Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3622

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
04-10-2019
Zaaknummer
200.247.178_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie, draagkracht, verdiencapaciteit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.247.178/01

zaaknummer rechtbank : C/01/329726/ FA RK 18-166

beschikking van de meervoudige kamer van 3 oktober 2019

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. de Maaré te Breda,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.C.A. Geerts te Oirschot.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 juli 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 2 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 4 juli 2018.

2.2.

De vrouw heeft op 23 november 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De man heeft op 4 januari 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 5 juni 2016 met bijlagen, ingekomen op 6 juni 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 11 juni 2016 met bijlagen, ingekomen op 12 juni 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 18 juni 2019 met bijlage, ingekomen op 18 juni 2019.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 27 juni 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn de ouders van:

- [jongmeerderjarige] ( [jongmeerderjarige] ) , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3.

Bij beschikking van 6 maart 2015 heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 23 maart 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij deze beschikking is voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat het aan die beschikking gehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deel uitmaken van die beschikking.

In het door partijen op 9 januari 2015 ondertekende echtscheidingsconvenant is, voor zover thans van belang, met betrekking tot de draagkracht van de man vermeld dat de man ten tijde van de ondertekening van het echtscheidingsconvenant een gemiddeld netto inkomen uit arbeid en/of vermogen heeft van € 1.483,96 per maand, exclusief vakantietoeslag en exclusief onbelaste onkostenvergoedingen ad circa € 397,55 per maand en een draagkrachtloos inkomen van € 1.443,- per maand.

In het door partijen eveneens op 9 januari 2015 ondertekende ouderschapsplan is opgenomen dat de man ten tijde van de ondertekening van het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant , na aftrek van zorgkorting, geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) aan de vrouw te voldoen. De zorgkorting is in het ouderschapsplan bepaald op € 117,- per kind per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van 6 maart 2015, de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 11 januari 2018 nader bepaald op € 129,25 per kind per maand.

4.2.1.

De grieven van de man in het principaal hoger beroep zien op de ingangsdatum, de verrekening van de zorgkorting, de draagkracht van de vrouw en de draagkracht van de man.

4.2.2.

De man heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en het oorspronkelijk verzoek van de vrouw af te wijzen, alsmede, nadat de man zijn verzoek heeft aangepast bij brieven van de advocaat van de man aan het hof van 5 juni 2019 (bij journaalbericht van 6 juni 2019) en van 18 juni 2019 (bij journaalbericht van 18 juni 2019), te bepalen dat de vrouw binnen zeven dagen na de betekening van de in dezen te geven beschikking aan de man dient terug te betalen hetgeen de man over de periode van 11 januari 2018 tot heden te veel aan kinderalimentatie aan de vrouw heeft voldaan, te weten een bedrag van € 3.018,62 en alle overige bedragen die de man op basis van de bestreden beschikking heeft voldaan, althans dat de vrouw een bedrag dient terug te betalen dat het hof juist acht.

4.3.

De vrouw heeft in het principaal hoger beroep verzocht de grieven van de man ongegrond te verklaren en zijn beroep af te wijzen.

4.4.1.

De grieven van de vrouw in het incidenteel hoger beroep zien op de behoefte van [minderjarige 1] , de grove schending van de wettelijke maatstaven, de ingangsdatum, de draagkracht van de man, de draagkracht van de vrouw en de draagkrachtvergelijking.

4.4.2.

De vrouw heeft in het incidenteel hoger beroep verzocht, naar het hof begrijpt en zoals de vrouw ter mondelinge behandeling heeft bevestigd, de bestreden beschikking te vernietigen en, bij wijze van vermeerdering van het oorspronkelijk verzoek:

1. de behoefte van [minderjarige 1] te verhogen tot € 623,14 per maand, dan wel een ander bedrag dat hoger is dan € 523,14 per maand;

