Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3818

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
200.261.831_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:3064, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag van de moeder. Perspectief minderjarige ligt in pleeggezin.

Voogdij dient bij een onafhankelijke derde te liggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 17 oktober 2019

Zaaknummer : 200.261.831/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/260090 / FA RK 19-373

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Metin,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, de gecertificeerde instelling (hierna te noemen: de GI);

  • -

    [pleegouders] (hierna te noemen: de pleegouders).

Deze beschikking gaat over [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op
[geboortedatum] 2014.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 april 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 juli 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - het inleidend verzoek van de raad af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 juli 2019, heeft de GI verzocht om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep dan wel dit verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 september 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Metin;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

  • -

    de pleegouders.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 12 maart 2019;

  • -

    de ter zitting in hoger beroep door mr. Metin overgelegde stukken, te weten: het verslag van Koraal over de periode juni 2017 - maart 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren.

3.2.

[minderjarige] staat (na eerder voorlopig onder toezicht te hebben gestaan) sinds 10 juni 2014 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd op 25 februari 2019 voor de duur van een jaar.

Na al eerder uit huis geplaatst te zijn van 17 juli 2015 tot 9 juli 2017 (na voorlopige machtiging uithuisplaatsing van 13 maart 2014), is [minderjarige] , nadat zij vanaf 9 juli 2017 weer bij de moeder had verbleven, sinds 2 mei 2018 opnieuw uit huis geplaatst. [minderjarige] verblijft sindsdien (eerst op deeltijdbasis en sinds juni 2018 volledig) in het huidige pleeggezin.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder beëindigd en de GI benoemd tot voogd over [minderjarige] .

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

Het is niet aan de moeder te wijten dat [minderjarige] in haar jonge leven al veel instabiliteit en onvoorspelbaarheid heeft gekend. Op een gegeven moment is, omdat de financiën omtrent de uithuisplaatsing niet konden worden geregeld, [minderjarige] door de GI plotseling bij de moeder teruggeplaatst zonder dit voor te bereiden en te begeleiden. De moeder heeft veel trajecten doorlopen en veel hulpverlening gehad. Het doet haar veel verdriet dat er nu wordt gezegd dat zij niet leerbaar is. De moeder is zwanger van haar derde kindje. Naar alle waarschijnlijkheid kan de moeder met haar baby in een moeder-kindhuis worden geplaatst. Zij is verder nog steeds bezig om hulp te krijgen voor haar persoonlijke problematiek, maar dat blijkt gezien de complexiteit van haar problematiek erg lastig te zijn.

De moeder betwist dat zij geen oog heeft voor het belang van [minderjarige] . Ook betwist de moeder dat zij [minderjarige] continue zou vragen bij wie zij liever is.

De moeder ziet dat [minderjarige] het in het pleeggezin goed heeft en zij is zeer te spreken over de pleegouders, met wie zij een goed contact heeft. Zij berust derhalve in de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin. Het is echter onjuist om de laatste juridische band door te snijden. Er wordt ten onrechte voorbij gegaan aan de conclusie van Koraal/Streetwise, waarbij is geadviseerd om de moeder erkenning te geven voor haar rol als moeder.

Indien het gezag niet bij de moeder kan blijven, dan verzoekt zij om de raad onderzoek te laten doen om haar tante als voogdes te benoemen, zodat [minderjarige] bij haar familie betrokken blijft en zij een voogd krijgt, met wie zij vertrouwd is.

3.6.

De raad voert, kort samengevat, het volgende aan.

[minderjarige] heeft in haar leven veel onvoorspelbaarheid gekend, hetgeen overigens niet enkel aan de moeder is te wijten. De moeder en [minderjarige] hebben twee keer een moeder-kindtraject gevolgd, maar deze trajecten zijn voortijdig geëindigd. Verder is er hulp ingezet vanuit verschillende organisaties. Alle hulpverlening ten spijt, heeft dit niet tot het gewenste resultaat geleid. De medewerking van de moeder is onvoldoende gebleken. Gebleken is ook dat de moeder onvoldoende leerbaar is.

Het is belangrijk dat de moeder een rol in het leven van [minderjarige] houdt, maar het perspectief van [minderjarige] ligt in het pleeggezin. Van een ondertoezichtstelling kan geen sprake meer zijn, omdat er niet meer gewerkt gaat worden naar een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder.

De raad heeft enige twijfels bij het huidige standpunt van de moeder, waarbij zij te kennen heeft gegeven te berusten in de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin.

Het is voor [minderjarige] van belang dat haar perspectief wordt veiliggesteld. Een beëindiging van het gezag van de moeder is noodzakelijk.

De moeder trekt de conclusie van Koraal uit haar verband. De conclusie ziet op de periode dat [minderjarige] bij de moeder weer (tijdelijk) thuis was geplaatst.

De door de moeder voorgestelde voogd, haar tante, is een vertrouwenspersoon van de moeder. Het is niet verstandig om haar met de voogdij te belasten, omdat de belangen van [minderjarige] en de moeder uiteen kunnen lopen. Een professional is de aangewezen persoon om de belangen van [minderjarige] te bewaken.

3.7.

De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.

Er is na een eerdere terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder ambulante opvoedondersteuning en systeemtherapie ingezet. Daarnaast heeft de Koraalgroep een diagnostische observatie uitgevoerd. De moeder bleek onvoldoende leerbaar, ondanks alle trajecten die zijn ingezet.
De moeder heeft nog steeds geen hulpverlening voor haar persoonlijke problematiek. Zij heeft langdurige ondersteuning nodig, maar heeft nog geen gepaste hulp gevonden.

Het moeder-kindtraject bij Radar in verband met de komst van het derde kindje van de moeder kan niet doorgaan, omdat er volgens Radar 24 uurs-zorg geboden zou moeten worden, hetgeen niet haalbaar is. Over een traject bij een andere organisatie is de GI niets bekend.

