Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3868

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
200.253.399_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:12110
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Opzegging van overeenkomst van geneeskundige behandeling door huisarts. Aanwezigheid van gewichtige redenen in de zin van artikel 7:460 BW. Vordering in kort geding tot herstel van de behandelingsovereenkomst. KNMG-richtlijn: “Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst”. Conversie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 460
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.253.399/01

arrest van 22 oktober 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. K. Kasem te Amsterdam-Duivendrecht,

tegen

1 [de maatschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [geintimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats] , Duitsland,

3. Huisartsenpraktijk [huisartsenpraktijk] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. [medical] Medical B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

hierna afzonderlijk aan te duiden als [de maatschap] , [geintimeerde 2] , [huisartsenpraktijk] en [medical] , en tezamen als [de maatschap c.s.] ,

advocaat: mr. A.H. Vermeulen te 's-Gravenhage,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 26 februari 2019 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/257392 en rolnummer KG ZA 18-629 gewezen vonnis in kort geding van 20 december 2018.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 26 februari 2019 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • -

    de door [appellante] ten behoeve van de comparitie van partijen ingezonden producties 9 tot en met 13;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 17 april 2019;

  • -

    de door [de maatschap c.s.] genomen memorie van antwoord met producties;

  • -

    het pleidooi van 1 oktober 2019, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij H-formulier van 16 september 2019 door [appellante] toegezonden productie 14, die [appellante] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht;

  • -

    de bij H-formulier van 17 september 2019 door [de maatschap c.s.] toegezonden productie 5 en de bij H-formulier van 30 september 2019 door [de maatschap c.s.] toegezonden producties 6a, 6b en 7, welke producties [de maatschap c.s.] bij het pleidooi bij akte in het geding hebben gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.1.

Het gaat in deze kortgedingprocedure om de vraag of de overeenkomst van geneeskundige behandeling die tussen [de maatschap] en [appellante] heeft bestaan en die door [de maatschap] per 21 december 2017 is opgezegd, hersteld moet worden.

Daarbij kan wat betreft de periode tot aan het wijzen van het bestreden vonnis van 20 december 2018 worden uitgegaan van de volgende feiten.

  • -

    [geintimeerde 2] houdt als huisarts via zijn eenmanszaak praktijk in [de maatschap] . [huisartsenpraktijk] en [medical] zijn eveneens als maten verbonden aan Huisartsenpraktijk [de maatschap] . [huisarts] (hierna: [huisarts] ) is tevens als huisarts in de praktijk werkzaam.

  • -

    Tussen [appellante] en [de maatschap] is omstreeks september 2016 een behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 BW tot stand gekomen.

  • -

    In de periode van 5 oktober 2016 tot 9 november 2017 hebben diverse contacten plaatsgevonden tussen enerzijds [geintimeerde 2] of [huisarts] en anderzijds [appellante] . [de maatschap c.s.] hebben een verslag van een aantal van die contacten overgelegd als bijlage bij productie 1 in eerste aanleg.

  • -

    Op 28 september 2017 heeft [appellante] tegen [geintimeerde 2] een klacht ingediend bij een geschilleninstantie voor huisartsenzorg.

  • -

    Bij brief van 28 november 2017 hebben [geintimeerde 2] en [huisarts] namens [de maatschap] aan [appellante] medegedeeld dat de behandelingsovereenkomst per 21 december 2017 wordt opgezegd.

  • -

    Op 23 januari 2018 heeft [appellante] tegen [geintimeerde 2] een klacht ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg te [vestigingsplaats] (hierna: het tuchtcollege). In deze klacht heeft [appellante] onder meer gesteld dat [geintimeerde 2] de behandelingsovereenkomst ten onrechte heeft opgezegd en dat [geintimeerde 2] ten onrechte niet heeft meegewerkt aan correctie van het medisch dossier van [appellante] .

  • -

    Op 23 mei 2018 heeft het tuchtcollege een beslissing genomen op de door [appellante] ingediende klacht. In deze beslissing heeft het tuchtcollege de opzegging van [geintimeerde 2] getoetst aan de KNMG-richtlijn: “Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelovereenkomst”. In de beslissing heeft het tuchtcollege onder meer het volgende overwogen:

‘Als een arts – zoals in dit geval verweerder – constateert dat de relatie met de patiënt – klaagster – moeizaam is, dat de patiënt haar eigen gang gaat (bijvoorbeeld met betrekking tot de medicatie en het zelf injecteren van pijnstilling) en de adviezen negeert, kan dat voor de arts aanleiding zijn aan te dringen op verandering. De afspraken die daartoe worden gemaakt moeten schriftelijk worden vastgelegd (en hiervan moet aantekening worden gemaakt in het dossier). De arts dient de patiënt – schriftelijk – te waarschuwen dat als het gedrag niet verandert of de plichten niet worden nageleefd, de behandelovereenkomst wordt beëindigd. Als de patiënt het gedrag niet verandert en de arts gaat tot opzegging over dan moet hij daarvoor een redelijke termijn in acht nemen.

