Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3821

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
200.248.076_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Familie en Jeugdrecht

zaaknummer : 200.248.076/01

zaaknummer rechtbank : C/02/333293 FA RK 17-2923

beschikking van de meervoudige kamer van 17 oktober 2019

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S. van Reeven-Özer te Rijen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.C. Hissink te Tilburg.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 17 juli 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 15 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking.

2.2.

De man heeft op 30 november 2018 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De vrouw heeft op 11 januari 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de man van 19 juni 2019 met bijlagen, ingekomen op

20 juni 2019;

- een brief van de zijde van de vrouw van 28 juni 2019 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een brief van de zijde van de vrouw van 2 juli 2019, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

2.5.

De minderjarige [minderjarige 1] heeft bij brief van 13 mei 2019 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.6.

De mondelinge behandeling heeft op 11 juli 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen hebben tot eind 2005 met elkaar samengewoond.

3.3.

De vrouw en de man zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ),

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ).

3.4.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn door de man erkend. De vrouw en de man oefenen het gezamenlijk ouderlijk gezag uit over de kinderen.

3.5.

Bij beschikking van 25 november 2008 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 1 februari 2009 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 295,- per maand per kind.

3.6.

Deze beschikking is door dit hof vernietigd op 20 oktober 2009 en voorts is bepaald dat de man met ingang van 1 februari 2009 aan de vrouw dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een bedrag van € 228,30 per maand per kind.

3.7.

De man heeft uit zijn huidige relatie nog twee kinderen, te weten: [minderjarige 3] (geboren op [geboortedatum] 2008) en [minderjarige 4] (geboren op [geboortedatum] 2014).

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van 20 oktober 2009, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bepaald op:

- € 103,- per maand per kind over de periode van 1 augustus 2017 tot 1 april 2018;

- € 47,50 per maand per kind over de periode vanaf 1 april 2018 tot 1 augustus 2018;

- € 74,- per maand per kind met ingang van 1 augustus 2018.

4.2.

De vrouw verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de man in eerste aanleg alsnog af te wijzen, onder toewijzing van het zelfstandige verzoek van de vrouw in eerste aanleg, inhoudende dat de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van de kinderen met ingang van 1 juli 2017 nader wordt vastgesteld op een bedrag van € 550,- per maand per kind, dan wel een hogere bijdrage, kosten rechtens.

De grieven van de vrouw zien op de behoefte van de kinderen, de draagkracht van de man, de draagkracht van de vrouw, en de zorgkorting.

4.3.

De man verweert zich hiertegen en verzoekt de vrouw in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dat beroep ongegrond te verklaren en (naar het hof begrijpt in incidenteel hoger beroep) opnieuw rechtdoende bij beschikking zo nodig onder aanvulling van en/of verbetering van gronden de door de rechtbank vastgestelde door de man te betalen kinderalimentatiebijdragen vast te stellen op lagere bedragen dan door de rechtbank vastgesteld een en ander zoals het Hof in goede justitie zal menen te behoren, kosten rechtens.

De grieven van de man in incidenteel hoger beroep richten zich op de behoefte van de kinderen en de overweging dat de nieuwe partner van de man geacht kan worden de helft van de kosten van de kinderen, die zij met de man heeft, voor haar rekening te nemen.

4.4.

De vrouw heeft zich tegen het incidenteel hoger beroep verweerd en verzocht om afwijzing daarvan, kosten rechtens.

4.5.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5. De motivering van de beslissing in het principaal en incidenteel hoger beroep

Wijziging van omstandigheden

5.1.

De vrouw heeft in haar verweer in incidenteel hoger beroep de wijziging van omstandigheden erkend, zodat dit punt niet langer in geschil is. Overigens leveren in dit verband het feit dat de man twee kinderen bij zijn nieuwe partner heeft en de stijging in het inkomen van de vrouw op zichzelf voldoende grond op voor een nieuwe beoordeling van de onderhoudsbijdragen voor de kinderen.

Ingangsdatum

5.2.