2. de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 maart 2015 te wijzigen door het aan die beschikking gehechte ouderschapsplan in die zin te wijzigen dat de man met ingang van 6 maart 2015 dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, te weten januari 2018, dan wel een datum die het hof juist acht, een kinderalimentatie aan de vrouw dient te voldoen voor alle drie de kinderen (vanaf het moment dat [jongmeerderjarige] achttien jaar is geworden, voor alle twee de kinderen) een bedrag van € 747,50 per maand, te weten een bedrag van € 249,16 per kind per maand, dan wel een bedrag dat het hof juist acht met een minimum van € 50,- per maand voor alle drie de kinderen tezamen (en vanaf het moment dat [jongmeerderjarige] achttien jaar is, voor alle twee tezamen) en de man te veroordelen tot betaling van de op grond van de door het hof te geven beschikking ontstane achterstallige kinderalimentatie;

3. de onderhoudsbijdrage van de man ten behoeve van [minderjarige 1] met ingang van 1 september 2018 (het moment waarop de behoefte van [minderjarige 1] is verhoogd) vast te stellen op € 303,18 per maand, dan wel op een bedrag dat het hof juist acht en de man te veroordelen tot voldoening van deze bijdrage aan de vrouw.

4.5.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

In het principaal en incidenteel hoger beroep

Ingangsdatum

5.1.

De vrouw stelt dat er sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven, en verzoekt primair de ingangsdatum te bepalen op 16 maart 2015. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.8. van de bestreden beschikking overwogen dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden met betrekking tot het inkomen van de man per 1 januari 2017, hetgeen ertoe leidt dat de kinderalimentatie opnieuw dient te worden beoordeeld en stelt de ingangsdatum vast op 11 januari 2018, de datum van indiening van het verzoekschrift van de vrouw. De man heeft hiertegen een grief aangevoerd en stelt dat de ingangsdatum op 1 januari 2019 moet worden bepaald.

Artikel 1:402 Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) alimentatieverplichting. Ingevolge vaste jurisprudentie heeft evenwel in het algemeen als uitgangspunt te gelden dat de rechter een behoedzaam gebruik dient te maken van zijn bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage over een periode in het verleden. De rechter zal moeten oordelen in hoeverre in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde kan worden verlangd dat deze is gehouden tot terugbetaling van hetgeen in overeenstemming met de behoefte reeds is betaald. Het hof is van oordeel dat de man naar redelijkheid en billijkheid vanaf de datum van de bestreden beschikking rekening heeft kunnen houden met de aan hem toegedichte verdiencapaciteit en daarmee met wijziging van de kinderalimentatie, zodat het hof, anders dan de rechtbank, de ingangsdatum van de wijziging van de kinderalimentatie stelt op 4 juli 2018.

Hoogte behoefte kinderen

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de drie minderjarige kinderen in 2015 in totaal € 1.495,- bedroeg. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de behoefte van de kinderen ingevolge de wettelijke indexering voor de dan nog twee minderjarige kinderen in beginsel € 1.046,29 per maand bedraagt, dat is € 523,14 per kind per maand.

5.3.1.

Met betrekking tot de behoefte van [minderjarige 1] heeft de vrouw in grief A aangevoerd dat er met ingang van 1 september 2018 sprake is van behoefte verhogende kosten van € 100,- per maand, zodat de behoefte van [minderjarige 1] vanaf 1 september 2018 € 623,14 per maand bedraagt. De vrouw heeft ter onderbouwing hiervan gesteld dat [minderjarige 1] in [plaats] naar de middelbare school gaat, meer dan een uur enkele reis fietsen vanaf [woonplaats] . [minderjarige 1] heeft daarvoor een elektrische fiets nodig, een laptop, er worden kosten voor (buitenlandse) excursies gemaakt, hem is geadviseerd om deel te nemen aan het programma [programma] en hij heeft een beugel nodig.

5.3.2.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist. De man heeft erop gewezen dat [minderjarige 1] geen elektrische fiets heeft en dat kosten van de middelbare school, waaronder excursies, niet behoefte verhogend werken. Deze kosten vallen onder de reguliere kosten van de kinderen conform de Nibud tabellen en dergelijke kosten worden regelmatig door scholen vergoed. Daarbij wordt de ene kostenpost vaak door een andere gecompenseerd. De kosten van een beugel worden door de verzekering vergoed.