Het college stelt vast dat van een herhaaldelijk aandringen of waarschuwen door verweerder niet is gebleken; er is vanuit het niets op 28 november 2017 opgezegd. Een opzegging waar klaagster zich niet op heeft kunnen instellen of voorbereiden en met een opzegtermijn van drie weken (28 november tot 21 november 2017) is een termijn die onder voornoemde omstandigheden niet redelijk te beschouwen is.

Nu verweerder niet aan de in richtlijn genoemde voorwaarden heeft voldaan is dit klachtonderdeel gegrond.’

De klacht over het niet aanpassen van het medisch dossier is door het tuchtcollege ongegrond verklaard.

- Bij brief van 6 juni 2018 heeft [geintimeerde 2] aan [appellante] onder meer het volgende meegedeeld:

‘Naar aanleiding van gesprekken met uw zorgverzekeraar CZ en het verzoek van CZ om nog een laatste keer uw herhaalmedicatie voor te schrijven, heb ik hier vorige week gehoor aan gegeven.

(…)

Na de brief waarin ik de behandelovereenkomst heb opgezegd, zijn inmiddels meer dan 6 maanden verstreken. U heeft dus meer dan en redelijke termijn gehad om naar een andere huisarts over te gaan. (…)

U heeft nu 3 maanden de tijd om zich aan te melden bij een nieuwe huisarts voordat een nieuw herhaalrecept moet worden voorgeschreven. CZ is nog steeds bereid om u nogmaals met alle inzet te helpen bij het vinden van een nieuwe huisarts.

Ik zal geen gehoor meer geven aan de andere verzoeken die u de afgelopen weken reeds heeft gedaan of in de toekomst nog zal doen. Daarom wijs ik u er met klem op, om voor uw eigen belang, een nieuwe huisarts te gaan zoeken waar uw wel vertrouwen in heeft waarmee u deze zaken kunt bespreken.’

- Bij brief van 9 juli 2018 heeft [geintimeerde 2] aan [appellante] onder meer het volgende meegedeeld:

‘U heeft nu nog 2 maanden om een andere huisarts te vinden. Ik verzoek u hierbij nogmaals dringend uzelf bij een nieuwe huisarts aan te melden en mij zo spoedig mogelijk dit te laten weten. Ik kan dan het dossier uitdraaien en voor u klaar leggen of digitaal doorsturen naar uw nieuwe huisarts.’

- Bij brief van 14 augustus 2018 heeft [geintimeerde 2] aan [appellante] onder meer het volgende medegedeeld:

‘U heeft nu nog 2 weken om een andere huisarts te vinden. Ik verzoek u hierbij nogmaals dringend uzelf bij een nieuwe huisarts aan te melden en mij zo spoedig mogelijk dit te laten weten. Ik kan dan op tijd het dossier uitdraaien en voor u klaar leggen of digitaal doorsturen naar uw nieuwe huisarts.’

- Bij e-mail van 30 augustus 2018 heeft het CZ aan [geintimeerde 2] onder meer het volgende geschreven:

“Mevrouw [appellante] heeft herhaaldelijk aan ons laten weten dat zij niet wil overstappen naar een andere huisarts zo lang u niet haar dossier aanpast. Dit levert helaas een patstelling op.’

- [geintimeerde 2] heeft sinds 1 september 2018 geen medicatie meer aan [appellante] voorgeschreven.

6.1.2.

Wat betreft de periode ná het wijzen van het bestreden vonnis kan worden uitgegaan van de volgende feiten:

- Op 24 april 2019 heeft het tuchtcollege naar aanleiding van een op 17 september 2018 ontvangen klacht van [appellante] over [geintimeerde 2] onder meer het volgende overwogen:

‘Het college begrijpt de klacht aldus dat klaagster verweerder verwijt dat er sprake is van zorgweigering omdat hij zijn (voortgezette) zorgplicht jegens haar niet is nagekomen.

(…)

Naar het oordeel van het college heeft verweerder, rekening houdend met de uitspraak van 23 mei 2018, de opzegtermijn verlengd en heeft hij zich ingespannen voor continuering van de medisch noodzakelijke hulp voor klaagster.