De ingangsdatum is tussen partijen niet langer in geschil en het hof zal het verzoek beoordelen met ingang van 1 juli 2017.

Draagkracht man

5.3.

De man is tezamen met de vrouw onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast is de man tezamen met zijn nieuwe partner tevens onderhoudsplichtig voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Bij de berekening van de draagkracht van de man zal daarom ook de draagkracht van de moeder van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] betrokken worden.

5.4.

Gelet op het voorgaande zal het hof de behoefte van de kinderen en de verdeling van de draagkracht beoordelen. Vanwege proceseconomische redenen zal het hof eerst de draagkracht behandelen, alvorens in te gaan op de behoefte.

Inkomsten

5.5.

De vrouw stelt dat de man een hoger inkomen heeft dan hij doet voorkomen. De levensstijl van de man staat niet in verhouding tot het inkomen dat hij zegt te genieten. De man geeft daarbij geen volledige inzage in zijn financiële situatie, en de stukken die hij wel overlegt zijn onvolledig of onbetrouwbaar. Hierdoor is het niet mogelijk de draagkracht van de man exact te becijferen. Uitgegaan moet worden van een fiscaal jaarinkomen van

€ 66.000,-, te vermeerderen met de aanspraak die de man heeft ter zake het vakantiegeld van € 57.280,- en de reguliere vakantietoeslag. Ter zitting bij het hof heeft de vrouw aangegeven dat het fiscaal jaarinkomen van de man opgehoogd moet worden tot tenminste € 84.000,- in verband met de management fee die [de vennootschap 1] van [de vennootschap 2] zou ontvangen.

Mede in verband met de hoge kosten heeft de vrouw ter zitting aangegeven niet langer een deskundigenonderzoek te wensen.

5.6.

De man stelt dat hij volledige inzage heeft gegeven in zijn financiële situatie.

Bovendien is een accountant betrokken geweest bij het opstellen van de jaarcijfers van zijn ondernemingen. Vanwege tegenvallende resultaten heeft de man niet meer het fiscale jaarinkomen dat hij voorheen genoot van € 66.000,-. Op advies van zijn accountant keert de man zichzelf daarom met ingang van 1 april 2018 vanuit de Holding een bedrag uit van

€ 3.750,- per maand bruto, te vermeerderen met vakantiegeld. Daar komt bij dat de man zijn aandeel in [de vennootschap 2] met ingang van 1 augustus 2018 heeft verkocht. De man betwist dat hij een management fee heeft ontvangen. Overigens is de aanspraak die de man zou hebben ter zake het vakantiegeld van ruim € 50.000,- evident foutief berekend, zodat dit buiten beschouwing gelaten dient te worden.

5.7.

Het hof overweegt als volgt. Het hof zal daarbij onderscheid maken in de volgende periodes:

1 juli 2017 tot 1 april 2018

5.8.

Blijkens de jaaropgave 2017 bedroeg het fiscaal jaarloon van de man uit de [de vennootschap 1] (hierna: de Holding) in 2017 € 66.000,-. Dat dit bedrag exclusief 8% vakantietoeslag is, blijkt niet uit de door de man overgelegde jaaropgave van 2017. De stelling van de vrouw dat de man in 2017 een vakantiegelduitkering van € 57.260,- heeft ontvangen, is, gelet op de betwisting door de man, onvoldoende feitelijk onderbouwd. Dat op de salarisspecificatie van 30 april 2017 genoemd bedrag aan (gecumuleerd) vakantiegeld is vermeld, is niet beslissend nu uit voornoemde jaaropgave niet af te leiden valt dat de man daadwerkelijk de door de vrouw bedoelde vakantiegelduitkering heeft ontvangen, gelet op het aangenomen jaarinkomen van de man. Het hof neemt ook in aanmerking dat genoemde vakantiegelduitkering min of meer gelijk is aan het jaarsalaris van de man, hetgeen zeer ongebruikelijk is.

5.9.

