adres] te

's-Hertogenbosch op de voet van artikel 34 van het Wetboek van Strafrecht verbeurd zal verklaren.

Van de zijde van de verdachte is vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 1 november 2013, te 's-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwitwassen, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)(telkens)

A.

(van) een perceel en/of een woning en/of een garage (gelegen op/aan de [adres] te 's-Hertogenbosch ) en/of (van) een of meer geldbedragen waarmee dit perceel en/of (de bouw van en/of bouwwerkzaamheden aan) die woning en/of (de bouw van en/of bouwwerkzaamheden aan) die garage werd(en) betaald, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat perceel en/of die woning en/of die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of voorhanden had(den), en/of verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dit perceel en/of die woning en/of die garage en/of die/dat geldbedrag(en) – onmiddellijk en/of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig was/waren,

EN/OF

B.

een of meermalen (van) een (contant) geldbedrag(en) (tot een totaalbedrag van euro 144.876,14), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of voorhanden had(den), en/of verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en) – onmiddellijk en/of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig was/waren,

EN/OF

C.

(van) een of meer voorwerpen, te weten meubels en/of inboedel en/of huisraad en/of stoffering en/of audioapparatuur en/of televisieapparatuur en/of kleding en/of schoeisel en/of speelgoed en/of cosmetica en/of een zwembad en/of een of meer voertuigen (een of meer quads en/of een kindermotor) en/of een of meer horloges (van het merk Audemars Piguet en/of TW Steel en/of Festina en/of van een of meer andere merken) en/of een aantal sieraden (onder meer een schakelcollier) en/of (van) een of meer (contante) geldbedragen waarmee al deze voornoemde voorwerpen werd(en) betaald, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op al die voornoemde voorwerpen en/of op die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of voorhanden had(den), en/of verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/dat voorwerp(en) en/of die/dat geldbedrag(en) – onmiddellijk en/of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig was/waren,

EN/OF

D.

(van) een of meer reizen (naar Spanje en/of Parijs en/of Aruba en/of Oostenrijk en/of een of meer andere bestemmingen) en/of (van) een of meer (contante) geldbedragen waarmee deze reis/reizen werd(en) betaald, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of voorhanden had(den), en/of verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wisten, althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en) –onmiddellijk en/of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig was/waren.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

1.

Het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt, komt er – kort gezegd – op neer dat hij zich in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 1 november 2013 samen met zijn partner [naam partner] schuldig heeft gemaakt aan het (gewoonte)witwassen van

  1. een contant geldbedrag van in totaal € 144.876,14 (onder B. in de tenlastelegging) en

  2. geldbedragen waarmee de volgende goederen zijn betaald:

 een perceel grond met een woning en een garage aan de [adres] te 's-Hertogenbosch (onder A. in de tenlastelegging);

 inboedel, huisraad, kleding, schoeisel, speelgoed en sieraden (waaronder een horloge van het merk Audemars Piguet) (onder C. in de tenlastelegging) en

 reizen/vakanties (onder D. in de tenlastelegging).

2.

De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in de overwegingen van de rechtbank over de verschillende posten in de kasopstelling, behalve voor de post gestelde winsten in het casino. De rechtbank heeft de gemiddelde winst per bezoek op een bedrag van € 1.600,00 geschat, terwijl er geen onderbouwing is voor dit bedrag, anders dan de verklaring van de verdachte. Deze verklaring is ongeloofwaardig. De rechtbank heeft de winst van het casino in de kasopstelling opgeteld bij de legale inkomsten, maar er had juist een bedrag moeten worden geteld bij de uitgaven. Dit leidt ertoe dat aan de inkomstenkant een bedrag speelwinst casino ad € 165.000,00 dient te worden verwijderd. De inkomsten komen dan op € 34.510,00. Het verschil, dus het bedrag aan niet te verklaren uitgaven, komt dan op € 1.146.945,00. De verdachte heeft geen concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven over de herkomst van de voorwerpen (geldbedragen) in de tenlastelegging, zodat een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is.