Immers staat vast dat verweerder een aantal keren medicijnen aan klaagster heeft voorgeschreven en dat hij klaagster meerdere malen per brief heeft verzocht een andere huisarts te zoeken. Tevens staat vast dat ook de zorgverzekeraar bij de continuering van de zorg betrokken is geweest en zich heeft ingespannen om voor klaagster een andere huisarts te vinden. Uit de e-mail van de zorgverzekeraar van 17 mei 2018 volgt dat door de zorgverzekeraar afspraken zijn gemaakt die ertoe zouden moeten leiden dat klaagster naar een andere huisartsenpraktijk zou overstappen, doch dat klaagster de overstap niet heeft gemaakt. Dat klaagster, die sinds de opzegging van de behandelovereenkomst op 28 november 2017 daartoe ruimschoots de gelegenheid heeft gehad, geweigerd heeft om de overstap naar de andere huisarts te maken, valt verweerder echter niet aan te rekenen.

De stelling van klaagster dat verweerder zou hebben geweigerd zorg te verlenen kan dan ook niet worden gevolgd. Naar het oordeel van het college heeft verweerder niet alleen de opzegtermijn verlengd, maar ook in samenspraak met de zorgverzekeraar de continuïteit van de zorg voor klaagster gewaarborgd.

Gelet op het voorgaande, kan het college niet vaststellen dat verweerder in strijd met zijn zorgplicht heeft gehandeld.’

- Bij brief van 31 juli 2019 heeft mr. drs. [coördinerend specialistisch inspecteur bij het Ministerie van VWS] , coördinerend specialistisch inspecteur bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: inspecteur [de inspecteur] ), aan [appellante] onder meer het volgende meegedeeld:

‘U heeft in het telefoongesprek aangegeven dat (…) Daarnaast heeft u aangegeven dat u gezocht heeft naar een nieuwe huisarts en dat u per 18 september 2019 bij een nieuwe huisarts terecht kan. In de tussentijd heeft u geen huisartsgeneeskundige zorg ter beschikking.

(…)

Ik heb uw oude huisarts, de heer [geintimeerde 2] , per brief van 31 juli 2019 hier opnieuw op gewezen en ik heb hem verzocht uw situatie opnieuw te beoordelen ten einde de periode tot 18 september 2019 te overbruggen. (…)

Ik vertrouw erop dat de heer [geintimeerde 2] tot een zorgvuldige beoordeling zal komen.’

- Bij brief van 19 augustus 2019 heeft inspecteur [de inspecteur] aan [appellante] onder meer het volgende meegedeeld:

‘De inspectie heeft op 5 augustus 2019 een reactie van de heer [geintimeerde 2] ontvangen, via zijn advocaat. (…) De heer [geintimeerde 2] ziet geen aanleiding om aan het verzoek van de inspectie te voldoen.

Daarnaast wijst hij er op dat volgens de gegevens op de website van CZ (…) er in een straal van 10 kilometer afdoende huisartsen beschikbaar zijn bij wie inschrijving mogelijk is.

(…)

Ik zie voor nu geen andere oplossing dan u te wijzen op de mogelijkheid zich per direct in te schrijven bij een andere huisarts in uw omgeving.’

- [appellante] heeft op of omstreeks 18 september 2019 een intakegesprek gevoerd met een nieuwe huisarts.

6.2.1.

In deze kortgedingprocedure vorderde [appellante] bij inleidende dagvaarding van 3 december 2018 als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, samengevat:

  • -

    veroordeling van [de maatschap c.s.] om de behandelovereenkomst tussen partijen te herstellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  • -

    veroordeling van [de maatschap c.s.] om de medicatie te hervatten dan wel voor te schrijven;

met veroordeling van [de maatschap c.s.] in de proceskosten.

6.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellante] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[de maatschap] heeft de behandelingsovereenkomst op 28 november 2017 opgezegd zonder dat daaraan een gewichtige reden ten grondslag lag. Bovendien heeft [de maatschap] bij het opzeggen van de behandelingsovereenkomst niet de daarvoor geldende zorgvuldigheidseisen in acht genomen. Aan [appellante] is niet duidelijk gemaakt wat zij had moeten doen of nalaten om opzegging van de behandelingsovereenkomst te voorkomen. Bij de opzegging is bovendien een te korte opzeggingstermijn gehanteerd. [appellante] heeft een spoedeisend belang bij herstel van de behandelingsovereenkomst, in het kader waarvan aan haar ook weer haar medicatie moet worden voorgeschreven.

6.2.3.

[de maatschap c.s.] hebben verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.2.4.

In het bestreden kortgedingvonnis heeft de voorzieningenrechter, samengevat, als volgt geoordeeld.

