Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3866

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
200.235.491_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:3864
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:5647
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:12600
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Bestuurders van kunstenaarscollectief zijn aansprakelijk voor het tekort in het faillissement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer gerechtshof 200.235.491/01

(zaaknummer rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht C/03/215961 HA ZA 16-34)

arrest van 15 oktober 2019

in de zaak van

MR. JEROEN THIJS JAN GORISSEN q.q., curator in het faillissement van COÖPERATIE KUNST-COLLECTIEF [vestigingsnaam] U.A.,

kantoor houdend te [kantoorplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: de curator,

advocaat: mr. K.P. Meegdes,

tegen:

1 COÖPERATIE [beheer ] BEHEER U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna: gezamenlijk in meervoud [geintimeerden c.s.] en afzonderlijk [beheer ] Beheer, [geïntimeerde 2] en

[geïntimeerde 3] ,

advocaat: mr. D. Gulpers.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 29 juni 2016 en van 13 december 2017 die de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep (met één productie),

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties).

2.2.

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2.3.

Deze zaak hangt samen met de zaak met zaaknummer 200.232.397/01 waarin vandaag eveneens arrest zal worden gewezen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1.

Deze zaak gaat – kort samengevat – over de vraag of [geintimeerden c.s.] als (indirect) bestuurders van de rechtspersoonlijkheid bezittende coöperatieve vereniging met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Kunstcollectief [vestigingsnaam] u.a. (hierna: KCH) hun taken als bestuurders kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld waardoor zij aansprakelijk zijn jegens de curator en gehouden tot betaling en/of aanzuivering van de tekorten in het faillissement van KCH (uitgesproken op 10 februari 2015). [beheer ] Beheer is bestuurder (voorzitter) geweest van KCH van 13 december 2010 tot 31 augustus 2012. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] zijn bestuurders van [beheer ] Beheer.

3.2.

De rechtbank heeft (voor zover in deze zaak relevant) de vorderingen van de curator ten aanzien van de bestuurdersaansprakelijkheid van [geintimeerden c.s.] afgewezen. Ook de vordering van de curator tot betaling door [beheer ] Beheer van een bedrag groot € 13.945,41 is afgewezen. De rechtbank heeft de curator veroordeeld in de proceskosten van [geintimeerden c.s.]

3.3.

Van dit vonnis is de curator in hoger beroep gekomen met in totaal zeven grieven.

Kennelijk onbehoorlijk bestuur?

3.4.

Allereerst ligt de vraag voor of [beheer ] Beheer haar taak als bestuurder van KCH kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld waardoor zij ingevolge artikel 2:138 BW (dat op grond van artikel 2:50a BW van overeenkomstige toepassing is in geval van faillissement van een vereniging waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte en die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen, zoals het geval was bij KCH) aansprakelijk is jegens de curator en gehouden tot betaling en/of aanzuivering van de tekorten in het faillissement van KCH. Indien [beheer ] Beheer als bestuurder aansprakelijk is, dient te worden beoordeeld of ook [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] als bestuurders van [beheer ] Beheer kunnen worden aangesproken door de curator.

Maatstaven

3.5.

Uitgangspunt is dat in het geval zo’n coöperatieve vereniging in staat van faillissement is geraakt, iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan indien, zo is in artikel 2:138 lid 1 in samenhang met lid 6 BW bepaald, het bestuur in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat deze kennelijk onbehoorlijke vervulling van de bestuurstaak een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Van kennelijk onbehoorlijke vervulling van de bestuurstaak kan slechts worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld.

Heeft het bestuur de boekhoudverplichtingen uit artikel 2:10 BW geschonden, dan staat ingevolge artikel 2:138 lid 2 BW vast dat het bestuur zijn bestuurstaak ook voor het overige niet behoorlijk heeft vervuld. Wegens het verband met lid 1 mag worden aangenomen dat ook in lid 2 een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling wordt bedoeld. Verder wordt de aldus aangenomen niet behoorlijke vervulling van de bestuurstaak vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Dat vermoeden is voor weerlegging vatbaar. Deze bepalingen strekken tot bescherming van de belangen van de crediteuren van de failliet en tot versterking van de bewijspositie van de curator.