5.3.3.

Het hof overweegt het navolgende.

In de tabelbedragen (Nibud) zijn alle normale kosten, zoals die voor voeding en kleding, begrepen. Bepaalde extra kosten zijn echter zo uitzonderlijk dat deze niet begrepen kunnen zijn in de standaardbedragen voor de kosten van kinderen. De vrouw heeft haar stelling dat de behoefte van [minderjarige 1] wegens uitzonderlijke kosten dient te worden verhoogd met onvoldoende concrete feiten en omstandigheden onderbouwd, hetgeen gelet op de gemotiveerde betwisting van de man wel op haar weg had gelegen. Ook overigens zijn dergelijke omstandigheden niet gebleken zodat het hof deze stelling van de vrouw passeert. Voor de behoefte van [minderjarige 1] gaat het hof, ook met ingang van 1 september 2018, uit van een bedrag van

€ 523,14 per maand.

Draagkracht

5.4.

Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van partijen ieders netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. In navolging van de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) wordt het netto besteedbaar inkomen verhoogd met eventueel te ontvangen kindgebonden budget.

De draagkracht van partijen wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 920,-)], nu, zoals uit het navolgende blijkt, hun beider netto besteedbaar inkomen hoger is dan € 1.600,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van partijen het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 920,- aan overige lasten en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

Draagkracht van de vrouw

5.5.

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat het hof uit van een fiscaal loon van de vrouw van € 79.099,- conform de jaaropgaaf 2018, waarmee partijen ter mondelinge behandeling bij het hof hebben ingestemd. Het hof becijfert het netto besteedbaar inkomen van de vrouw, daarbij mede rekening houdend met de inkomensafhankelijke combinatiekorting waar de vrouw recht op heeft, op € 4.365,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende berekening (bijlage I).

5.6.1.

De vrouw heeft onder meer aangevoerd dat in de draagkracht formule uitgegaan moet worden van de werkelijke woonlast van de vrouw. De vrouw heeft de echtelijke woning behouden in het belang van de kinderen. De werkelijke woonlast bedraagt, aldus de vrouw,

€ 100,- per maand méér dan de forfaitaire woonlast.

5.6.2.

De man heeft gemotiveerd betwist dat van een werkelijke woonlast moet worden uitgegaan, nog daargelaten de juistheid van de hoogte daarvan. De vrouw heeft zelf de keuze gemaakt om in de echtelijke woning te blijven wonen. Daarbij komt dat een belangrijk deel van de woonlast van de vrouw vermogensvormend is.

5.6.3.

Het hof overweegt dat in beginsel niet wordt afgeweken van het forfaitaire systeem, tenzij er sprake is van zeer specifieke omstandigheden, bijvoorbeeld indien dit ertoe zou leiden dat niet kan worden voorzien in de behoefte van de kinderen. In een dergelijk geval wordt dan bij uitzondering rekening gehouden met een lagere feitelijke woonlast. Het hof is van oordeel dat de vrouw, tegenover de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd waarom met een hogere woonlast rekening moet worden gehouden, mede in relatie tot het feit dat dit ten koste gaat van de draagkracht van de vrouw om bij te dragen in de kosten van de kinderen.

5.7.1.

De vrouw heeft verder aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw rekening gehouden moet worden met de bijdrage van € 466,- per maand die de vrouw met ingang van 1 september 2017 aan [jongmeerderjarige] betaalt, zoals is bepaald bij beschikking van 4 juli 2018 van de rechtbank Oost-Brabant. De vrouw heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat haar draagkracht na [jongmeerderjarige] ’s 18de verjaardag ( [geboortedatum] 2016) en, naar het hof begrijpt, rekening houdend met de bijdrage aan [jongmeerderjarige] , verdeeld moet worden over twee kinderen. De man heeft aangevoerd dat de draagkracht van de vrouw dient te worden verdeeld over drie kinderen.

5.7.2.

Het hof overweegt als volgt. De draagkracht van de vrouw bedraagt:

70% [€ 4.365,- - (0,3 x € 4.365,- + € 920,-)]= € 1.494,85 per maand.