  • -

    [appellante] heeft er een spoedeisend belang bij dat haar vorderingen in kort geding worden beoordeeld (rov. 4.1).

  • -

    De vorderingen van [appellante] zijn in dit kort geding alleen toewijsbaar als aannemelijk is dat de bodemrechter, geconfronteerd met hetzelfde feitencomplex, tot toewijzing van de vorderingen zou komen (rov. 4.2).

  • -

    Voor zover [appellante] heeft willen betogen dat [geintimeerde 2] op grond van de uitspraak van het tuchtcollege gehouden was de behandelingsovereenkomst voort te zetten, berust dat betoog op een verkeerde lezing van die uitspraak. Het tuchtcollege heeft immers slechts aangegeven dat de opzegtermijn van drie weken niet redelijk was (rov. 4.3).

  • -

    De behandelingsovereenkomst is door [de maatschap c.s.] opgezegd vanwege een vertrouwensbreuk. Sinds de opzegging van de behandelingsovereenkomst is een jaar verstreken. In dat jaar heeft [geintimeerde 2] [appellante] ruimschoots in de gelegenheid gesteld een andere huisarts te zoeken. [appellante] heeft dat desondanks niet gedaan. In deze periode is de relatie tussen partijen verder verslechterd. Er is sprake van een aanzienlijk verstoorde relatie en een gebrek aan wederzijds vertrouwen. Herstel van de behandelingsovereen-komst is daarom niet in het belang van partijen. Verder heeft [appellante] ter mondelinge behandeling gesteld dat ‘ [geintimeerde 2] van haar af kan zijn’ door het inwilligen van haar verzoek om het medisch dossier aan te passen. Daaruit kan worden afgeleid dat het [appellante] ook niet daadwerkelijk te doen is om herstel van de behandelingsovereenkomst. Het is daarom niet aannemelijk dat de bodemrechter de vorderingen zal toewijzen (rov. 4.4).

Op grond van deze oordelen heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

6.3.1.

[appellante] heeft in de dagvaarding in hoger beroep haar eis gewijzigd. Zij vordert nu als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, samengevat:

  • -

    primair: veroordeling van [de maatschap c.s.] om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen arrest de opzegging van de behandelovereenkomst in te trekken, de zorg met onmiddellijke ingang te hervatten en de dienstverlening voort te zetten, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  • -

    subsidiair: veroordeling van [de maatschap c.s.] om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen arrest de opzegging te vernietigen en de behandelovereenkomst tussen partijen te herstellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

met veroordeling van [de maatschap c.s.] in de proceskosten.

Deze eiswijziging heeft tijdig plaatsgevonden en is toelaatbaar. Na behandeling van de grieven zal blijken in hoeverre de gewijzigde eis toewijsbaar is.

6.3.2.

[appellante] heeft drie grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. [appellante] heeft op basis van haar grieven geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot toewijzing van haar gewijzigde eis, met veroordeling van [de maatschap c.s.] om aan [appellante] al hetgeen terug te betalen dat zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [de maatschap c.s.] heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente.

6.3.3.

[de maatschap c.s.] hebben de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellante] in de daadwerkelijk door [de maatschap c.s.] gemaakte proceskosten.

Heeft [appellante] in dit hoger beroep nog een spoedeisend belang bij de door haar gevorderde voorzieningen?

6.4.1.

Ingevolge artikel 254 lid 1 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd om deze onmiddellijke voorziening te geven. Het hof moet in deze kortgedingprocedure daarom allereerst beoordelen of [appellante] een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de door haar gevorderde onmiddellijke voorziening. In hoger beroep is niet beslissend of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is. Volgens [appellante] heeft zij nog steeds een spoedeisend belang bij de door haar gevorderde voorziening. [de maatschap c.s.] hebben dat betwist.

6.4.2.

Het hof stelt voorop dat de inhoud van de brief van inspecteur [de inspecteur] van 31 juli 2019 doet vermoeden dat [appellante] zich per 18 september 2019 heeft kunnen inschrijven bij een andere huisarts. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft de advocaat van [appellante] verklaard dat [appellante] op 18 september 2019 een verkennend gesprek heeft gevoerd met deze huisarts maar dat nog onduidelijk is of [appellante] en haar gezin zich daadwerkelijk bij deze huisarts kunnen inschrijven, zodat zij nog altijd niet beschikt over een huisarts.

