Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3769

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
26-11-2019
Zaaknummer
18/00682 en 18/00683
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:6157, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de bezwaren tegen aanslagen IB/PVV terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat al eerder een bezwaarschrift is ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-11-2019
V-N Vandaag 2019/2679
FutD 2019-3140
V-N 2020/4.16.14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00682 en 18/00683

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] (België),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 1 november 2018, nummer BRE 16/10149 en 16/10150 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslagen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2009 en 2010 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd met de aanslagnummers [aanslagnummer] H.96 en [aanslagnummer] H.06. De aanslagen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Minister voor Rechtsbescherming veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500, in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 255,50 en gelast dat de Minister voor Rechtsbescherming het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 126. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 8 augustus 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en haar gemachtigde [gemachtigde] , alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur] .

1.5.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

De aanslag IB/PVV 2009 heeft een dagtekening van 24 mei 2013. De aanslag IB/PVV 2010 heeft een dagtekening van 29 augustus 2013. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift tegen de aanslagen 2009 en 2010 ontvangen op 20 september 2016. Bij uitspraak op bezwaar van 17 oktober 2016 heeft de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2009 en 2010 terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift, vermindering van de aanslagen en subsidiair, terugwijzing naar de Inspecteur voor een nieuwe uitspraak op bezwaar. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De bestreden aanslagen hebben als dagtekening 24 mei 2013 en 29 augustus 2013. Het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aanslagen is ontvangen op 20 september 2016. De Inspecteur heeft de bezwaren daartegen niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift ruim na het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen.

4.2.

De Rechtbank heeft ten aanzien van de vraag of de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard het volgende overwogen:

“2.5. Belanghebbende heeft hiertegen aangevoerd dat reeds eerder bezwaar is gemaakt. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om deze stelling na de zitting te onderbouwen. Bij brief van 5 juni 2018 heeft belanghebbende een onderbouwing gegeven. Belanghebbende heeft een toelichting gegeven en daarbij opgemerkt dat zij met de toelichting duidelijk wil maken dat de onderhavige bezwaren eigenlijk een noodzakelijk uitvloeisel zijn van eerdere bezwaren/klachten.

De rechtbank overweegt dat dit laatste best het geval kan zijn, maar dat het erom gaat of er eerder een brief is ingediend die als bezwaarschrift tegen een of beide van de bestreden aanslagen had kunnen worden aangemerkt. Uit de meegestuurde documenten blijkt dat niet.

De inspecteur heeft in zijn brief van 16 juli 2018 opgemerkt dossieronderzoek te hebben gedaan naar aanleiding van de gegevens in de brief van 5 juni 2018. In een van de gevonden telefoonnotities is beschreven dat belanghebbende voor de openstaande aanslagen over de jaren 2008 tot en met 2010 bezwaar gaat indienen bij de Belastingdienst. De inspecteur heeft gemeld dat geen bezwaarschift is ontvangen of terug te vinden. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de verklaring te twijfelen. Er kan gelet op het voorgaande niet als vaststaand worden aangenomen dat eerder een bezwaarschrift is ingediend betreffende de jaren 2009 en 2010. Dit komt voor risico van belanghebbende, nu de bewijslast op haar rust dat eerder een bezwaarschrift is ingediend.

2.6.

Belanghebbende heeft overigens geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de termijnoverschrijdingen verschoonbaar zijn op grond van artikel 6:11 van de Awb.”

4.3.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en maakt deze tot de zijne.

4.4.

Belanghebbende doet een beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat de Inspecteur voor het jaar 2011 wel tegemoet is gekomen door ambtshalve vermindering van de aanslag. Belanghebbende meent dat zij erop mocht vertrouwen dat dit ook zou geschieden ten aanzien van het belastingjaar 2010. Het Hof is van oordeel dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat voor het belastingjaar 2011 het verzoek om ambtshalve vermindering (in de vorm van een bezwaarschrift) binnen de vijfjaarstermijn is ingediend (artikel 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001). Voor het belastingjaar 2010 is niet binnen deze termijn een verzoek ingediend.

Slotsom

4.5.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 10 oktober 2019 door L.B.M. Klein Tank, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van I.H.M. Fluitsma, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.