Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3600

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
200.231.569_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brandschade aan een gehuurde bedrijfshal, waarbij de brand is ontstaan in een taxibusje van de huurder. In geschil is of de of huurder van de bedrijfshal aansprakelijk is voor de brandschade aan het gebouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2020/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.231.569/01

arrest van 1 oktober 2019

in de zaak van

[leasing] Leasing BV,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. M.A.C. van Guldener te Hoogeveen,

tegen

[de vennootschap] voorheen [beheer] Beheer BV,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [de vennootschap] , respectievelijk [beheer] ,

advocaat: mr. V.H. Jurgens te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 november 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 23 augustus 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [beheer] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5286164 CV EXPL 16-6142)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 26 oktober 2016.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Tussen [appellante] als huurder en [beheer] als verhuurder is in augustus 2015 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot een bedrijfshal aan de [vestigingsadres] in [vestigingsplaats] . Op grond van deze overeenkomst huurde [appellante] van [beheer] ingaande 26 augustus 2015 de bedrijfshal, groot 2.650 m2 voor een huurprijs van € 27,50 per m2 per jaar. [appellante] huurde de bedrijfshal om daarin circa 200 taxibusjes te plaatsen.

3.1.2.

Op 27 augustus 2015 is een medewerker van [appellante] , de heer [medewerker van appellante] , in opdracht van [appellante] begonnen met het plaatsen van de taxibusjes in de bedrijfshal. Toen hij het tiende taxibusje in de hal reed zag hij dat het busje dat hij als eerste in de hal had geplaatst, vlam had gevat. Hij is er niet in geslaagd de brand te blussen, waardoor de brand zich heeft uitgebreid en schade heeft toegebracht aan de bedrijfshal.

3.2.

[de vennootschap] , voorheen [beheer] acht [appellante] aansprakelijk voor de schade die zij als gevolg van de brand heeft geleden. In eerste aanleg vorderde [beheer] een bedrag in hoofdsom van € 239.600,50, zijnde de schade aan de bedrijfshal na aftrek van de uitkering die [beheer] van haar verzekeraar had ontvangen, te vermeerderen met wettelijke rente. Verder vorderde zij een bedrag van € 2.973,- aan buitengerechtelijke incassokosten en een bedrag van € 39.474,- wegens huurderving.

3.3.

[appellante] heeft in eerste aanleg verweer gevoerd tegen de vorderingen van [beheer] . Zij heeft bestreden dat zij aansprakelijk is voor de brandschade aan de bedrijfshal; daartoe voerde zij aan dat zij slechts dán aansprakelijk zou zijn indien zij toerekenbaar tekortgeschoten zou zijn in de nakoming van haar verplichtingen ingevolge de met [beheer] gesloten huurovereenkomst, en van een dergelijke toerekenbare tekortkoming is volgens [appellante] geen sprake. Subsidiair heeft zij zich beroepen op een aanzienlijke mate van eigen schuld aan de zijde van [beheer] ten aanzien van de schade aan de bedrijfshal. Verder heeft zij de hoogte van het gestelde schadebedrag bestreden en heeft zij aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met het feit dat [beheer] door het herstel van de brandschade in een voordeliger situatie was komen te verkeren.

3.4.

De kantonrechter heeft alle weren van [appellante] tegen de gevorderde hoofdsom verworpen. De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep [appellante] veroordeeld om aan [beheer] de gevorderde hoofdsom (die door de kantonrechter is herberekend op

€ 239.574,65) te betalen, vermeerderd met wettelijke rente. Ook het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is door de kantonrechter toegewezen. De gevorderde schade wegens huurderving is door de kantonrechter afgewezen. [appellante] is door de kantonrechter in de proceskosten veroordeeld.

3.5.

[appellante] kan zich niet verenigen met het vonnis van de kantonrechter, voor zover daarin haar weren tegen de vorderingen van [beheer] zijn verworpen en die vorderingen zijn toegewezen. [appellante] heeft vier grieven tegen het vonnis van de kantonrechter aangevoerd.

3.6.

