Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3812

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
200.251.832_01 en 200.251.833_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Verdeling huwelijksgemeenschap; waardering eenmanszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Zaaknummers : 200.251.832/01 en 200.251.833/01

zaaknummer rechtbank : C/01/330551 / FA RK 18-573

beschikking van de meervoudige kamer van 17 oktober 2019

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.A. Knopper te Helmond,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.E.G. van Hout te Eindhoven .

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 27 september 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 24 december 2018 in hoger beroep gekomen.

2.2.

De vrouw heeft op 7 maart 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De man heeft op 13 mei 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 30 augustus 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 29 augustus 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man met bijlagen, ingekomen op 30 augustus 2019.

2.5.

De alimentatiekwestie en de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap zijn afgesplitst en ingeschreven onder de zaaknummers 200.251.832/01 (alimentatie) en 200.251.833/01 (afwikkeling huwelijksgemeenschap). De zaken zijn gevoegd behandeld.

2.6.

De mondelinge behandeling heeft op 11 september 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten.

  1. partijen zijn op 21 mei 2010 te [plaats] gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen. Op 2 februari 2018 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend. Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 18 december 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

  2. het minderjarige kind van partijen is [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 (hierna: [minderjarige 1] );

  3. de vrouw heeft een zoon uit een eerdere relatie, te weten [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2003 (hierna: [minderjarige 2] );

  4. de man heeft twee dochters uit een eerder huwelijk met mevrouw [ex-echtgenote van de man] , te weten [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 3] 2001 (hierna: [jongmeerderjarige] ), en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2004 (hierna: [minderjarige 3] );

  5. sedert 1 juni 2017 exploiteert de vrouw de eenmanszaak [eenmanszaak] (hierna: de eenmanszaak). Daarvoor waren partijen beide vennoot van de v.o.f. [v.o.f.] , opgericht op 1 januari 2012.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, onder meer:

- bepaald dat de man € 283,14 per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van [minderjarige 1] met ingang van 2 februari 2018;

- de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap vastgesteld.

4.2.

De man heeft vijf grieven aangevoerd. Deze betreffen de kinderalimentatie (grieven 1 en 2) en de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap (grieven 3 tot en met 5).

De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt:) voor zover hij daartegen grieven heeft gericht en opnieuw rechtdoende:

I. zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te bepalen op € 174,-- per maand, met ingang van 27 september 2018;

II. vast te stellen dat hij een vordering heeft op de vrouw van € 2.372,-- uit hoofde van te veel betaalde hypotheekrente en aflossing ten behoeve van de voormalige echtelijke woning van partijen in de periode van 27 juni 2017 tot en met 13 maart 2018;

III. te bepalen dat de waarde van de eenmanszaak dient te worden vastgesteld op grond van de door de vrouw overgelegde voorlopige resultatenrekening van 31 augustus 2017;

IV. te bepalen dat de auto, Mitsubishi Outlander met kenteken [kenteken] , afzonderlijk in de verdeling dient te worden betrokken voor een bedrag van € 15.000,-- ex BTW.

4.3.

De vrouw heeft in het incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd. Deze grief gaat over de eenmanszaak.

Zij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze de eenmanszaak betreft en opnieuw rechtdoende:

- de waarde van de eenmanszaak op 31 december 2017 vast te stellen op nihil en te bepalen dat partijen in het kader van verdeling van de waarde van eenmanszaak over en weer niets van elkaar te vorderen hebben, dan wel de waarde vast te stellen op een waarde die het hof juist acht.

4.3.1.

De vrouw heeft bij haar voormelde journaalbericht twee aanvullende grieven aangevoerd. Deze gaan over de levering (grief II) en de huurpenningen (grief III) van de garage.