Van de zijde van [de maatschap c.s.] is bij het pleidooi verklaard dat [geintimeerde 2] inmiddels een verzoek heeft ontvangen van de nieuwe huisarts om de dossiers van de kinderen van [appellante] toe te zenden, zodat aangenomen moet worden dat de kinderen van [appellante] met deze nieuwe huisarts een behandelingsovereenkomst zijn aangegaan. Volgens [de maatschap c.s.] is niet denkbaar dat het intakegesprek van 18 september 2019 ten aanzien van [appellante] zelf niet succesvol is verlopen, mede in aanmerking genomen dat een huisarts een patiënt slechts wegens uitzonderlijke omstandigheden mag weigeren, waarbij die weigering ook moet worden gemotiveerd. [de maatschap c.s.] concluderen dat [appellante] inmiddels een huisarts heeft tot wie zij zich kan wenden, zodat zij geen spoedeisend belang meer heeft bij de door haar gevorderde voorzieningen.

6.4.3.

Van de zijde van [appellante] , die zelf bij het pleidooi niet is verschenen maar het woord heeft laten voeren door haar advocaat, is niet betwist dat de dossiers van de kinderen van [appellante] door de nieuwe huisarts zijn opgevraagd. Van de zijde van [appellante] is voorts niet gemotiveerd gesteld dat de nieuwe huisarts [appellante] zelf niet als patiënt heeft willen accepteren. Over enige weigering of weigeringsgrond is niets gesteld of gebleken. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] daarom onvoldoende betwist dat zij zich thans voor eerstelijns hulp kan wenden tot de genoemde nieuwe huisarts. De stelling van [appellante] dat nog onduidelijk is of zij zich bij de nieuwe huisarts kan inschrijven, moet daarom als onvoldoende onderbouwd worden verworpen. [appellante] heeft geen details over het gevoerde intakegesprek gegeven en niet gesteld en evenmin onderbouwd dat de nieuwe huisarts [appellante] niet als patiënt zou willen accepteren.

6.4.4.

Het voorgaande brengt mee dat geen sprake meer is van een spoedeisend belang van [appellante] bij beoordeling in kort geding van haar in hoger beroep gewijzigde vorderingen. Die vorderingen kunnen daarom in dit kort geding niet worden toegewezen. Het hof zal die vorderingen daarom afwijzen.

Gevolgen van het in hoger beroep ontbreken van spoedeisend belang

6.5.1.

Dat [appellante] inmiddels geen spoedeisend belang meer heeft bij de door haar gevorderde onmiddellijke voorzieningen, brengt niet mee dat zij geen belang heeft bij de beoordeling van de grieven die zij tegen het bestreden vonnis heeft aangevoerd. Een van haar grieven (grief III) is immers gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Deze grief berust op hetgeen zij bij grieven I en II heeft aangevoerd ten betoge dat haar vorderingen in eerste aanleg ten onrechte zijn afgewezen. Volgens vaste rechtspraak levert voor een partij die in eerste aanleg in de proceskosten is veroordeeld, deze veroordeling een voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak. Dat geldt tevens indien de appelrechter in kort geding oordeelt dat spoedeisend belang ontbreekt bij de in hoger beroep te beoordelen vordering of dat een ordemaatregel anderszins niet meer aan de orde is. De appelrechter dient ook in een dergelijk geval te beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daartoe moet hij onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag, terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep (vergelijk onder meer HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1782, rov. 3.3.2). Het voorgaande betekent dat het hof moet beoordelen of de vorderingen van [appellante] door de voorzieningenrechter terecht zijn afgewezen.

6.5.2.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat [appellante] ten tijde van het geding in eerste aanleg een voldoende spoedeisend belang had bij de door haar gevorderde voorzieningen, om beoordeling van haar vorderingen in kort geding te rechtvaardigen. [de maatschap c.s.] hebben dat betwist. Het hof deelt echter het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellante] ten tijde van het geding in eerste aanleg, aangezien zij toen nog niet beschikte over een andere huisarts, voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen had om beoordeling van die vorderingen in kort geding te rechtvaardigen.

6.5.3.

Het voorgaande brengt mee dat het hof – vanwege de vraag welke partij de proceskosten moet dragen – nader moet beoordelen of de vorderingen die in eerste aanleg ter beoordeling voorlagen, terecht zijn afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat. Het hof zal dat beoordelen aan de hand van de grieven die [appellante] tegen het kortgedingvonnis heeft aangevoerd.

Met betrekking tot de grieven I en II: was sprake van gewichtige redenen voor opzegging van de behandelingsovereenkomst en heeft de opzegging van de behandelingsovereenkomst op zorgvuldige wijze plaatsgevonden?

6.6.1.

Het hof zal de grieven I en II gezamenlijk behandelen. Door middel van deze grieven betoogt [appellante] naar de kern genomen dat:

  • -

    [de maatschap] de behandelingsovereenkomst op 28 november 2017 heeft opgezegd zonder dat daaraan een gewichtige reden ten grondslag lag;

  • -

    [de maatschap] bij het opzeggen van de behandelingsovereenkomst niet de daarvoor geldende zorgvuldigheidseisen in acht heeft genomen.

