Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3756

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
200.254.688_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek vader gezamenlijk gezag afgewezen vanwege onaanvaardbare risico dat kind klem en verloren raakt tussen de ouders. Artikel 1:253c lid 1 sub a BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 10 oktober 2019

Zaaknummer: 200.254.688/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/299740/FA RK 15-3428

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.F. van Drenth,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L. Stam.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestiging]

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 16 november 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 februari 2019, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het gaat om de afwijzing van zijn verzoek te worden belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] en, opnieuw rechtdoende, zijn oorspronkelijke verzoek om te worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] , alsnog toe te wijzen, met instandhouding van de rest van de beschikking. Kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 april 2019, heeft de moeder verzocht om alle grieven van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 september 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. J.F. van Drenth;

- de moeder, bijgestaan door mr. L. Stam.

2.3.1.

Jeugdbescherming Brabant heeft bij faxbericht van 19 augustus 2019 bericht dat het dossier van [minderjarige] op 23 mei 2019 is afgesloten. Er zal geen vertegenwoordiger van Jeugdbescherming Brabant op de mondelinge behandeling verschijnen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van de advocaat van de moeder van 22 augustus 2017 aan de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, de samenwerkingsovereenkomst en evaluatie: ouderschap blijft (oudergesprekken) van 13 juni 2016, en de brief van de advocaat van de moeder van 15 oktober 2018 (Bijlage 1 t/m 5) aan voornoemde rechtbank, binnengekomen ter griffie op 4 maart 2019 ter completering van de stukken van de eerste aanleg zoals eerder door de vader overgelegd in het kader van het beroepschrift;

- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie [vestiging] , van 4 april 2018, ingekomen ter griffie op 13 maart 2019;

- de bij V6-formulier van 3 september 2019 door de vader ingediende producties ten behoeve van de zitting, binnengekomen ter griffie op 3 september 2019;

- de per fax van 5 september 2019 door de vader bij de griffie van dit hof ingediende WhatsApp-berichten.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben van 2004 tot 2014 een affectieve relatie met elkaar gehad en samengeleefd. Uit de relatie van partijen is geboren de minderjarige:

[minderjarige] , te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009 (hierna: [minderjarige] ). De vader heeft [minderjarige] erkend op [datum] 2009. De moeder heeft het gezag over [minderjarige]

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag afgewezen.

De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de communicatie tussen partijen zeer ernstig is verstoord en dat het de ouders ondanks verschillende (intensieve) hulpverleningstrajecten niet is gelukt de communicatie en samenwerking in het belang van [minderjarige] te verbeteren. Het vertrouwen van de ouders in elkaar is geschaad en zij hebben over opvoedingszaken rond [minderjarige] vaak grote meningsverschillen (gehad). Om tot een betere samenwerking te komen wilde de GI inzetten op hulpverlening bij de ouders vanuit [instelling] , maar deze hulp heeft de vader niet geaccepteerd, althans de vader heeft de zitting willen afwachten.

De rechtbank is van oordeel dat het in de huidige situatie niet mogelijk is om de ouders gezamenlijk het gezag te laten uitoefenen zonder dat het (onaanvaardbare) risico ontstaat dat [minderjarige] klem en verloren raakt tussen de ouders doordat ouders niet in staat zijn om samen tot opvoedingsbeslissingen te komen. Gelet op alle pogingen die reeds zijn gedaan om de oudercommunicatie en de samenwerking te verbeteren is het niet te verwachten dat hierbinnen afzienbare termijn voldoende verbetering zal komen.

3.3.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De vader voert - kort samengevat - het volgende aan.

Verstoorde communicatie tussen ouders is onvoldoende om een ouder zonder gezag niet alsnog met het gezag te belasten. Juist als de vader met het gezag wordt belast kan er constructieve communicatie op gang komen. Het zal de moeder motiveren duidelijker, sneller en inhoudelijk te overleggen met de vader.

Er is geen reden voor de moeder om angst te hebben voor de vader. De vader betwist dominant te zijn. Hij kan wel geëmotioneerd of gefrustreerd raken als met zijn zorgen niets wordt gedaan.

Beide ouders hebben het belang van [minderjarige] voor ogen. Dat samenwerking mogelijk is blijkt uit het feit dat de omgang wordt geregeld en partijen er voor zorgen dat [minderjarige] naar haar hobby’s gaat. De vader ervaart dat de moeder doet/uitvoert wat ze moet doen/uitvoeren. Er moet een afspraak of beslissing zijn. Er zal bij gezamenlijk gezag juist een betere samenwerking tot stand komen, omdat de moeder doet wat ze moet doen. De vader krijgt meer en gemakkelijker toegang tot informatie over [minderjarige] en de moeder zal worden gemotiveerd beter en constructiever met de vader te overleggen, zoals ouders dat behoren te doen.

Partijen hebben geen discussies over vakanties, paspoorten of school. Het enige waar de vader, als het gaat om gezag en de daarmee gepaard gaande plichten en rechten, vragen over heeft gesteld is het medicijngebruik van [minderjarige] . Hij zou [minderjarige] – als het kan – liever zien opgroeien zonder bepaalde medicatie.

3.4.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan.

Gezamenlijke uitoefening van gezag vereist dat ouders samen beslissingen kunnen nemen over de verzorging en opvoeding van hun kind op een wijze die niet belastend is voor het kind en die de veiligheid van het kind niet in gevaar brengt.