Zij verzoekt aanvullend:

- haar te machtigen tot levering aan haarzelf van de garagebox, staande en gelegen aan de [adres] ( [locatie] ) te [plaats] (hierna: de garagebox), en haar te machtigen alles te doen wat noodzakelijk is om de genoemde garagebox aan haar te leveren;

- te bepalen dat de te geven beschikking in de plaats komt van de voor “eigendomsoverdracht en levering” van de garagebox noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man;

- te bepalen dat zij een vordering op de man heeft van € 650,-- uit hoofde van verdeling van de huuropbrengsten van de garage en te bepalen dat de man binnen vijf dagen na de te geven beschikking dit bedrag aan haar dient te voldoen, maandelijks per de eerste dag van de maand, te vermeerderen met € 50,-- zolang de garage niet aan haar is geleverd, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de datum van de te geven beschikking, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

4.4.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Kinderalimentatie

Ingangsdatum (grief II van de man)

5.1.

De rechtbank heeft bepaald dat de kinderalimentatie verschuldigd is met ingang van 2 februari 2018. Hiertegen keert zich grief II van de man.

5.2.

De man stelt de kinderalimentatie in dient te gaan op de datum van de beschikking van de rechtbank (17 september 2018). Hij voert daartoe aan dat partijen een onderhoudsbijdrage van € 168,-- waren overeengekomen, maar de vrouw daar (tien dagen voor de zitting van de rechtbank) op terug is gekomen.

5.3.

De vrouw stelt dat de rechtbank terecht de ingangsdatum van de kinderalimentatie op 2 februari 2018 heeft bepaald. Zij weerspreekt dat partijen tot vlak voor de zitting van de rechtbank overeenstemming hadden over de hoogte van de kinderalimentatie en dat zij daar op teruggekomen is. Zij wijst er bovendien op dat de man sinds partijen in april 2017 feitelijk uit elkaar zijn gegaan, aan haar geen enkele bijdrage voor [minderjarige 1] heeft voldaan.

5.4.

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Het hof hanteert evenals de rechtbank als ingangsdatum 2 februari 2018, de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, nu niet vast is komen staan dat partijen overeenstemming hadden over de hoogte van de kinderalimentatie – de vrouw betwist dit – en de vrouw haar verzoek om kinderalimentatie op genoemde datum ter beoordeling aan de rechtbank heeft voorgelegd, zodat de man er vanaf dat moment rekening mee heeft kunnen houden dat hij de verzochte bijdrage zou moeten gaan betalen. Grief II van de man slaagt niet.

Verdeling van de draagkracht van de man (grief I van de man)

5.5.

De man is naast [minderjarige 1] onderhoudsplichtig voor [jongmeerderjarige] en [minderjarige 3] . De rechtbank is er, bij gebrek aan inkomensgegevens van mevrouw [ex-echtgenote van de man] , in redelijkheid van uit gegaan dat de helft van de kosten van [jongmeerderjarige] en [minderjarige 3] door de man gedragen dienen te worden. Hiertegen keert zich grief I van de man.

5.6.

De man voert het volgende aan.

Zijn aandeel in de kosten van [jongmeerderjarige] en [minderjarige 3] is hoger dan het bedrag waar de rechtbank van uit is gegaan, te weten € 258,-- per kind per maand. Dit betekent dat zijn aandeel in de kosten van [minderjarige 1] (€ 283,14 per maand) te hoog is vastgesteld.

Hoewel [jongmeerderjarige] inmiddels 18 jaar is geworden, dient (blijkens een bericht van DUO) ook voor haar nog een bijdrage te worden betaald.

Gezien de beperkte inkomsten van mevrouw [ex-echtgenote van de man] en de verdeling van zijn draagkracht over alle drie de kinderen naar rato van hun behoefte, dient zijn bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] vastgesteld te worden op € 174,-- per maand.

De man verwijst naar de in het geding gebrachte jaaropgave over 2017 en de loonstroken van augustus, september en oktober 2018 van mevrouw [ex-echtgenote van de man] (producties 1 en 2). Hij stelt dat hij, ondanks een verzoek daartoe aan mevrouw [ex-echtgenote van de man] , geen recentere gegevens van haar heeft mogen ontvangen.

5.7.

De vrouw voert daartegen het volgende aan.

De man laat ook in hoger beroep na een volledig beeld te geven van de draagkracht van mevrouw [ex-echtgenote van de man] . Zo zijn de meest recente inkomensgegevens van mevrouw [ex-echtgenote van de man] niet in het geding gebracht en evenmin de voorschotbeschikking toeslagen en de aangifte inkomstenbelasting (waaruit is op te maken of mevrouw [ex-echtgenote van de man] bij meerdere werkgevers in dienst is, dan wel een aanvullende uitkering ontvangt).