De stellingen van de vrouw dat de man zich zelf als dga van de Holding een hoger loon en/of dividend kan uitkeren dan wel tenminste een bedrag € 84.000,- per jaar kan ontvangen, zijnde de management fee die [de vennootschap 2] aan de Holding betaalt voor zijn werkzaamheden voor [de vennootschap 2] , neemt het hof niet over. Uit de door de man overgelegde jaarstukken van de Holding van 2015 t/m 2017 blijkt dat de man in die jaren een loon ontving in de grootte van het jaarloon van 2017 en dat er geen sprake was van winst van de Holding in die jaren. De vrouw heeft in haar beroepschrift vraagtekens gezet bij diverse onderdelen van de jaarstukken van [de vennootschap 2] , in welke werkmaatschappij de man tot 1 augustus 2018 nog een 1/3 belang had, maar nu zij niet inzichtelijk heeft gemaakt tot welk(e) inkomen

(-svermeerdering) van de man een en ander zou moeten leiden, gaat het hof alleen al hierom hieraan voorbij. Voor zover de vrouw bedoelt te stellen dat niet van de cijfers van [de vennootschap 2] kan worden uitgegaan, omdat de cijfers niet betrouwbaar zouden zijn, heeft zij daartoe onvoldoende gesteld. Het feit dat geen register-accountantscontrole heeft plaatsgevonden, leidt in ieder geval, op zich, niet tot die conclusie.

5.10.

Het hof zal dan ook uitgaan van een bruto jaarinkomen van de man van € 66.000,- in deze periode. De grieven 1 en 2 van de vrouw slagen daarom niet.

1 april 2018 - heden

5.11.

De vrouw beoogt met haar derde en vierde grief tegen het oordeel van de rechtbank, dat de man met ingang van 1 april 2018 een lager inkomen heeft, te weten € 3.750,- per maand, te bereiken dat van hetzelfde inkomen van de man als hij vóór 1 april 2018 had, zal worden uitgegaan. Zij voert daartoe aan dat de man zijn salaris met het oog op deze procedure willens en wetens heeft verlaagd. De man heeft zich verweerd en naar het hof begrijpt, aangevoerd dat door de benarde financiële positie van [de vennootschap 2] een verlaging van de management fee noodzakelijk was. Dientengevolge is zijn salaris uit de Holding teruggebracht naar € 3.750,- per maand.

5.12.

Het hof overweegt als volgt. Blijkens het door de man overgelegde uittreksel uit de Kamer van Koophandel van [de vennootschap 2] waren de Holding en [de vennootschap 3] samen bestuurder van [de vennootschap 2] . De man heeft dit ter zitting bevestigd. De man is dga van de Holding en is uit dien hoofde mede bestuurder van [de vennootschap 2] . Uit dien hoofde kon de man dus mee beslissen over het al dan niet verlagen van de aan de Holding te betalen management fee. Dat voor [de vennootschap 2] geen andere keuze restte dan tot verlaging van de management fee over te gaan, heeft de man in het licht van zijn bestaande verplichting om kinderalimentatie te betalen, onvoldoende met stukken onderbouwd. Het had op de weg van de man gelegen om dit inzichtelijk te maken. Nu de man hierin te kort is geschoten zal het hof geen rekening houden met de door de man gestelde inkomensachteruitgang per 1 april 2018. Dit betekent dat het hof voor de berekening van de draagkracht van de man ook vanaf die datum uit zal gaan van een fiscaal jaarinkomen van € 66.000,-. Hiermee slagen de derde en vierde grief van de vrouw.

Netto besteedbaar inkomen

5.13.

Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van partijen het netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens en rekening houdend met de relevante fiscale tarieven en heffingskortingen, becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 3.499,- per maand in 2017 (bijlage 1).

5.14.

De draagkracht wordt vervolgens vastgesteld aan de hand van de formule

70% [ NBI - (0.3 * NBI + € 905)], nu het NBI van de man hoger is dan € 1.575,- per maand. Het hof stelt op basis van voornoemde formule 2017 conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen de draagkracht van de man over 2017 vast op € 1.081,- per maand.

5.15.

