Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:3554

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-09-2019
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
20-000313-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000313-18

Uitspraak : 11 september 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 16 januari 2018 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-036615-17 en 02-038058-17, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, parketnummer 02-123044-16, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres]

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het onder parketnummer 02-036615-17 onder 1 (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht) en 2 (belediging) ten laste gelegde en het onder parketnummer 02-038058-17 ten laste gelegde (wederspannigheid, enig letsel ten gevolge hebbend) bewezen zal verklaren en verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts is gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] geheel dienen te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 weken (parketnummer 02-123044-16) dient volgens de advocaat-generaal gedeeltelijk te worden omgezet in een taakstraf van 60 uur, subsidiair 28 dagen hechtenis.

Door en namens de verdachte is ten aanzien van het in zaak met parketnummer

02-036615-17 onder 1 en 2 ten laste gelegde vrijspraak betoogd. Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 02-038058-17 ten laste gelegde is eveneens vrijspraak verzocht. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd en zijn opmerkingen gemaakt over de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Ten slotte is primair verzocht om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, subsidiair over te gaan tot een omzetting in taakstraf.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 Sv.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 02-036615-17:

1.
hij op of omstreeks 21 februari 2017 te Breda bijzonder opsporingsambtenaar [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde 1] dreigend de woorden toegevoegd :"I'll shoot you dead", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.
hij op of omstreeks 21 februari 2017 te Breda, opzettelijk beledigend een bijzonder opsporingsambtenaar, te weten [benadeelde 1] , gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in het openbaar en/of in diens tegenwoordigheid, mondeling heeft toegevoegd de woorden "Kankerturk ik neuk je moeder" en/of "Kankerlijer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.


Zaak met parketnummer 02-038058-17 (gevoegd):

hij op of omstreeks 13 januari 2017 in de gemeente Breda, toen de aldaar dienstdoende bijzonder opsporingsambtenaar en/of arrestantenbewaarder van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant [benadeelde 2] en/of hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant [politiebeambte 1] verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 447e Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het Cellencomplex Breda, Mijkenbroek 31, 4824 AR Breda, zich met geweld heeft verzet tegen de aldaar dienstdoende bijzonder opsporingsambtenaar en/of arrestantenbewaarder van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant [benadeelde 2] en/of hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant [politiebeambte 1] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen en/of te duwen en/of te schudden tegen het lichaam en/of (de) overige lichaam(sdelen) van die [benadeelde 2] en/of [politiebeambte 1] , ten gevolge waarvan de opsporingsambtenaar [benadeelde 2] enig lichamelijk letsel (te weten een zware kneuzing van de schouder) bekwam.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-036615-17 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 02-038058-17 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 02-036615-17:

1.
hij op 21 februari 2017 te Breda bijzonder opsporingsambtenaar [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde 1] dreigend de woorden toegevoegd :"I'll shoot you dead", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2.
hij op 21 februari 2017 te Breda, opzettelijk beledigend een bijzonder opsporingsambtenaar, te weten [benadeelde 1] , gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in het openbaar en in diens tegenwoordigheid, mondeling heeft toegevoegd de woorden "Kankerturk "en "Kankerlijer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Zaak met parketnummer 02-038058-17 (gevoegd):

hij op 13 januari 2017 in de gemeente Breda, toen de aldaar dienstdoende hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant [politiebeambte 1] verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 447e Wetboek van Strafrecht, had aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het Cellencomplex Breda, Mijkenbroek 31, 4824 AR Breda, zich met geweld heeft verzet tegen de aldaar dienstdoende bijzonder opsporingsambtenaar en arrestantenbewaarder van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant [benadeelde 2] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig te duwen tegen het lichaam van die [benadeelde 2] , ten gevolge waarvan de opsporingsambtenaar [benadeelde 2] enig lichamelijk letsel bekwam.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Zaak met parketnummer 02-036615-17:

Door en namens de verdachte is, kort gezegd, betoogd dat de verklaringen die de opsporingsambtenaren hebben afgelegd over het incident van elkaar verschillen. De door [getuige 2] afgelegde verklaring is weer volstrekt anders en deze verklaring acht de raadsman onbetrouwbaar.

Aan de ambtsedig opgemaakte processen-verbaal dient geen bijzondere bewijskracht te worden toegekend. Die verklaringen schetsen bovendien een onjuiste feitelijke gang van zaken, nu verdachte stelt pas iets tegen de verbalisanten te hebben gezegd nadat hij was aangehouden en niet daarvóór. Verbalisanten waren dan ook niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, reden waarom is verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Voorts is gesteld dat van een naar huis gaand persoon zoals de verdachte (met het hondje van [getuige 2] ) niet geoordeeld kan worden dat daarvan enige reële dreiging dan wel reële vrees kan uitgaan. Dit laatste brengt eveneens met zich dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, zo begrijpt het hof.

