Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3891

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
200.262.530_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verlenging machtiging uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 24 oktober 2019

Zaaknummer : 200.262.530/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/345116 / JE RK 19-518

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.E.G. van Hout,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 15 mei 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 juli 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover de beschikking ziet op de verlenging van de uithuisplaatsing van de hierna nader te noemen [minderjarige] en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de GI om de machtiging uithuisplaatsing te verlengen alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 augustus 2019, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Hout;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2.3.1.

De raad is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Na de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de moeder, op verzoek van het hof, de beschikkingen van 25 mei 2018 en van 19 februari 2019 met een V-6 formulier aan het hof gezonden.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

3.2.

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] berust bij de moeder.

[minderjarige] staat sinds 25 mei 2018 onder toezicht van de GI.

3.3.

[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds augustus 2018 uit huis geplaatst in een crisispleeggezin. Op 15 februari 2019 is [minderjarige] overgeplaatst naar een ander crisispleeggezin.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 25 mei 2020 alsmede de aan de GI verleende machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 25 mei 2020.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing voor zover die betrekking heeft op de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter mondelinge behandeling, - kort samengevat – het volgende aan.

De uithuisplaatsing zou tot doel moeten hebben [minderjarige] bij de moeder terug te plaatsen, maar hier heeft de GI niet op ingezet. De GI stelt zich op het standpunt dat de aanvaardbare termijn waarbinnen [minderjarige] terug kan naar de moeder is verstreken. De GI slaat stappen over. Het gaat goed met de moeder, zij komt alle afspraken na, accepteert hulpverlening, heeft haar huishouden op orde. Er is geen grond voor een uithuisplaatsing.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat – het volgende aan.

De moeder heeft inderdaad aan alle hulpverlening meegewerkt. Ondanks de goede inzet van de moeder, is gebleken dat [minderjarige] meer nodig heeft dan de moeder haar kan bieden. [minderjarige] heeft een onveilige hechtingsrelatie ontwikkeld, waardoor zij veel structuur nodig heeft, veel aandacht vraagt en constant een beroep doet op haar opvoeder. De beschikbaarheid die dat van de opvoeder vraagt, kan de moeder niet bieden. De GI heeft een perspectief biedend pleeggezin gevonden, en heeft reeds een ingroei-proces gestart. De moeder heeft één keer in de week begeleide omgang met [minderjarige] . Als [minderjarige] haar plek heeft gevonden in het pleeggezin, zal worden ingezet op uitbreiding van de omgang met de moeder.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.3.

Het hof is van oordeel dat verlenging van de machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en overweegt daartoe het volgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] een forse hechtingsproblematiek heeft, die is veroorzaakt door alle gebeurtenissen in het verleden bij de moeder. Zij heeft daardoor meer dan gemiddeld veel aandacht, beschikbaarheid en structuur van haar opvoeder nodig. Het is duidelijk aan het gedrag van [minderjarige] te merken als zij deze speciale begeleiding wel krijgt. Zij wordt dan rustiger en heeft minder fysieke klachten. [minderjarige] laat nog veel probleemgedrag zien, zowel in het huidige pleeggezin alsook in het vakantie/weekend gezin waar [minderjarige] af en toe verblijft. Omgang tussen de moeder en [minderjarige] kan nog niet plaats vinden zonder begeleiding vanwege de problematische gehechtheid.

De moeder heeft positieve stappen gezet. Zo heeft zij momenteel de basis van haar leven (zoals een schoon huis en structuur in haar dagelijks leven) op orde en pakt zij haar eigen psychische problemen aan. Dat is echter, anders dan moeder meent, niet voldoende om [minderjarige] de voor haar benodigde speciale begeleiding te bieden die [minderjarige] in haar opvoeding nodig heeft.

Op dit moment zijn meerdere ontwikkelingen gaande: de GI is een traject gestart om [minderjarige] stapsgewijs naar een perspectief biedend gezin te laten verhuizen. Er is tevens een traject gestart met “NIKA” (Nederlandse Interventie Kortdurend op Atypisch Opvoedgedrag) ter voorkoming of vermindering van problematische gehechtheid; als dit traject is afgerond, kan de GI inzetten op uitbreiding van de nu nog deels begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige] .

Alle omstandigheden en belangen afwegend, is de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige] , ook qua duur, op goede gronden genomen.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 mei 2019 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, C.N.M. Antens en M.I. Peereboom-Van Drunick en is op 24 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.