Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3751

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
200.261.827_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 10 oktober 2019

Zaaknummer : 200.261.827/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/343314 / JE RK 19-225

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

in deze zaak woonplaats kiezende te [kantoorplaats] op het kantoor van haar advocaat,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.L. Witteveen,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling en/of de GI.

Deze beschikking gaat over [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 april 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 juni 2019, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair voormelde beschikking – naar het hof begrijpt gedeeltelijk – te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI met betrekking tot de machtiging uithuisplaatsing af te wijzen dan wel in duur te bekorten, en subsidiair een nader onderzoek te gelasten op grond van artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Ter zitting van het hof heeft de moeder haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij in plaats van het verzochte deskundigenonderzoek heeft verzocht een bijzondere curator te benoemen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 juli 2019, heeft de GI verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 september 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Witteveen;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2]

Gelijktijdig is ter mondelinge behandeling de zaak (ingeschreven onder zaaknummer 200.261.832/01) tussen de moeder en verweerster met betrekking tot drie andere kinderen van de moeder behandeld, in welke zaak tevens op heden uitspraak wordt gedaan.

De raad is niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 12 juli 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is – voor zover hier van belang – [minderjarige 1] geboren.

3.2.

[minderjarige 1] staat sinds 7 april 2017 onder toezicht van de GI en zij is sindsdien uit huis geplaatst (tot 28 december 2017 in een weekendpleeggezin). [minderjarige 1] verblijft in gezinshuis [gezinshuis] te [plaats] .

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 7 april 2020 en de aan de GI verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot uiterlijk 7 april 2020.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing betreft en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

De moeder wist niet waaraan zij moest voldoen om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] weg te nemen en een uithuisplaatsing te voorkomen, zodat niet kan worden gesteld dat de ontwikkelingsbedreiging niet met een minder ingrijpende maatregel beschermd kon worden. De moeder had zelf opvoedondersteuning vanuit Lunetzorg ingezet en dit verliep goed. Met de juiste hulpverlening is de moeder in staat de zorg voor [minderjarige 1] op zich te nemen.

Lunetzorg kan niet veel zeggen over de interactie tussen de moeder en [minderjarige 1] omdat Lunetzorg weinig bij de moeder is geweest op momenten dat [minderjarige 1] er ook was. Vraagkracht geeft aan dat zij niets kunnen zeggen over de leerbaarheid van de moeder. In het onderzoek van Keinder is de moeder niet meegenomen voor een thuisplaatsing en er heeft maar één observatie plaatsgevonden. Dat onderzoek trekt geen conclusies over de leerbaarheid van de moeder en haar opvoedvaardigheden, zodat niet kan worden gesteld dat de moeder niet aansluit bij de opvoedbehoefte van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is ook niet meegenomen in dit onderzoek. Nu de GI geen onderzoek verricht naar de moeder wordt gehandeld in strijd met internationale verdragen.

[minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij naar huis wil. Het gaat niet zo heel goed met haar, aangezien zij 15 paracetamols heeft ingenomen. Hierdoor roept hetgeen [minderjarige 1] heeft verklaard vraagtekens bij de moeder op; het is niet zo dat de moeder niet gelooft wat [minderjarige 1] zegt. In april heeft [minderjarige 1] tegen de moeder gezegd dat ze het nooit gaan winnen van de GI. De moeder denkt dat [minderjarige 1] daarom aangeeft dat zij in het gezinshuis wil blijven, dat zij rust wil en dat zij wil dat de procedures stoppen. Er zijn veel mensen waaraan [minderjarige 1] loyaal wil zijn en door het weinige contact tussen de moeder en [minderjarige 1] is de moeder naar de achtergrond verdwenen. Als [minderjarige 1] bij de bijzondere curator aangeeft dat zij in het gezinshuis wil blijven, dan zal de moeder zich daarbij neerleggen.

3.6.

De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.

Het gaat goed met [minderjarige 1] in het gezinshuis en zij wil daar blijven. [minderjarige 1] voelt zich vaak niet begrepen door de moeder. Uit zelfbescherming geeft zij aan dat zij alleen nog begeleide bezoeken wil. Er heeft al uitgebreid onderzoek plaatsgevonden naar de opvoedvaardigheden van de moeder. Naast de GI, zijn Lunetzorg en Vraagkracht betrokken geweest. De moeder heeft geen inzicht in haar persoonlijke problematiek, zij ziet niet in wat haar doen en laten voor effect op [minderjarige 1] heeft en zij beschikt over onvoldoende opvoedvaardigheden. Het lukt niet om de samenwerking met de moeder aan te gaan en er wordt geen gehoor gegeven aan afspraken. Dat alles bij elkaar maakt dat is vastgesteld dat [minderjarige 1] niet terug kan naar de moeder. De hele procedure heeft al heel veel impact gehad op de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] en haar welbevinden. Als er een bijzondere curator wordt benoemd krijgt [minderjarige 1] nog niet de rust waarom zij vraagt.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Het hoger beroep is niet gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] .

3.7.2.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.7.3.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.7.4.

Aan de hand van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat in het gezin sprake is van een lange hulpverleningsgeschiedenis. Bij de moeder is sprake van persoonlijke problematiek. De moeder is onvoorspelbaar in haar gedrag waardoor het moeilijk is om afspraken met haar maken. Zij beschikt niet over voldoende probleeminzicht, ziet niet in wat haar persoonlijke problematiek voor invloed op [minderjarige 1] heeft en zij beschikt niet over voldoende opvoedcapaciteiten. Ondanks de inzet van verschillende hulpverleningsinstanties, is de situatie niet verbeterd. [minderjarige 1] heeft hierdoor onvoldoende rust, structuur en duidelijkheid kunnen ervaren. Zij heeft bij de moeder geparentificeerd gedrag vertoond en is in de thuissituatie bij de moeder verwaarloosd. [minderjarige 1] is gediagnosticeerd met een hechtingsstoornis. Alle acht de kinderen van de moeder zijn uit huis geplaatst en het gezag van de moeder over haar oudste twee kinderen is beëindigd. De moeder is niet in staat [minderjarige 1] de opvoedsituatie te bieden die zij nodig heeft.

Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige 1] nadrukkelijk kenbaar gemaakt dat zij in het gezinshuis wil blijven. Zij vindt het fijn om daar te wonen. Zij voelt zich daar welkom en op haar gemak. [minderjarige 1] wil rust. De procedures en het feit dat de moeder het gevecht blijft aangaan om [minderjarige 1] thuis te krijgen brengen veel onrust en spanningen mee, waardoor [minderjarige 1] zich moeilijker kan concentreren en het moeizamer op school gaat. [minderjarige 1] wil zelf dat de omgang met de moeder begeleid plaatsvindt.

Op grond van de overgelegde stukken, het uitgebreide kindgesprek en hetgeen de GI naar voren heeft gebracht, ziet het hof geen noodzaak voor het benoemen van een bijzondere curator. [minderjarige 1] haar stem is voldoende gehoord.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b lid 1 BW.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 april 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, J.C.E. Ackermans-Wijn en M.L.F.J. Schyns en is op 10 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.