3.

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De verdediging heeft aangevoerd dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, maar dat de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen (geldbedragen) niet van misdrijf afkomstig zijn. De verklaring van de verdachte houdt – kort samengevat – in dat:

- hij geen gemeenschappelijke huishouding had met [naam partner] en niet heeft bijgedragen aan de koop, bouw en inrichting van het huis aan de [adres] (onderdeel A. en C. van de tenlastelegging);

- hij inkomsten heeft gehad uit venten, dat hij in 2007 al spaargelden had en dat hij verschillende keren geld heeft gewonnen in het casino (onderdeel B. van de tenlastelegging);

- de reizen zijn betaald door familieleden (onderdeel D. van de tenlastelegging).

Het openbaar ministerie heeft nagelaten om naar aanleiding van deze verklaring nader onderzoek te doen, terwijl het door de verdediging in hoger beroep gedane onderzoek de verklaring van de verdachte verder heeft verankerd.

4.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a/b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.

Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat [het niet anders kan zijn dan dat] het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen (vgl. HR 18-12-2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, r.o. 2.3.1.-2.4. en HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1137).

5.

Het hof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.

Op 5 september 2013 is onder gezag van de officier van justitie een opsporingsonderzoek onder de naam ' [naam onderzoek] ' gestart, omdat er een verdenking was gerezen dat (een aantal) bewoners van het woonwagencentrum aan de [adres] te 's-Hertogenbosch , onder wie de verdachte, zich zouden bezighouden met de handel in verdovende middelen en dat alle bewoners illegale inkomsten zouden hebben.

Binnen het strafrechtelijk onderzoek is met betrekking tot de financiële aspecten een afzonderlijk onderzoek gedaan naar witwassen. In dat kader is financieel onderzoek gedaan naar de inkomensvermogenspositie van de verdachte en zijn partner [naam partner] en er is een kasopstelling gemaakt, waarin hun contante uitgaven en de legale contante inkomsten, voor zover die uit het onderzoek bekend zijn geworden, in kaart zijn gebracht over de onderzoeksperiode van 1 januari 2007 tot en met 1 november 2013 (pg. 138 en verder van het delictproces-verbaal witwassen onverklaarbaar vermogen van de politie eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, proces-verbaalnummer 21T213005-2899, met bijlagen). Tijdens het onderzoek is de verdenking gerezen dat de verdachte zich samen met zijn partner schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen, omdat zij gezien hun uitgavenpatroon meer geld hebben uitgegeven dan te verklaren valt, volgens de politie, uit bekende legale bronnen van inkomsten.

Op grond daarvan is sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

6.

Aan de opgemaakte kasopstelling en aan de overwegingen van de rechtbank ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de verdachte en [naam partner] (in de ten laste gelegde periode) een economische eenheid vormden en een gemeenschappelijke huishouding voerden. Dit wordt door de verdediging betwist.

Met de advocaat-generaal en de rechtbank is het hof van oordeel dat de feiten en omstandigheden die zijn genoemd op pagina 5 en 6 van het vonnis waarvan beroep, in onderlinge samenhang bezien, de conclusie rechtvaardigen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode met zijn partner [naam partner] en hun twee kinderen een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd en een economische eenheid heeft gevormd. De argumenten voor het tegendeel die de verdediging heeft aangevoerd, brengen het hof niet tot een ander oordeel.

De vaststelling dat er sprake is van een economische eenheid betekent dat in de eenvoudige kasopstelling alle legale ontvangsten, het begin- en eindsaldo en de uitgaven van de gehele economische eenheid (dus: van de verdachte en zijn partner) zijn betrokken. Een kasopstelling voor de economische eenheid als geheel is bedoeld om inzichtelijk te maken wat de daadwerkelijke omvang is geweest van de stroom van illegale inkomsten, waarbij de rapporteurs zoveel mogelijk proberen te voorkomen dat die inkomsten worden onderschat omdat de 'cash flow' van slechts één van de partners binnen de gemeenschappelijke huishouding in aanmerking wordt genomen, terwijl voornamelijk de andere partner de contante uitgaven voor zijn of haar rekening neemt.