Nu de draagkracht van de vrouw nagenoeg voldoende is om volledig in de kosten van de drie kinderen te voorzien en de bijdrage van de vrouw in de kosten van [jongmeerderjarige] bij beschikking is vastgesteld, verdeelt het hof de draagkracht van de vrouw naar redelijk en billijkheid als volgt: € 1.494,85 minus bijdrage [jongmeerderjarige] (geïndexeerd naar 2018 van € 472,99) per maand = € 1.021,86, zodat de vrouw voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een draagkracht beschikbaar heeft van € 510,93 per kind per maand.

Draagkracht van de man

5.8.

Beide partijen hebben grieven aangevoerd ten aanzien van de draagkracht van de man en hebben elkaars stellingen gemotiveerd betwist.

5.9.1.

De man heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man redelijkerwijs in staat moet zijn om in de nabije toekomst een inkomen te genereren van

€ 36.000,- bruto per jaar. De man doet er alles aan om de omzet in zijn onderneming te verhogen. De man kan niet zonder meer stoppen met zijn onderneming, omdat hij daarvoor de medewerking van zijn zakenpartners nodig heeft. Bovendien zal hij worden geconfronteerd met een concurrentiebeding waardoor hij buiten de regio zal moeten solliciteren, hetgeen gelet op de zorg voor de kinderen, praktisch niet uitvoerbaar is. De man is van mening dat uitgegaan moet worden van het inkomen dat hij feitelijk verdient, te weten in 2018 een fiscaal loon conform jaaropgaaf van € 32.568,-.

5.9.2.

De vrouw heeft het navolgende aangevoerd. De man werkt al jaren in een verliesgevende onderneming. De man had óf moeten zorgen dat zijn onderneming beter zou renderen, óf uit de onderneming moeten treden om elders in loondienst te gaan werken. De vrouw is van mening, primair, dat de man als architect in loondienst een salaris kan verdienen van

€ 6.122,- bruto per maand exclusief vakantietoeslag en exclusief een dertiende maand. Subsidiair dient te worden uitgegaan van het inkomen dat een directeur-grootaandeelhouder (DGA) zich dient toe te kennen. De rechtbank heeft het door de man te verdienen DGA salaris ten onrechte bepaald op 80%. De man zorgt weliswaar een aantal dagen voor de kinderen, maar de kinderen zijn dan veelal alleen thuis en de kinderen hebben ook niet meer de leeftijd dat de man altijd voor hen thuis dient te zijn. Ook de vrouw heeft de zorg voor de kinderen naast een fulltime baan. Ook van de man kan worden verwacht dat hij fulltime werkt. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met het inkomen dat de man heeft uit [eenmanszaak] , een eenmanszaak van de man, in 2018, volgens de accountant van de man, van € 3.974,-. De man dient deugdelijke gegevens ter zake [eenmanszaak] te overleggen, aldus de vrouw.

5.9.3.

De man is architect en DGA. Volgens de verklaring van de man ter zitting in hoger beroep heeft hij vanaf 2006 in loondienst gewerkt bij een bureau waar hij vanuit de functie van projectleider is doorgegroeid naar de functie van architect. Het bureau is in 2012 failliet is verklaard. De man ontving enige tijd een WW uitkering. Hij heeft gesolliciteerd maar zonder resultaat. In 2012 heeft de man zijn BV opgericht maar de resultaten hielden niet over. De man is met twee partners verder gegaan onder de naam [BV] BV (hierna ook: de BV). In de loop der jaren had de architectuur-branche zwaar te leiden door de crisis. De man had moeite zijn hoofd boven water te houden. Zo heeft hij in 2016 zijn lage salaris aangevuld met de overwaarde van het huis. De drie vennoten blijven vechten met elkaar en de man moet wel doorgaan omdat hij geen andere mogelijkheden heeft. De man heeft gesolliciteerd maar hij krijgt óf geen respons óf er wordt hem een te laag salaris (€ 2.000,- per maand) geboden. Het salaris dat de vrouw stelt van ruim € 6.000,- bruto per maand kan de man zeker niet genereren. De man probeert op een zo breed mogelijk terrein opdrachten te genereren. In 2018 heeft een grote opdrachtgever zich teruggetrokken. De man heeft contact in Duitsland ( [onderneming] ) en gaat daar binnenkort praten. Ook doet hij acquisitie in Oostenrijk, waar zijn vriendin woont. De man werkt meer dan 40 uur per week. [eenmanszaak] had een vertegenwoordiging in wildreflectoren, maar dat gaat stoppen. De man heeft geen geld om een accountant gedegen jaarstukken te laten opmaken. Het resultaat in [eenmanszaak] is nihil, aldus de man.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de berichten van de Belastingdienst van 1 februari 2018 blijkt een (belastbaar) inkomen van de man in 2015 van € 14.598,- en in 2016 van € 8.329,-. De inkomensverklaring van 15 maart 2019 van de Belastingdienst vermeldt een inkomen van de man in 2017 van

