Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3819

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
200.259.055_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 17 oktober 2019

Zaaknummer: 200.259.055/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/339779 / JE RK 18-1598-3

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. N.J.W.M. de Leeuw,

tegen

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] , locatie [locatie] ,

verweerster,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- mr. [bijzondere curator] , in haar hoedanigheid als bijzondere curator van de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] ;

- [de moeder] , hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. C.A.M.J.M. Joosten.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging [vestiging] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 maart 2019 en naar de beschikkingen van die rechtbank van 28 december 2018 en 24 januari 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 mei 2019, heeft de vader verzocht voormelde beschikking van 7 maart 2019 te vernietigen, met compensatie van de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 20 juni 2019, heeft de bijzondere curator verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, althans het in hoger beroep verzochte als rechtens onbewezen en/of ongegrond af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 25 juni 2019, heeft de moeder verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel het hoger beroep van de vader als ongegrond en/of onbewezen af te wijzen, kosten rechtens.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 september 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. De Leeuw;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

  • -

    de bijzondere curator;

- de moeder, bijgestaan door mr. Joosten;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft op 2 september 2019 buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gesproken met de voorzitter.

Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 7 maart 2019;

- het rapport van de raad van 25 november 2016;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader van 19 augustus 2019;

- de brief met bijlagen van de GI van 23 augustus 2019;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader van 29 augustus 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het - inmiddels ontbonden - huwelijk van de vader en de moeder is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2004 te

[geboorteplaats] .

De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit, die het hoofdverblijf bij de moeder heeft.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 1 april 2011 onder toezicht, aanvankelijk van de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, thans van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 maart 2019 verlengd tot 1 april 2020.

3.3.

Bij beschikking van 22 augustus 2011 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld, waarbij [minderjarige] na een opbouwperiode iedere woensdagmiddag van 13.00 uur tot 17.00 uur bij de vader verblijft, alsmede in de even weken de weekenden vanaf vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur en de helft van de schoolvakanties.

3.4.

Aan de hiervoor vermelde contactregeling tussen [minderjarige] en de vader wordt sinds eind oktober 2017 geen uitvoering meer gegeven.

[minderjarige] en de vader hebben elkaar alleen nog maar ontmoet voor een gesprek onder leiding van de GI op 28 februari 2019.

3.5.

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking heeft de rechtbank - met wijziging in zoverre van de hiervoor onder 3.3. vermelde beschikking van 22 augustus 2011 - de uitoefening van het recht op omgang met ingang van 7 maart 2019 geschorst voor de duur van één jaar, zijnde tot 7 maart 2020.

3.6.

De vader kan zich met deze beschikking niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.

De vader voert, kort samengevat het volgende aan.

Het hoger beroep is met name ingesteld om de procesgang in eerste aanleg door het hof te laten toetsen. De GI heeft juridisch niet juist gehandeld. Verder had de rechtbank de raad moeten verzoeken om een onderzoek naar de omgang in te stellen.

Voorts staat vast dat de contactregeling tussen [minderjarige] en de vader tot het moment van de terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, eind oktober 2017, altijd goed heeft gefunctioneerd. De stelling van de GI dat [minderjarige] gevaar loopt wanneer hij contact met de vader zou hebben, vindt geen steun in de stukken. Ook het verslag van de bijzondere curator bevat geen contra-indicaties voor contact tussen de vader en [minderjarige] . De vader verzoekt om een onderzoek door de raad om hierover volstrekte duidelijkheid te scheppen. Ook een nadere rapportage door de bijzondere curator zou aangewezen kunnen zijn.

Er bestaat verder geen noodzaak voor een schorsing van het contact voor de duur van een jaar. De door de rechtbank uitgesproken schorsing vormt een belemmering voor eventueel contactherstel tussen de vader en [minderjarige] . De vader respecteert het standpunt van [minderjarige] dat hij geen contact met de vader wil hebben tot hij daar weer aan toe is. De vader stelt evenmin de verblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder ter discussie.

Ook het feit dat [minderjarige] de deur naar de vader nog op een kier liet staan, had voor de rechtbank reden moeten zijn om niet over te gaan tot schorsing van het contact.

De vader wijst er verder op dat er sinds de schorsing van het contact nog steeds geen traumabehandeling is ingezet. Hij betwist met klem dat hij bij de raad om een spoeduithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verzocht.

3.8.

De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.

De door de rechtbank uitgesproken schorsing van het contact tussen [minderjarige] en de vader was voor [minderjarige] een opluchting. [minderjarige] heeft specialistische hulp nodig in de vorm van traumatherapie. Een behandeling is niet productief wanneer de vader niet uit beeld is en er allerlei procedures lopen. Het kost tijd om passende therapie voor [minderjarige] te vinden. [minderjarige] heeft het de afgelopen periode op school goed gedaan.

De moeder is onlangs begonnen met traumabehandeling.

De vader heeft het contact met de GI verbroken. Met hem is geen samenwerking meer mogelijk. Bij de vader wordt geen reflecterend vermogen gezien. De vader neemt ook geen stappen om zichzelf te laten onderzoeken.

3.9.

De moeder brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.