Volgens [appellante] brengt dit mee dat de opzegging ongeldig was en de behandelingsovereenkomst nog bestaat, althans dat de behandelingsovereenkomst hersteld moet worden, met als gevolg dat [geintimeerde 2] de zorgverlening moet hervatten.

6.6.2.

De overeenkomst die omstreeks september 2016 tot stand gekomen is tussen [appellante] en [de maatschap] , is een overeenkomst inzake geneeskundige behandeling in de zin van artikel 7:446 BW. Op grond van artikel 7:460 BW kan de hulpverlener, behoudens gewichtige redenen, de behandelingsovereenkomst niet opzeggen. Aan deze bepaling ligt ten grondslag dat het (zwaarwegende) belang van de gezondheid van de patiënt niet toelaat dat de behandelingsovereenkomst zonder meer kan worden opgezegd en de hulpverlening gestaakt.

6.6.3.

Wat onder ‘gewichtige redenen’ moet worden verstaan, hangt af van de omstandigheden van het geval. Als voorbeeld wordt in de parlementaire geschiedenis onder meer genoemd de verstoring van de vertrouwensband als gevolg van ernstige meningsverschillen over de behandeling (MvA, Kamerstukken II 1990/91, 21561, 6, p. 67).

In de KNMG-richtlijn: “Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst” worden in paragraaf 2.1 bepaalde voorwaarden gesteld waaraan voldaan moet zijn indien een arts een behandelingsovereenkomst wil opzeggen. Volgens het gestelde onder d kan een arts een behandelingsovereenkomst opzeggen indien hij een aanmerkelijk belang heeft bij het beëindigen van de behandelingsovereenkomst, en wel zodanig dat voortzetting van de overeenkomst redelijkerwijs van hem niet kan worden gevergd. Volgens de toelichting kan onder meer het feit dat de patiënt regelmatig over de arts en/of zijn team klachten uit, een reden zijn de behandelingsovereenkomst te beëindigen.

In paragraaf 2.2 worden zorgvuldigheidseisen genoemd die de arts bij de opzegging van een behandelingsovereenkomst in acht moet nemen, zoals het tijdig aandringen op ander gedrag bij de patiënt en waarschuwen dat anders een opzegging van de behandelingsovereenkomst mogelijk is, het stellen van een redelijke termijn voor de beëindiging, en het (nog) voortzetten van noodzakelijke hulp. Voorts dient de hulpverlener de patiënt zo nodig te helpen bij het zoeken naar een andere hulpverlener.

6.6.4.

[de maatschap c.s.] hebben naar het voorshands oordeel van het hof voldoende onderbouwd dat in de periode van september 2016 (ontstaan van de behandelingsovereenkomst) tot en met november 2017 (opzegging van de behandelingsovereenkomst), meningsverschillen zijn ontstaan tussen enerzijds [geintimeerde 2] en zijn collega [huisarts] , en anderzijds [appellante] over de medische behandeling en de door [appellante] te gebruiken medicatie. De in dat kader door [de maatschap c.s.] gegeven gedetailleerde opsomming, zoals neergelegd in de in eerste aanleg genomen conclusie van antwoord / pleitnotitie, is door [appellante] niet gemotiveerd betwist. Dit heeft er onder meer toe geleid dat de verstandhouding tussen [appellante] en [geintimeerde 2] verstoord is geraakt en dat [appellante] op 28 september 2017 een klacht tegen [geintimeerde 2] heeft ingediend bij een geschilleninstantie voor huisartsenzorg. Voorts staat naar het voorlopig oordeel van het hof vast dat de verstandhouding tussen partijen in de periode van november 2017 (opzeggen van de behandelingsovereenkomst) tot 3 december 2018 (uitbrengen van de kortgedingdagvaarding in de onderhavige zaak) alleen maar verder is verslechterd. De verstoorde verstandhouding heeft geleid tot klachten van [appellante] over [geintimeerde 2] bij onder meer de zorgverzekeraar CZ, de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd en het Regionaal Tuchtcollege, en tot aangiften van [appellante] tegen [geintimeerde 2] bij de politie. Het hof is gelet op deze stand van zaken voorshands evenals de voorzieningenrechter van oordeel dat het wederzijds vertrouwen, dat noodzakelijk is voor het goed functioneren van een behandelingsrelatie, niet meer aanwezig kan worden geacht. Naar het voorshands oordeel van het hof was het uitspreken van een veroordeling van [de maatschap c.s.] om de behandelovereenkomst tussen partijen te herstellen, ten tijde van het geding bij de voorzieningenrechter niet geïndiceerd.