Een inkomen op bijstandsniveau, zoals dat blijkt uit de in het geding gebrachte stukken, is niet passend bij een moeder met twee tienerkinderen zoals mevrouw [ex-echtgenote van de man] .

Reeds tijdens het huwelijk van partijen was de wettelijke onderhoudsverplichting van de man voor [minderjarige 2] (als stiefouder) en [minderjarige 1] grond voor wijziging van zijn onderhoudsverplichting voor [jongmeerderjarige] en [minderjarige 3] . Het had op de weg van de man gelegen om te toetsen of zijn onderhoudsverplichting voor [jongmeerderjarige] en [minderjarige 3] (nog) aan de wettelijke maatstaven voldoet.

Het in het geding gebrachte samenloopschema (productie 1) is niet volledig, nu de man daarin mevrouw [ex-echtgenote van de man] niet als onderhoudsplichtige voor [jongmeerderjarige] en [minderjarige 3] heeft opgenomen.

5.8.

Het hof is van oordeel dat de man ook in hoger beroep onvoldoende stukken heeft overgelegd om te kunnen beoordelen of en zo ja, met welk bedrag mevrouw [ex-echtgenote van de man] kan bijdragen in de kosten van [jongmeerderjarige] en [minderjarige 3] . De vrouw heeft in haar verweerschrift de daarvoor ontbrekende stukken specifiek benoemd, zodat het op de weg van de man had gelegen die stukken alsnog in het geding te brengen. Voor zover de man stelt dat hij de recentere gegevens, hoewel hij mevrouw [ex-echtgenote van de man] daarom heeft verzocht, niet heeft mogen ontvangen, heeft hij die stelling niet onderbouwd. Dit dient voor zijn rekening en risico te blijven.

Dat mevrouw [ex-echtgenote van de man] , die de zorg heeft voor twee tienerkinderen (met de daaraan doorgaans gepaard gaande hoge kosten) slechts een inkomen op bijstandsniveau zou hebben, acht het hof ook niet zonder meer aannemelijk. Van feiten of omstandigheden die dit anders maken is het hof niet gebleken.

Het hof zal er daarom, evenals de rechtbank, in redelijkheid van uitgaan dat de helft van de kosten van [jongmeerderjarige] en [minderjarige 3] door de man gedragen dienen te worden. Dit leidt tot de verdeling van de draagkracht van de man over alle drie de kinderen naar rato van hun behoefte zoals door de rechtbank (in rov. 2.6.8.) weergegeven. Grief I van de man slaagt evenmin.

Verdeling huwelijksgemeenschap

Hypotheekrente (grief III van de man)

5.9.

De rechtbank heeft het verzoek van de man om vast te stellen dat hij een vordering heeft op de vrouw van € 2.372,-- uit hoofde van te veel betaalde hypotheekrente en aflossing voor de voormalige echtelijke woning in de periode van 27 juli 2017 tot en met 13 maart 2018 afgewezen omdat de man zijn stellingen niet met stukken heeft onderbouwd. Hiertegen keert zich grief III van de man.

5.10.

De man voert ter toelichting op zijn grief het volgende aan. Partijen hadden de afspraak dat vanaf het moment dat de vrouw de woning verliet, zij ieder voor een deel de hypotheekrente en aflossing zouden betalen (de man € 844,-- en de vrouw € 556,--). Omdat de vrouw begin juni 2017 de woning heeft verlaten en deze in maart 2018 is verkocht, hebben partijen ieder dus zeven maanden hun aandeel in genoemde kosten moeten betalen. De vrouw heeft uiteindelijk veel minder betaald dan was afgesproken.

De man verwijst naar producties 8 tot en met 10 (overgelegd bij zijn journaalbericht).

5.11.

