Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3602

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
200.233.266_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:7022
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:8327
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

opdracht tot verkoop schip; wie is gerechtigd tot opbrengst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.233.266/01

arrest van 1 oktober 2019

in de zaak van

[Yachting 1] Yachting B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. I.M.F. van Emstede te Amsterdam,

tegen

[enterprises] Enterprises Ltd,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: D. Komen,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 januari 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 25 oktober 2017, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellante] en [enig aandeelhouder en bestuurder van Yachting] als gedaagden en [geïntimeerde] Enterprises Ltd als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/323287/HA ZA 16-810)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met productie;

  • -

    de memorie van grieven met productie;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellanten c.s.] met producties;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] met productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. [geïntimeerde] is op 8 februari 2013 opgericht door [oprichter van geintimeerde] (hierna:

[oprichter van geintimeerde] ) en is in [vestigingsplaats] gevestigd. Het enige actief van [geïntimeerde] is een

motorjacht genaamd “ [het motorjacht] ” (hierna: het motorjacht), dat omstreeks

augustus 2012 door [oprichter van geintimeerde] is aangekocht en om fiscale redenen is ingebracht in

[geïntimeerde] . De kadastrale registratie van het motorjacht vond plaats door de in

[vestigingsplaats] gevestigde onderneming [Yachting 2] Yachting.

b. [appellante] exploiteert onder meer een onderneming in koop en verkoop

van jachten, waaronder begrepen import en export hiervan en de bemiddeling

hierin. De heer [enig aandeelhouder en bestuurder van Yachting] is enig aandeelhouder en bestuurder van [appellante]

.

c. Op 16 mei 2014 is tussen [geïntimeerde] en [appellante] een zogeheten order

agreement gesloten, inhoudende de opdracht van [geïntimeerde] aan [appellante]

om het motorjacht te verkopen tegen een verkoopprijs van € 745.000,-. Hierbij is

een courtage voor [appellante] van 6% van de verkoopprijs afgesproken.

De order agreement is namens [geïntimeerde] ondertekend door [oprichter van geintimeerde] .

d. Op 2 juni 2014 heeft de op de [vestigingsplaats] eilanden gevestigde

vennootschap [holdings] Holdings Ltd (hierna: [holdings] ) de aandelen in [geïntimeerde] voor 1 Brits pond gekocht. In de daarvan opgemaakte stukken is de datum voor de overdracht van de aandelen niet vastgelegd.

e. Op 18 november 2015 is een koopovereenkomst ter zake het

motorjacht getekend door de koper [koper van het motorjacht] en door [oprichter van geintimeerde] - op de

plaats van de handtekening van de vertegenwoordiger van [geïntimeerde] - alsmede door

de heer [enig aandeelhouder en bestuurder van Yachting] als makelaar. Het jacht is verkocht voor € 355.000,- exclusief btw en de koopsom is door de koper betaald op een derdengeldrekening van [appellante] .

f. [appellanten c.s.] heeft zonder succes pogingen ondernomen de koopovereenkomst ook door [een persoon] (hierna: [een persoon] ) te laten ondertekenen, die beweerde op te treden namens [geïntimeerde] . In dat kader is vervolgens ook een discussie ontstaan tussen [appellanten c.s.] en onder meer [een persoon] , die stelde dat de koopsom niet - zoals [oprichter van geintimeerde] wilde - aan [oprichter van geintimeerde] kon worden doorbetaald, maar dat die naar een door [een persoon] aangewezen betaaladres moest worden overgemaakt.

g. Op 22 januari 2016 is van de derdengeldenrekening van de Stichting Beheer

Derdengelden [appellante] een bedrag van € 316.239,36 overgemaakt

naar een bankrekening op naam van [oprichter van geintimeerde] onder vermelding van de naam van

het motorjacht.

h. Bij brief van 25 oktober 2016 van de advocaat van [geïntimeerde] zijn [appellanten c.s.]

amens [geïntimeerde] in gebreke gesteld met betrekking tot de doorbetaling aan haar van de koopsom, gesommeerd deze koopsom af te dragen aan [geïntimeerde] en aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en te lijden schade.

