Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3628

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
22-11-2019
Zaaknummer
18/00466
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:3226, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Verwijzingszaak. De procedure gaat over een ter zake van het jaar 2010 aan belanghebbende opgelegde aanslag IB/PVV. Het Hof dient na verwijzing onderzoek te doen naar de hoogte van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen en – in dat verband – het beroep van belanghebbende op artikel 8:42, lid 1, van de Awb opnieuw te beoordelen. In de procedure na verwijzing is tussen partijen niet meer in geschil dat de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingediend voor zover deze betrekking hebben op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Met betrekking tot het belastbare inkomen uit sparen en beleggen bestaat uitsluitend nog verschil van mening over de waardering van de tot de rendementsgrondslag behorende bedrijfspanden. Het Hof gaat bij deze beoordeling uit van de door Hof Arnhem-Leeuwarden vastgestelde omkering en verzwaring van de bewijslast. De door de Rechtbank aan de bedrijfspanden toegekende waarde van € 71.175.675 is niet onredelijk of willekeurig. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat deze waarde te hoog is.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-11-2019
V-N Vandaag 2019/2686
FutD 2019-3138
V-N 2020/4.16.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00466

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland te Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 16 juni 2016, nummers AWB 15/5799 en 16/2678, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 209.972, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.700 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.113.818 (hierna: de aanslag). Gelijktijdig met de aanslag is aan belanghebbende bij beschikking een bedrag van € 55.125 aan heffingsrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikking) en een vergrijpboete van € 36.309 opgelegd (hierna: de boetebeschikking).

1.2.

Na tegen de aanslag, de rentebeschikking en de boetebeschikking gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur deze gehandhaafd bij, in één geschrift vervatte, uitspraken op bezwaar.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft, voor zover in de onderhavige procedure relevant, bij uitspraak van 16 juni 2016 (hierna: de uitspraak van de Rechtbank) het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslag IB/PVV 2010 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 762.997 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 731.573, de rentebeschikking dienovereenkomstig verminderd, de boetebeschikking verminderd tot € 17.254, het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de kosten van het bezwaar en het geding bij de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende tot een bedrag van € 2.601 en de Inspecteur gelast aan belanghebbende het door laatstgenoemde ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 te vergoeden.

1.4.

Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij Hof Arnhem-Leeuwarden. Aan dit hoger beroep is het kenmerk 16/00695 toegekend. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van Hof Arnhem-Leeuwarden van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij uitspraak van 17 januari 2017 (hierna: de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden) het hoger beroep ongegrond verklaard, het incidentele hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de aanslag en de rentebeschikking, de uitspraken op bezwaar inzake de aanslag en de rentebeschikking vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 840.642 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 731.573, de rentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende in hoger beroep heeft gemaakt om zich te weren tegen het door de Inspecteur ingediende incidentele hoger beroep vastgesteld op € 1.984.

1.5.

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Hoge Raad van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Hoge Raad heeft bij arrest van 17 augustus 2018, nr. 17/00879, ECLI:NL:HR:2018:1319, BNB 2018/170 (hierna: het verwijzingsarrest), het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd met uitzondering van de beslissing omtrent de proceskosten ter zake van het incidentele hoger beroep, gelast dat de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) aan belanghebbende het door laatstgenoemde ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124 vergoedt en de Staatssecretaris veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op € 1.503. Voorts heeft de Hoge Raad het geding verwezen naar Hof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest. Het Hof dient onderzoek te doen naar de hoogte van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen en – in dat verband – het beroep van belanghebbende op artikel 8:42, lid 1, van de Awb opnieuw te beoordelen.

1.6.

De Inspecteur heeft – na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld door het Hof – bij brief met dagtekening 12 september 2018 een schriftelijke conclusie met bijlagen (schermprints en taxatiedossiers) naar aanleiding van het verwijzingsarrest ingediend. Belanghebbende is door het Hof in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het verwijzingsarrest en de door de Inspecteur ingediende conclusie. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief met dagtekening 16 oktober 2018.

1.7.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 13 juni 2019 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende noch zijn gemachtigde zijn verschenen, waarvan hij voorafgaande aan de zitting het Hof kennisgeving heeft gegeven.