De vrouw weerspreekt deze vordering. Zij wijst erop dat er sinds het uiteengaan van partijen nog andere lasten waren, zoals de kosten van [minderjarige 1] en haar (nieuwe) woonlasten, waardoor zij haar door de man gestelde aandeel al helemaal niet kon betalen. Voorts wijst zij erop dat in het overgrote deel van de periode waarop de vordering van de man betrekking heeft, de huwelijksgemeenschap van partijen nog niet was ontbonden.

5.12.

Het hof oordeelt als volgt. Als grondslag voor zijn vordering beroept de man zich enkel op een afspraak die partijen daarover zouden hebben gemaakt. De vrouw heeft het bestaan van deze afspraak weersproken en bewijs van zijn stelling heeft de man niet aangeboden zodat deze niet is komen vast te staan.

Andere grondslagen voor zijn vordering heeft de man niet aangevoerd en daarvan is het hof ook niet gebleken. Met name heeft de man geen beroep gedaan op een hoofdelijke verbondenheid van partijen voor de hypothecaire geldlening en een eventueel daaruit voortvloeiende regresvordering en de gedingstukken bevatten geen aanknopingspunten waaruit het hof dit had moeten of kunnen begrijpen zodat aanvulling van de rechtsgronden op dit punt niet aan de orde kan zijn. De overgelegde bankafschriften van de man hebben immers grotendeels betrekking op de periode vóór de ontbinding van de huwelijksgemeenschap op 2 februari 2018 (slechts één betaling is gedaan in de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap), waardoor regres ook niet aan de orde is. Dit betekent dat zijn vordering zal worden afgewezen. Grief III van de man faalt eveneens.

Eenmanszaak (grief IV van de man en de grief van de vrouw)

5.13.

Grief IV van de man en de grief van de vrouw gaan over de waardering van de eenmanszaak. De rechtbank heeft hierover als volgt overwogen:

“De activa die tot de eenmanszaak behoren die door de vrouw wordt geëxploiteerd, vallen in de gemeenschap en moeten tussen partijen worden verdeeld.

De activa die vermeld staan op de balans die door de vrouw als productie 5c in het geding is gebracht, zullen worden toegedeeld aan de vrouw, tegen de waarde van deze activa op het moment van feitelijke verdeling. Het betreft de inventaris, de vervoermiddelen, de voorraden, de vorderingen op handelsdebiteuren, overige vorderingen en overlopende activa, vorderingsrechten inzake belastingen en premies sociale verzekeringen en de liquide middelen. De vrouw dient derhalve de helft van de waarde van deze activa per peildatum aan de man te voldoen.

Ten aanzien van de kortlopende schulden op naam van de eenmanszaak zijn beide partijen voor de helft draagplichtig.”

5.14.

De man stelt dat voor de waardering van de eenmanszaak aangesloten moet worden bij de voorlopige resultatenrekening van 31 augustus 2017 (hierna: concept jaarstukken) en niet bij de definitieve jaarstukken 2017, nu de vrouw nalaat te onderbouwen waarom de waarde van de voorraad in de definitieve jaarstukken (€ 6.000,--) is gehalveerd ten opzichte van de concept jaarstukken (€ 12.000,--) van welke stukken in eerste aanleg nog werd uitgegaan. Volgens hem zijn de concept jaarstukken de meest “spontane” en kan de vrouw daarna hebben gegoocheld met de cijfers.

5.15.

De vrouw voert daartegen het volgende aan.

Bij de procedure voor de rechtbank waren de definitieve jaarstukken 2017 wegens ziekte van de boekhouder nog niet voorhanden. In de toen overgelegde concept jaarstukken 2017 was de voorraadpositie per 31 december 2016 overgenomen.

Er is daarna niet met cijfers gegoocheld. De waarde van de voorraad, bestaande uit de siliconen, wordt bepaald door de inkoop minus de verkoop.

De vrouw verwijst naar de schriftelijke verklaring van de accountant d.d. 28 augustus 2019 (productie 2, overgelegd bij haar journaalbericht).

Blijkens de definitieve jaarstukken 2017 is de waarde van de eenmanszaak € 18.158,--. In het geval zij de man zal moeten uitkopen, komt dit er feitelijk op neer dat de eenmanszaak te gelde moet worden gemaakt en zij deze dus niet kan voortzetten. Dit zou buitenproportioneel zijn. De eenmanszaak is haar levenswerk en enige bron van inkomsten. Bij een beëindiging ervan komt zij niet in aanmerking voor een WW-uitkering.