3.2.

In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

[appellanten c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 329.227,-,

vermeerderd met de rente en kosten;

subsidiair:

een veroordeling te treffen die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

primair en subsidiair:

[appellanten c.s.] te veroordelen tot betaling van de volledige proces- en nakosten,

vermeerderd met de rente.

3.2.1.

[geïntimeerde] baseert haar vordering primair op nakoming van [appellante]

van de op haar rustende verbintenis tot (door)betaling aan [geïntimeerde] van de koopsom van het

motorjacht “ [het motorjacht] ”. In dit verband stelt [geïntimeerde] dat zij [appellante] door middel van een tussen partijen overeengekomen bemiddelingsovereenkomst heeft opgedragen te bemiddelen bij de verkoop van voormeld motorjacht, e.e.a. zoals vastgelegd in de overeenkomst van opdracht van 16 mei 2014, alsmede dat zij bij e-mailberichten van16 november 2015 en 23 november 2015 aan [appellante] instructie heeft gegeven

tot doorbetaling van de koopsom op de bankrekening van de aandeelhouder van [geïntimeerde]

( [holdings] ). Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] niet voldaan aan voormelde

betaalinstructie zodat zij om die reden jegens [geïntimeerde] toerekenbaar tekortschiet. Aan de

sommatie tot doorbetaling d.d. 25 oktober 2016 heeft [appellante] niet voldaan,

aldus [geïntimeerde] , zodat zij in verzuim is komen te verkeren.

Subsidiair legt [geïntimeerde] , op grond van dezelfde feitenconstellatie, wanprestatie aan haar

vordering ten grondslag.

Meer subsidiair legt [geïntimeerde] aan haar vorderingen ten grondslag dat [appellante]

gehandeld heeft in strijd met de op haar als opdrachtnemer rustende zorgplicht. Daarbij betoogt [geïntimeerde] dat [appellante] niet heeft voldaan aan de op haar als opdrachtnemer rustende informatieplicht ex artikel 7:403 lid 1 BW omdat

zij heeft verzuimd om [geïntimeerde] op de hoogte te houden van de door haar verrichte

werkzaamheden. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] haar vanaf 1 december 2015

“aan het lijntje gehouden” en [geïntimeerde] niet meer op de hoogte gehouden van de

ontwikkelingen ten aanzien van de verkoop van het bewuste motorjacht. Daarnaast voert

[geïntimeerde] aan dat [appellante] niet conform het bepaalde in artikel 7:403 lid 2 BW

rekening en verantwoording heeft afgelegd.

Uiterst subsidiair legt [geïntimeerde] onrechtmatige daad aan haar vordering ten grondslag, stellende dat het toerekenbaar en zonder enkel recht of titel onder zich houden van de opeisbare koopsom en/of het doorbetalen hiervan aan een derde door [appellante]

onrechtmatig is jegens [geïntimeerde] . In dit verband voert [geïntimeerde] aan dat [appellanten c.s.]

wisten dat [oprichter van geintimeerde] niet bevoegd was om [geïntimeerde] te vertegenwoordigen. Daarnaast

betoogt [geïntimeerde] dat de teboekstelling van het bewuste motorjacht met assistentie van

[appellante] en zonder medeweten van [geïntimeerde] is doorgehaald en daarna het motorjacht is geleverd, eveneens met assistentie van [appellante] en zonder medeweten van [geïntimeerde] alsmede dat zowel het motorjacht als de koopsom verdwenen zijn, zonder dat [appellante]

hierover tot op heden opheldering heeft gegeven. Dit alles kwalificeert als

onrechtmatig handelen van [appellanten c.s.] jegens [geïntimeerde] .

