Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3569

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
20-002100-17 (OWV)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002100-17 OWV

Uitspraak : 18 september 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 30 juni 2017 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-820169-14 tegen:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 165.000,- en is aan veroordeelde een betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag.

Van de zijde van de veroordeelde is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.

De verdediging heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel alsmede de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest.

Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.

Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeling

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juni 2016 onder parketnummer 01/820169-14 tot straf veroordeeld onder meer ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van het telen van 512 hennepplanten in de periode van 25 december 2013 tot en met 9 januari 2014.

De wettelijke grondslag

Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten en andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan, te weten de teelt van hennepplanten in de periode voorafgaande aan 25 december 2013 te weten vanaf januari 2013 een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.

De schatting van het voordeel

Aantal oogsten

De rechtbank heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op 4 oogsten.

Met de rechtbank gaat het hof eveneens van dit aantal oogsten uit, nu tegen deze vaststelling door de advocaat-generaal en de verdediging geen grieven zijn aangevoerd en het hof evenmin aanleiding ziet anders te oordelen.

De rechtbank heeft vervolgens het voordeel op de navolgende wijze geschat (vonnis, blz. 4 t/m 6):

In de kweekruimte stonden twee kweekmachines. In en op de eerste kweekmachine stonden 432 hennepplanten in bloempotten. Per vierkante meter stonden er zeven hennepplanten. In en op de tweede kweekmachine stonden 80 hennepplanten en/of potten. Per vierkante meter stonden er tien hennepplanten en/of potten.

In het BOOM-rapport is een tabel opgenomen met daarin de opbrengst per hennepplant, waarbij deze opbrengst afhankelijk is van de hoeveelheid hennepplanten per vierkante meter. Het BOOM-rapport stelt dat de opbrengst aan hennep per plant van de eerste kweekmachine minimaal 31,8 gram bedraagt en dat de opbrengst aan hennep per plant van de tweede kweekmachine minimaal 30,5 gram bedraagt.

De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt op grond van het voorgaande:

432 planten x 31,8 gram = 13,7376 kilogram

80 planten x 30,5 gram = 2,4400 kilogram +

16,1776 kilogram.

De rechtbank is van oordeel dat bij de bepaling van de kiloprijs van hennep dient te worden uitgegaan van het BOOM-rapport, nu de daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep niet kan worden vastgesteld. Daarin wordt uitgegaan van een opbrengst van hennep van € 3.280,00 per kilogram. Dit zou derhalve een bruto-opbrengst per oogst betekenen van (16,1776 x

€ 3.280,00 =) € 53.062,53.

De rechtbank gaat uit van vier gerealiseerde oogsten, waarmee de geschatte bruto opbrengst uit de hennepkwekerij uitkomt op een totaalbedrag van € 212.250,12.

Kosten per oogst.

-- Afschrijvingskosten.

De afschrijvingskosten zijn afhankelijk van de productiecapaciteit van de kwekerij.

Volgens het BOOM-rapport bedragen de afschrijvingskosten, uitgaande van 512 planten,

€ 350,00. De rechtbank zal dit uitgangspunt volgen.

-Aanschaf hennepstekken.

Nu de daadwerkelijke kosten niet bekend zijn, zal de rechtbank uitgaan van de in het BOOM-rapport genoemde norm van € 2,85 per stek. Dit levert een totaalbedrag op van (512 x

€ 2,85 =) € 1.459,20.

Variabele kosten.

Nu de daadwerkelijk gemaakte kosten niet bekend zijn, zal de rechtbank uitgaan van de in het BOOM-rapport genoemde norm van € 3,33 per plant. Dit levert een totaalbedrag

op van (512 planten x € 3,33 =) € 1.704,96.

-

Elektriciteitskosten.

Nu niet is gebleken dat [veroordeelde] kosten heeft gemaakt voor de afname van stroom ten behoeve van de hennepkwekerij, is de rechtbank van oordeel dat de elektriciteitskosten niet voor aftrek in aanmerking komen.

Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank de kosten per oogst vast op (€ 350,00 +

€ 1.459,20 + € 1.704,96 =) €3.514,46.

Het hof heeft geen reden anders te beslissen dan de rechtbank ten aanzien van voormelde kosten heeft gedaan en neemt derhalve deze schatting van kosten over en maakt deze tot de zijne. Hierbij merkt het hof op dat, voor zover in voormelde overwegingen wordt verwezen naar het BOOM-rapport, daarmee wordt gedoeld op het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht”, van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie van 1 november 2010.

Met betrekking tot de kostenpost “Kosten voor bewoners”, heeft de rechtbank vastgesteld dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van veroordeelde maandelijks een bedrag van

€ 2.750,- ontvingen als vergoeding voor het bewonen van de woning.