Gelet op het feit dat de financiële omstandigheden van de vrouw wijzigen in 2018, zoals na te melden, berekent het hof vanuit praktisch oogpunt hier reeds het NBI en de draagkracht van de man over 2018. Het NBI van de man wordt – op dezelfde wijze als onder 5.10 beschreven - over het jaar 2018 vastgesteld op € 3.507,- per maand (bijlage 2). Dit leidt tot de volgende draagkracht op basis van de draagkrachtformule over het jaar 2018: 70% [ NBI - (0.3 * NBI + € 920)] = € 1.074,93 per maand.

Draagkracht vrouw

Inkomsten

5.16.

De vrouw beoogt met haar vijfde grief aan te tonen dat zij op korte termijn mogelijk minder kan gaan werken vanwege haar medische situatie. Dit houdt volgens de vrouw in dat zij haar werkweek zal moeten bekorten naar drie dagen in plaats van vier. Dit zal onvermijdelijk gaan leiden tot een vermindering van haar inkomen, waar in de berekening van haar draagkracht rekening mee gehouden moet worden.

5.17.

De man voert aan dat hij eerder geen aanleiding heeft gezien de door hem te betalen onderhoudsbijdrage te laten herberekenen, op het moment dat hij ermee bekend werd dat de vrouw inkomen uit arbeid genereerde. Uiteraard moet er nu wel rekening gehouden worden met het inkomen van de vrouw dat zij op dit moment genereert. Met de mogelijke terugval in het inkomen van de vrouw moet geen rekening gehouden worden nu die onvoldoende concreet is gemaakt.

5.18.

Het hof overweegt dat de vrouw onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt of, en zo ja, per wanneer zij mogelijkerwijs minder zou gaan verdienen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vrouw hiertoe geen medische gegevens heeft overgelegd. Met een mogelijke terugval van de arbeidstijd van de vrouw zal het hof dan ook geen rekening houden nu dit een in de toekomst gelegen (onzekere) situatie betreft.

5.19.

Gelet hierop slaagt de vijfde grief van de vrouw niet en zal het hof rekenen met het NBI zoals door de rechtbank in de bestreden beschikking is vastgesteld.

Netto besteedbaar inkomen

5.20.

Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens en rekening houdend met de relevante fiscale tarieven en heffingskortingen, neemt het hof het door de rechtbank becijferde NBI van de vrouw over, inhoudende dat de vrouw in 2017 een NBI heeft van € 2.816,- per maanden en vanaf 1 augustus 2018 van € 2.496,- per maand,

5.21.

Nu de berekening van de draagkracht van de vrouw over deze periodes verder niet in geschil is zal het hof verder uitgaan van de door de rechtbank vastgestelde draagkracht van de vrouw. Over de periode tot 1 augustus 2018 is de draagkracht van de vrouw € 660,- per maand en na 1 augustus 2018 heeft de vrouw een draagkracht van € 504,- per maand.

Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

5.22.

De man grieft in incidenteel appel met zijn eerste grief tegen de door de rechtbank vastgestelde behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 390,- per kind per maand in 2017. De man acht het niet terecht dat de kosten van de kinderen en daarmee hun behoefte is gestegen louter en alleen omdat het inkomen van de man is gestegen. De uitkomst daarvan is onredelijk en onbillijk. De behoefte is gerelateerd aan de financiële situatie in 2009 en de kosten van de kinderen zijn niet gestegen. Bovendien is het inkomen van de man in 2018 gedaald. Uitgegaan moet worden van de behoefte zoals die eerder door het hof is vastgesteld.

5.23.

De vrouw voert aan dat de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat de behoefte van de kinderen dient te worden berekend op basis van het huidige inkomen van de man, nu dit inkomen hoger is dan het gezinsinkomen ten tijde van de samenleving. De behoefte van de kinderen is volgens de vrouw € 691,- per kind per maand in 2017.

5.24.