De vordering van [geïntimeerde] tegen de heer [enig aandeelhouder en bestuurder van Yachting] is gebaseerd op

onrechtmatige daad, meer specifiek bestuurdersaansprakelijkheid.

3.3.

[appellanten c.s.] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.4.

In het vonnis van 8 maart 2017 heeft de rechtbank in het door [appellanten c.s.] opgeworpen incident tot vrijwaring, toegestaan om [oprichter van geintimeerde] voornoemd in vrijwaring te dagvaarden.

3.5.

In het tussenvonnis van 14 juni 2017 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.6.

In het eindvonnis van 25 oktober 2017 heeft de rechtbank [appellante] veroordeeld tot betaling van € 329.227,- en haar in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft kort gezegd geoordeeld dat thans in ieder geval [holdings] de aandeelhouder van [geïntimeerde] is en dat [appellante] , mede gelet op de discussie die was ontstaan na de verkoop van het jacht, niet mocht aannemen dat [oprichter van geintimeerde] [geïntimeerde] nog vertegenwoordigde zodat [appellante] dus ook niet op diens instructie bevrijdend kon betalen aan [oprichter van geintimeerde] , waardoor [geïntimeerde] nog steeds aanspraak kan maken op betaling van de koopprijs.

De vorderingen jegens [enig aandeelhouder en bestuurder van Yachting] zijn door de rechtbank afgewezen.

3.7.

[appellante] heeft in hoger beroep tien grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] .

3.8.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging en veroordeling van [appellante] in de (na)kosten van het hoger beroep.

Bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijkheid Nederlands recht.

3.9.

In eerste aanleg zijn partijen overeengekomen dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevoegd is van dit geschil kennis te nemen en dat Nederlands recht op dit geschil van toepassing is. In hoger beroep is dit niet in geschil, zodat ook het hof uitgaat van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de toepasselijkheid van Nederlands recht.

Tekortkoming door niet doorbetalen van verkoopopbrengst aan [geïntimeerde] ?

3.10.

[geïntimeerde] stelt dat [appellante] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de bemiddelingsovereenkomst door niet de door [appellante] van de koper van het motorjacht ontvangen koopsom door te betalen naar de bankrekening van de aandeelhouder van [geïntimeerde] , [holdings] .

3.11.

[appellante] heeft tegen de door [geïntimeerde] gestelde tekortkoming aangevoerd dat [oprichter van geintimeerde] recht had op de opbrengst van het vaartuig, althans dat [appellante] dat mocht aannemen (grief III), dat [een persoon] niet de vertegenwoordiger van [geïntimeerde] was, althans dat [appellante] dat niet hoefde aan te nemen (grieven I, II, IV, VI, VII en VIII) en dat [oprichter van geintimeerde] [geïntimeerde] vertegenwoordigde, althans dat [appellante] mocht aannemen dat [oprichter van geintimeerde] [geïntimeerde] vertegenwoordigde (grief V). Tenslotte bestrijdt [appellante] de omvang van de toegewezen hoofdsom (grief IX). Grief X heeft geen zelfstandige betekenis.

3.11.1.

Door voormelde grieven wordt het geschil tussen [geïntimeerde] en [appellante] in volle omvang in hoger beroep voor gelegd.

Eigendom motorjacht en gerechtigdheid op verkoopopbrengst.

3.12.

Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] de overeenkomst waarbij het jacht voor € 355.000,00 is verkocht, blijkbaar accepteert, ofschoon het daarvan opgemaakte contract alleen door [oprichter van geintimeerde] is ondertekend.

Verder heeft [appellante] in hoger beroep erkend dat ten tijde van de verkoop van het motorjacht, [geïntimeerde] daarvan eigenaresse was (mvg blz 12, 1e al.). Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat [geïntimeerde] recht had op de verkoopopbrengst van het schip.

3.12.1.