Daar komt bij dat de man zich vele goederen die op de balans van de eenmanszaak staan al heeft toegeëigend (zie pt 36 verweerschrift tevens houdende incidenteel appel).

5.15.1.

De man voert hiertegen het volgende aan. Het voortbestaan van de eenmanszaak kan niet als uitgangspunt worden gehanteerd bij de waardering ervan. Uitgangspunt is dat de waarde van de eenmanszaak met hem dient te worden verrekend. Dat zij daartoe thans niet in staat is, heeft de vrouw niet aangetoond. Evenmin heeft zij laten zien in hoeverre zij activiteiten heeft ontplooid om de eenmanszaak gezond te houden. Dit dient voor haar rekening en risico te blijven.

De man weerspreekt dat hij zich goederen die op de balans van de eenmanszaak staan, heeft toegeëigend.

5.16.

Het hof overweegt als volgt.

De rechtbank heeft overwogen dat de activa van de eenmanszaak tussen partijen moeten worden verdeeld. Partijen hebben aan het hof de waarde van de eenmanszaak ter beoordeling voorgelegd.

Het hof stelt voorop dat voor het bepalen van die waarde het tijdstip van de verdeling (waarderingspeildatum) als uitgangspunt geldt. Dit kan anders zijn als partijen een andere datum zijn overeenkomen – dat is in deze zaak niet het geval – of als de redelijkheid en billijkheid daartoe aanleiding geven.

Nu de vrouw de eenmanszaak na de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap heeft voortgezet, brengen de redelijkheid en billijkheid naar het oordeel van het hof mee dat van die datum (van ontbinding van de huwelijksgemeenschap) wordt uitgegaan, zodat de daaruit voortvloeiende winsten en verliezen voor haar rekening en risico komen. Nu de huwelijksgemeenschap op 2 februari 2018 is ontbonden, zal het hof aansluiten bij het financieel verslag over het jaar 2017 waarin de stand van zaken van de onderneming per 31 december 2017 is opgenomen.

Het hof ziet geen aanleiding aan te sluiten bij de concept jaarstukken 2017, zoals de man voorstaat. De vrouw heeft de door de man geplaatste vraagtekens ten aanzien van (de waarde van) de voorraad in de definitieve jaarstukken 2017 voldoende gemotiveerd weersproken. Blijkens de door de vrouw in het geding gebrachte verklaring van de accountant is in de concept jaarstukken 2017 de voorraadpositie per 31 december 2016 overgenomen en is de waarde van de voorraad per 31 december 2017 op basis van de inkopen en verkopen en de aanwezige kilo’s (naar boven afgerond) vastgesteld op € 6.000,--. Waarom de verklaring van de accountant onjuist zou zijn, heeft de man niet aangevoerd. De vrouw heeft aldus voldoende aangetoond dat de werkelijke voorraad eind 2017 ten hoogste € 6.000,-- bedroeg.

Grief IV van de man faalt.

Het hof gaat derhalve uit van de definitieve jaarstukken (het financieel verslag) 2017, waaruit een (intrinsieke) waarde van de eenmanszaak op 31december 2017 blijkt van € 18.158,--. De helft hiervan, derhalve € 9.079,--, is de vrouw verschuldigd aan de man. Het hof zal de eenmanszaak aldus in de verdeling betrekken.

Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat de continuïteit van de eenmanszaak in gevaar komt indien zij dit bedrag aan de man dient te betalen, heeft de vrouw die stelling onvoldoende onderbouwd. Nergens blijkt uit dat er geen liquiditeiten zijn bij de vrouw, in of buiten haar eenmanszaak, groot genoeg om de som van € 9.079,-- te betalen.

Dat de man zich goederen die op de balans van de eenmanszaak heeft toegeëigend, heeft de man voldoende gemotiveerd weersproken. Bewijs van haar stelling heeft de vrouw niet aangeboden, zodat van de beweerde toe-eigening niet kan worden uitgegaan. De grief van de vrouw faalt mitsdien.

