Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3773

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
26-11-2019
Zaaknummer
18/00718, 18/00719 en 18/00720
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:6269, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de jaren 2013 tot en met 2014 is de vermogensrendementsheffing op stelselniveau mogelijk in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816). Naar het oordeel van het Hof geldt dat ook voor 2012. Voor ingrijpen van de rechter is echter geen plaats, tenzij een belastingplichtige wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Voor belanghebbende vormt de vermogensrendementsheffing in die jaren geen individuele en buitensporige last, omdat hij over voldoende inkomen uit werk en woning en uit vermogen beschikte om de over de rendementsgrondslag verschuldigde inkomstenbelasting te voldoen.

De verzuimboete wegens het te laat doen van aangifte is terecht, omdat aannemelijk is dat de aangifte door de Belastingdienst na de in de aanmaning gestelde datum is ontvangen.

Wetsverwijzingen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-11-2019
V-N Vandaag 2019/2675
FutD 2019-3142
FutD 2019-3141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00718, 18/00719 en 18/00720

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 8 november 2018, nummers BRE 17/3007, 17/5917 en 17/6103 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aanslagen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Over het jaar 2012 is aan belanghebbende onder aanslagnummer [aanslagnummer] H.26.01 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.683 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.514.

1.2.

Over het jaar 2013 is aan belanghebbende onder aanslagnummer [aanslagnummer] H.36.01 een aanslag in de IB/PVV opgelegd, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.421 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.274. Gelijktijdig is een verzuimboete opgelegd van € 226. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de boete verminderd tot € 49.

1.3.

Over het jaar 2014 is aan belanghebbende onder aanslagnummer [aanslagnummer] H.46.01 een aanslag in de IB/PVV opgelegd, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.021 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.642.

1.4.

Belanghebbende heeft verzocht de aanslagen IB/PVV 2012 en 2013 ambtshalve te verminderen. Dit verzoek is bij voor bezwaar vatbare beschikkingen afgewezen. Belanghebbende heeft tegen deze beschikkingen en de aanslag IB/PVV 2014 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar deze beschikkingen en de aanslag IB/PVV 2014 gehandhaafd.

1.5.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De griffier van de Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.6.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. De griffier heeft een griffierecht geheven van € 126. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Het Hof heeft op 17 juli 2019 partijen verzocht te reageren op de arresten van de Hoge Raad van 14 juni 2019 (ECLI:NL:HR:2019:816, ECLI:NL:HR:2019:911 en ECLI:NL:HR:2019:912).

Belanghebbende heeft bij brief van 9 augustus 2019 een reactie ingediend. De Inspecteur heeft bij brief, ingekomen op 22 augustus 2019, een reactie ingediend.

1.8.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgehad op 25 september 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur] .

1.9.

Belanghebbende heeft op deze zitting een pleitnota overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de pleitnota.

1.10.

Aan het eind van de zitting heeft het Hof heeft het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft voor de jaren 2012, 2013 en 2014 aangiften IB/PVV ingediend. In deze aangiften heeft hij, naast inkomen uit werk en woning, voordeel uit sparen en beleggen aangegeven. Tot de grondslag voor de vermogensrendementsheffing voor de jaren 2012, 2013 en 2014 behoren binnenlandse en buitenlandse bank- en spaartegoeden, aandelen en schulden.

2.2.

Het door belanghebbende aangegeven inkomen uit werk en woning bedroeg:

Jaar

Inkomen uit

werk en woning

2012

€ 55.683

2013

€ 53.421

2014

€ 52.021

2.3.

Rekening houdend met het heffingvrije vermogen van € 21.139 bedroeg de grondslag sparen en beleggen, het forfaitaire rendement en de daarover verschuldigde inkomstenbelasting van belanghebbende:

Jaar

Grondslag sparen en

beleggen

Forfaitair

rendement

(4%)

Verschuldigde inkomstenbelasting (30%)

2012

€ 187.861

€ 7.514

€ 2.254

2013

€ 256.861

€ 10.274

€ 3.082

2014

€ 391.061

€ 15.642

€ 4.692

2.4.

De door belanghebbende genoten rente over zijn bank- en spaartegoeden en genoten bruto-dividenden van zijn beleggingsrekeningen bedroegen:

Jaar

Rente

Bruto-

dividend

2012

€ 968

€ 8.184

2013

€ 785

€ 9.127

2014

€ 442

€ 7.581

2.5.