De eerste grief van [appellante] is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter, zoals verwoord in rechtsoverweging 4.3.3 van het vonnis waarvan beroep. In die rechtsoverweging oordeelt de kantonrechter dat [appellante] is tekortgeschoten in haar verplichtingen als huurder. De kantonrechter heeft dit oordeel als volgt gemotiveerd:

[appellante] heeft tegengesproken dat zij in haar zorgplicht is tekortgeschoten. Zij heeft echter erkend dat de schadeveroorzakende brand is ontstaan in een van haar taxibussen die in de bedrijfshal was geplaatst. Hoewel [appellante] uitvoerig is ingegaan op de – klaarblijkelijk niet meer vast te stellen – oorzaak daarvan, is naar het oordeel van de kantonrechter die oorzaak voor de beoordeling van de vorderingen van [beheer] niet van belang. Tegenover [expertise] Expertise B.V. heeft [medewerker van appellante] verklaard dat hij tijdens het binnenrijden van de busjes en het ontdekken van de brand alleen was in de loods (…). Ter zitting is dit bevestigd door [medewerker van beheer] namens [beheer] . [appellante] heeft dit niet weersproken. Ook overigens is niet gesteld of gebleken dat de brand is ontstaan door toedoen van (medewerkers van) [beheer] , zodat [beheer] op dit punt geen enkel verwijt treft. De oorzaak van de brand ligt dan ook geheel in de risicosfeer van [appellante] en is om die reden aan haar toe te rekenen. Daarmee staat vast dat [appellante] door het ontstaan van de brand in haar zorgplicht als huurder is tekort geschoten.

3.7.

Naar het oordeel van het hof is de eerste grief van [appellante] die is gericht tegen voormeld oordeel van de kantonrechter, terecht aangevoerd, dit gelet op het volgende.

Op grond van artikel 7:218 lid 1 BW is een huurder pas dán aansprakelijk voor schade aan de verhuurde zaak indien die schade is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst. Het tweede lid van artikel 7:218 BW bepaalt dat alle schade wordt vermoed te zijn ontstaan door een aan de huurder toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst, behoudens brandschade en, in geval van huur van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, schade aan de buitenzijde van het gehuurde.

Van belang in dit verband is hetgeen is vermeld in de Memorie van Toelichting op voormeld wetsartikel (Kamerstukken 26089, nr. 3):

Het tweede lid bevat twee uitzonderingen. Die voor brandschade is ontleend aan het huidige artikel 1600 lid 2. Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat een aansprakelijkheid voor brand voor de huurder een te zware last zou meebrengen, wanneer het risico dat de oorzaak van de schade in het duister blijft voor zijn rekening zou komen.

Waar ieder verhuurder zijn onroerende zaken tegen brand verzekerd pleegt te hebben, is het punt daar overigens van ondergeschikt belang.

Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande dat het enkele feit dat de brand is ontstaan in een taxibusje van [appellante] , onvoldoende is om te kunnen concluderen dat de schade aan de bedrijfshal voor rekening en risico van [appellante] komt. Van aansprakelijkheid aan de zijde van [appellante] kan immers pas dán sprake zijn indien zij is tekortgeschoten in haar zorgplicht als huurder. Met het enkele feit dat de brand is ontstaan in een taxibusje van [appellante] , is niet gegeven dat de brandschade het gevolg is van een aan [appellante] toerekenbare tekortkoming als huurder.

De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot het gestelde tekortschieten van [appellante] ligt bij [de vennootschap] .

3.8.

[de vennootschap] heeft in dit verband gesteld dat [appellante] een gebrekkige taxibus in de bedrijfshal heeft geplaatst, welke taxibus in brand is gevlogen ten gevolge waarvan (ernstige) brandschade is ontstaan en de bedrijfshal is verwoest. Volgens [de vennootschap] bestond het gebrek in een lekkende remleiding in het busje en is daardoor de brand is veroorzaakt. Zij verwijst daartoe naar het technisch rapport van [onderzoeksbureau] B.V. dat in opdracht van haar verzekeraar is opgemaakt (productie 7 bij de inleidende dagvaarding). In het rapport is vermeld dat een deel van de remleiding van het taxibusje waarin de brand is ontstaan, is veilig gesteld en nader is onderzocht door Kiwa/Gastec in [vestigingsplaats] . De remleiding is aldaar getest op een waterdruk van 300 bar, 400 bar en 500 bar. Hieromtrent is in het rapport van [onderzoeksbureau] (op pagina 19) vermeld:

Tijdens het door Kiwa/Gastec ingestelde onderzoek is vastgesteld dat er bij alle hiervoor genoemde (water)drukken er sprake was van een lekkage, die volgens de uitvoerder van het onderzoek/de testen in de remleiding aanwezig is en wel in het deel dat zich in de wartel bevindt. Van de testen zijn filmopnamen vervaardigd die aan [onderzoeksbureau] B.V. ter beschikking zijn gesteld. Deze beelden zullen in het dossier worden bewaard.

Op pagina 22 van het rapport van [onderzoeksbureau] B.V. is onder “Resumé technisch onderzoek” onder meer vermeld:

Remvloeistof betreft een brandbare stof, waarvan zeer zeker niet kan worden uitgesloten dat deze gedurende de lekkage in aanraking is gekomen met een heet oppervlak in het motorcompartiment en aldaar op enig moment de brand heeft veroorzaakt.