1.9.

De Inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof. De Inspecteur heeft voorafgaande aan de zitting een afschrift van deze pleitnota aan het Hof en aan de wederpartij doen toekomen. Dit afschrift heeft het Hof eerst na de zitting, maar wel op 13 juni 2019, ontvangen.

1.10.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

De Rechtbank heeft – voor zover in de onderhavige procedure relevant – de hierna opgenomen niet-bestreden feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

“(…)

2. Eiser heeft over het jaar 2010 aangifte IB/PVV gedaan naar de volgende bedragen:

inkomen uit werk en woning

- loon tegenwoordige arbeid

87.616

- loon vroegere arbeid

9.508

- aftrek eigen woning

25.302

-/-

- pga box 1

1.500

-/-

70.322

inkomen uit sparen en beleggen

- gemiddelde bezittingen

66.420.842

- gemiddelde schulden

62.031.295

- aandeel eiser in gemiddelde rendementsgrondslag

4.045.463

- voordeel uit sparen en beleggen

161.818

3. Bij brief van 18 november 2013 heeft verweerder aangekondigd van de ingediende aangifte af te wijken en heeft verweerder aangekondigd voornemens te zijn een vergrijpboete op te leggen. De correcties ten opzichte van de aangifte houden het volgende in:

inkomen uit werk en woning

- volgens aangifte

70.322

- correctie tbs kantoorruimte [adres 1]

79.650

- correctie staking tbs kantoorruimte [adres 1]

60.000

gecorrigeerd inkomen box 1

209.972

inkomen uit aanmerkelijk belang

correctie i.v.m. vaststellings-overeenkomst 2002-2007

2.700

inkomen uit sparen en beleggen

- gemiddelde bezittingen vlgs aangifte

66.420.842

- correctie gemiddelde waarde verhuurde onroerende zaken

32.500.000

- correctie saldo buitenland (onttrekking [H] )

16.000.000

gecorrigeerde gemiddelde bezittingen

114.920.842

gemiddelde schulden vlgs aangifte

62.031.295

gecorrigeerd aandeel eiser in gemiddelde rendementsgrondslag

52.845.463

gecorrigeerd voordeel uit sparen en beleggen

2.113.818

De vergrijpboete bedraagt 50% van de verschuldigde belasting over de correcties wegens de terbeschikkingstelling van het kantoorpand.

4. Met dagtekening 30 november 2013 is de aanslag IB/PVV 2010 overeenkomstig de brief van 18 november 2013 opgelegd.

5. Hiertegen heeft eiser bij brief van 4 december 2013 bezwaar gemaakt. (…)”.

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.1.

De Inspecteur heeft het door belanghebbende tegen de aanslag, rentebeschikking en boetebeschikking gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.2.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing van de Inspecteur. Voor zover in de onderhavige procedure relevant heeft de Rechtbank de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 762.997 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 731.573, met dien verstande dat de Rechtbank het tot de rendementsgrondslag behorende vastgoed heeft gewaardeerd op een bedrag van, in totaal, € 76.671.500.

2.3.

[A] – de toenmalige accountant van belanghebbende – heeft een rapport met dagtekening 23 maart 2010 en de titel “rapport van bevindingen” opgesteld (hierna: [het rapport A] ). Voor zover in de onderhavige procedure relevant is het navolgende opgenomen in [het rapport A] :

“(…) Het doel van deze opdracht tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden is het verrichten van die werkzaamheden die wij met u zijn overeengekomen en het rapporteren over de feitelijke bevindingen. Aangezien wij slechts verslag doen van feitelijke bevindingen uit hoofde van de overeengekomen werkzaamheden betekent dit dat op het in de vermogensopstelling opgenomen cijfermateriaal en toelichtingen geen accountantscontrole is toegepast en dat evenmin een beoordelingsopdracht is uitgevoerd. Dit houdt in dat aan onze rapportage geen zekerheid kan worden ontleend omtrent de getrouwheid van het in de vermogensopstelling opgenomen cijfermateriaal en toelichtingen daarop.