De Inspecteur heeft belanghebbende op 28 februari 2014 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV over het jaar 2013. Bij brief van 25 maart 2014 is aan belanghebbende daarvoor uitstel verleend tot 1 september 2014. Belanghebbende heeft na een herinnering bij brief van 24 november 2014 een aanmaning tot het doen van aangifte ontvangen. Daarin werd het volgende gesteld: ‘Uw aangifte moet nu uiterlijk 8 december 2014 bij ons binnen zijn’. De aangifte is volgens de Inspecteur op 11 december 2014 door hem ontvangen. Vervolgens heeft de Inspecteur aan belanghebbende op grond van artikel 67a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een verzuimboete van € 226 opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte. De boete is na bezwaar gematigd tot € 49.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is de vermogensrendementsheffing van artikel 5.2, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) in de jaren 2012, 2013 en 2014 in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 van het EP)?

2. Is de bestuurlijke boete terecht opgelegd?

Belanghebbende is van mening dat de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de aanslagen en vernietiging van de boetebeschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Vooraf

4.0.

Bij brief van 27 september 2019 heeft belanghebbende verzocht om nadere stukken in te mogen dienen. Het Hof heeft dit verzoek, dat is aangemerkt als verzoek om heropening van het onderzoek, afgewezen, omdat de brief geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het onderzoek onvolledig zou zijn geweest.

Ten aanzien van het geschil

Wettelijk kader

4.1.

Artikel 1 van het EP luidt als volgt:

‘Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoorde genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.’

4.2.

Artikel 5.2, lid 1, van de Wet IB 2001 (tekst 2012, 2013 en 2014) luidt als volgt:

‘Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 4% (forfaitair rendement) van de grondslag sparen en beleggen. De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen.’

Ten aanzien van de eerste vraag

4.3.

Belanghebbende heeft gesteld dat de vermogensrendementsheffing in de jaren 2012, 2013 en 2014 op stelselniveau in strijd is met artikel 1 van het EP, omdat in die jaren het door de wetgever vastgestelde forfaitaire rendement van 4% niet kon worden behaald. Bovendien is de vermogensrendementsheffing volgens belanghebbende in de jaren 2012, 2013 en 2014 ook op individueel niveau in strijd met voornoemde bepaling omdat de voor het inkomen uit sparen en beleggen gemaakte kosten in zijn geval een extra individuele last vormen van 0,6% ten opzichte van de gemiddelde belastingplichtige die inkomen uit sparen en beleggen geniet. Omdat de vermogensrendementsheffing op stelselniveau en op individueel niveau volgens belanghebbende in de jaren 2012, 2013 en 2014 in strijd is met artikel 1 van het EP, moet het Hof daarvoor rechtsherstel bieden.

4.4.

De Inspecteur heeft aangevoerd dat de Hoge Raad heeft beslist dat mogelijk op stelselniveau sprake is van schending van artikel 1 van het EP, maar dat ingrijpen door de rechter alleen kan plaatsvinden wanneer een belastingplichtige wordt geconfronteerd met een buitensporige last. Volgens de Inspecteur is daarvan in het geval van belanghebbende geen sprake omdat geen feiten worden gesteld waaruit blijkt dat belanghebbende een andere positie inneemt dan andere spaarders of belastingplichtigen die belasting op inkomsten uit sparen en beleggen betalen. Bovendien meent de Inspecteur dat belanghebbende gelet op de hoogte van zijn inkomen en zijn aangehouden banksaldi en aandelen door het betalen van de box 3-heffing niet in een zodanig bijzondere positie is gekomen waardoor sprake is van een individuele bijzondere last.

4.5.

In zijn arrest van 14 juni 2019, nr. 17/05606, ECLI:NL:HR:2019:816 heeft de Hoge Raad beslist dat voor de jaren 2013 en 2014 het door de wetgever in het forfaitaire stelsel van box 3 voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent niet meer haalbaar was zonder dat belastingplichtigen daar (veel) risico voor hoeven te nemen. Mede gelet op het toepasselijke tarief vormt de heffing van box 3 op stelselniveau een schending van artikel 1 van het EP, indien het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement voor de jaren 2013 en 2014 lager is dan 1,2 procent. De Hoge Raad heeft beslist dat de mogelijke schending van artikel 1 van het EP op stelselniveau gepaard gaat met een rechtstekort waarin niet kan worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken. Omdat deze keuzes niet voldoende duidelijk uit het stelsel van de wet zijn af te leiden, past de rechter ten opzichte van de wetgever terughoudendheid bij het voorzien in een dergelijk rechtstekort op stelselniveau. Voor ingrijpen van de rechter is volgens de Hoge Raad dan ook in beginsel geen plaats, tenzij een individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 van het EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, moeten de gevolgen van de heffing van box 3 worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de desbetreffende belastingplichtige. Daarbij vormen het inkomen uit werk en woning en het inkomen uit aanmerkelijk belang een belangrijk aanknopingspunt.