Op pagina 28 van het rapport van [onderzoeksbureau] B.V. is onder “Resumé/conclusie” onder meer vermeld:

  • -

    De brand is met zekerheid ontstaan in de taxibus van het merk Ford, voorzien van het kenteken [kenteken] .

  • -

    De brand ontstond aan de linker voorzijde in het motorcompartiment (bestuurderszijde).

  • -

    Als gevolg van de zeer ernstige aantasting van de Ford en met name het motorcompartiment, kon de exacte oorzaak van de brand niet meer worden vastgesteld.

  • -

    Gezien het feit echter dat er aan een op de hoofdremcilinder aangesloten remleiding is gelast/gesoldeerd en de betreffende remleiding ter hoogte van de aansluitwartel op de hoofdremcilinder een lekkage vertoont, alsmede het feit dat remvloeistof een brandbare stof betreft, is de meest aannemelijke oorzaak voor het ontstaan van de brand het ontbranden van remvloeistof geweest, dat uit de remleiding is gelekt c.q. gevloeid en op hete onderdelen in het motorcompartiment terecht is gekomen als gevolg van een lek en/of scheur in die remleiding.

3.9.

[appellante] betwist dat de meest aannemelijke oorzaak voor het ontstaan van de brand moet worden gezocht in een lekkende remleiding van het taxibusje. Zij verwijst in dit verband naar het rapport van de deskundige [deskundige aan de zijde van appellante] van [expertise] Expertise B.V. dat als productie 1 bij conclusie van antwoord door haar in het geding is gebracht. [deskundige aan de zijde van appellante] heeft weliswaar niet het desbetreffende taxibusje kunnen onderzoeken omdat dat inmiddels was gesloopt, maar hij heeft wel de beschikking gekregen over het foto- en filmmateriaal in het dossier van [onderzoeksbureau] B.V. Ook het veilig gestelde stukje remleiding is aan [deskundige aan de zijde van appellante] ter beschikking gesteld voor nader onderzoek. [deskundige aan de zijde van appellante] heeft het stukje remleiding laten onderzoeken door Philips Research Material Analysis en door Element Materials Technolgy De conclusie van dat onderzoek is dat de druppels op de remleiding geen gevolg kunnen zijn van uitgevoerde las-/soldeerwerkzaamheden omdat de druppels ongelegeerd koper betreffen, afkomstig van een elektrakabel.

Onderdeel van het onderzoek van [deskundige aan de zijde van appellante] betrof verder onder meer: het inwinnen van informatie bij de technische afdeling van Ford Nederland omtrent de reminstallatie van de onderhavige Ford en het inwinnen van informatie bij S.A. Oleotest N.V. gevestigd te [vestigingsplaats] omtrent de technische gegevens van de remvloeistof.

  • -

    Op pagina’s 17 en 18 van het rapport van [deskundige aan de zijde van appellante] is onder “Samenvatting en conclusie” onder meer het volgende vermeld:dat deze brand mogelijk een gevolg zou zijn van lekkage van remvloeistof, zoals gepresenteerd door [onderzoeksbureau] is uiterst onwaarschijnlijk te achten, immers de uitgevoerde reconstructie waaruit dit zou moeten blijken is uitgevoerd op basis van onjuiste parameters, namelijk is een veel hogere testdruk gehanteerd dan de gebruikelijke werkdruk en is afgeperst met water en niet met remvloeistof (andere viscositeit). Bovendien kan het geconstateerde lek ook een gevolg zijn van de brand.

  • -

    Tenslotte was op het moment van ontdekken van de brand, het voertuig al te zeer afgekoeld voor het nog kunnen ontsteken van een damp afkomstig van remvloeistof;

  • -

    dat aan de leiding zou zijn gesoldeerd wordt tegengesproken door het onderzoek door Element. De op de leiding aangetroffen druppels moeten afkomstig zijn van een gesmolten elektrakabel;

  • -

    een onderzoek door rapporteur naar een andere brandoorzaak kan niet meer worden ingesteld, het betreffende taxibusje is inmiddels gesloopt en de loods gerepareerd;

  • -

    met betrekking tot een andere brandoorzaak dient te worden gedacht aan sluiting in de elektra (veel bedrading zou loshangend onder het dashboard zijn aangetroffen) of een van buiten komend onheil in de vorm van een weggeworpen sigarettenpeuk welke in de motorruimte terecht is gekomen.

Resumerend wordt dan ook gesteld, dat rapporteur de conclusie van de onderzoekers van [onderzoeksbureau] deelt, namelijk dat de oorzaak van het ontstaan van deze brand niet meer vastgesteld kon worden.

3.10.