Het is de bedoeling dat u zelf een oordeel vormt over de werkzaamheden en over de in dit rapport weergegeven bevindingen en op basis daarvan uw eigen conclusie trekt. Wij wijzen u er op dat indien wij aanvullende werkzaamheden zouden hebben verricht of een controle- of beoordelingsopdracht zouden hebben uitgevoerd, wellicht andere onderwerpen zouden zijn geconstateerd die voor rapportering in aanmerking zouden zijn gekomen.

(…)

Verrichte werkzaamheden

Wij hebben de volgende werkzaamheden verricht:

1. Wij zijn nagegaan in hoeverre de onroerende zaken zoals opgenomen in het door u opgestelde vermogensoverzicht in uw eigendom zijn. Dit is gedaan op basis van uittreksel uit het kadaster.

2. De waardebepaling van het onroerend goed hebben wij geverifieerd met opgaven Waardering Onroerende Zaken (WOZ), huurgegevens en waarderingsrapporten;

3. De overige bezittingen hebben wij geverifieerd met onderliggende documentatie.

(…)

De vermogenspositie is opgesteld naar de situatie per 15 maart 2010. (…)”.

2.4.

Als bijlage bij [het rapport A] is een “vermogensopstelling activa [belanghebbende] , per 15 maart 2010” gevoegd. In dit rapport is het totale vermogen (inclusief schulden) van belanghebbende per 15 maart 2010 gewaardeerd op een bedrag van € 46.199.000, met dien verstande dat de waarde van het onroerend goed in Nederland op een bedrag van ongeveer € 92.000.000 is bepaald.

2.5.

Tot de gedingstukken behoren taxatierapporten die in opdracht van de Inspecteur, door interne waarderingsdeskundigen, zijn opgesteld. Deze taxaties zijn niet gebaseerd op inpandige opnames.

2.6.

Naar aanleiding van het verwijzingsarrest heeft de Inspecteur in de procedure na verwijzing afschriften overgelegd van de aan deze taxaties ten grondslag liggende taxatiedossiers. De Inspecteur heeft in de procedure na verwijzing voorts schermprints overgelegd van WOZ-beschikkingen die afgegeven zijn ter zake van de tot de rendementsgrondslag behorende onroerende zaken.

2.7.

Door [B] is, in opdracht van belanghebbende, een taxatierapport opgesteld waarin een groot aantal panden is getaxeerd naar de waarde per 30 november 2011.

2.8.

[C BV] hebben voorts diverse panden getaxeerd naar de waarde per respectievelijk 3 mei 2012, 20 juni 2012 en 9 maart 2016.

2.9.

In een brief van de [bank] met dagtekening 24 september 2014 is, voor zover in de onderhavige procedure relevant, het navolgende opgenomen:

“(…) Op uw verzoek vermelden wij tevens door ons op 1 augustus 2014 getaxeerde waarden van de diverse panden waar de bank een 1e hypotheek houdt:

- [adres 2] , [plaats 1] : EUR 2.365.759

- [adres 3] , [plaats 2] : EUR 1.624.659

- [adres 4] , [plaats 1] : EUR 2.515.684

- [adres 5] , [plaats 1] : EUR 1.700.756

- [adres 6] , [plaats 3] : EUR 5.571.374

(…)”.

2.10.

In een brief van [D] (hierna: [D] ) met dagtekening 12 maart 2015 is opgenomen dat de taxatiewaarde van belanghebbendes privéportefeuille in het jaar 2014 € 21.704.000 bedroeg.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Na verwijzing betreft het geschil het antwoord op de vraag of de aanslag, zoals deze luidt na vermindering door de Rechtbank, is berekend naar een te hoog belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

In de procedure na verwijzing is tussen partijen niet meer in geschil dat de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingediend voor zover deze betrekking hebben op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.

3.4.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. De Inspecteur heeft zijn standpunt ter zitting nader toegelicht.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de aanslag en de rentebeschikking, tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 840.642 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil en tot dienovereenkomstig vermindering van de rentebeschikking. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de aanslag en de rentebeschikking, vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 840.642 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 731.573 en tot dienovereenkomstige vermindering van de rentebeschikking.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbende is van mening dat de Rechtbank het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Ter onderbouwing van deze stelling voert belanghebbende aan dat de tot de rendementsgrondslag behorende bezittingen te hoog zijn gewaardeerd. Het Hof leidt uit de door belanghebbende na verwijzing ingediende stukken af dat in de onderhavige procedure uitsluitend verschil van mening bestaat over de waardering van de tot de rendementsgrondslag behorende bedrijfspanden.