Het hof overweegt als volgt.

Voorop wordt gesteld dat het hof de verklaring van [getuige 2] , die is geverbaliseerd in een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , niet tot het bewijs heeft gebezigd, zodat het verweer van de raadsman in zoverre geen bespreking behoeft.

Het hof stelt vast dat het door [benadeelde 1] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, diens aangifte en de verklaring van getuige [getuige 1] op essentiële onderdelen, te weten de toedracht en de wijze waarop het ten laste gelegde plaatsvond, met elkaar overeen komen, zodat het hof geen reden ziet om aan die verklaringen geen bewijskracht toe te kennen. Uit beide verklaringen volgt dat verdachte de onder 1 bewezenverklaarde bedreigende bewoordingen en de onder 2 bewezenverklaarde beledigende bewoordingen heeft geuit juist vóór hij werd aangehouden. Die bewoordingen van de verdachte vormden de reden voor zijn aanhouding. Anders dan is gesteld door de verdediging volgt uit het voorgaande juist dat de verbalisant [benadeelde 1] werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening bij de aanhouding van de verdachte.

Voorts overweegt het hof als volgt. Om tot een bewezenverklaring ter zake van bedreiging, zoals onder 1 is ten laste gelegd, te kunnen komen is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat jegens hem geweld zou worden uitgeoefend.1 Daarvan kan reeds sprake zijn indien de dader een dermate dreigende situatie heeft gecreëerd, dat de vrees van het slachtoffer voor geweld van de zijde van de dader gerechtvaardigd is.2

Het hof is van oordeel dat bij verbalisant [benadeelde 1] in de gegeven omstandigheden, gelet op de houding en gedragingen van de verdachte, te weten dat verdachte zich omdraaide, vervolgens [benadeelde 1] beledigde en daarop aangesproken door [benadeelde 1] tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd “I’ll shoot you dead”, waarbij de afstand tussen [benadeelde 1] en verdachte twee tot drie meter was, de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.

Het verweer van de raadsman faalt op dit punt en wordt verworpen.

Zaak met parketnummer 02-038058-17 (gevoegd):

Door en namens de verdachte is, kort gezegd, betoogd dat de verklaringen in het dossier over de feitelijke gang van zaken niet eenduidig zijn en strijdig met elkaar. Aan de ambtsedig opgemaakte processen-verbaal dient geen bijzondere bewijskracht te worden toegekend. De verklaring van de verdachte wordt op onderdelen bovendien ondersteund door andere verklaringen. Verdachte had geen opzet tot wederspannigheid.

Daar komt bij dat niet bewezen kan worden dat verbalisant [benadeelde 2] (hierna te noemen: [benadeelde 2] ) ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op het voorgaande is verzocht verdachte van dit feit vrij te spreken.

Het hof stelt vast dat uit de aangifte van [benadeelde 2] (pg. 14 e.v.) volgt dat verdachte zich in de fouilleringsruimte heeft verzet tegen [benadeelde 2] . Daarbij heeft verdachte geduwd tegen het lichaam van die [benadeelde 2] . Door de duwende bewegingen is [benadeelde 2] op de grond terecht gekomen waarbij hij pijn heeft bekomen aan zijn rechterschouder knie en linker knie. Van zijn schouder bleef hij last houden en daarmee is hij later naar een arts gegaan, die -kort gezegd- letsel heeft geconstateerd. In het dossier bevindingen zich voorts foto’s van de schouder van [benadeelde 2] . Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] (pg. 17 e.v.) volgt eveneens dat verdachte zich in de fouilleringsruimte hevig begon te verzetten tegen verbalisant [benadeelde 2] . Deze verklaringen van opsporingsambtenaren komen op essentiële onderdelen met elkaar overeen, te weten voor zover deze inhouden dat verdachte zich heeft verzet in de fouilleringsruimte tegen verbalisant [benadeelde 2] . Het hof is dan ook van oordeel dat op grond van voormelde bewijsmiddelen dit onderdeel van het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