Het Hof is van oordeel dat dit evenzeer heeft te gelden voor het jaar 2012.

4.6.

Het vorenstaande betekent dat het Hof uitsluitend dient te beoordelen of belanghebbende in de jaren 2012, 2013 en 2014 wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. De gronden die betrekking hebben op schending van artikel 1 van het EP op stelselniveau falen reeds om die reden. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende in die jaren over voldoende inkomsten uit werk en woning en uit vermogen beschikte om de over de rendementsgrondslag verschuldigde inkomstenbelasting te kunnen voldoen, zodat de vermogensrendementsheffing in 2012, 2013 en in 2014 voor belanghebbende geen individuele en buitensporige last vormde. Aan dit oordeel doet niet af dat belanghebbende - zoals hij - onweersproken - heeft gesteld voor zijn inkomen uit sparen en beleggen 0,6 procent meer kosten maakte dan andere belastingplichtigen die inkomsten uit sparen en beleggen genoten.

4.7.

Op grond van het voorgaande moet vraag 1 ontkennend worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede vraag

4.8.

Belanghebbende stelt dat de verzuimboete onterecht is opgelegd, omdat de aangifte IB/PVV over 2013 op 7 december 2014 ter post is bezorgd.

4.9.

De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat voor het tijdig indienen van de aangifte over 2013 niet de verzenddatum, maar de ontvangstdatum bepalend is. Omdat de aangifte op 11 december 2014 is ontvangen, is te laat aangifte gedaan zodat de verzuimboete volgens de Inspecteur gerechtvaardigd is.

4.10.

Op grond van artikel 8, lid 1, onderdeel a, van de AWR is ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden de in de uitnodiging gevraagde gegevens op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te leveren of toe te zenden. Naar het oordeel van het Hof is volgens voornoemde bepaling een papieren aangifte gedaan indien deze binnen de door de Inspecteur gestelde termijn ter post is bezorgd. Indien geen aangifte is gedaan, kan de Inspecteur belastingplichtige op grond van artikel 9, lid 3, van de AWR aanmanen tot het doen van aangifte binnen een bepaalde termijn. In de aanmaning van 24 november 2014 is het volgende gesteld: ‘Uw aangifte moet nu uiterlijk 8 december 2014 bij ons binnen zijn’. Het Hof verstaat het in de aanmaning gestelde aldus dat de aangifte op een zodanig tijdstip moet zijn gedaan dat deze op 8 december 2014 door de Inspecteur daadwerkelijk is ontvangen. Gesteld noch gebleken is dat de aanmaning danwel de uitnodiging tot het doen van aangifte door belanghebbende niet dan wel niet tijdig is ontvangen.

4.11.

Op de Inspecteur rust de bewijslast om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit volgt dat de verzuimboete terecht is opgelegd. Naar het oordeel van het Hof is van belang of de aangifte uiterlijk op 8 december 2014 door de Inspecteur is ontvangen. De Inspecteur heeft verklaard dat iedere brief of papieren aangifte die bij de Belastingdienst binnenkomt, op de dag van binnenkomst wordt gestempeld en dat de aangifte, volgens de daarop geplaatste stempel, op 11 december 2014 is ontvangen. Ofschoon de Inspecteur geen nader bewijs van ontvangst van de aangifte heeft overgelegd, acht het Hof de verklaring van de Inspecteur betrouwbaar en aannemelijk. Daarbij is niet van belang dat belanghebbende heeft verklaard dat de aangifte reeds op zondag 7 december 2014 ter post is bezorgd, nu na het verzenden van de aanmaning de verzenddatum niet relevant is, maar de datum van binnenkomst bij de Inspecteur. Met het uitstellen van het ter post bezorgen van de aangifte tot zondag 7 december 2014 heeft belanghebbende het risico aanvaard dat de aangifte na maandag 8 december 2014 en dus te laat door de Inspecteur zou worden ontvangen. Bovendien heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan het feit dat de aangifte door de Inspecteur te laat is ontvangen, niet voor zijn risico zou komen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende te laat aangifte gedaan en is de verzuimboete, na vermindering bij uitspraak op bezwaar, terecht opgelegd.

4.12.

Op grond van het voorgaande moet vraag 2 bevestigend worden beantwoord.

Slotsom

4.13.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.14.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.15.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 10 oktober 2019 door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, A.J. Kromhout en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van P.A. Flutsch, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.