4.2.

Het Hof stelt bij beoordeling van deze stelling voorop dat het voordeel uit sparen en beleggen op grond van artikel 5.2, lid 1, van de Wet IB 2001 wordt gesteld op 4% van de grondslag sparen en beleggen. De grondslag sparen en beleggen wordt gesteld op het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar en de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar verminderd met het heffingvrije vermogen. De rendementsgrondslag wordt gevormd door de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden (artikel 5.3, lid 1, van de Wet IB 2001). Panden die niet kwalificeren als woningen – hierbij valt te denken aan voor commerciële doeleinden gebruikte panden zoals bedrijfspanden – dienen gewaardeerd te worden naar de waarde in het economische verkeer (artikel 5.19, lid 1, Wet IB 2001).

4.3.

Het Hof stelt voorts voorop dat geen van de door belanghebbende ingediende cassatiemiddelen zich richten tegen het door Hof Arnhem-Leeuwarden gegeven oordeel dat de bewijslast omgekeerd en verzwaard dient te worden in verband met een correctie van € 66.362 ter zake van de terbeschikkingstelling van een kantoorruimte aan de [adres 1] te [plaats 4] (zie onderdeel 4.11 van de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden). Om deze reden dient in de procedure na verwijzing als vaststaand aangenomen te worden dat de bewijslast – ook ter zake van (de hoogte van) het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen – omgekeerd en verzwaard dient te worden. Dit heeft, gelet op het bepaalde in artikel 27e, lid 1, juncto artikel 27h, lid 2, van de AWR, tot gevolg dat het Hof het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ongegrond dient te verklaren, tenzij belanghebbende overtuigend aantoont dat de Rechtbank het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

4.4.

Ook in gevallen waarin de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard mag de door de Inspecteur gehanteerde schatting van het belastbaar inkomen echter niet onredelijk of willekeurig zijn.

4.5.

De Inspecteur heeft ter onderbouwing van de waarde in het economische verkeer van de tot de rendementsgrondslag behorende bedrijfspanden verwezen naar een vermogensvergelijking die is gevoegd bij [het rapport A] (zie onder 2.4), taxatierapporten die opgesteld zijn door interne vastgoeddeskundigen (zie onder 2.5) en WOZ-beschikkingen (zie onder 2.6). De Inspecteur heeft, naar het oordeel van het Hof, door verwijzing naar voornoemde stukken voldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze de schatting met betrekking tot de waarde van de bedrijfspanden tot stand is gekomen. Het Hof acht de schatting, mede gelet op voornoemde onderbouwing, niet onredelijk of willekeurig.

4.6.

Het Hof komt toe aan behandeling van de vraag of belanghebbende heeft aangetoond dat de bedrijfspanden naar te hoge waarden in de rendementsgrondslag zijn betrokken. Het Hof brengt hierbij in herinnering dat de Rechtbank de waarde van de bedrijfspanden heeft vastgesteld op een bedrag van € 71.175.675.

4.7.

Belanghebbende heeft in dit kader verwezen naar een ter zake van het jaar 2009 gesloten compromis, de onder 2.9 opgenomen brief van de [bank] , de onder 2.10 opgenomen brief van [D] , de ter zake van navolgende jaren afgegeven WOZ-beschikkingen, de in navolgende jaren gerealiseerde verkoopprijzen, de door [B] , [C BV] opgestelde taxatierapporten (zie onder 2.7 en 2.8) en de omstandigheid dat in het jaar 2016 zijn faillissement is aangevraagd.

4.8.

Het Hof stelt bij beoordeling van de bewijskracht van deze stukken voorop dat de waarde van een pand in een ander jaar respectievelijk aanwijzingen met betrekking tot deze waarde uitsluitend van belang zijn indien de relevante feiten en omstandigheden in dat jaar gelijk zijn aan die in het jaar dat ter beoordeling voorligt. De bewijslast ter zake rust op degene die verwijst naar de waarde in een ander jaar. In het onderhavige geval rust de bewijslast terzake derhalve op belanghebbende. Belanghebbende is, naar het oordeel van het Hof, echter niet geslaagd in het leveren van het van hem verlangde bewijs. Het Hof gaat derhalve voorbij aan de door belanghebbende overgelegde bewijsstukken.