Aangezien [appellante] in hoger beroep ook heeft gesteld (t.a.p.) dat de eigendom van het vaartuig helemaal geen issue was, volgt daaruit dat [appellante] wist dat [geïntimeerde] eigenaresse van het schip was en dat [geïntimeerde] dus in beginsel recht had op de verkoopopbrengst.

Bevoegdheid betaalinstructie.

3.13.

Er van uitgaande dat [geïntimeerde] recht had om de verkoopopbrengst te ontvangen, kan in het midden worden gelaten of [een persoon] al dan niet bevoegd was om namens [geïntimeerde] [appellante] te instrueren om de verkoopopbrengst aan [geïntimeerde] over te maken. Immers als opdrachtnemer van [geïntimeerde] behoorde [appellante] er voor te zorgen dat de verkoopopbrengst van het schip van [geïntimeerde] in het vermogen van [geïntimeerde] terecht zou komen. [appellante] heeft niet aan die verplichting voldaan.

3.14.

[appellante] voert als verweer aan dat zij mocht menen dat [oprichter van geintimeerde] [geïntimeerde] vertegenwoordigde en dat zij daarom mocht aannemen dat [oprichter van geintimeerde] bevoegd was om namens [geïntimeerde] [appellante] te instrueren om de verkoopopbrengst naar [oprichter van geintimeerde] in privé over te maken.

3.14.1

Tussen partijen is niet in geschil dat [oprichter van geintimeerde] bij aanvang van het verkoopproces van het motorjacht en tot enig moment in dat proces inderdaad bevoegd was om [geïntimeerde] te vertegenwoordigen.

3.14.2

Echter in een mail van 12 oktober 2015 (prod. 22 mva) is [appellante] door [medewerkster] als volgt bericht:

“As you are aware he (hof: [oprichter van geintimeerde] ) is not a benificial owner (neither [geïntimeerde] Enterprises Ltd, nor [het motorjacht] )”.

3.14.3.

[een persoon] heeft [appellante] in een mail van 13 november 2015 (prod. 12 inl dgv) als volgt geschreven:

“(…) The ship-owner is [geïntimeerde] Enterprises Ltd. I have contact with the directors of [geïntimeerde] Enterprises Ltd [oprichter van geintimeerde] has had no relation to [geïntimeerde] Enterprises Ltd or [het motorjacht] now according to my knowledge.”

3.14.4.

In een mail van 16 november 2015 (prod. 12 inl dgv) heeft [een persoon] aan [appellante] medegedeeld:

“Regarding the signing of the agreement, please, be advice that

[geïntimeerde] Enterprises Ltd is your client and strongly protesting against the signature of Mr. [oprichter van geintimeerde] under this agreement.

The second demand is that the full payment for the boat should be done to the bank account of [holdings] . (hof: onderstreping en vette druk is van [een persoon] )

Please send me or [medewerkster] the agreement between [geïntimeerde] and your American client to be signed by [geïntimeerde] director.

Of course you can keep [oprichter van geintimeerde] ’s signature on the additional counterpart (if you want). But you are fully aware that he don’t have any power or authority to act on behalf of [geïntimeerde] will be a fraud.”

3.14.5.

Anders dan [appellante] stelt, kan [een persoon] niet, zoals zij het noemt, als een op 13 november 2015 “uit de lucht gevallen” persoon worden beschouwd (mvg blz 12 bovenaan).

Immers al in een mail van 13 oktober 2014 (prod. 9.2 cva) vraagt [een persoon] aan [appellante] om gasolie in te nemen voor [het motorjacht] en dat de factuur apart betaald zal worden of zal worden opgenomen in alle betalingen binnen de “deal” (het hof begrijpt: de verkoop van het schip).

Voorts wijst het hof op een mail van [appellante] van 6 januari 2015 (prod. 14 cva) waarin zij zich richt tot [een persoon] met een vraag om voor het schip desgewenst aan handelaren en makelaars aanbiedingen voor het schip te vragen.

