Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3849

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
200.260.620)01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1345
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 17 oktober 2019

Zaaknummer : 200.260.620/01

Zaaknummers 1e aanleg : C/02/355039 / JE RK 19-252, C/02/345318 / JE RK 18-931 en C/02/355946 / JE RK 19-405

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Akça-Altun,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling en/of de GI.

Deze beschikking gaat over [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- de heer en mevrouw [de pleegouders] (hierna te noemen: de pleegouders, respectievelijk de pleegvader en de pleegmoeder).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar een tweetal beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 24 april 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 juni 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen en de verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing alsnog af te wijzen en het verzoek van de moeder tot opheffing van de ondertoezichtstelling toe te wijzen, althans de verlengingen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor een kortere duur toe te wijzen. Tevens verzoekt de moeder om een deskundige te benoemen ex artikel 810a lid 2 Rv.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 juli 2019, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Akça-Altun;

- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de pleegouders.

De raad is niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 5 april 2019;

  • -

    de brief met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 15 juni 2019;

  • -

    de brief met bijlage van de moeder d.d. 6 juni 2019;

  • -

    de brief van de raad d.d. 22 juli 2019 waarin de raad mededeelt niet ter zitting te zullen verschijnen;

  • -

    de brief met bijlagen van de moeder d.d. 14 augustus 2019.

Na de zitting zijn met toestemming van het hof ingekomen:

  • -

    de brief van de advocaat van de moeder, op 4 september 2019

  • -

    de brief van de GI, op 10 september 2019;

  • -

    het V-formulier van de advocaat van de moeder, op 24 september 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is [minderjarige] geboren. De moeder oefent het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 26 juli 2017 onafgebroken onder toezicht van de GI en zij is sinds die datum op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg. Zij verblijft in een pleeggezin.

3.3.1.

Bij de bestreden beschikking (zaaknummer C/02/355039 / JE RK 19-252) heeft de rechtbank de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om de ondertoezichtstelling met onmiddellijke ingang op te heffen en de machtiging tot uithuisplaatsing in te trekken.

3.3.2.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking (zaaknummers C/02/345318 / JE RK 18-931 en C/02/355946 / JE RK 19-405) heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 26 april 2020 en de aan de GI verleende machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 26 april 2020.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert, samengevat, het volgende aan.

De GI heeft in april 2018 het besluit genomen dat [minderjarige] niet meer bij de moeder geplaatst kan worden. Enkele weken daarna is de moeder begonnen met dwangmedicatie en vanaf dat moment gaat het goed met haar. De psycholoog/psychotherapeut van de moeder, mevrouw [psycholoog/psychotherapeut] , heeft de GI om die reden gevraagd het opvoedbesluit te herzien. De GI heeft echter geen aandacht meer geschonken aan de positieve ontwikkeling van de moeder en steeds afwijzend gereageerd op de verzoeken om [minderjarige] weer bij de moeder te plaatsen. De moeder kan daarom een verzoek tot opheffing indienen. De moeder heeft de GI ook diverse keren gevraagd de omgang uit te bouwen, maar hieraan is geen gehoor gegeven. Hierdoor is de moeder de mogelijkheid ontnomen een hechtingsband met [minderjarige] op te bouwen. Dit is niet aan haar te wijten en het kan de moeder dan ook niet worden tegengeworpen dat [minderjarige] in het pleeggezin is gehecht en dat daarom terugplaatsing bij de moeder niet mogelijk is.

De moeder betwist dat zij [minderjarige] heeft verwaarloosd. Voor de uithuisplaatsing was [minderjarige] een vrolijk kind.

De moeder is in staat om voor [minderjarige] te zorgen. Het toekomstperspectief van [minderjarige] ligt bij de moeder en er moet worden gewerkt naar een terugplaatsing. De moeder heeft een baan en een woning. Er was sprake van een postpartum psychose en daarvan is de moeder helemaal genezen verklaard. Zij slikt hier geen medicijnen meer voor en staat niet meer onder controle van de GGZ. Bij de GGZ is een veiligheidsplan opgesteld en familie en vrienden vormen een vangnet. De moeder is bereid vrijwillig hulpverlening te aanvaarden.