Vormt de niet-naleving van een verplichting uit artikel 2:10 BW een ‘onbelangrijk verzuim’ dan, zo volgt uit de slotzin van artikel 2:138 lid 2 BW, wordt die niet-naleving niet in aanmerking genomen. Met dit laatste wordt bedoeld dat, wanneer de niet-naleving van een verplichting uit artikel 2:10 BW niet meer dan een onbelangrijk verzuim oplevert, de in lid 2 aan die niet-naleving verbonden rechtsgevolgen – het niet weerlegbare uitgangspunt en het weerlegbare vermoeden – niet intreden.

Van een onbelangrijk verzuim als bedoeld in de slotzin van artikel 2:138 lid 2 BW is sprake indien het niet voldoen aan de verplichtingen bedoeld in dat artikellid in de omstandigheden van het geval er niet op wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat. In de parlementaire geschiedenis is onder meer het volgende opgenomen: “In het algemeen kan men stellen dat, indien de overtuiging bestaat dat de ondernemer een bonafide instelling heeft en een redelijke verklaring kan geven voor het verzuim, de bepaling [hof: in de slotzin van lid 2 van art. 2:138 BW] kan worden toegepast om de al te scherpe kantjes van het tweede lid van de artikelen 138 en 248 Boek 2 BW, zoals in het wetsontwerp voorgesteld, weg te nemen” (Kamerstukken II, 16 631, 1983-1984, nr. 9, p. 16).

3.6.

Ten aanzien van de boekhoudplicht geldt voorts dat aan de eisen van artikel 2:10 BW is voldaan indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en de crediteurenpositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten gezien de aard en omvang van de onderneming een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie (Hoge Raad, 11 juni 1993, NJ 1993, 713). De wijze waarop de administratie moet worden ingericht hangt af van de aard, de omvang en de complexiteit van de onderneming.

3.7.

Voorts neemt het hof tot uitgangspunt dat artikel 2:9 BW bepaalt dat het algemene beleid van een rechtspersoon, waartoe met name ook het financiële beleid behoort, een zaak is van het gehele bestuur. Dit is slechts anders indien de aangesproken bestuurder aantoont dat hem de tekortkoming in het bestuur niet valt te verwijten en dat hij niet nalatig is gebleven in het beperken van de gevolgen er van. En ten slotte geldt dat een opdracht aan een derde tot het doen van de boekhouding/uitvoeren van administratieve taken de bestuurder niet ontslaat van zijn eigen verantwoordelijkheid.

Schending boekhoudplicht?

3.8.