In een mail van [medewerkster] aan [appellante] van 9 juli 2015 (prod. 22 mva), waarin over verlaging van de verkoopprijs wordt gesproken, wordt [een persoon] in “cc” genoemd.

Het hof concludeert uit voormelde mails dat [een persoon] een voor [appellante] bekende persoon was die ten behoeve van [geïntimeerde] betrokken was bij de verkoop van het schip. Dat ten tijde van voormelde mails [oprichter van geintimeerde] bevoegd vertegenwoordiger van [geïntimeerde] was en dat [een persoon] zich toen richtte naar de directieven van [oprichter van geintimeerde] , brengt niet mee dat [een persoon] voor [appellante] een onbekende was in het verkoopproces van het motorjacht van [geïntimeerde] .

3.14.6.

Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat [appellante] , als redelijk bekwaam en redelijk handelend opdrachtnemer van [geïntimeerde] , er naar aanleiding van voormelde mails niet langer zonder meer van mocht uitgaan dat [oprichter van geintimeerde] nog bevoegd was om [geïntimeerde] te vertegenwoordigen toen [oprichter van geintimeerde] [appellante] instrueerde om de verkoopopbrengst naar [oprichter van geintimeerde] in privé over te boeken.

3.15.

[appellante] voert verder aan dat voor haar onverklaarbaar is dat alle aandelen van [geïntimeerde] , met daarin het motorjacht, voor GBP 1.00 zou zijn verkocht aan [holdings] (mvg, blz 9, laatste al.), terwijl [oprichter van geintimeerde] in persoon het vaartuig had gekocht voor

€ 450.000,-, hij het schip heeft laten opknappen, [oprichter van geintimeerde] het schip vervolgens om belastingtechnische redenen in heeft gebracht in [geïntimeerde] en dat hij opdracht heeft gegeven om het schip te verkopen met een vraagprijs van € 745.000,-.

Kennelijk wil [appellante] hiermee betogen dat [oprichter van geintimeerde] privé recht had op de verkoopopbrengst, althans dat [appellante] dit kon en mocht menen, zodat de overboeking van de verkoopopbrengst naar [oprichter van geintimeerde] in privé terecht was.

3.15.1.

Het hof is van oordeel dat voormelde stellingen van [appellante] niet wegnemen dat [geïntimeerde] ten tijde van de verkoop eigenaresse van het schip was en daarom gerechtigd was om de verkoopopbrengst te ontvangen.

3.15.2.

Bovendien laat [appellante] , die als opdrachtnemer van [geïntimeerde] voor de belangen van [geïntimeerde] had op te komen, na aan te geven welk onderzoek zij ten tijde van de overboeking van de verkoopopbrengst naar [oprichter van geintimeerde] in privé had gedaan en welke informatie zij in dat onderzoek had gekregen over de (eventueel nog aan [oprichter van geintimeerde] verschuldigde) tegenprestatie van [geïntimeerde] voor de inbreng van het schip, of over het ontbreken van zo’n tegenprestatie en de reden daarvan.

3.15.3.

Het voorgaande leidt tot verwerping van voormeld betoog van [appellante] .

3.16.

[appellante] heeft voorts als reden om de verkoopopbrengst naar [oprichter van geintimeerde] over te maken opgegeven dat ondanks herhaald en dringend verzoek van [appellante] , [geïntimeerde] haar niet een namens [geïntimeerde] ondertekende salesagreement deed toekomen (mvg, blz 10, laatste al.)

3.16.1.

Enkel deze reden acht het hof onvoldoende om te kunnen concluderen dat [appellante] na de mails van 12 oktober 2015 en van 13 en 16 november 2015 redelijkerwijs mocht aannemen dat [oprichter van geintimeerde] nog steeds bevoegd was om [geïntimeerde] te vertegenwoordigen ten tijde van het overmaken van de verkoopopbrengst aan [oprichter van geintimeerde] en dat [oprichter van geintimeerde] in privé recht had om de verkoopopbrengst te ontvangen. [appellante] had dan ook twijfel behoren te houden.