Zij wenst een contra-expertise door een kinderpsycholoog waarbij onderzocht wordt of de ondertoezichtstelling noodzakelijk is en onder welke omstandigheden [minderjarige] terug zou kunnen naar de moeder. Het raadsonderzoek is onvolledig geweest en het rapport is eenzijdig opgesteld. De familie en vrienden van de moeder zijn niet als informant gehoord. De raad is uitgegaan van aannames, te weten dat bij [minderjarige] in het pleeggezin apathisch gedrag is geconstateerd en dat zij hechtingsproblemen heeft gehad, welke door de moeder worden betwist.

3.6.

De GI voert, samengevat, het volgende aan.

De rechtbank heeft in het najaar van 2017 aangegeven dat er snel duidelijkheid moest komen omtrent het perspectief van [minderjarige] . In april 2018 was de aanvaardbare termijn van zes maanden verstreken en gaf de behandelaar van de moeder aan dat de moeder geen vooruitgang liet zien en dat een spoedig herstel niet werd verwacht, hetgeen het uitgangspunt is geweest voor het opvoedbesluit en het verzoek aan de raad onderzoek te doen naar een gezagsbeëindiging. Doordat er daarna bij de moeder wel verbetering is opgetreden, is bij de GI twijfel ontstaan over het opvoedbesluit en dit is bij de raad neergelegd. Indien de raad had aangegeven dat de moeder de opvoeding op zich zou kunnen nemen, had de GI zich daarbij neergelegd. Overigens was op het moment dat het beter ging met de moeder niet meteen duidelijk dat zij volledig zou herstellen. De medicatie zou een jaar voortduren en er bestond bij de GI nog angst voor een terugval. Er is namelijk discussie mogelijk over welke psychose de moeder heeft gehad, omdat er wat tegenstrijdigheden zijn. Volgens de behandelaar van de moeder was het een postpartum psychose waarbij een kleine kans bestaat op een terugval, maar bij een normale psychose bestaat een grote kans op een terugval. Dan is de vraag of er al ingestoken gaat worden op een terugplaatsing of dat dat nog te snel is.

De moeder heeft met de GI gesproken over haar wens om de omgang uit te breiden maar niet om de ondertoezichtstelling te beëindigen. De pleegouders hebben flinke inspanningen moeten verrichten om [minderjarige] bij hen te laten hechten. De eerste zes maanden na de uithuisplaatsing heeft de omgang met de moeder niet kunnen plaatsvinden omdat zij hulpverlening niet toeliet. Na een half jaar heeft de GI deze voorwaarde laten vallen omdat het belang van contact tussen [minderjarige] en de moeder groter was dan het risico op onveiligheid. Vanaf het moment dat de moeder dwangmedicatie kreeg was er een zichtbare verbetering in het verloop van de omgang. De omgang is niet direct uitgebreid toen het beter ging met de moeder en zij daarom vroeg, omdat [minderjarige] een kwetsbaar meisje is en de stappen zorgvuldig genomen moesten worden. Ook had dit te maken met het perspectief van [minderjarige] . Als het perspectief niet meer thuis is dan kan er nog steeds een opbouw in contact zijn maar niet toewerkend naar een plaatsing dus minder intensief. Naar de moeder is onvoldoende duidelijk gecommuniceerd dat voor een uitbreiding van het contact eerst het raadsrapport moest worden afgewacht.

In het pleeggezin heeft [minderjarige] opvallend en niet leeftijdsadequaat gedrag laten zien. Dit gedrag is ook door het consultatiebureau en de GI gezien en besproken met de gedragswetenschapper. Die gaf aan dat dit gedrag atypisch is voor een uithuisgeplaatst kind en wordt gezien bij kinderen die verwaarloosd zijn op sociaal/emotioneel gebied.