Er zijn ernstige contra-indicaties voor contact tussen de vader en [minderjarige] . De moeder betwist dat de contactregeling tussen de vader en [minderjarige] tot diens terugplaatsing bij de moeder goed heeft gefunctioneerd. De vader liet zich tegenover [minderjarige] negatief uit over de moeder en haar gezinssysteem. Daarnaast was er sprake van mishandeling.

De vader is niet in staat het belang van [minderjarige] voorop te stellen. [minderjarige] wil rust. Door de uitspraak van de rechtbank is er ruimte voor traumabehandeling van [minderjarige] . [minderjarige] wil erkenning voor hetgeen de vader hem heeft aangedaan.

3.10.

De bijzondere curator voert, kort samengevat, het volgende aan.

De rechtbank heeft op juiste gronden beschikt. [minderjarige] wil geen contact met de vader, ook niet onder begeleiding. Hij wil erkenning van de vader voor hoe hij bepaalde situaties beleefd heeft. De mening van [minderjarige] moet gerespecteerd worden. Er is op dit moment geen basis voor contactherstel. [minderjarige] heeft eerst traumabehandeling nodig voordat eventueel van contactherstel met de vader sprake kan zijn.

3.11.

De raad bepleit bekrachtiging van de bestreden beschikking. [minderjarige] heeft rust nodig. De ouders doen er in het belang van [minderjarige] goed aan zich hieraan te committeren.

3.12.

Het hof overweegt als volgt.

3.12.1.

Ingevolge artikel 1:265g lid 1 BW kan de rechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

3.12.2.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat aan de contactregeling zoals die in de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 augustus 2011 is vastgelegd, op dit moment geen uitvoering kan worden gegeven. Aan de vader kan worden toegegeven dat de procesgang bij de rechtbank mogelijk niet geheel volkomen is geweest. Echter, wat ook zij van de vraag of de GI haar verzoek tot schorsing van de omgang tussen [minderjarige] en de vader voor de duur van het onderzoek door de te benoemen bijzondere curator in strijd met de eisen van een goede procesorde heeft gewijzigd in een verzoek tot schorsing voor de duur van een jaar, ten gevolge van de nieuwe behandeling bij het hof is dit gebrek geheeld. Immers, in de procedure bij het hof heeft de vader de mogelijkheid om daartegen verweer te voeren en van die mogelijkheid heeft hij ook gebruik gemaakt.

Het hof is van oordeel dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is dat er contact tussen hem en de vader plaatsvindt. Op grond van de stukken en het besprokene ter zitting stelt het hof stelt vast dat de al jaren durende strijd tussen de ouders nog steeds voortgaat en dat [minderjarige] in die strijd klem zit. [minderjarige] , die inmiddels bijna vijftien jaar oud is, heeft tegenover het hof zeer stellig verklaard voorlopig op geen enkele manier contact met de vader te willen hebben. Met de GI, de raad en de bijzondere curator is het hof van oordeel dat [minderjarige] dringend voor zijn trauma behandeld moet worden, voordat er ruimte kan ontstaan om te werken aan een mogelijk verantwoord contactherstel met de vader. Voor deze behandeling heeft [minderjarige] rust nodig. Het hof acht een raadsonderzoek niet aangewezen, nu dit opnieuw spanningen en onrust voor [minderjarige] zal opleveren. Dit geldt ook voor een nader onderzoek door de bijzondere curator. Het hof acht zich overigens ook voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen.

Verder is in het licht van het voorgaande bij het hof de vraag gerezen of het in het belang van [minderjarige] is dat het onderzoek van de raad naar de eventuele oplegging van een gezagsbeëindigende maatregel verder doorgang vindt. Het hof geeft de GI ernstig in overweging dit verzoek omwille van de rust voor [minderjarige] in te trekken. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de vader de voor [minderjarige] noodzakelijke traumabehandeling niet zal blokkeren. Verder bestaat bij het hof twijfel over de vraag of de GI in het belang van [minderjarige] heeft gehandeld door de door de vader aan [minderjarige] geschreven brief van 9 april 2019, waarin de vader terugkomt op het gesprek van 28 februari 2019 en onder meer aangeeft: “Als jij zegt dat je gelukkig bent bij je moeder, dan ga ik daar vanaf nu vanuit. Dan zal ik je geloven, zoals je me gevraagd hebt”, niet aan hem te doen toekomen. De bijzondere curator heeft hierover ter zitting van het hof verklaard dat in haar visie de GI in het belang van [minderjarige] de inhoud van deze brief met hem had moeten delen. Ten slotte dringt het hof er bij de GI op aan om voortaan in aan het hof geschreven stukken feitelijke mededelingen, bij voorbeeld dat de vader bij de raad om een spoeduithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verzocht, tevoren te verifiëren. Ter zitting is gebleken dat van een dergelijk verzoek geen sprake is.

3.13.

Nu uit het voorgaande volgt dat de vader zijn grieven tevergeefs heeft voorgedragen, zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

3.14.

Gelet op de familierechtelijke aard van deze procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 maart 2019, op schrift gesteld op 20 maart 2019;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma - Beversluis, C.D.M. Lamers en J.C.E. Ackermans - Wijn en is op 17 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.