7.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen door het omzetten van de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen, door het doen van contante uitgaven aan onder meer de bouw van en bouwwerkzaamheden aan een woning, een garage, aan allerlei voorwerpen en aan vakanties/reizen.

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof onvoldoende aanknopingspunten gekregen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking die voldoet aan de hiervoor genoemde eisen. Het is het hof meer bepaald onvoldoende duidelijk geworden of, en zo ja, welke de materiële en/of intellectuele bijdrage (van voldoende gewicht) van de verdachte is geweest aan de ten laste gelegde gedragingen ter zake van het strafbare feit (gewoonte)witwassen. Naar het oordeel van het hof is de vaststelling dat sprake is van een economische eenheid, te weten de gemeenschappelijke huishouding van de verdachte en [naam partner] , niet voldoende om tot strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond van medeplegen ter zake van het ten laste gelegde witwassen te komen.

8.

Het hof heeft zich de vraag gesteld of de verdachte als alleen-pleger van het hem ten laste gelegde kan worden aangemerkt.

In de overwegingen van de rechtbank zijn de door de partner van de verdachte gedane uitgaven mede betrokken. Echter, uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij de bewijsvoering niet in het midden mag worden gelaten in hoeverre de desbetreffende contante uitgaven door de verdachte zelf zijn gedaan (vgl. HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:743).

Onderdelen A en C van de tenlastelegging

Het hof stelt op basis van het voorhanden zijnde dossier vast dat de uitgaven met betrekking tot het perceel en de bouw van en bouwwerkzaamheden aan de woning en de garage aan de [adres] te 's-Hertogenbosch door [naam partner] zijn gedaan. Het hof wijst in dit verband op de akte van levering van de grond (bijlage 3 van het delictproces-verbaal witwassen woning van de politie eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, proces-verbaalnummer 21T213005-2661, met bijlagen), op de facturen van [naam aannemersbedrijf] en op de overzichten waaruit blijkt dat de op de facturen vermelde bedragen zijn betaald van de bankrekening op naam van [naam partner] (bijlage 6 van het delictproces-verbaal witwassen woning) en op de verklaringen die getuigen daarover hebben afgelegd.

Het hof heeft geen bewijs aangetroffen dat de verdachte uitgaven heeft gedaan aan de inrichting van de woning.

Onderdelen B en D van de tenlastelegging

De rechtbank heeft bij onderdeel B bewezen verklaard dat de verdachte als medepleger van gewoontewitwassen een geldbedrag van € 137.367,27 heeft overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt. Onder onderdeel D heeft de rechtbank bewezen verklaard dat de verdachte (contante) geldbedragen heeft witgewassen door daarmee reizen te betalen.

Het hof overweegt dat bij de contante stortingen (onderdeel B) niet duidelijk is geworden door wie ze zijn gedaan. Uit de eenvoudige kasopstelling volgt dat een groot deel van het bewezen verklaarde geldbedrag, te weten € 107.051,43, is gestort op een bankrekeningnummer en een creditcard op naam van [naam partner] . Voor een deel, in totaal € 7.769,37, is het bedrag opgebouwd uit stortingen op de bankrekeningen van de twee kinderen van de verdachte en [naam partner] en er is een bedrag van € 12.500,47 aan overige contante uitgaven. Daarnaast is in totaal een bedrag van € 10.045,00 gestort op twee bankrekeningen op naam van de verdachte, één in Nederland (contante stortingen op 22 juli 2008, 30 oktober 2008 en 23 maart 2009) en één in Duitsland (contante storting op 28 januari 2009).