4.9.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de door de Inspecteur overgelegde taxatierapporten gebreken vertonen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft belanghebbende, onder meer, aangevoerd dat in deze rapporten onvoldoende rekening is gehouden met de lopende huur- en pachtovereenkomsten. Belanghebbende heeft in dit kader verwezen naar de door [B] , [C BV] opgestelde taxatierapporten. Gesteld noch gebleken is dat laatstgenoemde taxatierapporten gebaseerd zijn op de situatie zoals deze gold in het jaar 2010. Belanghebbende heeft bovendien geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat de relevante feiten en omstandigheden in de jaren waarin de rapporten zijn opgesteld gelijk zijn aan die in 2010. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende derhalve niet aangetoond dat in de door de Inspecteur overgelegde taxatierapporten onvoldoende rekening is gehouden met de invloed van deze overeenkomsten op de waarde in het economische verkeer.

4.10.

Voorts heeft belanghebbende gewezen op de omstandigheid dat deze taxaties niet gebaseerd zijn op inpandige opnames, doch geveltaxaties betreffen. Het Hof verstaat deze stelling aldus dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat deze omstandigheid heeft geleid tot een te hoge waardering. Naar het oordeel van het Hof is deze blote stelling zonder nadere onderbouwing van de inpandige gebreken - die een lagere waardering zouden rechtvaardigen - onvoldoende om te oordelen dat de waarde in het economische verkeer van de bedrijfspanden lager is dan € 71.175.675.

4.11.

Belanghebbende heeft voorts betoogd dat niet met betrekking tot alle bedrijfspanden een taxatierapport is opgesteld. Zelfs indien dit juist zou zijn – hetgeen het Hof in het midden laat – dan heeft belanghebbende door de enkele verwijzing naar deze omstandigheid niet aangetoond dat dit heeft geleid tot een te hoge waardering van de bedrijfspanden.

4.12.

Voorts heeft belanghebbende betoogd dat de verwijzing naar [het rapport A] niet overtuigend is aangezien dit rapport is opgesteld door de voormalige accountant van belanghebbende die geen waarderingsdeskundige is en het rapport voor niet-fiscale doeleinden is opgesteld. Zelfs indien deze stellingen juist zouden zijn – hetgeen het Hof in het midden laat – heeft belanghebbende hiermee niet aangetoond dat deze omstandigheden

hebben geleid tot een te hoge waardering.

4.13.

Voor zover belanghebbende in de onderhavige procedure het standpunt inneemt dat de Inspecteur bedrijfspanden in de waardering heeft betrokken waarvan hij geen eigenaar was respectievelijk appartementsrechten dubbel in de heffing heeft betrokken, heeft belanghebbende ter zake onvoldoende bewijs geleverd.

4.14.

Met hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd heeft belanghebbende, naar het oordeel van het Hof, eveneens niet aangetoond dat de waarde in het economische verkeer van de bedrijfspanden lager is dan € 71.175.675.

4.15.

Hoewel het Hof uit de na verwijzing door belanghebbende ingediende stukken afleidt dat belanghebbende zich niet meer verzet tegen de door de Rechtbank vastgestelde waarde van de tot de rendementsgrondslag behorende woningen als bedoeld in artikel 5.20, lid 1, van de Wet IB 2001 (€ 5.495.825), overweegt het Hof, voor het geval belanghebbende wel heeft bedoeld deze beoordeling te bestrijden, als volgt.

4.16.

Het Hof stelt in dit kader voorop dat uit artikel 5.20, lid 1, van de Wet IB 2001 volgt dat de waarde van woningen waarvoor een WOZ-beschikking is afgegeven wordt gesteld op de in deze beschikking vastgestelde waarde, met dien verstande dat deze waarde gecorrigeerd dient te worden in verband met lopende huur- en/of pachtovereenkomsten (artikel 5.20, lid 3, van de Wet IB 2001).

4.17.