Naar het oordeel van het hof is de rechtbank terecht en op goede gronden tot de slotsom gekomen dat de behoefte van de kinderen € 390,- per kind per maand in 2017 bedraagt, mede gelet op hetgeen hierover is overwogen in de hierboven opgenomen overwegingen 5.8. tot en met 5.10. betreffende de draagkracht van de man. Het hof volgt de rechtbank in die zin dat een stijging van het inkomen van een ouder, in lijn met de tremanormen (hoofdstuk 3), voor zover dit inkomen door die stijging hoger wordt dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk/de samenleving, in beginsel wel invloed behoort uit te oefenen op de vaststelling van de behoefte: indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van de kinderen zou zijn uitgegeven. Voor het geval het inkomen van één van de ouders het voormalige gezinsinkomen overschrijdt, is daarom dat hogere inkomen van die ouder de maatstaf voor de bepaling van de behoefte van de kinderen. Gelet hierop zal het hof uitgaan van een behoefte van € 390,- per kind per maand. Grief 1 van de man faalt aldus.

Behoefte [minderjarige 4] en [minderjarige 3]

5.25.

Tussen partijen is de behoefte van de kinderen uit de huidige relatie van de man, [minderjarige 4] en [minderjarige 3] , niet in geschil. De behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 3] is door de rechtbank becijferd op

€ 426,50 per kind per maand in 2017.

5.26.

Partijen verschillen wel van mening over de vraag in hoeverre de nieuwe partner van de man dient bij te dragen in de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 3] . De beschikbare draagkracht van de man wordt immers mede bepaald door zijn onderhoudsverplichting voor de kinderen uit zijn huidige relatie. Gelet op de mogelijke invloed van de onderhoudsplicht van de partner van de man jegens [minderjarige 4] en [minderjarige 3] op de verdeling van de kosten van de kinderen tussen de man en de vrouw, betrekt het hof ook de draagkracht van de partner van de man in de beoordeling.

5.27.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad brengt een redelijke wetstoepassing met zich dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit een eerste en een tweede relatie, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte (HR 13 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0451, NJ 1992/178). Indien een ouder een nieuwe relatie is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, dan zal niet alleen rekening moeten worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is om bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust of kan rusten (HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:163).

5.28.

De man heeft in dit verband in incidenteel appel met zijn tweede grief aangevoerd dat niet van zijn huidige partner verwacht kan worden dat zij voor de helft van de kosten bijdraagt. De nieuwe partner werkt parttime en draagt de zorg voor de kinderen. Bovendien heeft ook de vrouw eerst lange tijd de opvoeding van de kinderen gedaan en is zij pas meer recent een inkomen gaan verwerven.

5.29.

De vrouw voert aan dat de man niet heeft onderbouwd waarom de nieuwe partner van de man niet in de helft van de behoefte van de kinderen kan voorzien en dat zij niet in staat is meer inkomen te genereren.

5.30.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de huidige partner van de man de helft van de kosten van de kinderen voor haar rekening kan nemen. De nieuwe partner heeft een inkomen uit parttime werk van € 792,- bruto per maand. Het hof heeft geen aanleiding om van een hoger (fictief) inkomen uit te gaan. Dit leidt tot een minimale draagkracht van € 25,- per kind per maand heeft. Gelet op de hoogte van het gezinsinkomen kan de partner van de man geen aanspraak maken op het kindgebonden budget. De tweede grief van de man in incidenteel appel slaagt aldus ten dele.

Verdeling draagkracht man

Vanaf 1 juli 2017 – 1 augustus 2018

5.31.

Zoals hierboven aangegeven is de draagkracht van de man met ingang van 1 juli 2017 (de ingangsdatum) € 1.081,- per maand, zodat de verdeling van de draagkracht van de man over zijn vier kinderen als volgt schematisch kan worden weergegeven:

Behoefte / totale behoefte x draagkracht = verdeling

[minderjarige 1] € 390,00 / € 1.633,00 x € 1.081,- = € 258,17

[minderjarige 2] € 390,00 / € 1.633,00 x € 1.081,- = € 258,17

[minderjarige 3] € 426,50 / € 1.633,00 x € 1.081,- = € 282,33

[minderjarige 4] € 426,50 / € 1.633,00 x € 1.081,- = € 282,33

€1.633,00

5.32.