Het hof overweegt dat op basis van het dossier ook niet duidelijk is geworden wie de reizen heeft betaald. De verdachte heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg, als ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de reizen zijn betaald door familieleden, zoals gebruikelijk is bij bewoners van het woonwagencentrum. Die verklaring wordt niet door de inhoud van het dossier weerlegd.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Gelet op het voorgaande heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Beslag

Van hetgeen in beslag is genomen en nog niet is teruggegeven, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

2. motorfiets, goednummer 590620, MUN.W04.G.1.3;

3. quad, goednummer 590616, MUN.W04.G.1.2;

4. motorfiets, goednummer 590609, MUN.W04.E.1;

5. skelter, goednummer, 590612, MUN.W04.G.1.1.;

7. partij hout, goednummer 649461, MUN.S02.1;

8. partij dakpannen, goednummer 649465, MUN S02.1

9. negen paar schoeisel, goednummer 590629, MUN.W04.Z.2.K.01;

10. 46 T-shirts, goednummer 590637, MUN.W04.Z.1.K.01.a;

11. kostuum Dolce & Gabbana, goednummer 590638, MUN.W04.Z.1.K.01.B;

12. kostuum Gucci, goednummer 590640, MUN.W04.Z.1.K.01.B;

13. drie broeken Gucci man, goednummer 590643, MUN.W04.Z.1.K.01.C;

14. overhemden Gucci man, goednummer 590645, MUN.W04.Z.1.K.01.C;

15. 23 T-shirts, goednummer 590647, MUN.W04,Z.1.K.02;

16. een bedrag van € 409,00, goednummer 590488;

17. een bedrag van € 3.000,00 (opbrengst verkoop koi karpers);

18. vorderingen Rabobank, rekeningnummer 112950698;

19. vorderingen Rabobank, rekeningnummer 121598039;

20. een bedrag van € 41.920,37, kenmerk IO13207 (KVI-257);

21. zonnebank Ergoline, goednummer 596535, MUN.B02.B.02;

22. zonnebank Excelle, goednummer 596523, MUN.B02.B.02;

23. zonnebank Excelle, goednummer 596524, MUN.B02.B.02;

24. zonnebank Excelle, goednummer 596529, MUN.B02.B.04;

25. zonnebank Excelle, goednummer 596530, MUN.B02.B.05;

26. zonnebank Ergoline, goednummer 596531, MUN.B02.B.06;

27. zonnebank Ergoline, goednummer 596531, MUN.B02.B.06;

28. zonnebank Ergoline, goednummer 596532, MUN.B02.B07;

29. zonnebank Ergoline, goednummer 596533, MUN.B02.B.08;

30. zonnebank, goednummer 596534;

31. agenda 2008, MUN.B8.B.1.2.01;

32. agenda 2009, MUN.B8,B.1.2.02;

33. afwijkingsformulier 3/09, MUN.B.8.B.1.3.01;

34. afwijkingsformulier 6/09, MUN.B8.B.1.3.02;

35. nota dorpels, MUN.B8.B.1.3.03;

36. diverse documenten, MUN.B8.B.2.2.01;

37. diverse documenten, MUN.B8.B.2.2.01;

38. ordner, MUN.B8.H2.3.01;

39. ordner, MUN.B8.H2.3.02;

40. harddisk, MUN.B8.BG.Comp001;

41. nota's pand 22, MUN.B8.BG.Comp01;

42. nota's pand 34, MUN.B8.BG.Comp02;

43. overzicht grootboekrekening 2012, MUN.B8.BG.Comp03;

44. overzicht relatiebestand debiteuren 2008, MUN.B8.BG.Comp04;

45. overzicht relatiebestand debiteuren 2009, MUN.B8.BG.Comp05;

46. overzicht relatiebestand debiteuren 2010, MUN.B8.BG.Comp06;

47. overzicht relatiebestand debiteuren 2011, MUN.B8.BG.Comp07;

48. overzicht relatiebestand debiteuren 2012, MUN.B8.BG.Comp08;

49. vaas, goednummer 592756.

Aldus gewezen door:

mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.F. Heirman, griffier,

en op 25 oktober 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Krieken is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

De griffier is buiten staat dit arrest te ondertekenen.