Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3856

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
20-002828-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 285 Sr: Verdachte wordt veroordeeld voor bedreiging ex-vrouw en dochter (feit 1). Het hof spreekt vrij van bedreiging van de verloofde van de dochter (feit 2). Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de bedreigende teksten de verloofde van de dochter daadwerkelijk hebben bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002828-18

Uitspraak : 17 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 28 augustus 2018 in de strafzaak met parketnummer 02-800071-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 1971,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd (feit 1) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden – te weten een verplichting voor verdachte zich te gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een gebiedsverbod voor een in het vonnis genoemd gebied te Waalwijk (inclusief elektronisch toezicht) – verbonden, waarbij de politierechter aan de reclassering de opdracht heeft gegeven om toezicht te houden op de naleving van voornoemde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, waarbij de advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan het voorwaardelijke strafdeel dezelfde bijzondere voorwaarden zal verbinden als de politierechter heeft gedaan, met dien verstande dat het aan het gebiedsverbod verbonden elektronisch toezicht zal komen te vervallen.

De verdediging heeft primair integrale vrijsprak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 december 2017 tot en met 20 januari 2018 te Waalwijk, althans in Nederland, [slachtoffer 1] (zijnde zijn ex-partner) en/of [slachtoffer 3] (zijnde zijn dochter) meerdere malen, althans eenmaal, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] (telkens) dreigend de woorden toe te voegen (in de Turkse taal): "Ik maak jullie allemaal af" en/of "Ik ga jullie allemaal vermoorden" en/of "Ik zal die jongen, jullie en mijzelf verbranden ( [voornaam slachtoffer 3] )" en/of "Als je niet doet wat ik zeg, dan verbrand ik die jongen, zijn familie, mijzelf en mijn familie" en/of "Ik maak jullie dood" en/of "Kom naar buiten, jullie gaan het zien", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 december 2017 tot en met 20 januari 2018 te Waalwijk, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk ten overstaan van ( [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of) een of een aantal perso(o)n(en) meerdere malen, althans eenmaal, (schriftelijk en/of mondeling) (in de Turkse taal) dreigend de woorden geuit/gesproken/toegevoegd: "Ik maak je verloofde ( [slachtoffer 2] ) af" en/of "Ik maak hem ( [slachtoffer 2] ) dood" en/of "Ik kom niet naar jullie bruiloft en als ik kom verbrand ik die jongen ( [slachtoffer 2] ) en mijzelf of maak ik die jongen ( [slachtoffer 2] ) dood en mijzelf" en/of "Als ik hem ( [slachtoffer 2] ) tegenkom schiet ik hem echt neer ( [voornaam slachtoffer 3] )" en/of "Ik zal jullie, die jongen ( [slachtoffer 2] ) en mijzelf verbranden" en/of "Ik kom dan naar de bruiloft en schiet hem ( [slachtoffer 2] ) neer en daarna schiet ik mezelf dood" en/of "Of ik maak hem ( [slachtoffer 2] ) dood of hij maakt mij dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en welke dreigende woorden waren gericht aan (het adres van) en/of bestemd voor [slachtoffer 2] .

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Met de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde. Hiertoe overweegt het hof het navolgende.

Het hof stelt voorop dat de persoon aan wie de onder 2 ten laste gelegde bedreiging zou zijn gericht – te weten: [slachtoffer 2] – geen aangifte heeft gedaan en evenmin een getuigenverklaring heeft willen afleggen. Wel bevat het politiedossier op pagina 22 een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] met onder meer de volgende inhoud:

“Op zondag 28 januari 2018 te 15.34 uur werd ik gebeld door [slachtoffer 2] . Hij vroeg mij waarover hij moest getuigen. Ik vertelde aan hem dat er indirect bedreigingen zijn geuit naar hem en dat deze bedreigingen via zijn aanstaande schoonmoeder en [voornaam slachtoffer 3] bij hem terecht waren gekomen. Hij gaf aan dat hij dat inderdaad gehoord had.”

Hoewel het zeer wel mogelijk is dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] (als partners) met elkaar hebben gesproken over de onder 2 ten laste gelegde bedreiging die verdachte blijkens het proces-verbaal van bevindingen op dossierpagina 24 ten overstaan van [slachtoffer 3] heeft geuit, is het hof met de verdediging van oordeel dat op basis van het voorhanden zijnde dossier niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] op enig moment gedurende de ten laste gelegde periode op de hoogte is geraakt van de in de tenlastelegging genoemde bewoordingen. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet komen vast te staan dat deze bedreigende teksten [slachtoffer 2] daadwerkelijk hebben bereikt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof verdachte vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 december 2017 te Waalwijk [slachtoffer 3] (zijnde zijn dochter) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen (in de Turkse taal): "Ik zal jullie verbranden [voornaam slachtoffer 3] " en "Als je niet doet wat ik zeg, dan verbrand ik mijn familie", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

en

hij op 20 januari 2018 te Waalwijk [slachtoffer 1] (zijnde zijn ex-partner) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen (in de Turkse taal): "Ik maak jullie af" en "Ik ga jullie allemaal vermoorden" en "Ik maak jullie dood" en "Kom naar buiten, jullie gaan het zien", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

Algemene overweging

De beslissing dat het bewezen verklaarde door verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Daartoe is – zakelijk weergegeven en op gronden als verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde woorden weliswaar heeft gebezigd, maar dat deze kennelijk niet van een zodanige ernstige aard waren dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zich daadwerkelijk bedreigd hebben gevoeld.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde(n) redelijke vrees kon ontstaan dat hij/zij het leven zou(den) kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.