Daarbij is het hof, met de verdediging, van oordeel dat onvoldoende bewijs voorhanden is om bewezen te verklaren dat verbalisant [benadeelde 2] een zware kneuzing van de schouder heeft opgelopen ten gevolge van het handelen van verdachte. Het hof acht dit onderdeel van de tenlastelegging derhalve niet bewezen. Wel acht het hof bewezen dat de wederspannigheid van de verdachte enig lichamelijk letsel voor [benadeelde 2] ten gevolge heeft gehad.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 02-036615-17 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het in de zaak met parketnummer 02-036615-17 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het in de zaak met parketnummer 02-038058-17 bewezenverklaarde levert op:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Door en namens de verdachte is verzocht om bij een eventuele strafoplegging meer rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte dan de politierechter heeft gedaan. Verdachte heeft tijdens een eerder reclasseringstoezicht meegewerkt en had intensief contact met Novadic Kentron en Fivoor. Het contact met Fivoor loopt tot op heden op vrijwillige basis door. Sinds het beëindiging van het eerdere toezicht heeft verdachte vooruitgang geboekt op alle vlakken en verdachte heeft op dit moment werk gevonden en geen uitkering meer nodig. De raadsman heeft het hof in overweging gegeven nader onderzoek te gelasten naar het voorgaande als het hof zich niet voldoende voorgelicht acht.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en belediging van verbalisant [benadeelde 1] . Met dat handelen heeft verdachte [benadeelde 1] angstgevoelens bezorgd en hem aangetast in zijn eer en goede naam. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid, letsel ten gevolge hebbend, en daarmee het gezag van bijzonder opsporingsambtenaar [benadeelde 2] ondermijnd.

Het hof heeft bij de strafoplegging voorts ten nadele van de verdachte meegewogen dat verdachte, blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 mei 2019, reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het plegen van strafbare feiten waarbij een geweldscomponent aan de orde was. Aan verdachte is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 oktober 2016 ter zake van het plegen van twee mishandelingen een taakstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met een proeftijd van 2 jaren, opgelegd met als bijzondere voorwaarde, kort gezegd, reclasseringstoezicht en het verlenen van medewerking aan het huidige behandeltraject. De opgelegde taakstraf is door verdachte voldaan. Dit brengt met zich dat op grond van artikel 22b, tweede lid, Sr niet enkel een taakstraf aan de verdachte kan worden opgelegd. Voorts staat ook het bepaalde in artikel 22b, eerste lid, waarin artikel 181 Sr is genoemd, aan oplegging van enkel een taakstraf in de weg. Een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt is op zijn plaats.

Ter terechtzitting van het hof is ten aanzien van de persoon van de verdachte het volgende gebleken. Uit het reclasseringsadvies d.d. 18 september 2018 volgt dat verdachte, hoewel hij zich aan de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 oktober 2016 opgelegde meldplicht hield, niet te begeleiden was omdat hij niet openstond voor behandeling of medicatiegebruik, welke nodig was in verband met de schizofrenie/schizoaffectieve stoornis van verdachte. Nadien heeft verdachte toch besloten mee te werken aan begeleiding en ambulante behandeling bij Fivoor. Op 14 september 2018 heeft de reclassering vernomen van Fivoor dat er wekelijks contact was met de verdachte en dat onder meer werd ingezet op het vinden van een passende vorm van dagbesteding en praktische ondersteuning.

Uit het door de advocaat-generaal voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep overgelegde e-mailbericht van [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker SPW bij verslavingsreclassering Regio West-Brabant van 19 augustus 2019, blijkt eveneens dat verdachte in de periode van september 2017 tot januari 2018 wisselend heeft meegewerkt aan het toezicht, dat hij geen medicatie (meer) wil gebruiken en dat vervolgens door de hulpverlening is ingezet op begeleiding. Een factor van zorg blijft echter dat verdachte zijn psychische problematiek niet erkent. In voornoemd e-emailbericht is voorts vermeld dat het toezicht is beëindigd vanwege het bereiken van de einddatum en dat in een voortgangsverslag van 5 maart 2019 is vermeld dat geen verontrustende signalen zijn ontvangen over de verdachte, die niet meer in horecagelegenheden in de stad komt en zijn middelengebruik heeft geminderd.

Uit het e-mailbericht van [behandelaar] , sociaal psychiatrisch verpleegkundige bij Fivoor, van 8 augustus 2019 blijkt dat verdachte tijdens de periode van reclasseringstoezicht vrijwilligerswerk heeft verricht. Na afloop van het toezicht heeft verdachte besloten de contacten bij Fivoor op vrijwillige basis voort te zetten. Verdachte werkt thans drie dagen per week en heeft geen uitkering meer. De volgende stap zal zijn om verdachte te begeleiden naar een zelfstandige woonruimte. Dit is mogelijk geworden omdat verdachte nu werkt. Sinds het toezicht is gestopt heeft verdachte grote stappen voorwaarts gemaakt.