De raad heeft een degelijk onderzoek verricht. Naar [minderjarige] zelf heeft nooit een onderzoek plaatsgevonden. Vanuit de visie van de GI is er geen mogelijkheid voor een terugkeer naar de moeder. Het pleeggezin geeft aan dat [minderjarige] een kwetsbaar meisje is, hetgeen blijkt uit het contact dat zij met anderen heeft. Bij een overplaatsing wordt de hechtingsrelatie die [minderjarige] nu met de pleegouders heeft, verbroken en de inschatting is dat [minderjarige] onvoldoende veerkrachtig is om een dergelijke ingrijpende stap op te vangen. Voor [minderjarige] is de pleegmoeder haar veilige haven. Het risico bestaat dat het niet goed gaat bij de moeder. De GI gaat voor het zekere, namelijk dat [minderjarige] op een stabiele en veilige plek verblijft. Er wordt gekeken naar een actieve rol van de moeder in het leven van [minderjarige] waarbij de ontwikkeling van [minderjarige] leidend is.

3.7.

De pleegouders brengen, samengevat, het volgende naar voren. Thuis gaat het goed met [minderjarige] . Zij durft steeds een stapje verder. De bezoekmomenten met de moeder verlopen ook goed en [minderjarige] heeft het dan erg naar haar zin. Ze is inmiddels wel gewend aan de bezoekmomenten en vindt het niet spannend meer. Zodra de moeder weg is, zakt ze wel in omdat het heel intensief is.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Zoals ter zitting aan de moeder, de GI en de pleegouders is voorgehouden, acht het hof zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen ten aanzien van de eventuele terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Het hof zal om die reden – conform het verzoek van de moeder – een deskundigenonderzoek gelasten als bedoeld in artikel 810a Rv. De moeder, de GI en de pleegouders hebben ter zitting hun akkoord gegeven mee te werken aan een dergelijk onderzoek en aangegeven de benoeming van een deskundige aan het hof over te laten. Het hof heeft aangegeven op zoek te gaan naar een deskundige via het NIFP.

Het hof heeft de aan de deskundige te stellen vragen voorgelegd aan partijen en belanghebbenden. De GI heeft het hof in voormeld schrijven, ingekomen op 10 september 2019, bericht in te stemmen met de geformuleerde vragen. De moeder heeft het hof in voormeld schrijven, ingekomen op 4 september 2019, bericht in te stemmen met de door het hof geformuleerde vragen en tevens verzocht een viertal vragen toe te voegen. Het hof zal de door de moeder voorgestelde vragen niet toevoegen, nu het gaat om een onderzoek naar de moeder-dochter relatie en niet naar de pedagogische vaardigheden van de pleegouders en de beantwoording van de door de moeder aanvullend gestelde vragen deels al zal plaatsvinden op basis van de door het hof geformuleerde vragen.

3.8.2.

Van het NIFP heeft het hof bericht ontvangen dat drs. A. Laurijssen-Timmers, registerpsycholoog NIP/Kinder- en Jeugd, correspondentieadres: NIFP [vestigingsplaats] , [adres] , bereid is het verzochte deskundigenonderzoek uit te voeren.

3.8.3.

Het hof vraagt de deskundige onderzoek te doen naar de eventuele mogelijkheden van een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder en wat hierbij in het belang van [minderjarige] is. Het hof wenst graag de volgende vragen beantwoord te zien:

  1. Hoe kan de ontwikkeling en het functioneren van [minderjarige] worden beschreven met als specifiek aandachtspunt de hechting?

  2. Wat zijn de specifieke affectieve en pedagogische behoeften van [minderjarige] ?

  3. Wat zijn de affectieve en pedagogische vaardigheden van de moeder in relatie tot de affectieve en pedagogische behoeften van [minderjarige] ?

  4. Wat zijn de (contra)indicaties voor een (terug)plaatsing bij de moeder? In hoeverre wordt (terug)plaatsing van [minderjarige] bij de moeder in het belang van [minderjarige] geacht?

  5. Indien tot (terug)plaatsing van [minderjarige] bij de moeder wordt overgegaan, is hulpverlening dan aangewezen? Zo ja, voor wie, in welke vorm en waarop dient de hulpverlening gericht te zijn en hoe zullen de betrokkenen zich hier tegenover opstellen c.q. ervan kunnen profiteren?