Het hof neemt deze vaststelling door de rechtbank in zoverre ten aanzien van deze kostenpost over en maakt deze tot de zijne, op grond waarvan het hof een bedrag van

€ 47.056,64 als kosten in verband met de hennepkwekerij in aanmerking neemt.

Anders dan de rechtbank zal het hof overeenkomstig het standpunt van de verdediging daarnaast nog een maandelijkse vergoeding van € 750,- in aanmerking nemen, te weten de vergoeding die [betrokkene 2] maandelijks van veroordeelde ontving voor het bewateren van de hennepplanten. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat deze kosten van bewatering niet vallen onder de variabele kosten als bedoeld in het BOOM-rapport. In totaal neemt het hof als kosten voor bewatering in aanmerking een bedrag van (12 x € 750,- =)

€ 9.000,-.

Uit het vorenstaande volgt dat het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt op: (€ 212.250,12 -/- € 47.056,64 -/- € 9.000,-=) € 156.193,- (afgerond).

De verdediging heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moet worden gebracht de geldelijke opbrengst van in totaal 14,88 kilo hennep die op 10 januari 2014 in beslag is genomen in de woning aan de [adres 2] . Volgens de verdediging is dit afkomstig van één van de hiervoor aannemelijk bevonden 4 oogsten en heeft deze inbeslaggenomen hoeveelheid geen geldelijk voordeel voor veroordeelde opgeleverd.

Het hof gaat aan dit verweer voorbij.

Door de verdediging is onvoldoende onderbouwd dat de in de woning aan de [adres 2] aangetroffen hoeveelheid hennep afkomstig is uit de kwekerij gelegen aan het [adres 3] , op welke kwekerij de hiervoor opgenomen voordeelberekening is gebaseerd. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat de hennep aangetroffen in de woning aan de [adres 2] uit een geheel andere kwekerij afkomstig is.

Voor zover de aangetroffen hennep wel van de kwekerij aan het [adres 3] afkomstig zou zijn, doet dit niet af aan de aannemelijk bevonden vier oogsten waarop de voordeelberekening is gebaseerd. De periode waarop de voordeelberekening is gebaseerd – te weten de periode van januari 2013 tot en met 9 januari 2014 – is zodanig ruim dat daarin, rekening houdende met een kweekcyclus van 10 weken, eenvoudig nog een vijfde oogst te realiseren is geweest. Het door de verdediging hiertegen ingebrachte standpunt dat de kwekerij in deze periode van een jaar ook enkele weken stil heeft gelegen wordt door het hof niet aannemelijk bevonden gelet op het ontbreken van iedere onderbouwing van dit standpunt.

Op te leggen betalingsverplichting

Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De verdediging heeft verzocht de betalingsverplichting op nihil te stellen dan wel aanzienlijk te matigen gelet op de “schrijnende” financiële situatie waarin veroordeelde verkeert. Ter onderbouwing daarvan zijn door de verdediging eveneens stukken overgelegd.

Het hof is evenwel, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde thans, of op enig moment alsnog, niet in staat zou zijn aan zijn betalingsverplichting te voldoen, mede gelet op de geldende verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van deze betalingsverplichting ingevolge artikel 76 juncto artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het Openbaar Ministerie gedurende die termijn onbeperkt uitstel van betaling kan verlenen en betaling in termijnen kan toestaan. In dit verband merkt het hof nog op dat aannemelijk is dat veroordeelde in de periode 2013 - 2014 eigenaar was van twee woningen, te weten aan de [adres 3] en de [adres 2] . Ten aanzien van één van die woningen heeft de raadsvrouw ter terechtzitting aangevoerd dat na verkoop sprake was van een hypothecaire restschuld van ruim € 150.000. Op de vraag van het hof of de andere woning van veroordeelde is verkocht en, zo ja, of daarbij winst is behaald dan wel verlies is geleden en tot welk bedrag, moest de raadsvrouw, bij afwezigheid van veroordeelde, het antwoord schuldig blijven. Het hof is ook daarom van oordeel dat de door de verdediging verzochte matiging van het te betalen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat, niet toegewezen kan worden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het wederrechtelijk behaalde voordeel.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 156.193,00 (éénhonderdzesenvijftigduizend éénhonderddrieënnegentig euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 156.193,00 (éénhonderdzesenvijftigduizend éénhonderddrieënnegentig euro).

Aldus gewezen door:

mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,

mr. P.T. Gründemann en mr. A.R.O. Mooy, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. Van der Meijs, griffier,

en op 18 september 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. J.H.W. van der Meijs zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.