Hierbij is de behoefte van ieder kind gedeeld door de totale behoefte (van alle kinderen tezamen) en vermenigvuldigd met de draagkracht van de man.

5.33.

Het hof houdt rekening met het gegeven dat de partner van de man in deze periode een draagkracht heeft van € 25,- per maand per kind om mede in de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te voorzien, gelet op hetgeen hierover onder 5.30. en verder is beschreven.

Gelet op de hiervoor berekende draagkracht van de man voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] van € 282,33 per kind per maand en de draagkracht van de partner van de man van € 25,- per kind per maand, hebben deze ouders tezamen onvoldoende draagkracht om volledig in de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te kunnen voorzien. Dit betekent dat de man zijn eigen aandeel in de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] volledig voor hen dient aan te wenden en er geen sprake kan zijn van enige overheveling ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit leidt er toe dat het aandeel van de man ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 258,17 per maand per kind blijft.

Periode vanaf 1 augustus 2018

5.34.

Zoals hierboven aangegeven heeft de man in 2018 een draagkracht van € 1.074,93 per maand. Na indexering wordt de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2018 afgerond € 396,- per maand per kind. Voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wordt de behoefte na indexering in 2018 afgerond

€ 433,- per maand per kind.

Behoefte / totale behoefte x draagkracht = verdeling

[minderjarige 1] € 396 / € 1.658,00 x € 1.074,93= € 256,74

[minderjarige 2] € 396 / € 1.658,00 x € 1.074,93= € 256,74

[minderjarige 3] € 433 / € 1.658,00 x € 1.074,93= € 280,73

[minderjarige 4] € 433 / € 1.658,00 x € 1.074,93= € 280,73

€1.658,00

5.35.

Ook in deze periode geldt dat de man en de nieuwe partner tezamen niet kunnen voldoen in de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , zodat dit er toe leidt dat het eigen aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanaf 1 augustus 2018 € 256,74 per maand per kind is.

Dit betekent dat de derde grief van de man in incidenteel appel faalt, nu er geen lagere bijdrage wordt vastgesteld.


Draagvergelijking man en vrouw

5.36.

Gelet op het voorgaande is de beschikbare draagkracht van de man voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over de periode vanaf 1 juli 2017 € 258,17 per kind per maand. Na 1 augustus 2018 bedraagt het eigen aandeel van de man € 256,74 per kind per maand.

5.37.

Zoals hierboven beschreven geldt voor de vrouw dat zij over de periode vanaf 1 juli 2017 een draagkracht heeft van € 660,- per maand, ofwel € 330,- per kind per maand. Na 1 augustus 2018 bedraagt de draagkracht van de vrouw € 504,- per maand, ofwel € 252,- per kind per maand.

5.38.

De gezamenlijk (beschikbare) draagkracht van de man en de vrouw tezamen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt, gelet op het voorgaande, over de periode vanaf 1 juli 2017:

€ 258,17 + € 330,- = € 588,17. Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van

€ 390,- per kind per maand te voorzien.

5.39.

De gezamenlijk (beschikbare) draagkracht van de man en de vrouw voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tezamen bedraagt, gelet op het voorgaande, over de periode vanaf 1 augustus 2018:

€ 256,74 + € 252,- = € 508,74. Ook dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 396,- per kind per maand te voorzien.

5.40.

Het hof zal nu ieders draagkracht vergelijken en berekent het aandeel van de man over de periode vanaf 1 juli 2017:

Draagkracht man (€ 258,17) / totale draagkracht man en vrouw (€ 588,17) = 0,44 * behoefte kind per maand van € 390 = € 171,18.

Draagkracht vrouw (€ 330,-) / totale draagkracht man en vrouw ( € 588,17) = 0,56 * behoefte per kind per maand van € 390 = € 218,81.