Gelet op de geschiedenis van partijen van over en weer procederen, de slechte communicatie en de verschillende zienswijze voor de opvoeding van [minderjarige] , kan niet anders geconcludeerd worden dan dat bij gezamenlijk gezag [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders.

Partijen zitten niet op een lijn met betrekking tot de hulpverlening (medicatie) voor [minderjarige] en ook ten aanzien van vakanties komen partijen er niet samen uit, ook niet met behulp van de jeugdzorgwerker.

Uit jurisprudentie blijkt dat indien ouders niet in staat zijn op ouderniveau met elkaar de communiceren, de rechter het niet in het belang van het kind acht ouders te belasten met het gezamenlijk gezag.

3.5.

Het hof overweegt het volgende.

3.5.1.

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.5.2.

Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn of haar veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden.

3.5.3.

[minderjarige] is bij beschikking van 24 mei 2018 op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld omdat [minderjarige] ernstig klem zat tussen haar ouders en belast werd met de echtscheidingsproblematiek tussen haar ouders. Een van de doelen van de OTS was dat beide ouders een hulpverleningstraject ( [instelling] ) zouden ingaan om de communicatie en samenwerking op ouderniveau te verbeteren. De OTS is beëindigd zonder dat dit doel is behaald. De vader heeft aan de aangeboden hulpverlening in het belang van [minderjarige] niet mee willen werken wegens gebrek aan vertrouwen en omdat hij van mening is dat de oplossing van de problemen moet worden gezocht in gelijkwaardig ouderschap, te weten gezamenlijk gezag.

3.5.4.

De vader stelt in hoger beroep dat de communicatie en samenwerking tussen de ouders thans een stuk beter gaan en verwijst daarvoor naar recente emailberichten tussen de vader en de moeder in de periode juni-augustus 2019.

Het hof onderschrijft deze conclusie van de vader niet nu de inhoud, toon en bejegening over en weer in de door hem overgelegde e-mailberichten onvoldoende blijk geven van een constructieve en respectvolle communicatie op ouderniveau.

Ook het vermogen om afspraken te maken en samen te werken in het belang van [minderjarige] blijkt onvoldoende aanwezig, nu de gezinsvoogd zich in het kader van de ondertoezichtstelling genoodzaakt heeft gezien om, uitsluitend met betrekking tot de vakantieperioden, een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling te doen. De kinderrechter heeft ten aanzien van dit verzoek in een vrij recente beschikking van 2 mei 2019 overwogen dat de ouders er, ondanks al hetgeen er tot nu toe aan professionele hulpverlening is ingezet, niet in slagen tot een sluitend ouderschapsplan te komen, meer specifiek waar dit ziet op omgangsafspraken die voor [minderjarige] duidelijk en voorspelbaar zijn, zodanig dat zij niet betrokken wordt in discussies tussen haar ouders en waarbij haar loyaliteit niet op de proef wordt gesteld. Uit wat op tijdens de mondelinge behandeling door en namens de ouders naar voren is gebracht blijkt, aldus nog steeds de kinderrechter, dat bij hen sprake is van een zodanige discrepantie in hun zienswijze dat dit geen vertrouwen inboezemt dat door hen alsnog overeenstemming zal worden bereikt.

Nu partijen, kennelijk zelfs met de hulp en begeleiding van de gezinsvoogd in het kader van de ondertoezichtstelling, niet in staat zijn over dergelijke praktische aangelegenheden als het vaststellen van een vakantieregeling afspraken te maken, acht het hof het niet reëel te verwachten dat partijen in staat zullen zijn gezamenlijk beslissingen van enig belang over [minderjarige] te nemen.

Het hof neemt hierbij ook in aanmerking dat pas tijdens de mondelinge behandeling duidelijk is geworden dat de vader inmiddels in januari 2019 door de politierechter is veroordeeld voor mishandeling en bedreiging met geweld gericht tegen de moeder respectievelijk de partner van de moeder tot een onvoorwaardelijke werkstraf van 40 uur. De vader lijkt tijdens de mondelinge behandeling de aan deze veroordeling ten grondslag liggende feiten de bagatelliseren, terwijl voor het hof op dit moment niet duidelijk is welke impact deze veroordeling op de samenwerking tussen deze ouders heeft.

Het hof acht in dezen met name ook het medicijngebruik van [minderjarige] een punt van zorg. In het vervolgplan van aanpak OTS van 1 april 2019 valt te lezen dat [minderjarige] aangeeft dat haar hoofd zonder ADHD-medicatie aanvoelt als een tornado. Desondanks heeft zij besloten geen medicatie in te nemen op de dagen dat zijn omgang heeft met vader, omdat zij het graag voor beide ouders goed wil doen. Het gevolg was dat [minderjarige] ging achterlopen op school en dreigde uit de Plusklas te worden gezet. Dit laatste was voor [minderjarige] aanleiding toch door te gaan met de medicatie, maar dan slechts een halve tablet op de woensdagen dat zij naar vader gaat, omdat woensdag ook maar een halve dag school is. Dit is een duidelijke indicatie van het feit dat [minderjarige] klem zit tussen de ouders. Het hof acht het onder de huidige hiervoor geschetste omstandigheden op dit moment niet in het belang van [minderjarige] dat de ouders over het medicijngebruik en over andere belangrijke (gezags)kwesties gezamenlijk beslissingen moeten gaan nemen.

3.6.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

3.7.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie hebben gehad.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 november 2018.

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G Pellis, C.N.M. Antens en H.M.A.W. Erven, en is op 10 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.