Belanghebbende heeft – ook nadat de Inspecteur schermprints heeft overgelegd van met betrekking tot de onroerende zaken afgegeven WOZ-beschikkingen – onvoldoende aangevoerd om aannemelijk te maken dat voornoemde waardering tot stand gekomen is op een wijze die dusdanig afwijkt van de waarderingsvoorschriften zoals opgenomen in artikel 5.20 dat sprake is van een onredelijke of willekeurige schatting.

4.18.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende voorts onvoldoende aangevoerd om aan te tonen dat de totale waarde van de woningen lager is dan € 5.495.825.

4.19.

Gelet op het vorenoverwogene beantwoordt het Hof de vraag of de aanslag is berekend naar een te hoog belastbaar inkomen uit sparen en beleggen ontkennend.

Slotsom

4.20.

De slotsom is dat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ongegrond en het door de Inspecteur ingestelde incidentele hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de aanslag en de rentebeschikking. Het Hof zal de uitspraken op bezwaar ter zake van de aanslag en de rentebeschikking vernietigen, de aanslag verminderen tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 840.642 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 731.573 en de rentebeschikking dienovereenkomstig verminderen.

Ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade

4.21.

Indien de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigt en het geding verwijst naar een gerechtshof of een rechtbank, heeft als uitgangspunt te gelden dat de verwijzingsrechter uitspraak doet binnen een jaar na het arrest van de Hoge Raad (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.4.5). Omdat het verwijzingsarrest van de Hoge Raad dateert van 17 augustus 2018 en het Hof heden uitspraak doet, stelt het Hof ambtshalve vast dat de redelijke termijn in deze procedure is overschreden. Een verzoek om vergoeding van immateriële schade is in dit geval niet nodig, omdat de redelijke termijn eerst is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak (vlg HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.2).

4.22.

Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

Het Hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure met 1,5 maand is overschreden en het Hof heeft geen aanknopingspunten gevonden dat sprake is van bijzondere omstandigheden, die tot een beperking van de aan belanghebbende toe te kennen vergoeding van immateriële schade aanleiding geven.

4.23.

Gezien het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de overschrijding van (afgerond) een half jaar grond vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500, waartoe de Minister van Rechtsbescherming (hierna: de Minister) wordt veroordeeld.

Ten aanzien van het griffierecht

4.24.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed. Het is immers niet in overeenstemming met de strekking van artikel 8:114, lid 1, van de Awb om vergoeding van het griffierecht toe te kennen aan de procespartij wiens hoger beroep ongegrond is verklaard in een geval waarin de (gedeeltelijke) vernietiging van een uitspraak van de Rechtbank uitsluitend zijn grond vindt in het slagen van het door de andere partij ingestelde incidentele hoger beroep. De bewoordingen van artikel 8:114, lid 1, van de Awb staan aan een uitleg in overeenstemming met de strekking hiervoor weergegeven niet in de weg (HR 15 april 2011, 10/00692, ECLI:NL:HR:2011:BP6600). Het Hof laat de door de Rechtbank uitsproken veroordeling tot vergoeding van griffierecht in stand.

Ten aanzien van de proceskosten

4.25.

Het Hof acht, gelet op de omstandigheid dat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ongegrond is en de door Hof Arnhem-Leeuwarden vastgestelde proceskostenveroordeling ter zake van het door de Inspecteur ingestelde incidentele hoger na verwijzing in stand is gebleven, geen termen aanwezig om de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van andere kosten. Ook de toekenning van de schadevergoeding geeft daartoe geen aanleiding, omdat deze ambtshalve is toegekend. Het Hof laat de door de Rechtbank uitgesproken veroordeling tot vergoeding van de kosten van het bezwaar en het geding bij de Rechtbank in stand.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ongegrond;

  • -

    verklaart het door de Inspecteur ingestelde incidentele hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de aanslag en de rentebeschikking;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar ter zake van de aanslag en de rentebeschikking;

  • -

    vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 840.642 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 731.573;

  • -

    vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig;

  • -

    veroordeelt de Minister tot vergoeding aan belanghebbende van de immateriële schade bepaald op € 500.

Aldus gedaan op 3 oktober 2019 door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, M. Harthoorn en J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.