Over de periode vanaf 1 augustus 2018 is dit:

Draagkracht man (€ 256,74) / totale draagkracht man en vrouw € 508,74 = 0,51 * behoefte kind per maand van € 396,- = € 199,84.

Draagkracht vrouw (€ 252,-) / totale draagkracht man en vrouw € 508,74 = 0,49 * behoefte kind per maand van € 396,- = € 196,15.

Zorgkorting

5.41.

De vrouw betoogt met haar zesde grief dat de rechtbank ten onrechte de zorgkorting op 25% heeft vastgesteld. Volgens de vrouw moet er rekening gehouden worden met een zorgkorting van 5% gelet op het minimale contact dat er nu is tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . [minderjarige 2] heeft haar vader niet meer gezin sinds mei 2018, op een enkele keer na. Ook [minderjarige 1] heeft zijn vader op een aantal momenten na sinds Vaderdag niet meer gezien.

5.42.

De man vindt dat uitgegaan moet worden van een zorgkorting van 15%, omdat er een stimulans moet blijven om de kinderen contact te laten hebben met hun vader.

5.43.

Het hof overweegt dat een zorgkorting van 15% passend is bij de door beide partijen geuite intentie het contact tussen de man en de kinderen herstellen. De grief van de vrouw slaagt derhalve ten dele.

5.44.

Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding, omdat de man en de vrouw tezamen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien.

5.45.

Dit betekent het volgende over de eerste periode (met ingang van 1 juli 2017): nu de behoefte van de kinderen in deze periode € 390,- per kind per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 58,50 per kind per maand. Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage dient te betalen € 171,18 –

€ 58,50 = € 112,68 per kind per maand.

5.46.

Over de periode vanaf 1 augustus 2018 is de behoefte van de kinderen € 396,- per kind per maand, zodat de zorgkorting van 15% een bedrag van € 59,40 beloopt. Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage dient te betalen

€ 199,84 - € 59,40 = € 140,44 per kind per maand.

Terugbetaling

5.47.

De vrouw voert aan niet in staat te zijn nog enig teveel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie aan de man terug te betalen. Zij staat voor hoge schoolkosten voor [minderjarige 1] die zij niet kan voldoen. Ook heeft zij geld moeten lenen en van de spaarrekening van de kinderen moet afhalen om aan alle kosten te kunnen voldoen. Ook [minderjarige 1] heeft aangegeven dat de kinderen in het gezin bij de vrouw in financieel opzicht tekort komen.

5.48.

De man geeft aan dat hij de achterstand ten gevolge van de bestreden beschikking op de door hem te betalen kinderalimentatie inhoudt. De achterstand van de vrouw bedraagt op dit moment nog ongeveer € 3.000,-.

5.49.

Het hof oordeelt dat, voor zover de man met ingang van 1 juli 2017 meer heeft betaald dan de hiervoor vermelde bijdragen, de vrouw het teveel ontvangen bedrag dat op de datum van deze beschikking nog niet door de man is verrekend, niet aan de man terug te betalen nu genoegzaam is gebleken dat de vrouw hiertoe niet in staat is. In de gegeven omstandigheden hoeft dat ook niet van haar te worden verwacht.

Proceskosten

5.50.

Gelet op de aard van deze zaak zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt.

Het hof heeft berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man

gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

5.51.

De tweee aan deze beschikking gehechte berekeningen maken deel uit van deze beschikking.

6 De beslissing

In principaal en incidenteel hoger beroep

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 17 juli 2018 met wijziging van de beschikking van het gerechtshof van 20 oktober 2009;

en in zoverre opnieuw rechtdoende;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 juli 2017 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 112,68 per maand per kind zal betalen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van met ingang van 1 augustus 2018 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 140,44 per maand per kind zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat, zover de man met ingang van 1 juli 2017 meer heeft betaald dan de hiervoor vermelde bijdragen, de vrouw het teveel ontvangen bedrag dat op de datum van deze beschikking nog niet door de man is verrekend, niet aan de man hoeft terug te betalen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, H. van Winkel en S.P.A. Wensink-Vergunst, en is op 17 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.