De in de tenlastelegging (onder 1) genoemde uitlatingen van verdachte zijn in het algemeen bij uitstek geëigend om dergelijke vrees bij de bedreigden op te wekken. Voorts zijn de omstandigheden waaronder die woorden zijn geuit, zoals die naar voren komen in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, dusdanig dat bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] die vrees ook redelijkerwijs kon ontstaan.

Door, onder de omstandigheden zoals die in de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komen, aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] de in de tenlastelegging genoemde woorden toe te voegen heeft verdachte minst genomen welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij hen de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden verliezen. Dat deze woorden in een mogelijk emotionele opwelling zijn geuit, doet daaraan niet af. Derhalve is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

Voor hetgeen overigens door de verdediging naar voren is gebracht, geldt dat dit wordt weerlegd door de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Het hof ziet geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is derhalve strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

Verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De verdediging heeft het hof verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, doch in plaats daarvan te volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel met daaraan verbonden de door de advocaat-generaal gevorderde bijzondere voorwaarden.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof neemt bij het bepalen van de straf in het bijzonder het navolgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich op 23 december 2017 en 20 januari 2018 schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn dochter en ex-partner. Dit handelen van verdachte heeft een gewelddadig karakter en kan in het algemeen tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers leiden. Het hof neemt bij de beoordeling van de ernst van het bewezen verklaarde mede in aanmerking dat de bedreigingen zijn geuit in de familiesfeer respectievelijk de relationele sfeer.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in de eerste plaats acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 6 augustus 2019, waaruit blijkt dat hij reeds tweemaal eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het plegen van soortgelijke misdrijven en dat hij het bewezen verklaarde heeft gepleegd tijdens een lopende proeftijd. Daarnaast heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder de omstandigheden dat verdachte momenteel een baan heeft in een restaurant, dat hij financiële schulden heeft à circa € 10.000,00 en dat hij na het plegen van het bewezen verklaarde geen contact meer heeft gehad met zijn kinderen en ex-partner.

Omtrent de persoon van verdachte is op 16 april 2018 een rapportage Pro Justitia opgemaakt door drs. H.G.M. Kok-Schellekens (gezondheidszorgpsycholoog). In deze rapportage wordt geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens die in diagnostische zin is te omschrijven als een persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken. Dit was ook het geval ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte destijds. Volgens voornoemde deskundige kan vanuit een gedragskundig oogpunt worden gesproken van een verminderde toerekeningsvatbaarheid. Teneinde het recidiverisico te verminderen heeft de deskundige geadviseerd om aan een (eventuele) voorwaardelijke gevangenisstraf een aantal bijzondere voorwaarden te verbinden, te weten een ambulante behandelverplichting, een contactverbod en een locatieverbod. Het hof neemt de overwegingen en conclusies van voornoemde deskundige over, maakt die tot de zijne en acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

Bij de strafoplegging heeft het hof ook rekening gehouden met de omstandigheid dat het hof minder bewezen heeft geacht dan de politierechter en de advocaat-generaal.

Naar het oordeel van het hof kan – gelet op de vorenomschreven ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheid dat verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Gelet op de hiervoor geschetste persoonlijke omstandigheden van verdachte acht het hof het echter niet wenselijk de positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte te doorkruisen door hem een straf op te leggen die zou inhouden dat verdachte terug naar de gevangenis zou moeten. Derhalve zal het hof aan verdachte een gevangenisstraf opleggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (te weten: 7 dagen). Daarnaast zal het hof aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Met oplegging hiervan wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Alle omstandigheden afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 83 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal het hof een aantal bijzondere voorwaarden verbinden, te weten een verplichting voor verdachte zich te gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en een gebiedsverbod voor het hierna te noemen gebied te Waalwijk. Anders dan de politierechter zal het hof aan het gebiedsverbod geen elektronisch toezicht verbinden, nu het hof dit niet noodzakelijk acht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 83 (drieëntachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, RN Advies & Toezichtunit 4 Zuid (gevestigd op het adres: Alleenhouderstraat 25, 5041 LC te Tilburg), zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht;

  • -

    dat de veroordeelde zich uiterlijk binnen 3 (drie) dagen na aanvang van de proeftijd zal melden bij voornoemde reclasseringsinstelling en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die uiterlijk loopt tot het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo frequent en zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht;

  • -

    dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder ambulante behandeling zal stellen bij de GGZ-instantie i-Psy of Esens GGZ of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven, zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht;

  • -

    dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze, direct of indirect, contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] ;

  • -

    dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in het gebied gelegen tussen de volgende straten te Waalwijk: [omschrijving gebied] , in welk gebied is gelegen de woning waarin [slachtoffer 1] woonachtig is (te weten: aan de [adres slachtoffer 1] ), zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht.

Geeft aan de reclassering opdracht tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. M.L.P. van Cruchten en mr. P.J.D.J. Muijen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Y.L.J. Verhoeven, griffier,

en op 17 oktober 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. P.J.D.J. Muijen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.