De rust en stabiliteit die [minderjarige] bij de pleegouders ervaart, doet haar goed. Er wordt gezien dat haar gedragsproblematiek afneemt.

Met de raad is besproken om de voogdij bij de tante van de moeder te beleggen. Hier is echter niet voor gekozen, omdat de continuering van de zorg en van de financiering anders bij de tante komt te liggen, hetgeen niet wenselijk wordt gevonden.

3.8.

De pleegouders hebben ter zitting, kort samengevat, het volgende verklaard.

[minderjarige] is een prachtige meid met een duidelijke eigen mening. Zij staat stevig in haar schoenen. Het contact tussen de pleegouders en de moeder is heel goed. Er is regelmatig contact via telefoon of WhatsApp. De pleegouders hebben afgelopen juli op eigen initiatief eenmalig met de moeder afgesproken, zodat de moeder aan [minderjarige] kon vertellen dat zij in verwachting was.

3.9.

Het hof overweegt op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.9.2.

Het hof is van oordeel dat [minderjarige] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.

3.9.3.

[minderjarige] is destijds uit huis geplaatst, omdat de moeder, kort samengevat, niet in staat was om voor haar te zorgen en haar een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden.

Ten tijde van de uithuisplaatsing had [minderjarige] al veel wisselingen van verblijfplaats meegemaakt. Er was bij [minderjarige] sprake van ernstige gedragsproblematiek, maar nu zij in het pleeggezin meer rust en stabiliteit ervaart, neemt deze problematiek af.

[minderjarige] ontwikkelt zich in het pleeggezin heel goed.

Uit de stukken is gebleken dat de moeder, die door verschillende hulpverlenende instanties is onderzocht, bekend is met onvoldoende gediagnosticeerde, waarschijnlijk psychiatrische problematiek. Zij lijdt onder snel circulerende stemmingswisselingen. Daarnaast kan zij manipulatief en onberekenbaar zijn. In het (recente) verleden zijn er veel aanvaringen met haar geweest, hetgeen ook voor de mogelijkheid van omgang met [minderjarige] gevolgen heeft gehad. Op dit moment is de moeder, om overigens voor het hof onduidelijke redenen, er nog steeds niet in geslaagd om gepaste hulp te vinden.

Omdat het de moeder nog niet is gelukt om een behandeling te starten voor haar persoonlijke problematiek, wordt zij, nu deze problematiek mede haar weerslag heeft op de opvoedingsvaardigheden, niet in staat geacht om de opvoeding en verzorging van [minderjarige] op zich te nemen. Het in hoger beroep door de moeder overgelegde (complete) verslag van Koraal over de periode juni 2017 – maart 2018 doet hieraan niet af, nog daargelaten dat in verband met overbelasting van de moeder c.q. de voor [minderjarige] onhoudbare thuissituatie [minderjarige] korte tijd na de verslagperiode weer moest worden uithuisgeplaatst welke situatie nog steeds voortduurt.

Inmiddels is de aanvaardbare termijn, zoals bedoeld in artikel 1:266 BW verstreken. Dit betekent dat er niet meer zal worden gewerkt naar een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder.

3.9.4.

Het is voor [minderjarige] van belang dat zij kan opgroeien in het perspectief biedend gezin, waar zij inmiddels alweer geruime tijd verblijft en waar zij zich positief ontwikkelt, zowel binnen het gezin als op school. Daarnaast is het voor haar van belang dat zij duidelijkheid krijgt over waar zij mag opgroeien. Hiertoe is het noodzakelijk om het gezag van de moeder te beëindigen.

De moeder heeft weliswaar ter zitting verklaard dat zij in de huidige situatie, waarbij [minderjarige] opgroeit bij de pleegouders, berust, maar uit het beroepschrift van juli 2019 blijkt dat de moeder nog steeds de wens heeft om naar een volledige thuisplaatsing toe te werken.

Zelfs indien de acceptatie van de moeder wel onvoorwaardelijk is, dan is er sprake van een nog prille situatie en is het nog zeer onzeker of de moeder op de lange termijn eveneens in deze situatie blijft berusten. Te meer, nu de moeder bekend is met wisselende stemmingen en onberekenbaar, instabiel gedrag. Overigens is, zo daarvan al voldoende is gebleken, de enkele bereidheid van een ouder zich niet te verzetten tegen de uithuisplaatsing van een kind ook niet doorslaggevend bij toewijzing van een verzoek tot gezagsbeëindiging.

3.9.5.

Voor zover de moeder heeft verzocht om de voogdij van [minderjarige] bij haar tante te beleggen kan haar beroep evenmin slagen.

Het belang van [minderjarige] brengt met zich mee dat de voogdij bij de GI blijft, mede, omdat de continuering van het pleeggezin anders in gevaar komt. De gezinsvoogdijmedewerker is al lang bij het gezin betrokken, zodat betrokkene goed in staat is om de belangen van [minderjarige] te behartigen. Het is belangrijk dat de zorg en de financiering daarvan doorlopen. Door de voogdij bij een onafhankelijk, neutraal persoon of neutrale organisatie te beleggen, komt bovendien de vertrouwensband die tussen de moeder en de tante bestaat en die voor de moeder heel belangrijk is, evenmin in gevaar. Overigens heeft de raad gemotiveerd (aanvullend) aangegeven waarom de desbetreffende tante niet in een aanvullend onderzoek is betrokken c.q. behoeft te worden betrokken.

3.10.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 april 2019;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, J.C.E. Ackermans-Wijn en
A.M. van Riemsdijk en is op 17 oktober 2019 door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.E.M. Geertsma-van Ooijen, griffier.