[beheer ] Beheer heeft betoogd de cursistenadministratie voor KCH te hebben uitgevoerd, waarmee [beheer ] Beheer bedoelt dat zij per kwartaal met de docenten afrekende en de debiteurenadministratie voerde (zie punt 27 en 29 memorie van antwoord). De boekhouding, anders dan voornoemde administratie, heeft [beheer ] Beheer uitbesteed aan mevrouw [administrateur] van [administratiekantoor] (zie ook punt 29 memorie van van antwoord). Bij haar vertrek heeft [beheer ] Beheer overzichten overgedragen van haar taken en de inkomsten en uitgaven per maand van KCH (zie onder meer productie 16 bij conclusie van antwoord). Tijdens de algemene ledenvergadering van 10 augustus 2012 heeft [beheer ] Beheer de financiële stand van zaken besproken en is de jaarrekening over 2011 geaccordeerd (zie punt 36 memorie van antwoord). [beheer ] Beheer heeft de digitale documenten per 1 september 2012 overgedragen aan de overige bestuursleden van KCH (zie punt 37 memorie van antwoord). Deze betreffen alle brieven, facturen, overeenkomsten en modelbestanden. Ook de fysieke administratie over de jaren 2010, 2011 en 2012 (waaronder ordners met debiteuren en crediteuren en kas- en bankadministratie) is op 12 oktober 2012 overgedragen aan de overige bestuursleden van KCH, van welke overdracht een ontvangstbevestiging is opgemaakt en is ondertekend door [bestuurder van KCH 1] en [beheer ] (zie productie 11 conclusie van antwoord). Uit de e-mail van 21 oktober 2012 van [administrateur] aan de nieuwe boekhouder van KCH, D&P, (productie 12 conclusie van antwoord) blijkt dat [administrateur] haar boekhouding aan D&P heeft overgedragen. Het hof is van oordeel dat in het licht van het voorgaande de curator niet heeft aangetoond dat de administratie over 2012 voor de periode van het voorzitterschap van [beheer ] Beheer (tot 31 augustus 2012) van een zodanig niveau is dat niet snel inzicht kan worden verkregen in de financiële stand van zaken van KCH. De enkele omstandigheid dat enkele stukken zouden ontbreken (zoals de staat van baten en lasten, zie punt 58 memorie van grieven), vormt voor deze beperkte periode geen belangrijk verzuim en is dan ook onvoldoende om een schending van artikel 2:10 BW door [beheer ] Beheer aan te kunnen nemen. Wat er na het vertrek van [beheer ] Beheer als voorzitter van KCH met de administratie is gebeurd, ligt buiten het bereik en de invloedsfeer van [beheer ] Beheer. Nu de curator nadrukkelijk geen schending van artikel 2:394 BW aan zijn vordering jegens [geintimeerden c.s.] ten grondslag heeft gelegd, behoeft dit geen verdere bespreking. Het voorgaande betekent dat grieven 2 en 3 falen.

Kennelijk onbehoorlijke taakvervulling?

3.9.

KCH is voortgekomen uit het kunstenaarscollectief dat in Heerlen opereerde onder de naam Hee-Art. De kunstenaars gaven les in de oude muziekschool te [vestigingsplaats] . Dit collectief werd in stand gehouden door middel van subsidies van de gemeente Heerlen. Omstreeks 2010 maakte de gemeente Heerlen bekend dat zij niet langer de subsidiestroom aan het kunstenaarscollectief wilde voortzetten en dat de kunstenaars de oude muziekschool diende te verlaten. [geïntimeerde 2] heeft in oktober 2010 een beleidsplan(/bedrijfsplan) opgesteld waarmee bij de gemeente Heerlen een subsidie is aangevraagd om het kunstcollectief voort te kunnen zetten. Op basis van het door [geïntimeerde 2] opgestelde beleidsplan heeft de gemeente Heerlen op 3 december 2010 een eenmalige subsidie verleend van € 100.000,00, welke subsidie in drie tranches zou worden uitbetaald. De eerste van € 50.000,00 zou worden uitbetaald in 2011 en de twee andere tranches van ieder € 25.000,00 in 2012. Aan de subsidieverlening waren diverse voorwaarden verbonden, waaronder de voorwaarde dat de subsidie besteed zou worden conform de inhoud van het bedrijfsplan (/ofwel beleidsplan), dat het kunstcollectief in juni 2011 en oktober 2011 aan de gemeente zou rapporteren en voor 1 juni 2012, respectievelijk 1 juni 2013 de financiële eindrapportage over 2011 en 2012 in zou dienen, vergezeld van een inhoudelijk evaluatieverslag en dat sprake moest zijn van een organisatie in de vorm van een rechtspersoon. Vervolgens is KCH bij notariële akte van 13 december 2010 opgericht door [geintimeerden c.s.] en [bestuurder van KCH 1] . In die akte is bepaald dat het bestuur wordt gevormd door [beheer ] Beheer als voorzitter en [bestuurder van KCH 1] als secretaris/penningmeester. De eerste tranche van de subsidie is in twee delen uitbetaald, zijnde € 30.000,00 op 21 januari 2011 en € 15.000,00 op 15 februari 2011. KCH heeft op 23 mei 2011 aan de gemeente Heerlen gevraagd om vervroegde uitbetaling van het restbedrag van de eerste tranche, zijnde € 5.000,00 en uitbetaling van de tweede tranche van

€ 25.000,00. De gemeente Heerlen heeft dit verzoek bij beschikking van 1 juni 2011 ingewilligd waarna op 23 juni 2011 € 30.000,00 aan KCH is betaald. Op 12 oktober 2012 is de laatste tranche van € 25.000,00 aan KCH uitbetaald.