3.17.

Gezien al het bovenstaande had [appellante] ten tijde van instructie van [oprichter van geintimeerde] tot overboeking van de verkoopopbrengst van haar derdengeldrekening naar de privérekening van [oprichter van geintimeerde] op 22 januari 2016, als redelijk handelend en redelijk bekwaam opdrachtnemer van [geïntimeerde] , toen recente gegevens over [geïntimeerde] (zoals een uittreksel van Companies House Gibraltar conform productie 1 bij inleidende dagvaarding of een certificate of good standing conform productie 14 bij inleidende dagvaarding) ontbraken, moeten vragen aan [oprichter van geintimeerde] waaruit kon blijken of [oprichter van geintimeerde] nog een rol had in [geïntimeerde] , althans een recente schriftelijke volmacht van [geïntimeerde] verleend aan [oprichter van geintimeerde] , waaruit kon blijken dat [oprichter van geintimeerde] bevoegd was namens [geïntimeerde] de overboekingsopdracht van de verkoopopbrengst naar de privérekening van [oprichter van geintimeerde] te geven. Niet is gesteld of gebleken dat [appellante] dit aan [oprichter van geintimeerde] heeft gevraagd. In de procedure is ook geen enkel bewijsstuk door [appellante] overgelegd, waaruit kan blijken dat [oprichter van geintimeerde] op of omstreeks 22 januari 2016 bevoegd was opdracht te geven tot de overboeking van de verkoopopbrengst naar hem in privé. Gezien de gerezen onduidelijkheid is er op dat moment ook geen sprake van door [geïntimeerde] gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [oprichter van geintimeerde] . Zolang de onduidelijkheid bleef voortbestaan, had [appellante] jegens [oprichter van geintimeerde] en [een persoon] de onzekerheidsexceptie van artikel 6:37 BW kunnen inroepen en in afwachting van definitieve duidelijkheid over de partij aan wie zij moest betalen haar doorbetalingsverplichting kunnen opschorten.

Door in de gegeven omstandigheden te betalen aan [oprichter van geintimeerde] is [appellante] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichting om de verkoopopbrengst aan [geïntimeerde] af te dragen.

Op grond van het voorgaande falen de grieven I tot en met VIII.

Hoofdsom.

3.18.

[geïntimeerde] vordert primair nakoming van de verplichting van [appellante] tot doorbetaling van de verkoopopbrengst. Uit de transactiedetails van de bank (prod. 4 cva) blijkt dat op 22 januari 2016 een bedrag van € 316.239,36 is overgemaakt naar de privérekening van [oprichter van geintimeerde] . De berekening van dat bedrag, zoals door [appellante] aangegeven in grief IX en de juistheid van de posten in die berekening heeft [geïntimeerde] niet voldoende betwist. Gelet hierop zal voormeld bedrag worden toegewezen.

Grief IX slaagt dus. In zover zal het vonnis worden vernietigd.

3.19.

Als de nagenoeg geheel in het ongelijk gestelde partij dient [appellante] de proceskosten van [geïntimeerde] te dragen, te weten het door [geïntimeerde] betaalde griffierecht van

€ 5.382,- en de geliquideerde advocaatkosten van € 5.878,50 (<mva=1 punt + akte=0,5 punt> x tarief VI in hoger beroep=€ 3.919,-).

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis uitsluitend wat betreft de veroordeling tot betaling van

€ 329.227,- in hoofdsom en opnieuw rechtdoende

veroordeelt [appellante] tot betaling van € 316.239,36, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW met ingang van 3 november 2016, telkens na afloop van één jaar na voormelde datum te vermeerderen met de over dat jaar verschuldigde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW;

verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 5.382,- aan griffierecht en op € 5.878,50 aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, M.A.M. Vaessen en G. Creutzberg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 oktober 2019.

griffier rolraadsheer