Het hof stelt vast dat in het leven van verdachte meer stabiliteit is ontstaan, al verkeert deze nieuwe fase nog in een pril stadium. Het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van 1 maand, zoals de politierechter heeft gedaan zou deze recente positieve ontwikkelingen doorkruisen. Het hof acht dit onwenselijk en zal daarom aan de verdachte in plaats van een gevangenisstraf een taakstraf van 60 uur, bij niet verrichten te vervangen door 30 dagen hechtenis, opleggen. Daarnaast zal het hof aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, waarvan 13 dagen voorwaardelijk, opleggen, met een proeftijd van 2 jaar. De onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming is van de kortst mogelijke duur. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, in de zaak met parketnummer 02-036615-17 is sprake van één dag inverzekeringstelling, zal op deze straf in mindering worden gebracht.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding ter zake van geleden immateriële schade tot een bedrag van € 200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij is door de politierechter ter terechtzitting van 12 april 2017 in de vordering niet-ontvankelijk verklaard, omdat de politierechter tevoren niet op de hoogte was van de vordering van de benadeelde partij. Daarna is de vordering bij (schriftelijk) vonnis van 16 januari 2018 waarvan beroep geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Door en namens de verdachte is ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gesteld dat die vordering in eerste aanleg eerst niet-ontvankelijk is verklaard en vervolgens is toegewezen, hetgeen niet mogelijk is. De vordering is bovendien onvoldoende onderbouwd. Verzocht is dan ook de vordering af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.

Het hof stelt vast dat de politierechter op de zitting van 12 april 2017 de benadeelde partij weliswaar niet-ontvankelijk heeft verklaard en nadien de vordering bij vonnis van 16 januari 2018 alsnog heeft toegewezen, doch de procesbeslissing van 12 april 2017 kan de verdachte niet baten. Immers, de benadeelde partij te kennen heeft gegeven de vordering tot schadevergoeding te handhaven waardoor de vordering integraal ter beoordeling aan het hof voorligt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes parketnummer 02-036615-17 onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2017. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof merkt daarbij op dat het hof van oordeel is dat, anders dan is gesteld door de verdediging, de vordering voldoende is onderbouwd, waaruit blijkt welk nadeel [benadeelde 1] heeft geleden door het handelen van de verdachte.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 200,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals

hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding ter zake van geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De politierechter heeft verzuimd om te beslissen op de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Door en namens de verdachte is ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] gesteld dat de verdediging deze vordering in eerste aanleg te laat heeft ontvangen, zodat zij van de inhoud van die vordering niet op de hoogte waren. Op basis van de later ontvangen stukken is verzocht de vordering af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu niet blijkt dat sprake is van letsel en de vordering aldus onvoldoende is onderbouwd. Aanhouding om de vordering nader te laten onderbouwen zou een te groot beslag leggen op de behandeling van de vordering te terechtzitting. Bovendien betrof de door de benadeelde partij aangehaalde zaak een volstrekt andere zaak en is het onwenselijk dat politieambtenaren zich voegen als benadeelde partij omdat zij dan een persoonlijk belang hebben bij vervolging van een verdachte.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes parketnummer 02-038058-17 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2017. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld. Het hof merkt daarbij op dat het hof van oordeel is dat, anders dan is gesteld door de verdediging, de vordering tijdig is ingediend en voldoende is onderbouwd met stukken waaruit blijkt welk nadeel [benadeelde 2] heeft geleden door het handelen van de verdachte.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien een dergelijke behandeling nader onderzoek zou vergen naar de overigens gevorderde immateriële schade. Een dergelijk onderzoek gaat het bestek van dit strafproces, dat voor het overige geheel is afgerond, te buiten. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 350,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Zeeland-West-Brabant van 12 oktober 2016 onder parketnummer 02-123044-16. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Door en namens de verdachte is verzocht de vordering af te wijzen gelet op de geschetste gang van zaken en op grond van het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel.

Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast. Het hof zal de opgelegde gevangenisstraf echter gelet op de hiervoor geschetste persoonlijke omstandigheden van de verdachte omzetten in een taakstraf van 100 uur, subsidiair 28 dagen hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14g, 22c, 22d, 57, 181, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-036615-17 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 02-038058-17 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 02-036615-17 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 02-038058-17 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 13 (dertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-036615-17 onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2017 tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-036615-17 onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2017 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-038058-17 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2017 tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-038058-17 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2017 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Tenuitvoerlegging

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 oktober 2016, parketnummer 02-123044-16, welke straf zal worden omgezet in een taakstraf te weten een

taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 28 (achtentwintig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, voorzitter,

mr. J.J.M. Gielen-Winkster en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 11 september 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. O.A.J.M. Lavrijssen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005;AT3659 en HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:207.

2 Vgl. HR 22 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0225 en HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6967.