3.10.

Ingevolge het (door [geintimeerden c.s.] opgestelde) beleidsplan was het voor KCH van begin af aan van levensbelang dat zij snel eigen inkomsten zou verwerven, te meer daar de gemeente Heerlen van meet af aan heeft aangegeven dat er sprake was van een eenmalige subsidie. Gedurende het voorzitterschap van [beheer ] Beheer is vervolgens zo’n drie kwart van de subsidie verbruikt, voor een groot deel voor de torenhoge energiekosten van het pand waarin KCH was gevestigd. Gesteld noch gebleken is dat [beheer ] Beheer maatregelen heeft getroffen om deze energiekosten beheersbaar te maken. [geintimeerden c.s.] voert enkel aan dat bestuursleden [bestuurder van KCH 1] en [bestuurder van KCH 2] deze energiekosten zouden aanpakken na het aftreden van [beheer ] Beheer (zie punt 31 en 32 memorie van antwoord). Dit ontslaat [beheer ] Beheer echter niet van haar eigen verantwoordelijkheid om gedurende haar bestuurslidmaatschap de kosten beheersbaar te maken en te houden. Niet is gesteld of gebleken dat het niet of nauwelijks mogelijk zou zijn geweest om die kosten te beheersen. Voorts is niet gebleken dat [beheer ] Beheer gedurende haar voorzitterschap (alternatieve) inkomsten voor KCH heeft gegenereerd die de continuïteit van KCH zouden kunnen waarborgen. Aldus was bij het vertrek van [beheer ] Beheer als voorzitter van KCH het vermogen zodanig geslonken dat er al geen geld resteerde om schuldeisers te voldoen. Dat [beheer ] Beheer een minimaal positief banksaldo achterliet van € 164,17 bij haar vertrek (zie productie 6 bij conclusie van antwoord) maakt het voorgaande niet anders omdat zij tevens heeft erkend dat er op dat moment ook nog een openstaande vordering van Main Energie was voor een bedrag van € 2.071,61 (zie memorie van antwoord punt 32) en dat ook de eigen rekeningen van [beheer ] Beheer van ruim € 15.000,00 (zie productie 16 bij conclusie van antwoord) nog open stonden. Vast staat derhalve dat bij het aftreden van [beheer ] Beheer KCH haar rekeningen al niet meer kon betalen. Gesteld noch is gebleken dat [beheer ] Beheer heeft ingegrepen toen het beleidsplan (/bedrijfsplan), dat nota bene door haar was opgesteld, niet haalbaar bleek. Dat dit niet haalbaar was, blijkt reeds uit het feit dat [beheer ] Beheer heeft gevraagd om het vervroegd uitbetalen van de subsidie waardoor in de eerste zes maanden van 2011 al drie kwart van de subsidie was verbruikt terwijl de subsidie volgens het beleidsplan ook bedoeld was voor het jaar 2012. Weliswaar heeft zij succesvol in contact getreden met de eigenaar die heeft afgezien van huurpenningen, maar zij moest beseffen dat dit lang niet afdoende was om de resterende kosten te kunnen dekken. Bovendien heeft de gemeente Heerlen bij brief van 4 maart 2013 (productie 31 curator eerste aanleg) kritische vragen gesteld over de door [beheer ] Beheer opgestelde jaarrekening 2011. De gemeente heeft naar aanleiding van een analyse van de jaarrekening 2011 geconcludeerd dat deze in belangrijke mate afwijkt van de door KCH in 2010 aan de gemeente overgelegde begroting, welke begroting onderdeel was van het beleidsplan zoals door [geintimeerden c.s.] opgesteld. Zo stelt de gemeente vragen over de kosten met betrekking tot administratie cursisten, de beheersvergoeding en buitenproportionele advieskosten. Hoewel die brief van de gemeente van na het bestuurslidmaatschap van [beheer ] Beheer is, gaan de vragen en de begrotingsoverschrijdingen over de tijd dat [beheer ] Beheer wel voorzitter althans bestuurder was van KCH en over gelden die aan [beheer ] beheer ten goede zijn gekomen. Hier komt nog bij dat [beheer ] Beheer bekend was met de voorwaarden waaronder de subsidie door de gemeente Heerlen aan KCH is verstrekt (zie hiervoor onder 3.9.). Deze voorwaarden – die kort gezegd neerkomen op het afleggen van rekening en verantwoording aan de gemeente ten aanzien van de besteding van de subsidie – zijn echter niet door [beheer ] Beheer nageleefd. Een aanvaardbare verklaring waarom door KCH onder het voorzitterschap van [beheer ] Beheer aan deze voorwaarden van de gemeente niet is voldaan, is gesteld noch gebleken. Dit terwijl het niet voldoen aan dergelijke voorwaarden het risico in zich heeft dat de gemeente de subsidie op nihil stelt en terug zal vorderen, hetgeen uiteindelijk ook is gebeurd. Het door [geintimeerden c.s.] gevoerde verweer dat de kunstenaars zich niet lieten disciplineren wat betreft de te voeren administraties en de inning van cursusgelden, ontslaat hen niet van aansprakelijkheid nu deze bevinding [geintimeerden c.s.] er eerder van had moeten weerhouden om vervroegd een beroep te doen op nieuwe subsidiegelden. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling door [beheer ] Beheer en dat aannemelijk is dat deze kennelijke onbehoorlijke vervulling van haar bestuurstaak een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van KCH in de zin van artikel 2:138 BW. Dit betekent dat grieven 4 en 5 doel treffen en het bestreden vonnis reeds daarom niet in stand kan blijven.