€ 30.079,-. De jaaropgaaf 2018 van de man vermeldt een fiscaal loon van € 32.568,-. De accountant van de man heeft in zijn brief van 10 april 2019 aan de man vermeld dat de opbrengst in [eenmanszaak] in 2018 slechts € 3.974,- bedroeg, met een afsluitend resultaat van negatief € 514,-. Het hof volgt de man niet in zijn standpunt dat voor de berekening van zijn draagkracht uitgegaan moet worden van zijn feitelijk inkomen.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de man zich, gelet op zijn dringende onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen, en omdat het al een aantal jaren slecht ging met de onderneming, diende in te spannen om een hoger inkomen te verwerven. De man had dit kunnen doen binnen zijn onderneming, dan wel daarbuiten. Ook in hoger beroep is niet gebleken dat de man zich daartoe (voldoende) heeft ingespannen. Niet is gebleken dat de man door zijn medevennoten aan het concurrentiebeding wordt gehouden en van adequate sollicitaties is evenmin gebleken. De enkele mededelingen van de man ter zitting zijn daartoe onvoldoende mede in het licht bezien van de gemotiveerde betwisting door de vrouw. Het hof constateert dat de man in 2012 een onderneming is gestart die in 2018 kennelijk nog steeds niet zodanig rendeert dat de man zich een reëel DGA-salaris kan toekennen. Het hof is, evenals de rechtbank van oordeel, dat onder die omstandigheden de draagkracht van de man dient te worden berekend op basis van zijn verdiencapaciteit.

Het hof volgt daarbij de vrouw in haar primaire stelling dat uitgegaan moet worden van een salaris in loondienst van € 6.122,- bruto per maand exclusief vakantietoeslag en exclusief een dertiende maand niet. De man heeft onweersproken betoogd dat dat een salaris is conform de hoogste cao-schaal en daarin de hoogste trede. Het hof acht niet aannemelijk dat de man geacht kan worden op de arbeidsmarkt in te stromen op een dergelijk hoog salarisniveau. Gelet op de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling zal ter bepaling van de verdiencapaciteit van de man uitgegaan worden van een redelijkerwijs te verwerven inkomen conform het gebruikelijk DGA-loon van € 45.000,- per jaar. Het hof is, anders dan de rechtbank van oordeel, dat de zorg die de man voor de kinderen heeft daarin geen belemmering vormt en ook niet behoeft te vormen. De twee minderjarige kinderen van partijen (thans 11 en bijna 14 jaar) verblijven één weekend per veertien dagen bij de man alsmede een aantal dagen per week na school tot vóór het eten bij de man. Partijen verschillen van mening over het exacte aantal dagen per week, maar vaststaat dat de kinderen op de betreffende dagen gewoon bij de vrouw avondeten. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de kinderen ouder zijn geworden en niet meer de intensieve zorg van de man nodig hebben als voorheen toen de kinderen kleiner waren. Het hof overweegt in dat verband voorts dat de man in 2014 van zijn medevennoten toestemming heeft gekregen om, indien nodig in verband met de kinderen, thuis te werken. In 2015 zijn de medevennoten (weliswaar schoorvoetend, doch desalniettemin) akkoord gegaan met uitbreiding van het thuiswerken van de man, mits er compensatie van gemiste uren in de avond of het weekend plaatsvindt. Niet valt in te zien dat de man zijn arbeidstijd niet zodanig kan inrichten dat hij, net als de vrouw naast de zorg die zij voor de kinderen heeft, fulltime kan werken. Het hof past mitsdien geen korting toe van 20%. Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat het hof uit van een door de man in redelijkheid te verwerven (fictief) fiscaal loon van € 45.000,-.