6.6.5.

Dat [de maatschap] bij de opzegging van de behandelingsovereenkomst op 28 november 2017 de door de KNMG voorgeschreven zorgvuldigheidseisen niet in voldoende mate in acht heeft genomen, zoals omschreven in de uitspraak van het tuchtcollege van 23 mei 2018, brengt niet mee dat de behandelingsovereenkomst door de voorzieningenrechter in zijn vonnis van 20 december 2018 hersteld had moeten worden. Het hof sluit zich op dat punt voorshands aan bij de navolgende overweging van het tuchtcollege in haar latere uitspraak van 24 april 2019:

‘Naar het oordeel van het college heeft verweerder, rekening houdend met de uitspraak van 23 mei 2018, de opzegtermijn verlengd en heeft hij zich ingespannen voor continuering van de medisch noodzakelijke hulp voor klaagster.

Immers staat vast dat verweerder een aantal keren medicijnen aan klaagster heeft voorgeschreven en dat hij klaagster meerdere malen per brief heeft verzocht een andere huisarts te zoeken. Tevens staat vast dat ook de zorgverzekeraar bij de continuering van de zorg betrokken is geweest en zich heeft ingespannen om voor klaagster een andere huisarts te vinden. Uit de e-mail van de zorgverzekeraar van 17 mei 2018 volgt dat door de zorgverzekeraar afspraken zijn gemaakt die ertoe zouden moeten leiden dat klaagster naar een andere huisartsenpraktijk zou overstappen, doch dat klaagster de overstap niet heeft gemaakt. Dat klaagster, die sinds de opzegging van de behandelovereenkomst op 28 november 2017 daartoe ruimschoots de gelegenheid heeft gehad, geweigerd heeft om de overstap naar de andere huisarts te maken, valt verweerder echter niet aan te rekenen.

De stelling van klaagster dat verweerder zou hebben geweigerd zorg te verlenen kan dan ook niet worden gevolgd. Naar het oordeel van het college heeft verweerder niet alleen de opzegtermijn verlengd, maar ook in samenspraak met de zorgverzekeraar de continuïteit van de zorg voor klaagster gewaarborgd.

Gelet op het voorgaande, kan het college niet vaststellen dat verweerder in strijd met zijn zorgplicht heeft gehandeld.’

In lijn met die overweging moet naar het voorlopig oordeel van het hof geoordeeld worden dat het met name aan [appellante] zelf te wijten is geweest dat zij op 3 december 2018, toen zij aan [de maatschap c.s.] de kortgedingdagvaarding liet betekenen waarmee de onderhavige procedure is begonnen, nog geen nieuwe huisarts had. Ook de hiervoor in rov. 6.1.1 genoemde brief van CZ aan [geintimeerde 2] van 30 augustus 2018 wijst daarop. Dat [appellante] , indien zij daadwerkelijk bereid was om naar een andere huisarts over te stappen, die overstap niet al ruim voor eind december 2018 had kunnen effectueren, blijkt nergens uit. Ook om die reden bestond ten tijde van het wijzen van het bestreden kortgedingvonnis geen aanleiding om [de maatschap c.s.] te veroordelen tot herstel van de opgezegde behandelingsovereenkomst.

6.6.6.

[appellante] kan ook voorshands niet worden gevolgd in haar betoog dat de opzegging van 28 november 2017 in het geheel geen werking heeft gehad omdat ten tijde van die opzegging niet was voldaan aan de daaraan te stellen eisen. Voor zover de opzegging om die reden al nietig zou kunnen worden geacht, hebben [de maatschap c.s.] zich naar het voorshands oordeel van het hof terecht beroepen op conversie (artikel 3:42 BW). Ten tijde van het geding in eerste aanleg (december 2018) was in elk geval aan alle vereisten voor opzegging van de overeenkomst voldaan. Herstel van de behandelingsovereenkomst was op dat moment naar het oordeel van het hof om de hierboven gegeven redenen niet aangewezen.

6.6.7.

Het hof concludeert dat de grieven I en II verworpen moeten worden. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellante] terecht afgewezen.

Met betrekking tot grief III: de proceskostenveroordeling

6.7.

De voorzieningenrechter heeft [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het geding in eerste aanleg veroordeeld. Grief III is tegen die beslissing gericht. Het hof verwerpt die grief. Uit hetgeen het hof in het voorgaande naar aanleiding van de grieven I en II heeft overwogen, blijkt immers dat de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellante] terecht heeft afgewezen. [appellante] is dus op goede gronden in de proceskosten van het geding in eerste aanleg veroordeeld.