Onbelangrijk verzuim?

3.11.

Onvoldoende gesteld en onderbouwd is dat sprake zou zijn van een onbelangrijk verzuim als bedoeld in de slotzin van artikel 2:138 lid 2 BW. Een verklaring, laat staan een aanvaardbare verklaring, voor de onbehoorlijke taakvervulling door [beheer ] Beheer is niet gegeven.

Disculpatie?

3.12.

Onvoldoende gesteld en onderbouwd is dat de onbehoorlijke taakvervulling niet aan [beheer ] Beheer kan worden verweten en dat zij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden, zodat zij zich niet kan disculperen van aansprakelijkheid op grond van artikel 2:138 lid 3 BW.

Aansprakelijkheid [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] ?

3.13.

Indien een rechtspersoon bestuurder is van een gefailleerde rechtspersoon zoals in dit geval [beheer ] Beheer als bestuurder van KCH, bepaalt artikel 2:11 BW dat de wettelijke aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan daarvan bestuurder is van de rechtspersoon die bestuurder is. Dat betekent dat via artikel 2:11 BW alle vormen van bestuurdersaansprakelijkheid die in Boek 2 BW zijn opgenomen, worden doorgeschakeld van de rechtspersoon bestuurder, in dit geval [beheer ] Beheer, naar de tweedegraads bestuurders zijnde [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] . Een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder die uit hoofde van de wetsbepaling waaruit de aansprakelijkheid voortvloeit, een grond tot disculpatie heeft om de aanspraak af te weren, kan zich daarop beroepen, onafhankelijk van de rechtspersoon-bestuurder (Kamerstukken II 1983-1984, 16 631, nr. 6, p. 18 en nr. 9, p. 15-16). Nu van een grond voor disculpatie voor [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] niet is gebleken zijn zij naast [beheer ] Beheer hoofdelijk aansprakelijk ingevolge artikel 2:11 in verbinding met artikel 2:138 BW.

Voorschot?

3.14.

Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep dient het hof tevens te beslissen of het door de curator gevorderde voorschot voor toewijzing in aanmerking komt. Het hof wijst dit voorschot van € 100.000,00 reeds af bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing daarvan. De omvang van de vordering van de curator op [geintimeerden c.s.] zal in het kader van de schadestaatprocedure worden beoordeeld. Nu in het kader van die nog te voeren procedure allerlei verweren kunnen worden gevoerd tegen de hoogte van het door [geintimeerden c.s.] te betalen bedrag, zoals een beroep op matiging, kan het hof nu niet, daarop vooruitlopend, met voldoende zekerheid vaststellen welk bedrag ieder van hen in ieder geval verschuldigd zal zijn. Omdat het hof op grond van het voorgaande het gevorderde voorschot reeds afwijst komt het hof niet toe aan hetgeen [geintimeerden c.s.] in hun memorie van antwoord hebben aangevoerd omtrent de verificatie van de vordering van de gemeente op KCH en het beroep op matiging door [geintimeerden c.s.] (zie 105-151 memorie van antwoord).

De vordering tot betaling van € 13.945,41

3.15.

Grief 6 ziet op de afwijzing door de rechtbank van de vordering van de curator tot betaling van € 13.945,41 door [beheer ] Beheer omdat de vordering, aldus de rechtbank (zie rechtsoverweging 4.40), onnavolgbaar is. [beheer ] Beheer heeft deze vordering in eerste aanleg gemotiveerd en onderbouwd betwist. In het licht van die gemotiveerde betwisting door [beheer ] Beheer heeft de curator zijn vordering ook in hoger beroep (waar de curator zijn in eerste aanleg gegeven motivering grotendeels heeft herhaald) onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd, zodat deze grief faalt.

3.16.

Grief 1 heeft naast de overige grieven gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen zelfstandige betekenis zodat deze grief geen bespreking behoeft.

3.17.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen had [geintimeerden c.s.] in eerste aanleg, als op hoofdpunten in het ongelijk gesteld, in de proceskosten van de curator dienen te zijn veroordeeld. Dit betekent dat ook grief 7 doel treft.

3.18.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat er geen niet vaststaande stellingen van de curator zijn die – indien zij wel zouden worden bewezen – tot andere beslissingen zouden kunnen leiden, zodat het bewijsaanbod van de curator zal worden gepasseerd.

3.19.

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geintimeerden c.s.] hoofdelijk in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van de curator zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 77,75

- griffierecht € 1.548,00

totaal verschotten € 1.625,75

- salaris advocaat € 1.629,00 (3 punten x tarief € 543,00)

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de curator zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 101,81

- griffierecht € 1.649,00

totaal verschotten € 1.750,81

- salaris advocaat € 1.074,00 (1 punt x tarief € 1.074,00)

Nu deze zaak samenhangt met zaaknummer 200.232.397/01 in welke zaak vandaag eveneens arrest zal worden gewezen geldt een en ander met dien verstande dat de curator slechts eenmaal zijn proceskosten kan verhalen.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

4.1.

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 13 december 2017, behoudens voor zover daarin de vordering van de curator zie 3.1. sub 1a, sub 1b en 2 ten aanzien van [geintimeerden c.s.] is afgewezen alsmede behoudens de proceskostenveroordeling in 5.9., vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

4.2.

verklaart voor recht dat [geintimeerden c.s.] als gewezen (indirect) bestuurders van KCH hun taken in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement van KCH onbehoorlijk hebben vervuld en dat vermoed wordt dat dit een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van KCH in de zin van artikel 2:138 lid 2 BW;

4.3.

veroordeelt [geintimeerden c.s.] hoofdelijk om aan de curator te betalen het bedrag van de schulden in het faillissement van KCH, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kan worden voldaan (“het boedeltekort”), nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente, als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

4.4.

veroordeelt [geintimeerden c.s.] hoofdelijk in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van de curator wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op

€ 1.625,75 voor verschotten en op € 1.629,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 1.750,81 voor verschotten en op € 1.074,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

4.5.

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, E.J. van Sandick en J.G.A. Struycken, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2019.

griffier, rolraadsheer,