  6. Hoe zijn, indien tot (terug)plaatsing van [minderjarige] bij de moeder wordt overgegaan, de mogelijkheden van de pleegouders om dit te begeleiden?

  7. Wat zijn de (contra)indicaties voor continuering van het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin?

  8. Indien niet wordt overgegaan tot (terug)plaatsing van [minderjarige] bij de moeder, hoe kan het contact tussen [minderjarige] en de moeder in dat geval worden vormgegeven? Is hulpverlening hierbij aangewezen en zo ja op welke wijze dient die hulpverlening plaats te vinden?

  9. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van [minderjarige] en/of bij eventueel te nemen beslissingen.

3.8.4.

Het hof wijst belanghebbenden erop dat zij wettelijk verplicht zijn mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. Wanneer de medewerking wordt geweigerd kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die het hof geraden acht en zal het hof op basis van hetgeen wel beschikbaar is een beslissing over het verzoek nemen.

3.8.5.

Het aan de deskundige toekomende bedrag, begroot op € 5.402,92 (inclusief btw) te verhogen met reiskosten van € 2,95 per retour km exclusief 21% btw, conform de door de deskundige uitgebrachte offerte, wordt bij de te geven eindbeschikking overeenkomstig de daarvoor krachtens de wet gestelde regelingen ten laste van ’s Rijks kas door de griffier aan de deskundige betaald, bijzondere omstandigheden voorbehouden. Het hof verzoekt de deskundige nadrukkelijk om indien de kosten de offerte te boven mochten gaan of er bovenmatige reiskosten dienen te worden gemaakt, het hof daarover tijdig en voordat nadere kosten worden gemaakt, in te lichten.

3.8.6.

Het hof zal mr. E.L. Schaafsma-Beversluis tot raadsheer-commissaris benoemen, tot wie de deskundige en belanghebbenden zich, door tussenkomst van de griffie, kunnen wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft.

3.8.7.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak aanhouden tot 12 december 2019 pro forma, teneinde het resultaat van het deskundigenonderzoek af te wachten. Belanghebbenden zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op deskundigenonderzoek en het gewenste verdere verloop van de procedure kenbaar te maken.

4 De beslissing

Het hof:

gelast een deskundigenonderzoek te beantwoording van de in rechtsoverweging 3.8.3 geformuleerde onderzoeksvragen nummers 1 tot en met 9;

benoemt tot deskundige: drs. A. Laurijssen-Timmers, registerpsycholoog NIP/Kinder- en Jeugd, correspondentieadres: NIFP [vestigingsplaats] , [adres] ;

verzoekt de deskundige zich in te spannen uiterlijk op na te noemen pro forma datum het deskundigenbericht uit te brengen, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de belanghebbenden, te weten de (advocaat van) de moeder, de GI, de pleegouders en de raad;

stelt de belanghebbenden, te weten de (advocaat van de) moeder, de GI, de pleegouders en de raad vervolgens in de gelegenheid binnen twee weken na ontvangst van het deskundigenbericht daarop schriftelijk te reageren en het gewenste verdere verloop van de procedure kenbaar te maken;

bepaalt dat de kosten die met het onderzoek gemoeid zijn door de Staat worden voldaan;

verzoekt de deskundige, indien de kosten de offerte te boven mochten gaan of er bovenmatige reiskosten dienen te worden gemaakt, het hof daarover tijdig en voordat nadere kosten worden gemaakt, in te lichten;

benoemt mr. E.L. Schaafsma-Beversluis tot raadsheer-commissaris benoemen, tot wie de deskundige en partijen en belanghebbenden zich, door tussenkomst van de griffie, kunnen wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

bepaalt dat de griffier binnen veertien dagen na heden een afschrift van deze beschikking en van het procesdossier aan de benoemde deskundige zal doen toekomen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan tot 12 december 2019 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, H. van Winkel en A.M. van Riemsdijk en is op 17 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.