Conclusie en begroting proceskosten hoger beroep

6.8.1.

Het hof heeft in het bovenstaande geoordeeld dat de grieven verworpen moeten worden. Dit brengt mee dat het bestreden vonnis bekrachtigd moet worden. Er is dus geen aanleiding om [de maatschap c.s.] te veroordelen om eventuele bedragen die [appellante] op grond van het vonnis aan [de maatschap c.s.] heeft betaald, aan [appellante] terug te betalen. Het hof zal de desbetreffende vordering van [appellante] afwijzen.

6.8.2.

Het hof zal de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [appellante] eveneens afwijzen, reeds omdat [appellante] bij die vorderingen geen spoedeisend belang meer heeft.

6.8.3.

[appellante] is de in het hoger beroep in het ongelijk gestelde partij. Het hof zal [appellante] daarom in de proceskosten van het hoger beroep veroordelen.

6.8.4.

[de maatschap c.s.] hebben in de memorie van antwoord gesteld dat [appellante] in hoger beroep misbruik van procesrecht maakt. Volgens [de maatschap c.s.] gebruikt [appellante] de onderhavige procedure om [geintimeerde 2] te bewegen haar medisch dossier aan te passen, en is dat een ander doel dan het bewerkstelligen van toewijzing van haar vordering. Volgens [de maatschap c.s.] zijn de vorderingen van [appellante] bovendien evident kansloos. [de maatschap c.s.] verzoeken het hof om deze reden bij de begroting van de proceskosten van het hoger beroep niet het liquidatietarief te hanteren maar [appellante] in de daadwerkelijk door [de maatschap c.s.] gemaakte proceskosten van het hoger beroep te veroordelen.

[appellante] heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek.

6.8.5.

Het hof stelt voorop dat de artikelen 237-240 Rv, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling bevatten van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Deze regeling derogeert ingevolge art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv aan art. 6:96 lid 2 BW. Zij derogeert eveneens aan het uitgangspunt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, volledig te vergoeden. Dit neemt echter niet weg dat een volledige vergoedingsplicht ter zake van proceskosten in buitengewone omstandigheden denkbaar is, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (als grond voor een vergoedingsplicht ter zake van alle in verband met een procedure gemaakte kosten) is volgens vaste rechtspraak pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (vergelijk onder meer HR 15-09-2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, rov. 5.3.3).

6.8.6.

Bij toetsing aan deze tot terughoudendheid nopende maatstaf is het hof van oordeel dat in dit geval onvoldoende aanleiding bestaat om [appellante] ter zake het voeren van de onderhavige appelprocedure misbruik van procesrecht en onrechtmatig handelen te verwijten. Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of [appellante] tijdens de mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter heeft gezegd dat ‘ [geintimeerde 2] van haar af kan zijn’ door het inwilligen van haar verzoek om het medisch dossier aan te passen. Indien [geintimeerde 2] een dergelijke uitlating heeft gedaan, volgt daaruit nog niet dat het haar uitsluitend om aanpassing van het medisch dossier te doen was. Uit haar stellingen in deze procedure blijkt dat het haar ook te doen was om continuering van de eerstelijns hulp, haar medicatie en voeding, zonder dat zij hiervoor naar een andere huisarts moest. Verder acht het hof van belang dat het opzeggen van een overeenkomst van geneeskundige behandeling alleen bij gewichtige redenen en met het in achtnemen van bepaalde zorgvuldigheidseisen mogelijk is. Het stond [appellante] in beginsel vrij om daarover een oordeel van de rechter in kort geding te verlangen. Daar komt bij het spoedeisend belang dat [appellante] bij beoordeling van haar vorderingen aanvankelijk had, naar het voorlopig oordeel van het hof pas kort voor het pleidooi in hoger beroep volledig is weggevallen. Bovendien had [appellante] met het oog op de beslissing over de proceskosten nog steeds een belang bij een beoordeling van haar grieven. Het hof concludeert daarom dat geen grondslag bestaat om [appellante] in de daadwerkelijk door [de maatschap c.s.] gemaakte proceskosten van het hoger beroep te veroordelen. Het hof zal volstaan met een veroordeling van [appellante] in de op basis van het liquidatietarief begrote proceskosten.

6.8.7.

Al het voorgaande voert tot de hierna te geven uitspraak.

10 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis in kort geding van 20 december 2018;

wijst de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [appellante] af;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van dit hoger beroep, en begroot deze kosten tot op heden op € 741,-- aan griffierecht en op € 3.222,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.P. de Haan en P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 oktober 2019.

griffier rolraadsheer