De door beide partijen ingeschakelde deskundigen hebben op elkaars bevindingen gereageerd (respectievelijk productie 18 van [beheer] in eerste aanleg en productie 22 van [appellante] in eerste aanleg), waarbij zij hebben gepersisteerd bij hun bevindingen en conclusies, met dien verstande dat [onderzoeksbureau] B.V. erkent dat, gelet op het nadere onderzoek in opdracht van [appellante] , de conclusie van [onderzoeksbureau] B.V. dat het op de remleiding aangetroffen koperkleurig materiaal het gevolg is geweest van lassen/solderen geen stand kan houden.

3.11.

Naar het oordeel van het hof kan aan de hand van het deskundigenrapport van [onderzoeksbureau] B.V. niet worden vastgesteld dat [appellante] is tekortgeschoten in haar zorgplicht als huurder zoals [de vennootschap] stelt. De bevindingen van [onderzoeksbureau] over de meeste aannemelijke oorzaak van de brand zijn mede gebaseerd op haar conclusie dat er aan een op de hoofdremcilinder aangesloten remleiding is gelast/gesoldeerd. Aan die bevindingen doet afbreuk dat [onderzoeksbureau] B.V. heeft erkend dat haar conclusie dat het op de remleiding aangetroffen koperkleurig materiaal het gevolg is geweest van lassen/solderen geen stand kan houden.

3.12.

Bij deze stand van zaken acht het hof de stelling van [de vennootschap] over de oorzaak van de brand onvoldoende onderbouwd tegenover de gemotiveerde betwisting door [appellante] op grond van het rapport van [deskundige aan de zijde van appellante] . Hierbij komt dat externe oorzaken niet kunnen worden uitgesloten (zie ook de opmerkingen van [deskundige aan de zijde van appellante] op pagina 5 van productie 22) en dat daarnaar geen althans onvoldoende onderzoek is gedaan. Het hof ziet geen aanleiding om zelf een deskundige te benoemen om onderzoek te laten doen naar het ontstaan van de schade, in aanmerking genomen dat het taxibusje is vernietigd en de bedrijfshal is hersteld.

3.13.

Aan bewijslevering door het horen van getuigen onder wie de onderzoekers van

[onderzoeksbureau] B.V., zoals door [de vennootschap] aangeboden, komt het hof gelet op het vorenstaande niet toe. Overigens is het bewijsaanbod van [de vennootschap] ook onvoldoende gespecificeerd. Van haar had mogen worden verlangd dat zij had toegelicht welke vragen onbeantwoord zijn gebleven in het deskundigenrapport en welke vragen aan de onderzoekers hadden kunnen voorgelegd in het kader van een getuigenverhoor. In het bewijsaanbod worden ook geen concrete feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden.

3.14.

Naar het oordeel van het hof kan, op grond van het voorgaande, niet worden vastgesteld dat de onderhavige brand is ontstaan doordat, zoals [de vennootschap] stelt, [appellante] een gebrekkige taxibus in de bedrijfshal heeft geplaatst, welke taxibus in brand is gevlogen ten gevolge waarvan (ernstige) brandschade is ontstaan en de bedrijfshal is verwoest. Evenmin is komen vast te staan dat de brand anderszins is ontstaan doordat [appellante] zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen ingevolge de met [beheer] gesloten huurovereenkomst.

3.15.

De conclusie op grond van het voorgaande is dat de eerste grief van [appellante] gegrond is en dat de vordering van (thans) [de vennootschap] reeds om die reden niet toewijsbaar is. Het vonnis van de kantonrechter kan niet in stand blijven. Het hof zal dat vonnis, voor zover daarin de vorderingen van [beheer] waren toegewezen, vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van (thans) [de vennootschap] alsnog geheel afwijzen. De vordering van [appellante] tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van het vonnis waarvan beroep aan [de vennootschap] heeft voldaan, is toewijsbaar. [de vennootschap] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarin de vorderingen van [beheer] waren toegewezen;

in zoverre opnieuw rechtdoende;

wijst de vorderingen van (thans) [de vennootschap] alsnog geheel af;

veroordeelt [de vennootschap] tot terugbetaling aan [appellante] van al hetgeen [appellante] ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep aan [de vennootschap] heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door [appellante] aan [de vennootschap] , tot aan de dag van de terugbetaling;

veroordeelt [de vennootschap] in de kosten van beide instanties en begroot die kosten aan de zijde van [appellante] als volgt:

- wat betreft de eerste aanleg op € 941,- voor griffierecht en op € 1.600,- voor salaris gemachtigde;

- wat betreft het hoger beroep op € 5.270,- voor griffierecht, op € 80,42 voor dagvaardingskosten en op € 3.919,- voor salaris advocaat;

verklaart de voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.P. de Haan en M.E. Bruning en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 oktober 2019.

griffier rolraadsheer