Indien en voor zover de man dit inkomen niet als DGA in zijn BV kan verwerven, dient de man geacht te worden dit inkomen, geheel of gedeeltelijk, dan wel door middel van arbeid in loondienst elders dan wel uit zijn eenmanszaak [eenmanszaak] te verwerven.

5.11.

Het hof becijfert het netto besteedbaar inkomen van de man op € 2.617,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende berekening (bijlage II).

5.12.

De vrouw heeft in haar aanvullend verzoek nog aangevoerd dat voor de berekening van de draagkracht van man uitgegaan moet worden van de werkelijke (lagere dan de forfaitaire) woonlast van de man, hetgeen de man gemotiveerd heeft betwist. Nu de vrouw niet, althans niet voldoende heeft gesteld dat er sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat afgeweken dient te worden van het forfaitair systeem, past het hof het forfaitair systeem toe. Het hof wijst dit aanvullend verzoek van de vrouw af en berekent de draagkracht van de man als volgt:

70% [€ 2.617,- - (0,3 x € 2.617,- + € 920,-)]= € 638,33 per maand.

Evenals aan de zijde van de vrouw strekt op deze draagkracht in redelijkheid in mindering de bij beschikking van 4 juli 2018 vastgestelde door de man aan [jongmeerderjarige] te betalen bijdrage (geïndexeerd naar 2018) van 155,19 per maand, zodat een draagkracht voor de twee minderjarige kinderen resteert van € 483,14 per maand, dit is € 241,57 per kind per maand.

Draagkrachtvergelijking

5.13.

De draagkracht van partijen vergeleken in relatie tot de behoefte van de kinderen, dient de man bij te dragen in de kosten van de kinderen als volgt:

€ 241,57 : (€ 241,57 + € 510,93) x € 523,14 = € 167,94 per kind per maand.

Zorgkorting

5.14.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling en de frequentie van het verblijf van de kinderen bij de man en mede gelet op het feit dat de kinderen door de week niet bij de man eten, stelt het hof de zorgkorting in redelijkheid op 15%, dit is een bedrag van € 78,47 per kind per maand. Waar de man in grief 1 heeft gesteld dat zijn gehele draagkracht dient te worden gezien als zorgkorting, faalt grief 1 van de man in zoverre.

5.15.

Nu partijen tezamen volledig in de kosten van de kinderen kunnen voorzien kan de man de volledige zorgkorting verrekenen.

5.16.

Het voorgaande leidt ertoe dat de man met ingang van 4 juli 2018 aan de vrouw dient te voldoen een kinderalimentatie dient te betalen van € 168,48 minus € 78,47 = afgerond

€ 89,47 per maand.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2019 € 91,26 per kind per maand.

Terugbetaling

5.17.

Voor zover de man op basis van de door de vrouw (via het LBIO) geëxecuteerde bestreden beschikking te veel kinderalimentatie aan de vrouw heeft betaald, behoeft de vrouw de te veel betaalde kinderalimentatie niet aan de man terug te betalen, nu de kinderalimentatie geacht wordt aan de kinderen te zijn besteed.

5.18.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

op het principaal en incidenteel hoger beroep:

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 juli 2018, uitsluitend voor zover het de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen betreft,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 maart 2015 en het daaraan gehechte ouderschapsplan uitsluitend voor zover het de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betreft;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ,

van 4 juli 2018 tot en met 31 december 2018 een bedrag dient te voldoen van € 89,47 per kind per maand;

en met ingang van 1 januari 2019 een bedrag van € 91,26 per kind per maand,

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en M.A. Ossentjuk en bijgestaan door de griffier, en is op 3 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.