Mitsubishi (grief V van de man)

5.17.

De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen vaststaat dat de auto Mitsubishi op de balans staat van de eenmanszaak en om die reden niet afzonderlijk in de verdeling dient te worden betrokken. Hiertegen keert zich grief V van de man.

5.18.

De man stelt dat de Mitsubishi afzonderlijk in de verdeling dient te worden betrokken tegen de marktwaarde (van, zoals ter zitting nader bepaald, € 13.000,-- ex BTW) en niet tegen de boekwaarde (van € 8.500,--).

5.19.

De vrouw brengt daar het volgende tegenin.

Het is niet aan het hof om op de stoel van de ondernemer te gaan zitten. Als de Mitsubishi van de balans gehaald wordt, klopt die balans niet meer. De eenmanszaak is dan niets meer waard.

5.20.

Het hof overweegt als volgt.

De waarde van de Mitsubishi wordt óf via de waardering van de eenmanszaak in de verdeling betrokken óf als afzonderlijk boedelbestanddeel.

Omdat de Mitsubishi als vervoermiddel van de eenmanszaak (tegen boekwaarde) op de balans staat, is deze (in rov. 5.16) via de waardering van de eenmanszaak in de verdeling betrokken. Het hof stelt vast dat de grief van de man niet is gericht tegen de waarde waartegen de Mitsubishi op de balans van het financieel verslag 2017 is opgenomen.

Als de Mitsubishi als afzonderlijk boedelbestanddeel wordt verdeeld, zoals de man voorstaat, betekent dit dat de waarde daarvan bij de waardering van de eenmanszaak buiten beschouwing moet worden gelaten. Over de kwestie welke gevolgen dit heeft voor de waarde van de eenmanszaak, heeft de man nagelaten zich uit te laten. Ter zitting nog gevraagd naar de waarde van de eenmanszaak indien de Mitsubishi van de balans wordt gehaald, is de man het antwoord schuldig gebleven. Derhalve heeft de man, in het kader van de (algehele) verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen, voor de door hem voorgestane afzonderlijke verdeling van de Mitsubishi onvoldoende aanknopingspunten geboden. Grief V van de man faalt.

Levering garagebox en huurpenningen garage (aanvullende grieven II en III van de vrouw)

5.21.

De mondelinge behandeling is enige tijd geschorst geweest teneinde partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg een regeling te bereiken.

Na hervatting van de mondelinge behandeling hebben partijen aan het hof verklaard dat zij met betrekking tot de aanvullende verzoeken van de vrouw overeenstemming hebben bereikt, inhoudende dat:

- de vrouw binnen een week na heden (11 september 2019) aan de man laat weten welke stukken benodigd zijn voor de levering van de garagebox;

- de man binnen een week na ontvangst van het bericht van de vrouw de gewenste stukken aanlevert aan de vrouw;

- de vrouw vervolgens binnen een week een afspraak maakt bij de notaris;

- beide partijen zich verplichten de daarop volgende noodzakelijke uitvoeringshandelingen te verrichten;

- de man binnen een week na heden (11 september 2019) aan de huurders van de garagebox doorgeeft dat per 1 oktober 2019 de huur naar een nader te noemen bankrekening van de vrouw, de man bekend, dient te worden overgemaakt;

- de man de achterstand in de huurpenningen tot en met september 2019 van € 650,-- binnen een week na heden aan de vrouw betaalt;

- indien in de periode na 1 oktober 2019 tot aan de datum van levering van de garagebox nog huurpenningen door de man worden ontvangen, hij de helft daarvan na ontvangst aan de vrouw betaalt.

De grieven II en III van de vrouw behoeven hiermee geen verdere bespreking.

6 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en beslissen als in het dictum van deze beschikking is weergegeven.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

7 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 27 september 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag € 9.079,-- ter zake van de eenmanszaak [eenmanszaak] ;

verstaat dat partijen overeenstemming hebben bereikt omtrent de levering en de huurpenningen van de garagebox zoals weergegeven in rov. 5.21;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, P.P.M. van Reijsen en A.J.F. Manders, bijgestaan door mr. C.M.H.M. van Lent als griffier, en is op 17 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.